Pamflet april 2009

Click here to load reader

  • date post

    07-Mar-2016
  • Category

    Documents

  • view

    226
  • download

    2

Embed Size (px)

description

Verenigingsperiodiek der Sociologievereniging Usocia Utrecht

Transcript of Pamflet april 2009

  • april 2009 :: nr. 9 :: voor en door sociologen :: USOCIA

    Libertarir Hub JongenBelastingheng is een vorm van geweld

    p. 16

    Paul Nieuwbeerta Veel criminologisch onderzoek voldoet niet aan M&T1-criteria

    p. 4

    Het sprookje leeft voortDemocratie is te idealistisch

    p. 12

    PAMFLET

  • april 2009 :: nr. 9 :: voor en door sociologen :: USOCIA PAMFLETPAMFLET

    Colofon:

    Voorwoord

    Een dikke Pamet dit keer! De meeste redacties van kranten en tijdschriften moeten in deze tijden van crisis

    gaan snijden in hun werknemersbestand maar Het Pamet hoeft zich nergens zorgen over te maken. Misschien

    moeten wij eens na gaan denken over een overstap naar de publieke omroep.

    Hoe dan ook: ik zie tot mijn vreugde dat Het Pamet zich steeds meer tot een discussieplatform ontwikkelt.

    Naast de gebruikelijke polemiek die we elk nummer hebben heeft deze keer oud-redacteur Leonard van t

    Hul (momenteel studerende in Amsterdam) een reactie geschreven op het betoog tegen de vrije wil van Tito

    Sixma uit het vorige nummer. Daarnaast hebben we twee ingezonden stukken: pre-master en U-raadkandidaat

    Maarten Hillebrandt heeft kritiek op het Strategisch Plan van de Universiteit Utrecht en eerstejaarsstudent Jarl

    Mooyaart heeft een prikkelende aanklacht tegen de democratie. Ik ben benieuwd wat voor reacties we hier op

    gaan krijgen!

    Twee interviews dit keer: met docent en criminoloog Paul Nieuwbeerta en met libertarir Hub Jongen. Deze

    man is misschien wel de felste aanhanger van een ideologie die maar weinig mensen kennen. Ook hebben

    we een verhaal over de achtergrond van de naam van Usocia en haar connectie met Thomas More, en een

    boekverslag van het onlangs verschenen boek van Femke Halsema!

    Een nieuwerwetsigheid, gentroduceerd door een onzer vaste redacteuren, is de sociologische beschouwing

    van een oude foto uit Peru. Ook hebben wij uiteraard ht verslag van de studiereis!

    Dan rest mij te zeggen dat ik je, namens de redactie, veel leesplezier wens.

    Groeten,

    Jasper van de Pol

    Redactie: Thijs van Dooremalen, Laura Vonk, Job van den Berg, Tito Sixma, Jasper van de Pol

    Met dank aan: Remmert van Haaften, Jarl Mooyaart en Leonard van t Hul

    Vormgeving/ foto omslag: Mark Veenbrink Postadres: sociologievereniging Usocia,

    Heidelberglaan 1 K. 14.39 3584 CS Utrecht

    2

  • april 2009 :: nr. 9 :: voor en door sociologen :: USOCIA PAMFLETPAMFLET

    04 Docent aan het woord: Paul Nieuwbeerta

    06 Cartoon

    07 Vrije wil? Ik wel!

    10 Polemiek: Veiligheid is belangrijker dan vrijheid

    12 Democratie. Het sprookje leeft voort.

    15 Peiling: Wat is je geloofsovertuiging?

    16 Belastingheffing is een vorm van geweld

    20 De betekenis van de naam Usocia:

    een verkorte inburgeringscursus

    23 O fortuna

    24 De illusie van materieel geluk

    Boekverslag: Geluk! van Femke Halsema

    26 Weemoed naar Madrileense sferen

    29 De sociologische foto.

    32 De opleidingscommissie sociologie

    32 Agenda Usocia

    33 Ingezonden brief

    Inhoud:

    De redactie

    3

  • april 2009 :: nr. 9 :: voor en door sociologen :: USOCIA PAMFLETPAMFLET

    Paul Nieuwbeerta is de derde docent die wij

    interviewen in de reeks de docent aan het woord.

    Hij is bijzonder hoogleraar bij de vakgroep

    sociologie met als leeropdracht de analyse van

    maatschappelijke eecten van strafrechtelijke

    interventies. Sinds vorig jaar geeft hij in blok 3 het

    vak Crimineel gedrag over de levensloop. Daarnaast

    is hij werkzaam bij het Nederlands Studiecentrum

    Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR) in

    Amsterdam.

    Onlangs is aan Nieuwbeerta een prestigieuze VICI-

    subsidie toegekend, wat hem de mogelijkheid geeft

    om voor een enorm geldbedrag de eecten van

    gevangenisstraf te gaan onderzoeken. Dit was voor

    ons een mooie reden om hem uit te nodigen voor

    een interview. Eigenlijk weten we bijna niets over de

    werking van gevangenisstraen.

    Promotieonderzoek naar klassengebonden

    stemgedrag

    Mijn promotieonderzoek, ja, dat lijkt al weer heel

    erg lang geleden! Ik ben in 1995 gepromoveerd

    op klassengebonden stemgedrag in 25 westerse

    democratische landen vanaf de Tweede Wereldoorlog.

    Daarbij heb ik gekeken naar verschillen tussen landen en

    veranderingen binnen landen. Als je naar de verschillen

    tussen landen kijkt, valt op dat er veel variatie is: in

    Scandinavische landen en Groot-Brittanni stemmen

    mensen bijvoorbeeld veel meer volgens hun sociale

    klasse dan in bijvoorbeeld Nederland of de Verenigde

    Staten.

    Wat de veranderingen binnen landen betreft werd

    duidelijk dat stemgedrag sinds de Tweede Wereldoorlog

    steeds minder klassengebonden is geworden. Overigens

    had mijn dataset alleen maar betrekking op de situatie

    tot 1990, dus de ontwikkelingen in de recente 20 jaar zijn

    er niet in opgenomen. Eerlijk gezegd volg ik mijn oude

    vakgebied niet meer zo goed, maar volgens mij zet deze

    trend naar minder class voting nog steeds door.

    Vervolgens ben ik gaan kijken naar verklaringen voor

    deze verschillen en veranderingen. Stemgedrag wordt

    zowel benvloed door de klasse van je ouders als die

    van jezelf. Dus de gedachte van mij en mijn promotoren

    was: in een meer open samenleving, waar meer

    intergenerationele mobiliteit is, zal stemgedrag minder

    van iemands klasse afhangen. Als het makkelijker is om

    van klasse te veranderen zul je je immers ook minder

    bekommeren om de belangen van de klasse waarin je

    bent opgegroeid. Maar dit bleek niet te kloppen!

    Ik heb ook nog gekeken naar andere verklaringen,

    en ontdekt dat de verschillen tussen landen

    voornamelijk moeten worden gezocht in historische

    factoren. Sommige landen hebben bijvoorbeeld sterk

    georganiseerde vakbewegingen, die conicten tussen

    klassen aanwakkeren en mensen bewuster maken van

    hun sociaal-economische belangen. Daarnaast is ook

    de sterkte van andere maatschappelijke scheidslijnen

    van belang. In sommige landen, zoals Nederland, waren

    mensen juist sterker georganiseerd langs religieuze

    scheidslijnen. In deze landen speelt religie een veel

    sterkere rol bij stemgedrag dan sociale klasse.

    Criminologisch onderzoek

    In 2000 ben ik van onderzoeksonderwerp veranderd:

    van de politieke sociologie naar criminologie. Na tien

    jaar leek het me leuk om weer eens wat anders te

    doen dan onderzoek naar stemgedrag, en daarnaast is

    criminaliteit een ontzettend interessant onderwerp. Ik

    had destijds nog helemaal geen expertise op dit gebied,

    maar dat was niet zon probleem. In de eerste maanden

    heb ik er gewoon heel erg veel over gelezen.

    Bovendien blijft de manier van onderzoek bedrijven

    hetzelfde. Ik ben groot geworden in de sociologie

    zoals die ook hier in Utrecht wordt toegepast: met

    De docent aan het woordAevering 3: Paul Nieuwbeerta

    4

  • april 2009 :: nr. 9 :: voor en door sociologen :: USOCIA PAMFLETPAMFLET

    PTOB-schemas, theorie gestuurd empirisch onderzoek,

    et cetera. Omdat in de criminologie een zelfde

    werkwijze zeer goed kan worden toegepast was het

    vrij gemakkelijk om over te stappen naar een nieuwe

    discipline met een ander inhoudelijk terrein.

    Ik heb mij sindsdien vooral bezig gehouden met

    het bestuderen van criminele carrires. We gebruiken

    daarvoor een dataset met gegevens over ruim 5.000

    mensen die in 1977 voor een crimineel delict zijn

    veroordeeld. We hebben hun gehele levensloop van hun

    12 jaar tot aan 2006 in kaart gebracht en dezelfde soort

    informatie over hun partners en kinderen toegevoegd.

    Inmiddels hebben we over de meeste personen

    gegevens voor minstens 60 jaar. Met deze unieke dataset

    kunnen we dus zo ongeveer de gehele levensloop van

    deze mensen en hun directe omgeving onderzoeken. Op

    dit project zijn ook een aantal promovendi werkzaam.

    Twee belangrijke perspectieven in de criminologie zijn

    het biologisch/ psychologische en het sociologische.

    Vanuit het biologisch/psychologisch perspectief wordt

    vaak gesteld dat de criminele carrire van mensen

    rond hun twaalfde al wel min of meer vastligt. Het

    sociologisch perspectief gaat er juist vanuit dat er

    gedurende het hele leven allerlei sociale factoren van

    invloed blijven.

    Binnen het sociologisch perspectief zijn twee

    belangrijke theorien de bindingstheorie, die stelt

    dat sociale controle criminaliteit voorkomt, en de

    socialisatietheorie, die juist stelt dat criminaliteit mede

    veroorzaakt wordt door contact met criminele mensen.

    De resultaten van het onderzoek geven op dit moment

    aan dat zowel de bindings- als de socialisatietheorie

    waar zijn: sterke sociale bindingen zorgen er voor dat

    mensen minder snel crimineel gedrag vertonen, maar

    wanneer dit bindingen zijn met criminelen dan plegen

    ze zelf ook weer eerder crimineel gedrag. Een voorbeeld

    hiervan is het onderzoek dat Marieke van Schellen,

    AIO bij de vakgroep sociologie aan de UU, doet naar

    de invloed van trouwen op crimineel gedrag. Hieruit

    blijkt dat getrouwde mensen over het algemeen minder

    crimineel worden als ze trouwen. Maar wanneer ze

    met een crimineel trouwen worden ze juist sneller zelf

    crimineel!

    VICI-subsidie

    Eind vorig jaar heb ik een VICI-subsidie van de

    Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk

    Onderzoek (NWO) toegekend gekregen. Het gaat

    hier om een bedrag waarmee we in Utrecht en

    op het NSCR de komende vijf jaar samen met vier

    promovendi en een postdoc aan een onderzoeksproject

    kunnen gaan werken. Daarnaast is er dan nog

    geld om een grootschalige dataverzameling uit

    te voeren. Het onderzoek dat we gaan doen heeft

    betrekking op de eecten van gevangenisstraf op de

    levensomstandigheden van ex-gedetineerden, zoals

    hun gezondheid, hun gezinssituatie en hun positie op

    de arbeidsmarkt. Ook gaan we hun latere criminele

    gedrag bekijken.

    Er is tot dusverre zeker in ons land heel

    weinig goed onderzoek gedaan naar de eecten

    van gevangenisstraf op de latere levenslopen en

    criminele carrires van mensen. Vaak worden er

    allerlei beweringen over gedaan, maar die hebben

    weinig empirische onderbouwing. Over het algemeen

    leidt onderzoek tot de conclusie dat een hogere

    gevangenisstraf leidt tot meer recidive. Maar in die paar

    studies waarin adequaat gecontroleerd wordt voor

    de invloed van een hoop andere relevante factoren

    (en dus selectie-eecten), verdwijnen de eecten van

    gevangenisstraf grotendeels.

    Wat je als criminoloog eigenlijk moet hebben, is dat

    rechters verschillend oordelen over dezelfde zaken. Dan

    kun je voor personen die dezelfde kenmerken hebben

    en die dezelfde misdaad hebben gepleegd kijken wat

    het verschil is tussen wel en geen gevangenisstraf voor

    de rest van hun leven, inclusief hun criminele loopbaan.

    Daar hoop ik gebruik van te maken in VICI-onderzoek.

    Voorzichtig met beleidsadviezen!

    Of ik kan speculeren over de levensloop van Josef Fritzl?

    Nee, dat vind ik erg moeilijk. Over individuele gevallen

    weet je als onderzoeker meestal erg weinig. En: zelfs

    als er een sterk algemeen verband tussen het een en

    het ander bestaat kun je daarmee moeilijk uitspraken

    doen over individuele gevallen. Verder blijkt het op

    5

    >

  • april 2009 :: nr. 9 :: voor en door sociologen :: USOCIA PAMFLETPAMFLET

    basis van vele individuele kenmerken toch erg moeilijk

    te voorspellen of iemand later wel of niet crimineel zal

    worden.

    Ik vind daarom ook in het algemeen dat

    voorzichtigheid gepast is bij het doen van individuele-

    en beleidsadviezen. Veel criminologisch (maar ook

    sociologisch) onderzoek voldoet niet eens aan de criteria

    die eerstejaars studenten bij M&T1 leren. Hierdoor

    is er zo weinig duidelijkheid over het ontstaan van

    crimineel gedrag en de werking van straen dat ons

    als onderzoekers een grote mate van bescheidenheid

    past bij het voorspellen van mogelijke misdaden en

    bij het opstellen van beleidsadviezen. Ik denk dat juist

    het feit dat we zo weinig weten over wat wel en niet

    werkt kennis op zich is. Als criminologen zouden we

    veel vaker moeten zeggen: er moeten geen al te grote

    verwachtingen worden gewekt over de heilzame en

    ecinte werking van straen.

    Maar natuurlijk nemen we geen genoegen met

    de huidige situatie en moet toekomstig onderzoek

    uitsluitsel geven.

    Dit interview werd afgenomen door:

    Jasper van de Pol en Thijs van Dooremalen.

    6

  • april 2009 :: nr. 9 :: voor en door sociologen :: USOCIA PAMFLETPAMFLET

    Was het een kwestie van voorzienigheid of toeval dat ik

    de inzending van Tito Sixma over de vrije wil (Pamet

    #8) juist nu tegenkwam? Net nu ik de gedachten van

    een andere schrijver over dit onderwerp had gelezen?

    Hoewel de vraag of toeval bestaat ook erg interessant

    is, wil ik toch reageren op de vraag in hoeverre vrije wil

    bestaat. Mijn duit in het lososche zakje zal bestaan

    uit een poging de bespiegelingen weer te geven van

    een man die bijna tweehonderd jaar geleden werd

    geboren: Leo Tolstoj. De vraag van de vrije wil zou door

    iedere zichzelf respecterende sociaal-wetenschapper

    gesteld moeten worden.

    In zijn inleiding lijkt Tito bang te zijn om voor onorigineel

    versleten te worden. Welnu, hij is inderdaad niet de

    eerste die zich afvraagt in hoeverre vrije wil bestaat: al

    in de antieke oudheid werd ink gediscussieerd over dit

    onderwerp en ook nu, toch een kleine 3000 jaar later, is

    er nog geen unaniem aanvaard antwoord. Daarbij zal Tito

    ook zeker niet de laatste zijn die zich deze vraag stelt en

    dat maakt zijn inzending alleen maar interessanter. De

    vraag is dus nog altijd actueel en zou door iedere zichzelf

    respecterende sociaal-wetenschapper minstens nmaal

    gesteld moeten worden. In de sociologie is de vraag

    vertaald als het structuur-actor probleem, waarbij het

    onderzoek zich vooral richt op de vraag hoe de structuur

    (omgeving) het handelen van de actor bepaalt. Hier moet

    ik trouwens voorzichtig zijn, omdat bepaalt een behoorlijk

    stevige uitspraak is. Voorspellen of benvloeden zijn

    politiek correcter. In de onderzoekspraktijk betekenen

    ze in feite hetzelfde. Het gros van de sociologische

    onderzoeken veronderstelt een sturende invloed van met

    name demograsche, sociaal-economische en religieuze

    achtergrondkenmerken op het individuele handelen.

    Daarmee helt de balans van de sociologische weegschaal

    over in de richting van wat Tito het determinisme en

    Tolstoj de noodzakelijkheid noemt. Dat is tot op zekere

    hoogte helemaal niet erg, zolang sociologen maar voor

    ogen blijven houden dat ook zij slechts een deel van het

    geheel verklaren.

    Juist omdat ik het zo leuk vond om te zien hoe hetzelfde

    onderwerp bijna gelijktijdig terugkomt op twee

    heel verschillende manieren, leek het me aardig een

    weergave te geven uit Leo Tolstojs Oorlog en Vrede.

    Tolstoj schreef het boek nu zon honderdveertig jaar

    geleden en formuleerde een antwoord wat ik jullie niet

    wil onthouden.

    Tolstojs analyse van de kwestie kent verschillende lagen.

    Laat ik beginnen met de eerste laag, namelijk het verschil

    tussen bewustzijn en verstand:

    Subjectief, vanuit ons bewustzijn gezien, voelen wij ons

    vrij. Het bewustzijn is [] een bron van zelfkennis, die

    buiten het verstand omgaat. Met het verstand neemt de

    mens zichzelf waar; maar zichzelf kennen doet hij pas

    met zijn bewustzijn. 1

    Dus om sowieso dingen waar te nemen en te handelen

    moet er een gevoel van leven zijn, moet ik mij bewust

    zijn van mijn bestaan. Tolstoj neemt de wil tot maatstaf.

    Ik wil eten of ik wil de Pamet lezen of ik wil me ergens

    aan vasthouden zijn voorbeelden van wilsuitingen. Met

    het verstand kan ik de achterliggende oorzaken van de

    wilsuitingen verklaren. Ik wil eten komt bijvoorbeeld

    voort uit de noodzaak tot voeding van het lichaam

    en ik wil me ergens aan vasthouden komt voort uit

    mijn inherente overlevingsdrang waardoor ik niet wil

    verdrinken. Dat zijn dus waarnemingen met het verstand.

    Doch, ondanks alle verklarende achtergronden die ik met

    mijn verstand kan bedenken, voel ik mijn wil als vrij. Puur

    en alleen omdat ik mijn wil niet anders ken dan vrije wil.

    Met het verstand zijn er allerlei causaliteiten en

    verklaringen te verzinnen die ervoor zorgen dat mijn

    wil en het gedrag wat daaruit voortvloeit een bepaalde

    kant op wordt geduwd en dat andere wensen worden

    uitgesloten. Treend is het voorbeeld van iemand die

    een arm opheft en dat claimt te doen uit vrije wil. Op een

    willekeurig moment A (dit tijdstip is natuurlijk uit vrije

    wil gekozen) heft hij of zij, zo de lezer wil zijn arm op.

    Vrije wil? Ik wel!Door Leonard van t Hul

    7

    >

  • april 2009 :: nr. 9 :: voor en door sociologen :: USOCIA PAMFLETPAMFLET

    Ziedaar de wilsuiting. Echter, bij nader onderzoek blijkt de

    manier waarop diegene zijn arm ophief de makkelijkste

    houding te zijn voor zijn spieren. Andere manieren waren

    minder jn of konden helemaal niet. Bestudering van

    het moment A op een later moment B leert ons dat de

    persoon in feite heel wat minder vrij was dan we dachten

    en veel meer onderhevig was aan noodzakelijkheden die

    ertoe leidden dat juist hij zijn arm op die manier hief en

    niet op een willekeurige andere.

    Hoewel het argument tegen de vrije wil veel sterker lijkt

    te zijn omdat niemand buiten de stoelijke wereld en de

    tijd staat2, mag de vrije wil niet zomaar weggezet worden

    als zijne minder belangrijk dan de noodzakelijkheid of

    structuur. De verklaringen die weergeven waarom ik op

    een zeker moment iets gedaan heb, worden altijd pas

    achteraf bedacht. Nooit van tevoren. De keuze die mij en

    iedereen op dit moment zo vrij doet voorkomen, wordt

    over een minuut alweer in een historisch-sociologisch

    kader geplaatst waardoor de mate van vrije wil afneemt

    in het voordeel van de noodzakelijkheid. Toch is het zo

    dat met de wetmatigheden die we achteraf vinden, nooit

    een voorspelling gemaakt kan worden over wat ik in het

    heden of in de toekomst ga doen. Toegegeven, er kan

    op basis van een aantal eerder gevonden verbanden

    een zekere kans berekend worden waarmee we een

    veronderstelling maken dat ik op een bepaald moment

    een handeling zal uitvoeren. Veel meer dan een vage

    voorspelling wordt het niet, hoeveel verbanden er ook

    worden samengenomen.

    Tolstoj komt daarmee tot de volgende slotsom: De

    verhouding van vrijheid tot noodzakelijkheid wordt

    groter of kleiner, afhankelijk van het standpunt, dat

    tegenover het gedrag wordt ingenomen; maar deze

    verhouding blijft altijd omgekeerd evenredig. [] De

    gevallen, waarin de vrijheid en de noodzakelijkheid een

    aandeel hebben, berusten zonder n uitzondering op

    niet meer dan drie factoren:

    1. De verhouding van de mens tot de

    buitenwereld,

    2. de verhouding van de mens tot de tijd en

    3. tot de oorzaken, die de handeling

    teweegbrachten. 3

    Ik zal alle punten toelichten met een helder voorbeeld.

    Het eerste punt heeft te maken met de plaats die een

    mens inneemt in de wereld. Daarbij zien wij de zwerver

    die voor de supermarkt de SN staat te verkopen als een

    mens met minder bindingen dan iemand die een gezin

    moet onderhouden, zijn hypotheek moet aossen en

    zijn bedrijf moet runnen. En zo is een drenkeling meer

    aan noodzaak gebonden dan iemand die op het droge

    staat. Hoe vrij we iemand zien hangt dus af van de mate

    waarin wij die persoon in verband brengen met zijn

    omgeving: de persoon met minder bindingen is vrijer.

    Het tweede punt, de tijd, werkt op dezelfde manier. Om

    met Tolstoj te spreken: [Tijd] is de factor die tot gevolg

    heeft, dat de zondeval van de eerste mens, waaruit het

    mensengeslacht voortsproot, ons veel minder vrijwillig

    voortkomt dan de bruiloft van iemand die [nu leeft]. Dat is

    de factor, die teweegbrengt, dat het leven en het gedrag

    van de mensen, die eeuwen hier leefden en door mij in

    het verband van hun tijd worden gezien, op mij niet zon

    vrije indruk maken als het leven van mijn tijdgenoten,

    waarvan ik nog de uitwerking niet weet.4

    Punt drie. Hoe meer we ons verdiepen in een persoon,

    8

  • april 2009 :: nr. 9 :: voor en door sociologen :: USOCIA PAMFLETPAMFLET

    bijvoorbeeld de zwerver uit Titos verhaal, des te meer

    oorzakelijke verbanden en andere verklaringen we zullen

    vinden waarmee we de levensloop van die zwerver zullen

    bestempelen als noodzakelijke uitkomst van verschillende

    processen. Een ander voorbeeld is de manier waarop wij

    de moorden op een bejaarde vrouw, twee babys en een

    leidster in het Belgische Sint Gilles afgelopen januari

    bezien. Onmiddellijk na het horen van het dramatische

    nieuws eisen we de hoogst mogelijke straf voor de dader

    en zien zijn daad als de hoogst mogelijke individuele

    en vrije daad. Maar wanneer de kranten gaan berichten

    over de uiterst tragische achtergrond van de dader en

    zijn geestelijke staat van zijn plaatsen we de dader in een

    verzachtende context en helt de balans al meer over naar

    de noodzakelijkheid en minder naar vrije wil.

    Waar brengt dat alles ons nu? Tolstoj concludeert dat

    de mate waarin wij een persoon als vrij of aan noodzaak

    gebonden zien afhankelijk is van de positie die wij tot

    die persoon innemen. Deze positie is afhankelijk van de

    mate waarin wij een persoon in zijn (sociale) omgeving,

    tijd en achtergrond plaatsen. Dat levert een moeilijke

    balans op. Want wanneer wij de drie punten inhoudelijk

    overwaarderen is niemand meer verantwoordelijk voor

    zijn daden, maar wanneer wij de drie punten te weinig

    bezien, ontkennen we onterecht de wetmatigheden en

    processen die op ieder individu inwerken. We zijn immers

    geen eilandjes buiten plaats en tijd. De voorlopige

    conclusie luidt dus dat het onzinnig is ofwel vrije wil,

    ofwel noodzakelijkheid (of determinisme) te ontkennen.

    Wat ik nu doe uit mijn persoonlijke zicht op de situatie

    en het gevoel daarbij, wordt achteraf verklaard met de

    rede en ingebed in wetmatigheden. Maar met al die

    interpretaties achteraf zijn vervolgens nauwelijks sluitende

    voorspellingen over mijn volgende handelingen te doen.

    Omdat de wetenschappen altijd terugkijken, ontstaat snel

    de neiging de vrije wil van de actor te miskennen. De les

    voor de sociale wetenschappers is in mijn ogen daarom

    dat zij de beperktheid van sociologisch onderzoek blijven

    inzien. Persoonlijk wil ik deze les graag ter harte nemen.

    1 Tolstoj, L.N. (1865-69(?)) Oorlog en Vrede, Blaricum: Uitgeverij

    Bigot & Van Rossum b.v., p 10042 In onze huidige beperkte denitie perkt het stoelijke lichaam en

    de altijd doortikkende tijd mijn vrijheid al in.3 Tolstoj, L.N. (1865-69, ?), p 1007-084 Ibid., p 1008-09

    9

  • april 2009 :: nr. 9 :: voor en door sociologen :: USOCIA PAMFLETPAMFLET

    In een terroriserende wereld dringt zich steeds vaker

    de vraag op hoe bepaalde grondwettelijke vrijheden

    zich verhouden tot de staatsveiligheid. Die vraag heeft

    Wouter Bos beantwoord met een pleidooi voor de com-

    promisloze verdediging van onze verworven vrijheden.

    In de praktijk laat de overheid het echter niet na om

    veiligheid regelmatig te laten prevaleren boven vrijheid,

    zoals bij de onlangs verijdelde aanslagen in Amsterdam.

    En dat is maar goed ook.

    Als we namelijk even stil staan bij de vraag of vrijheid

    of veiligheid een fundamentelere menselijke behoefte

    is, dan zullen we moeten concluderen dat dat veilig-

    heid is. Daarmee is geenszins gezegd dat vrijheid geen

    belangrijke menselijke behoefte is, maar wel dat vrijheid

    pas betekenis krijgt in een situatie van relatieve bestaan-

    szekerheid. Om Bertolt Brecht te citeren: Erst kommt das

    Fressen, dann kommt die Moral.

    Nu is het natuurlijk zo dat wij in een rechtstaat leven

    en de overheid gelukkig niet naar eigen goeddunken

    bepaalt wanneer vrijheiden moeten worden opgeoerd

    in het belang van de staatsveiligheid. Ook de over-

    heid opereert binnen een democratisch gelegitimeerd

    wettelijk kader. Het belangrijkste wettelijke kader is

    ongetwijfeld de grondwet, waarin de verworven vrijh-

    eden zijn gecodiceerd, zoals de vrijheid van godsdi-

    enst, meningsuiting, vereniging, betoging et cetera. De

    wetgever heeft zich terdege gerealiseerd dat dit soort

    vrijheden nooit absoluut kunnen zijn. Zo geldt voor de

    vrijheid van godsdienst en betoging dat de wet regels

    kan stellen ter bescherming van de gezondheid, in het

    belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming

    van wanordelijkheden en kan de vrijheid van vereniging

    bij de wet worden beperkt in het belang van de open-

    bare orde. De vrijheid van meningsuiting is door het

    censuurverbod moeilijker te beperken, want voor het

    openbaren van gedachten of gevoelens heeft niemand

    voorgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan,

    behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.

    Dat betekent dat Wilders mogelijk kan worden vervolgd

    voor het beledigen van of aanzetten tot haat tegen een

    bevolkingsgroep, maar pas nadat zijn lm is uitgekomen

    of zijn uitspraken zijn gedaan.

    Onlangs deed Mark Rutte een oproep om tot een

    onbegrensde vrijheid van meningsuiting te komen.

    Alleen aanzetten tot geweld tegen personen of hun

    bezittingen vindt hij een reden om de vrijheid van

    meningsuiting in te perken. Dat betekent concreet dat

    hij het verbod op belediging van bevolkingsgroepen,

    dat op het aanzetten tot haat tegen bevolkingsgroepen

    en dat op godslastering wil afschaen. De uitspraak

    dat we de auto van Rutte in de k moeten steken, vindt

    hij blijkbaar problematischer dan de uitspraak dat alle

    moslims achterlijk zijn. Die vrijheid heeft hij. Toch snijdt

    de oproep van Rutte niet echt hout. Het verbod op

    godslastering is sinds het ezelsproces tegen Gerard

    Reve in 1968 namelijk een dode letter en als het gaat om

    het beledigen van of aanzetten tot haat tegen bev-

    olkingsgroepen, is de rechter zeer terughoudend met

    vervolging. Feitelijk is de vrijheid van meningsuiting dus

    al een zo goed als absoluut recht. Toch is het naar mijn

    mening terecht dat ook die vrijheid wordt begrensd. Het

    tegen elkaar uitspelen van bevolkingsgroepen kan im-

    mers tot oplopende spanningen leiden die de veiligheid

    van bevolkingsgroepen en zelfs de nationale veiligheid

    in gevaar kunnen brengen. Dat geldt evenzeer voor

    uitlatingen (lms, cartoons) die mondiale spanningen

    teweeg brengen en daarmee onze staatsveiligheid van

    buitenaf bedreigen, bijvoorbeeld door terroristische

    aanslagen. Dat afdoen als zwichten voor terreur is te

    gemakkelijk, omdat het onverdedigbaar is dat de uit-

    spraken van een enkeling de veiligheid van de gehele

    bevolking in gevaar brengen. Een wet die het mogelijk

    maakt dat de rechter bepaalde uitlatingen vooraf op

    hun inhoud toetst, is dan ook zeker het overwegen

    waard. Vanzelfsprekend is ook daar terughoudendheid

    geboden.

    Polemiek

    Veiligheid is belangrijker dan vrijheid

    Better safe than sorryDoor Remmert van Haaften

    VOOR

    10

  • > april 2009 :: nr. 9 :: voor en door sociologen :: USOCIA PAMFLETPAMFLET

    De gevaren van de ingeperkte vrijheidDoor Thijs van Dooremalen

    Onlangs bracht de Nationale ombudsman, Alex

    Brenninkmeijer, zijn jaarlijkse verslag uit over de relatie

    tussen de burger en staat, met de veelzeggende titel De

    burger in de ketens. Het verslag schetst een beeld van

    een overheid die steeds complexer wordt en daardoor

    moeite heeft problemen van burgers adequaat op te

    lossen. Dit kan soms vreselijke gevolgen hebben. Zo

    stierf een kind, omdat het geen voortijdige hulp van

    jeugdzorg kreeg.

    Dat de Nederlandse staat niet onfeilbaar is, is al

    langer bekend. Toch lijkt Remmert van Haaften zich hier

    niet zo van bewust. In zijn betoog stelt hij weliswaar

    dat voorzichtigheid geboden is in de omgang met

    burgerlijke vrijheden, maar tegelijkertijd schroomt

    hij niet om tot een inperking van de vrijheid van

    meningsuiting over te gaan wanneer de kans bestaat dat

    deze de staatsveiligheid in gevaar brengt.

    Daarmee zet hij de poort wagenwijd open om de staat

    allerlei meningen die haar niet bevalt te laten verbieden.

    Op dit moment staat de vrijheid van meningsuiting,

    hoewel Remmert dit ontkent, onder druk. Denk maar

    aan de cartoonist Gregorius Nekschot, die vorig jaar een

    paar dagen in de cel moest doorbrengen omdat zijn

    cartoons te beledigend voor moslims zouden zijn. Of aan

    Geert Wilders, die door het kabinet werd gevraagd om

    Fitna niet uit te brengen en inmiddels een aanklacht aan

    zijn broek heeft. Vallen deze gevallen volgens Remmert

    bnnen of buten de voorzichtigheid die geboden is bij

    het beschermen van burgerlijke vrijheden?

    Wat mij betreft vallen ze er ver buiten. Ik ben het

    met Mark Rutte eens: alleen aanzetten tot geweld

    tegen personen of hun bezittingen mag een reden

    zijn tot inperking van de vrijheid van meninguiting.

    Waarom? Omdat het voor de leefbaarheid en

    machtsverhoudingen van een samenleving noodzakelijk

    is dat lle personen, religies en instituties kunnen

    worden betwist, aangevallen en zo nodig beledigd.

    Geen enkele grote maatschappelijke verandering

    kwam tot stand zonder conict. Of het nou om het

    omverwerpen van een dictatuur in andere landen of

    de emancipatie van arbeiders, vrouwen en homos in

    ons eigen land is; telkens waren het de felle meningen

    die werden geuit, die er (mede) voor hebben gezorgd

    dat er iets veranderde. De vrijheid van meningsuiting is

    ht middel om problemen aan de kaak te stellen en om

    mensen te bewegen er iets aan te doen.

    Op het moment dat de staat de legitimatie heeft om

    die meningsvrijheid vanwege mogelijke risicos voor

    terroristische aanslagen te beperken, kan die macht

    heel makkelijk misbruikt worden. Door de minste of

    geringste dreiging op te blazen tot grote proporties

    kunnen meningen die een regering op een bepaald

    moment niet uitkomen, worden uitgesloten van het

    publieke debat.

    Hierdoor kan grote maatschappelijke onvrede

    ontstaan, met alle gevolgen van dien. Wat gebeurt

    er namelijk wanneer Wilders de mond door de staat

    zou worden gesnoerd? Zullen zijn aanhangers dit

    accepteren, of zullen ze, omdat ze vinden dat ze niet

    meer goed vertegenwoordigd worden, geen vertrouwen

    meer stellen in onze democratie? Als dit laatste het geval

    is, is het geen gekke gedachte dat ze hun mening op

    een andere manier (bijvoorbeeld via geweld) kenbaar

    zullen maken. Op die manier zijn de veiligheid en

    maatschappelijke vrede - die Remmert zo essentieel en

    belangrijk acht - ver te zoeken.

    Waar de vrijheid van meningsuiting en veiligheid op

    het eerste gezicht dus wellicht in tegenspraak met elkaar

    lijken, zijn ze dat uiteindelijk niet. Een samenleving

    met een onbeperkte vrijheid van meningsuiting zorgt

    er namelijk voor dat onvrede via het woord in plaats

    van via het pistool kan worden geuit. Dit vormt geen

    waarborg om politiek geweld geheel te voorkomen

    mensen die conicten niet via het debat willen oplossen

    houd je helaas altijd. Maar het zorgt er wel voor dat het

    tot een minimum beperkt blijft.

    Polemiek

    Veiligheid is belangrijker dan vrijheidTEGEN

    11

  • april 2009 :: nr. 9 :: voor en door sociologen :: USOCIA PAMFLETPAMFLET

    Bijna iedereen gelooft er heilig in dat parlementaire

    democratie de allerbeste staatsvorm is. Het is een

    soort recht voor elk land geworden; ieder land

    verdient democratie. Irak moet er nu ook aan

    geloven. Doen we er goed aan om zo stellig in onze

    staatsvorm te geloven? Ik denk van niet.

    Vlak na de verkiezingsoverwinning van Barack Obama

    werd er in de uitzending van de NOS gesproken met

    een politicoloog. Obama had het volgens hem slim

    aangepakt. Hij had namelijk bewust niet aan zijn kiezers

    verteld wat het begrip change inhield. Dit was volgens

    de politicoloog een winnende strategie geweest. Voor

    mij was dit het zoveelste bewijs dat algemeen kiesrecht

    helemaal niet zo heilig is. Een citaat van Churchill maakt

    dit eigenlijk in een keer duidelijk: The biggest argument

    against democracy is a ve minute discussion with the

    average voter.

    Mensen hebben eigenlijk geen auw idee waarop

    ze stemmen. Ze laten zich inpalmen door mooie

    praatjes van politici. Niet alleen de mensen uit lage

    sociale klassen met lage opleiding weten het niet.

    Mijn stemkeuze berust ook meer op gevoel dan op

    kennis. Alleen zij die een totaalbeeld hebben van de

    problemen die heersen in Nederland en waarvan

    hun oordeel over deze problemen gestoeld is op

    onafhankelijk (liefst wetenschappelijk) onderzoek

    weten waarop zij stemmen. Maar wie zijn diegenen die

    bij het maken van hun keuze er onderzoek op hebben

    nagelezen? Wie heeft zich niet laten overtuigen door

    mooie praatjes, maar heeft het neer laten komen op

    wat het onderzoek uitwijst? Vermoedelijk mensen

    met veel maatschappelijke ervaring en kennis zoals

    burgemeesters van grote steden, ervaren politici of

    wellicht een professor politicologie. Deze groep mensen

    die een rele visie hebben vormen echter samen nog

    niet eens 0,01% van de stemmers. Het punt is dat je

    niet van mensen kunt vragen zich te verdiepen in de

    politiek. Mensen hebben het veel te druk met zichzelf

    en hun leven om goed na te denken over hun stem.

    Het resultaat is dat de onwetende burger, de overgrote

    meerderheid dus, domineert over de man met politieke

    visie. De politici spelen daar op in en richten zich

    steeds meer op presentatie en minder op inhoudelijke

    argumentatie. Politici vertegenwoordigen niet meer

    een deel van de bevolking, maar ze lokken stemmers.

    Mensen zijn over het algemeen zelfzuchtig en stemmen

    op die partij die het meeste aan hen belooft. Hierdoor

    stemmen veel mensen op een partij waarvan haar

    plannen grotendeels niet in het belang zijn voor de hele

    bevolking. Jean-Jacques Rousseau zou zeggen dat de

    huidige politiek meer de wil van allen (een optelling

    van alle particuliere belangen) vertegenwoordigt dan

    de volkswil. Een omschrijving van volkswil volgens

    Wikipedia is als volgt: De volkswil is wat het volk of

    de gemeenschap van burgers eenstemmig zou doen

    als zij algemene wetten konden kiezen of stemmen met

    volledige kennis van zaken, heldere redenering, een zuiver

    oordeelsvermogen, en een ingesteldheid die het gemene

    goed nastreeft. Bijna niemand in de politiek heeft echter

    de volkswil meer hoog in het vaandel staan.

    Managerspolitiek

    Democratie is te idealistisch. Het gaat er van uit dat

    mensen op basis van de volkswil stemmen. Tevens

    gaat het ervan uit dat Kamerleden met elkaar zullen

    samenwerken voor een beter Nederland. In de

    huidige politiek is dit ver te zoeken. Het kabinet en

    elke oppositiepartij verzinnen een eigen standpunt

    om die vervolgens koste wat het kost te verdedigen

    in de Kamer waarbij niet geluisterd wordt naar goede

    argumenten van de andere partijen. Als je als partij

    al enigszins toegeeft aan een argumentatie van een

    andere partij dan is dat gezichtsverlies. Dat is natuurlijk

    het laatste wat je als partij wilt, want dan verlies je

    stemmen. Als iedereen wat anders kakelt dan wordt

    Democratie: Het sprookje leeft voort Door Jarl Mooyaart

    12

  • april 2009 :: nr. 9 :: voor en door sociologen :: USOCIA PAMFLETPAMFLET

    >

    er geen beleidsplan uitgevoerd. Gelukkig is er iets als

    een meerderheidskabinet dat beleid door kan voeren,

    maar hoe zit het dan bij de vorming van een kabinet?

    Daar hebben de heren en dames politici wat slims op

    bedacht, namelijk stemmenruil. Volgens socioloog

    Coleman helpen partijen elkaars grootste partijpunten

    te verwezenlijken door toe te geven op een punt waar

    de andere partij veel belang aan hecht en andersom.

    Zo komen de meest ongenuanceerde plannen er door.

    Dankzij dit systeem hebben wij vandaag de dag nog

    steeds te maken met gesubsidieerd bijzonder onderwijs

    (denk aan christelijke scholen). Deze maatregel is vlak

    voor Eerste Wereldoorlog door de christelijke partijen

    doorgevoerd. Hiervoor hadden ze de steun van de

    socialisten nodig, die in ruil voor hun stem de stemmen

    van de christelijke partijen kreeg om de maatregel

    algemeen kiesrecht door te voeren (UAF 237-238). Dit

    laatste was niet slecht, maar het eerste belemmert nu

    integratie van allochtone kinderen in onze samenleving.

    Vandaag de dag spelen de media een belangrijke rol.

    Door druk van de media wordt de politiek gedwongen

    om zich met zaken bezig te houden die op dat moment

    door de media aan de orde worden gesteld. Neem

    bijvoorbeeld de zogenaamde verharde Marokkaanse

    jeugd in Gouda. Daar was helemaal niet zo veel aan

    de hand, maar het werd enorm opgeblazen door de

    media. De overheid koos daarom nu voor een harde

    aanpak ten aanzien deze verharde jeugd. De meeste

    lokale overheden waren echter al bezig met beleid en

    konden hierbij totaal geen overtollige media-aandacht

    gebruiken. Als een dergelijk probleem aan de orde

    komt moeten er tegenwoordig ook mooi klinkende

    oplossingen voor worden bedacht. Neem bijvoorbeeld

    het beleid na de overstromingen van 1993 en 1995.

    Er is door de overheid uiteindelijk gekozen voor

    rivierverbreding. Professoren van de TU Delft waren

    echter voor dijkophoging aangezien dit net zo eectief

    was en ook nog eens tien keer goedkoper zou zijn.

    Onder het mom van uitbreiding van natuurgebied is

    toch voor rivierverbreding gekozen, terwijl de kosten

    veel hoger waren. 90% Van de kosten gingen naar

    uitbreiding van natuurgebied. Een scheve verhouding

    als het doel van het project in eerste instantie de

    veiligheid van de burgers was. Het extra geld had beter

    in andere natuurprojecten gestoken kunnen worden.

    Ook andere impopulaire meningen van deskundigen

    worden genegeerd. Professor Waterbouwkunde Vrijling

    aan de TU Delft gelooft dat een zeespiegelstijging van

    20 centimeter voor de komende eeuw nog binnen

    het aannemelijke valt aangezien deze stijging de

    afgelopen eeuwen vrij constant is geweest. Deze visie

    is echter volstrekt genegeerd door de Deltacommissie,

    omdat men tegenwoordig klakkeloos aanneemt dat de

    klimaatverandering drastische invloed zal hebben op

    de zeespiegelstijging. Nu wordt er met een minimale

    zeespiegelstijging van 60 cm rekening gehouden. Dit

    soort problemen doen zich voor, omdat ministers geen

    vakkennis hebben. Men denkt tegenwoordig dat, als je

    maar een goed manager op een ministerspost zet, alles

    wel goed komt. Als je geen ervaring hebt binnen de

    sector waar je minister van bent dan zie je echter dingen

    over het hoofd. Een goed voorbeeld is marktwerking

    in de zorg. Een prachtig sprookje dat concurrentie tot

    betere en goedkopere zorg zal leiden voor de klant. Wat

    over het hoofd wordt gezien is dat een klant als product

    wordt beschouwd en dat mensen helemaal niet als

    product behandeld kunnen worden. Nederland neigt nu

    dit systeem te gaan overnemen, terwijl in de Verenigde

    Staten het desastreuze gevolg van marktwerking te zien

    is, namelijk: een enorm dure zorg en een groot deel van

    de bevolking onverzekerd is. De Volkskrant vermeldt

    dat dit er 46 miljoen zijn en dat er ook nog een groep

    van miljoenen mensen onderverzekerd is. Minister Klink

    staat zo ver van de medische wereld dat hij zich moeilijk

    in kan leven in deze wereld. Oud-minister Borst was

    wel arts en dat is dan ook een van de beste ministers

    van Volksgezondheid die we ooit hebben gehad. Zij

    durfde ook impopulaire maatregelen te nemen, zoals

    gratis drugs geven aan hopeloos verslaafden die anders

    mensen zouden beroven. Wat een minister echt goed

    maakt is vakkennis. Nu zitten we met allemaal managers,

    die zich laten misleiden door degenen die het hardst

    roepen en naar deskundigen met een andere mening

    niet luisteren. De politiek lijkt te vergeten waar het om

    draait, namelijk: zoveel mogelijk mensen zo gelukkig

    mogelijk maken.

    13

  • april 2009 :: nr. 9 :: voor en door sociologen :: USOCIA PAMFLETPAMFLET

    Het defensiemechanisme van de democratie

    Natuurlijk ben ik niet de eerste die kritiek levert op het

    democratische stelsel. Na de Eerste Wereldoorlog kwam

    er kritiek van fascistische bewegingen. Zij wezen op

    de trage besluitvorming van de democratie. De kritiek

    van het fascisme ging alleen ten onder door de Tweede

    Wereldoorlog. De democratie had eigenlijk in de Tweede

    Wereldoorlog van het fascisme gewonnen. Men durfde

    daarom vlak daarna geen kritiek meer te leveren op de

    democratie. Hierdoor kreeg de democratie een soort

    onaantastbare status. In de jaren 60 en 70 durfde

    men wel kritiek te leveren, maar tegen die tijd was de

    democratie door de media eigenlijk al heilig verklaard.

    Er zijn sinds die tijd wel dingen veranderd, maar aan het

    idee dat democratie de beste staatsvorm is, is nooit meer

    getwijfeld. Dit komt omdat de kritiek door repressieve

    tolerantie aan de kant is gezet. De term repressieve

    tolerantie werd voor het eerst gebruikt door Herbert

    Marcuse. De theorie veronderstelt dat democratische

    staten door de kritiek juist een plek te geven deze kritiek

    uiteindelijk onschadelijk zal worden gemaakt. Het wordt

    dus getolereerd, maar eigenlijk weer niet. Zo werd de

    punk onschadelijk gemaakt. Wat eerst een anarchistische

    levensstijl tegen de heersende klasse was, is het nu niks

    meer dan muziek- en kledingstijl. De punkbeweging is

    eigenlijk geannexeerd door de gevestigde cultuur van

    die tijd. De gevestigde cultuur waar de democratische

    staten macht over hadden.

    Tegenwoordig hoeft dit wapen nauwelijks meer ingezet

    te worden. Dit komt door de informatie-overvloed die

    wordt overgebracht door de huidige media. We zijn niet

    meer gevoelig voor schokkende informatie, omdat er zo

    veel nare dingen elke dag gebeuren op de wereld dat de

    meeste mensen er langzaam ongevoelig voor worden.

    Verder leven we nu al zo lang in een democratisch

    land dat er niet meer aan getwijfeld wordt. Het is een

    paradigma geworden. Maar misschien durven we de

    democratie niet meer in twijfel te trekken, omdat we

    diep in ons hart bang zijn dat wij anders de volgende

    Ich habe es nicht gewusst generatie zullen worden. Om

    deze nare gedachte van ons af te houden, prijzen we

    de democratie de hemel in. We beweren dat de happy

    ending bereikt is en vertellen dit door aan de volgende

    generatie. Zo leeft het sprookje voort.

    Voorzet

    Democratie is te idealistisch. Het gaat er net zoals het

    communisme vanuit dat mensen onzelfzuchtig en

    politiek betrokken zijn. Moet je mensen dan meer aan

    banden leggen? Zoals dat je mensen een stemwijzer in

    laat vullen en dat de uitslag van deze stemwijzer je stem

    bepaalt. Dit om populisme te voorkomen. Het nadeel

    is ten eerste dat je een ellenlange vragenlijst moet

    invullen die een enorme bureaucratische rompslomp

    met zich meebrengt. Ten tweede kan door op deze

    manier niet voorkomen worden dat mensen louter

    voor hun eigen belang zullen stemmen. Er kan ook

    gedacht worden aan een totaal ander systeem. Geen

    parlementaire democratie, maar een politiek bedrijf.

    Een staatsvorm waar mensen door middel van kennis

    en vakbekwaamheid in de politiek komen, waarbij

    iedereen het recht heeft om naar een politieke functie

    te solliciteren. Het probleem hierbij is dat er wel een

    controlerende partij moet zijn die het politieke bedrijf

    moet kunnen corrigeren voor tunnelvisie, discriminatie

    onder sollicitanten of andere fouten. De controlerende

    partij moet op zijn beurt betrouwbaar zijn. De vraag is

    aan wie we deze belangrijke taak toevertrouwen. Het

    koningshuis, de rechterlijke macht of misschien toch een

    soort oppositie?

    Verder moet er naast een vrijheid van solliciteren

    eigenlijk wel een groter politiek recht aan de burger

    gegeven worden. Zo zou er een recht van inspraak

    kunnen worden toegevoegd. Wellicht ongeveer

    zoals de inspraak die wij via de opleidingscommissie

    hebben over onze opleiding. Die inspraak is moeilijk

    landelijk te realiseren en daarom is het verstandiger

    om op mesoniveau deze inspraak te laten gelden. Meer

    sociale werkers die op buurtniveau problemen kunnen

    signaleren. Burgers kunnen dan via inspraak aangeven

    tegen welke problemen zij aanlopen. De sociale

    werkers kunnen vervolgens als vertegenwoordigers

    van de buurten aan tafel gaan zitten en de problemen

    bespreken. Als meerdere buurten met dezelfde

    problemen kampen kan dit worden aangegeven bij

    de landelijke overheid. Nadelen aan dit systeem zijn

    dat er ten eerste veel sociale wetenschappers en

    maatschappelijk werkers voor nodig zijn en ten tweede

    dat er een moeilijke taak op de schouders van de sociale

    14

  • april 2009 :: nr. 9 :: voor en door sociologen :: USOCIA PAMFLETPAMFLET

    Het zijn woelige tijden voor de christenen onder ons.

    2009 is Darwin-jaar, EO-kopstukken liggen onder vuur,

    verspreiders van folders met het scheppingsverhaal

    worden met de dood bedreigd (hun felste tegenstanders

    trouwens ook) en de katholieken zitten in hun maag met

    een bisschop die de Holocaust ontkent.

    Dat leek ons een geschikt moment om de religieuze

    overtuigingen van onze medestudenten eens te peilen.

    Op basis van een (misschien niet heel representatieve)

    steekproef van 39 stemmers, kunnen we concluderen

    dat de sociologiestudent tot op het bot verdeeld is. De

    meeste studenten zijn ofwel protestant (11 stemmen) of

    athest (ook 11 stemmen). Andere geloofsovertuigingen

    zijn ondervertegenwoordigd bij de Utrechtse sociolo-

    giestudent. Slechts 5% is katholiek, 2% is Joods en niet

    n moslim heeft onze enqute ingevuld. Christenen

    zijn uiteindelijk wel in de minderheid; het agnosticisme

    en het ietsisme (ik geloof dat er iets is tussen hemel en

    aarde) hebben ook relatief veel stemmen gekregen.

    Op de peilingwebsite hebben we ondertussen de knop

    ontdekt die het jullie mogelijk maakt zelf iets in te

    typen bij de categorie anders, namelijk. En student

    heeft van deze mogelijkheid gebruikt gemaakt om te

    rapporteren dat hij of zij een zoroastrische [met n r]

    geloofsovertuiging heeft en gelooft in het bestaan van

    Zorro.

    Peiling: Wat is je geloofsovertuiging?

    werkers rust. Zij staan tussen de particuliere belangen

    van de buurtbewoners en de belangen van de andere

    sociale werkers in en moeten hierin de juiste middenweg

    vinden. Dit systeem zou wellicht ook een corrigerende

    werking kunnen hebben richting landelijke politiek. Ik

    realiseer mij dat deze ideen nog ongenuanceerd zijn,

    maar ik geef hierbij wel een voorzet om eens goed na te

    denken over andere politieke systemen. Er zijn namelijk

    oneindig veel mogelijkheden. Het wordt dus tijd om

    een paar nieuwe te bedenken en wie weet zit er een

    bruikbare tussen.

    Slot

    In dit stuk heb ik democratie tegen het licht gehouden.

    Toch is mijn grootste kritiek niet per se de inhoudelijke

    kritiek op de democratie, maar het feit dat er eigenlijk

    geen kritiek op de democratie geleverd mag worden.

    Het heeft samen met algemeen kiesrecht bijna een

    heilige status gekregen. Natuurlijk weet ik niet of er een

    betere staatsvorm is, maar de huidige politiek staat niet

    open voor kritiek en dat terwijl in het huidige systeem

    duidelijk een aantal minpunten zijn. In het Interbellum

    geloofden veel mensen dat democratie niet de beste

    staatsvorm was. Door de media van nu worden ze

    als een stel onnozelen afgebeeld. Ze kozen voor de

    dictator en dit bleek een foute keuze, maar zaten ze

    er naast om te denken dat democratie niet de beste

    staatsvorm was? Waren we eigenlijk op dat moment

    niet aan het rationaliseren (in Webers termen), maar is

    er op dat moment iets fout gegaan? Waren we bijna bij

    de volgende stap, maar hebben we door ongelukkige

    omstandigheden de volgende staatsvorm niet bereikt?

    Ik geloof in ieder geval dat het beter kan en dat we de

    weg naar Utopia weer moeten gaan inzetten.

    15

  • april 2009 :: nr. 9 :: voor en door sociologen :: USOCIA PAMFLETPAMFLET

    Wat is uw rol binnen de libertarische beweging in

    Nederland?

    Ongeveer 35 jaar geleden heb ik het Libertarisch

    Centrum opgericht, een stichting die probeert het

    libertarische gedachtegoed te verspreiden. Hiermee

    was ik de eerste in Nederland die iets ging organiseren

    rond het libertarisme. Later zijn uit deze stichting allerlei

    andere activiteiten gevolgd, zoals de oprichting van een

    politieke partij: de Libertarische Partij.

    We zijn begonnen met een klein aantal

    genteresseerden, maar ondertussen is de aanhang ink

    gegroeid: mijn website vrijspreker.nl wordt bijvoorbeeld

    dagelijks door zon 6000 mensen bezocht.

    Op dit moment houd ik mij vooral bezig met het

    onderhouden van mijn website, waarop veel artikelen

    gepubliceerd worden door verschillende libertarirs.

    Tot voor kort hield ik mij daarnaast veel bezig met

    Libertarian International, een stichting die als doel

    heeft de internationale banden tussen libertarirs te

    onderhouden.

    Wat zijn de grondslagen van het libertarisme?

    De grondgedachte is dat ieder mens recht heeft op

    vrijheid en dat ieder mens de baas is over zijn eigen

    leven. Je kan je afvragen wat vrijheid eigenlijk is.

    Libertarirs zien dit als het ontbreken van geweld van

    anderen. Overheden dwingen mensen tot allerlei dingen

    die ze eigenlijk niet willen doen, zoals belasting betalen.

    In die zin oefent een overheid dus geweld uit over haar

    burgers en dat is waarom libertarirs tegen het bestaan

    van een overheid zijn.

    Hierbij dient wel de kanttekening gemaakt te worden

    dat er twee stromingen binnen het libertarisme te

    onderscheiden zijn: de minarchisten en de anarcho-

    kapitalisten. De eerste groep is voor een kleine staat,

    een soort van nachtwakersstaat dus, waarbij alleen

    sprake is van een door de overheid geregeld leger,

    politie en rechtspraak. De anarcho-kapitalisten vinden

    dat ook hier geen sprake van mag zijn.

    Dat mensen in een libertarische samenleving vrijheid

    hebben, betekent niet dat ze volledig hun gang mogen

    gaan en alles kunnen doen wat ze maar willen. Op deze

    manier zou de vrijheid van anderen namelijk worden

    beperkt. Voor ieder mens geldt het recht op vrijheid, dus

    je mag anderen geen schade berokkenen.

    Belastinghefng is een vorm van geweld Een interview met libertarir Hub Jongen

    Stel je hebt een aardbeienveldje. Het hele jaar door werk je hard om

    de aardbeien gezond te houden: je geeft ze water, wiedt het onkruid

    en zorgt dat ze op tijd worden geoogst. Stel je vervolgens voor dat je

    buurman gn aardbeien heeft. Je kunt er voor kiezen om je aardbeien

    te delen met hem of je kunt er voor kiezen om ze allemaal zelf te houden.

    Maar op een dag komt er iemand en die dwingt jou om een deel van je

    aardbeienoogst af te staan aan je buurman.

    Dit is volgens de ideologie van het libertarisme een kwalijke zaak, die op macro-niveau

    in onze samenleving structureel plaatsvindt in de vorm van belastingheng. Aangezien

    libertarirs vrijheid zeer hoog in het vaandel hebben staan, vinden zij dat alle vormen van

    dwang, bijvoorbeeld belastingen, afgeschaft moeten worden.

    Het libertarisme heeft in Nederland weinig aanhang. Toch zijn er mensen die zich er

    dagelijks mee bezig houden. Een van hen is Hub Jongen, oprichter van de libertarische

    website vrijspreker.nl, die we in dit interview een aantal kritische vragen voorlegden.

    16

  • april 2009 :: nr. 9 :: voor en door sociologen :: USOCIA PAMFLETPAMFLET

    Een andere ideologie die tegen het bestaan van een

    overheid is, is het anarchisme. Wat zijn de verschillen tussen

    het anarchisme en het libertarisme?

    Het belangrijkste verschil is dat anarchisten tegen

    privbezit zijn. Zij vinden het prima als mensen elkaar

    bestelen. Eigendom bestaat naar hun idee immers niet.

    Hier zijn libertarirs het absoluut niet mee eens. Omdat

    ieder het recht heeft op vrijheid, mag je anderen niet

    bestelen. Op die manier perk je hun vrijheid in.

    Verder zijn er veel overeenkomsten tussen het

    libertarisme en het anarchisme. Het verschil dat ik

    net noemde is er maar n, maar het is wel een heel

    erg belangrijk verschil. Libertarirs zijn namelijk

    voor volledige persoonlijke vrijheid, maar ook voor

    volledige economische vrijheid. Anarchisten zijn ook

    voor volledige persoonlijke vrijheid, maar sterk tegen

    economische vrijheden.

    Het anarchisme wordt vaak als een erg linkse stroming

    gezien, terwijl het libertarisme juist als heel rechts geldt.

    Hoe kijkt u hier tegenaan?

    Het libertarisme is links noch rechts, omdat beide kanten

    de vrijheid van mensen willen beperken en hen daarmee

    geweld aan willen doen. Socialisten vinden dat mensen

    zich op moeten oeren voor het welzijn van anderen,

    en fascisten vinden dat anderen gedwongen moeten

    worden om zich voor jou op te oeren.

    Als er een schaal gemaakt zou worden voor hoe

    vrijheidsgezind ideologien zijn, zou het libertarisme

    zowel voor persoonlijke als voor economische vrijheid

    100% scoren. Alle Nederlandse politieke partijen zouden

    nog niet eens tot de 50% komen. De VVD wordt vaak

    gezien als een partij die opkomt voor vrijheid en daarom

    dicht bij het libertarisme zou staan. Op economisch

    gebied komen ze tot op zekere hoogte op voor vrijheid,

    maar niet genoeg. De VVD zegt altijd dat ze voor de

    vrije markt is, maar wil de staat toch nog allerlei dingen

    laten regelen. Ze zijn dus eigenlijk tgen de vrije

    markt. Een beetje vrije markt bestaat niet, het is net als

    zwanger zijn: je bent het of je bent het niet. Wat betreft

    persoonlijke vrijheid komt de VVD al helemaal niet in de

    buurt van het libertarisch gedachtegoed.

    Libertarirs zijn tegen elke vorm van economisch ingrijpen

    van de overheid, dus ook tegen het nationaliseren van

    banken. Wat voor oplossing hebben jullie dan voor het

    omvallen van banken, zoals tijdens de kredietcrisis het

    geval is/was?

    Allereerst zou de kredietcrisis nooit ontstaan zijn in een

    libertarische samenleving. Die is namelijk veroorzaakt

    doordat de overheid zich veel te veel met de economie

    bemoeide. Zie bijvoorbeeld hoe de Amerikaanse

    overheid gestimuleerd heeft dat arme mensen een huis

    konden kopen dat veel te duur voor hen was.

    Maar als er dan toch banken omvallen, moet je dit

    maar gewoon laten gebeuren. Door het nationaliseren

    van banken worden alle mensen gedwongen mee te

    betalen aan problemen waar zij niet verantwoordelijk

    voor zijn. Voor de mensen die hun spaartegoed

    kwijtraken is het natuurlijk vervelend, maar dan hadden

    ze zich maar moeten verzekeren.

    Maar zou het hele economische systeem dan niet in elkaar

    gestort zijn, waardoor de crisis nog veel erger dan nu zou

    zijn?

    Nee, als de staat zich er niet mee zou bemoeien, zou

    de economie zichzelf sneller reinigen waardoor de

    crisis eerder voorbij zou zijn. Wat mensen als Wouter

    Bos nu aan het doen zijn, is niet het tegenhouden of

    verminderen van de crisis, maar het uitstellen ervan.

    Wat voor oplossingen ziet u dan voor de huidige

    economische crisis?

    We moeten alle overheidsmaatregelen terugbrengen

    naar een eerlijke, morele maatschappij. Dit betekent dat

    allerlei overheidsinstanties moeten worden afgeschaft

    en dat er wereldwijd volledige vrijhandel moet zijn. Wat

    er op dit moment gebeurt is dat er geld wordt gegeven

    aan allerlei bedrijven die het moeilijk hebben, maar dit is

    immoreel. Het geld hiervan wordt namelijk gestolen van

    burgers door ze te dwingen belasting te betalen.

    Op dit moment is er veel te weinig aandacht voor de

    manier waarop de overheid een soort van Sinterklaas

    aan het spelen is. In de media zou er meer de nadruk op

    moeten worden gelegd dat het immoreel is om spullen

    van mensen af te pakken.

    17

    >

  • april 2009 :: nr. 9 :: voor en door sociologen :: USOCIA PAMFLETPAMFLET

    18

    Denkt u niet dat het juist belangrijk is om de economie

    te stimuleren door middel van grootschalige

    overheidsinvesteringen? In de jaren 30 werkte de

    Amerikaanse New Deal bijvoorbeeld erg goed om de

    toenmalige economische crisis op te lossen.

    Overheidsingrijpen zal er alleen maar toe leiden dat

    mensen geen eigen initiatief meer zullen nemen om zelf

    bedrijven te beginnen of investeringen te gaan doen.

    Daardoor zal de crisis alleen maar langer duren. De enige

    manier om de crisis op te lossen is dan ook door mensen

    zoveel mogelijk economische vrijheid te geven.

    Voor mensen en bedrijven is het geld- of tijdrovend om

    rekening te houden met het milieu. Daarom heeft de

    overheid allerlei regels ingesteld, zodat mensen het milieu

    niet te veel belasten. Hoe kunnen in een libertarische

    samenleving milieuproblemen voorkomen en opgelost

    worden?

    In een libertarische samenleving zullen milieuvervuilers

    voor de rechter worden gesleept, omdat ze de vrijheid

    van anderen inperken. Als een bedrijf er voor zorgt dat

    mijn tuin vervuild raakt, zal ik dit bedrijf aanklagen.

    Hierdoor zullen er geen milieuproblemen ontstaan.

    Voor de oplossingen van milieuproblemen zullen

    mensen genoeg eigen initiatief nemen, juist omdat

    ze zoveel economische vrijheid hebben. Ook toen de

    overheid zich er nog niet mee bemoeide, werden dijken

    aangelegd. Oplossingen voor milieuproblemen kunnen

    dus ook prima znder de overheid tot stand komen.

    Maar is het probleem met milieuproblemen niet dat

    het vaak problemen zijn die pas op de langere termijn

    zichtbaar zullen worden? Daardoor zullen mensen geen

    sterke motivatie hebben om er nu iets aan te doen, want ze

    hebben er nog geen last van.

    Niemand wil dat zijn kleinkinderen in een vervuilde

    wereld zullen wonen, dus mensen zullen rekening

    houden met de toekomst. Daarnaast groeit de

    wetenschappelijke kennis steeds verder, waardoor

    er over enkele decennia waarschijnlijk allerlei

    mogelijkheden zijn, die we nu nog niet kunnen voorzien,

    om milieuproblemen op te lossen.

    Zal in een libertarische samenleving niet enorme

    kansenongelijkheid ontstaan tussen kinderen uit arme en

    kinderen uit rijke milieus?

    Dat valt waarschijnlijk wel mee. Er zullen waarschijnlijk

    allerlei particuliere initiatieven gaan ontstaan om

    mensen uit armere milieus te helpen. Kijk bijvoorbeeld

    naar het katholieke onderwijs van vroeger. Dat werd

    niet door de staat betaald en was bedoeld voor arme

    kinderen, maar had toch een hoog niveau.

    In een libertarische samenleving worden mensen ook

    gesocialiseerd tot het ontplooien van eigen initiatief.

    In onze huidige maatschappij wordt tegen iedereen

    verteld dat de staat alles wel voor je regelt. Daardoor

    nemen mensen minder eigen initiatief.

    Is een mogelijk gevaar van een libertarische samenleving

    niet dat er een grote kloof tussen arm en rijk ontstaat,

    waarbij de rijken enorm veel bezit hebben, terwijl de armen

    amper rond kunnen komen?

    Nee. In een libertarische samenleving worden

    ondernemers meer aangemoedigd om te gaan

    produceren. Daardoor hebben ze meer mensen in

    dienst nodig, waardoor er geen werkloosheid meer zal

    bestaan. Bovendien zal alles, door die hogere productie,

    veel goedkoper worden, waardoor het ook voor arme

    mensen voordelig uitpakt.

    Maar vindt u dan niet dat mensen die vanwege

    omstandigheden waar ze niks aan kunnen doen, zoals hun

    intelligentie of het milieu waarin ze zijn opgegroeid, een

    lager inkomen hebben de steun verdienen van mensen met

    een hoger inkomen?

    Mensen met een hoog inkomen mogen arme mensen

    best ondersteunen, maar dit moet dan voortkomen uit

    eigen initiatief. Op dit moment wordt je er, door het

    betalen van belasting, toe gedwongen. Dat is diefstal, en

    dus verkeerd.

    Bovendien is het hypocriet om het inkomen van

    mensen wel te herverdelen, terwijl we dat niet met

    andere dingen doen. Waarom zijn we zo druk bezig

    met het herverdelen van inkomen, terwijl mensen

    ook aangeboren verschillen in schoonheid hebben?

    We hebben toch ook geen Ministerie dat er voor zorgt

    dat lelijke mensen mooier worden gemaakt en mooie

  • april 2009 :: nr. 9 :: voor en door sociologen :: USOCIA PAMFLETPAMFLET

    19

    mensen lelijker? En zo is ook liefde oneerlijk verdeeld. De

    ene persoon kan makkelijk aan een partner komen en de

    ander heeft er enorm veel moeite mee. Dat gaan we toch

    ook niet herverdelen?

    Libertarirs zijn ook tegen antidiscriminatiewetwetgeving.

    Leidt dit niet tot uitsluiting van groepen mensen, op basis

    van etniciteit, sekse of geaardheid?

    Mensen die een bedrijf hebben, moeten inderdaad zelf

    kunnen bepalen of ze iemand aannemen. De overheid

    mag niet bepalen dat mensen bij een sollicitatie worden

    geweigerd vanwege hun etniciteit of sekse. Ik mag zelf

    toch ook bepalen wie ik mijn huis binnen laat?

    De discriminatie die we nu in Nederland hebben,

    wordt vooral veroorzaakt doordat de overheid mensen

    categoriseert. Er wordt bijvoorbeeld gesproken over

    allochtonen die crimineel zijn. In een libertarische

    samenleving zien mensen elkaar als individu, en niet

    als lid van een groep. Hierdoor zal er geen discriminatie

    meer zijn.

    Hoe kijken libertarirs aan tegen democratie?

    Ik vergelijk het graag met twee wolven en een schaap

    die samen beslissen wat ze zullen eten. Mensen denken

    vaak dat ze invloed hebben op wie het land bestuurt

    en hoe dit gebeurt. Maar in de realiteit hebben burgers

    geen invloed. Er is een kleine elite van zon 2000

    mensen die beslist wat er in een land gebeurt. Als je

    iets wilt veranderen, kost dit je minstens 40 jaar. In een

    democratie is sprake van massatraagheid.

    Daarnaast is een democratie vrijheidsbeperkend.

    De meerderheid van het volk gaat vertellen wat de

    anderen moeten doen. Daarom zijn libertarirs voor het

    beperken van de democratie tot de taken die de staat

    moet vervullen, zoals rechtspraak, politie en leger. Voor

    de rest moet iedereen zelf weten wat ze doen. Mensen

    mogen zich best aansluiten bij een of andere club en

    dan allerlei dingen democratisch gaan besluiten, maar ze

    moeten niet anderen door middel van geweld dwingen

    zich hieraan te houden. Er mag dus best een democratie

    worden opgericht, maar ik wil er niet aan meedoen.

    Hoe wilt u een libertarische samenleving gaan

    bewerkstelligen?

    Aangezien libertarirs tegen het gebruiken van geweld

    zijn, zullen we absoluut geen coup plegen. De enige

    manier is dus door dit democratisch af te dwingen.

    Maar op dit moment is daar in Nederland te weinig

    steun voor. De Libertarische Partij heeft in 1994 een keer

    meegedaan aan de verkiezingen en toen kregen ze maar

    een paar duizend stemmen.

    Is het ideaal van een libertarische samenleving niet een

    utopie?

    Het is net zon utopie als een samenleving zonder

    verkrachting of oorlog. Maar je kunt er daarom wel naar

    streven om er zo dicht mogelijk bij in de buurt te komen.

    Het zou kunnen als mensen in gaan zien hoe moreel een

    libertarische samenleving is, waarin mensen met het

    hart handelen in plaats van dat ze er met de knuppel toe

    worden gedwongen.

    Wil je meer weten of het libertarisme?

    Lees dan:

    Ayn Rand: Atlas Shrugged [Atlas in Staking]

    The Fountainhead [De Eeuwige Bron]

    We The Living [De Vrijheid Gloorde]

    Anthem [Loied]

    Henry Hazlit: Economics in One Lesson

    Murray Rothbard: Wat heeft de overheid met ons geld

    gedaan

    Of kijk op de volgende websites:

    www.vrijspreker.nl

    www.libertarian.nl

    Dit interview werd afgenomen door:

    Laura Vonk en Thijs van Dooremalen.

  • april 2009 :: nr. 9 :: voor en door sociologen :: USOCIA PAMFLETPAMFLET

    20

    Toen ik een tijdje terug wat rondkeek op de prachtige,

    vernieuwde website van onze studievereniging (www.

    usocia.nl) stuitte ik onder het kopje Biograe op een

    stukje over haar ontstaansgeschiedenis. Daarin las ik

    onder andere het volgende: De

    naam van de vereniging is een

    combinatie tussen de woorden

    sociologie en Utopia. Dit laatste

    is een verwijzing naar het

    beroemde kritische werk van Sir

    Thomas More uit 1516.

    Van Utopia wist ik op dat

    moment weinig meer dan dat

    het een beschrijving was van

    een denkbeeldige, onbereikbaar

    geachte maatschappij en dat we

    er de term utopie aan te danken

    hadden. Dat ik al meer dan twee jaar lid was van een

    studievereniging die een verwijzing ernaar in haar naam

    heeft staan, maakte me nieuwsgierig naar de inhoud van

    het boek. Daarom besloot ik om het maar eens te gaan

    lezen.

    Tijdens het lezen bedacht ik dat het leuk zou zijn om er

    voor Het Pamet iets over te schrijven. Immers: wanneer

    we, zoals de politieke opinie tegenwoordig luidt,

    migranten pas als goede Nederlanders beschouwen

    als ze een inke dosis kennis van de Nederlandse

    geschiedenis hebben, kan niemand binnen Usocia zich

    een volwaardig Usocia-lid noemen zonder enige kennis

    van de eigen ontstaansgeschiedenis. Daarom volgt

    hieronder, bij wijze van verkorte inburgeringscursus, een

    stuk over Mores meesterwerk.

    Laat ik om te beginnen wat vertellen over de auteur.

    Thomas More werd in 1478 geboren in Londen. Zijn

    familie behoorde tot de hogere klassen, waardoor More

    de gelegenheid kreeg om zich van jongs af aan op

    een hoog intellectueel niveau te ontplooien: toen hij

    twaalf was sprak en las hij al vlot Latijn en voor hij op

    achttienjarige leeftijd als advocaat werd toegelaten bij

    de rechtbank had hij al letteren in Oxford en rechten in

    Londen gestudeerd.

    In de loop van zijn carrire

    groeide More uit tot een van de

    invloedrijkste politieke guren in

    Engeland. Hij bekleedde onder

    andere de functies van lid van het

    Engelse Lagerhuis, undersheri

    van Londen en topambtenaar van

    de koning. In 1521 werd hij in de

    adelstand verheven, wat hem de

    prestigieuze titel Sir Thomas More

    gaf.

    Zijn naamsbekendheid heeft hij

    echter niet te danken aan zijn indrukwekkende carrire,

    maar aan de publicatie van Utopia in 1516. Mores

    belangrijkste aanleiding om Utopia te gaan schrijven,

    was de verschijning van de Lof der Zotheid in 1509. Dit

    boek, geschreven door zijn goede vriend Desiderius

    Erasmus, vormde een aanklacht tegen de kerkelijke en

    maatschappelijke misstanden van die tijd. Het bracht

    More op het idee om dit kunstje te herhalen voor de

    situatie in Engeland.

    Omdat er na de publicatie van de Lof der Zotheid een

    stortvloed aan kritiek was ontstaan en More vreesde

    voor zijn positie in de Engelse politiek, dacht hij dat

    het niet verstandig was om in Utopia zelf het woord te

    voeren. Daarom nam hij in het boek afstand van zijn

    ideen, door ze in de mond te leggen van een bevaren

    zeeman. Zelf fungeerde hij als kritische toehoorder en

    ondervrager.

    Zo voorkwam hij inderdaad dat zijn eigen positie in

    gevaar kwam. Maar niet voor lang. Want toen de koning

    in 1532 wilde scheiden van zijn vrouw om te kunnen

    De betekenis van de naam Usocia: een verkorte inburgeringscursusDoor Thijs van Dooremalen

  • > april 2009 :: nr. 9 :: voor en door sociologen :: USOCIA PAMFLETPAMFLET

    21

    hertrouwen, weigerde More, op dat moment hoofd

    van de kerk. Daarop werd hij door ambtenaren van de

    koning hevig onder druk gezet om zijn mening bij te

    stellen. Maar More bleef bij zijn principes. Daarom werd

    hij in 1534 gevangen gezet in de Tower of London, waar

    hij in 1535 werd onthoofd. (Geert Wilders bevond zich

    met zijn weigering tot toelating door de Engelse staat

    vanwege zijn politieke ideen dus in goed gezelschap.

    Met als verschil dat de prijs die hij voor het verkondigen

    van zijn mening moest betalen natuurlijk een stuk lager

    was dan die van More.)

    Dan nu over het boek zelf. De term Utopia is afkomstig

    uit het Grieks en kan op twee manieren worden

    genterpreteerd: als een verwijzing naar een niet

    bestaande plaats, een Nergensland, of naar een goede,

    mooie plaats. More had waarschijnlijk een combinatie

    van deze twee interpretaties in gedachten. Het Utopia

    dat hij in zijn boek schiep, was in zijn ogen een zowel

    prachtige en ideale als onmogelijk te realiseren

    maatschappij.

    Utopia vormt de weerslag van een ctieve dialoog

    tussen More en Raphal Babellario, de eerdergenoemde

    zeeman. Het bestaat uit twee delen. In deel n

    komen de bestaande sociale en politieke misstanden

    in Engeland aan de orde. In deel twee volgt een

    uitgebreide beschrijving van het eiland Utopia, waar

    alles beter is geregeld dan in Engeland en iedereen

    volmaakt gelukkig is.

    More begint het eerste deel met een korte weergave

    van de setting waarin hij Babellario ontmoette. Dit was

    in Antwerpen, na het volgen van een kerkmis. Al snel na

    hun ontmoeting ontstaat een boeiend gesprek, waarvan

    More in de rest van het boek verslag doet.

    Het gesprek start met een beschrijving door Babellario

    van alle reizen die hij gedurende zijn leven heeft

    gemaakt. Dit zijn er nogal wat en van alle bezochte

    plaatsen heeft hij volgens More zoveel kennis dat het

    lijkt alsof hij er zijn hele leven heeft gewoond. Daarom

    stelt hij dat hij zijn kennis in de praktijk zou moeten

    brengen, door adviseur van een koning of staatshoofd te

    worden.

    Hierop antwoordt Babellario dat hij dit niet wil, omdat

    machthebbers nooit naar zijn radicale ideen zullen

    luisteren. Hij haalt een aantal voorbeelden aan uit de

    Engelse politiek, die volgens hem helemaal anders

    zouden moeten. Twee daarvan zijn de doodstraf en het

    priv-bezit. Het is een schande dat mensen worden

    vermoord wanneer ze een kleine misdaad, zoals

    diefstal, begaan en het priv-bezit leidt tot enorme,

    onrechtvaardige ongelijkheden onder de bevolking.

    Beide moeten worden afgeschaft.

    More repliceert vervolgens dat je rekening moet

    houden met de wensen van een machthebber en je

    ideen daarom op een slimme manier moet brengen.

    Bovendien is hij zeer kritisch over de haalbaarheid van

    de opvattingen van Babellario: wanneer de doodstraf

    wordt afgeschaft, zal de criminaliteit de pan uit rijzen

    en zonder priv-bezit zal iedereen lui worden omdat er

    geen persoonlijk gewin meer uit hard werken te halen

    valt, zo stelt hij.

    Babellario denkt echter dat dit wel haalbaar is. Sterker

    nog: hij heeft met eigen ogen gezien dat het kan! En

    wel op het eiland Utopia. Dit maakt More nieuwsgierig

    en hij vraagt Babellario dan ook om een uitgebreide

    beschrijving van dit land te geven.

  • april 2009 :: nr. 9 :: voor en door sociologen :: USOCIA PAMFLETPAMFLET

    22

    Hier begint deel twee van het boek, waarin alle

    kenmerken van de staatsinrichting van Utopia aan bod

    komen. Het leest als een ware lofzang. Babellario is

    lyrisch over elk aspect dat hij van het land beschrijft.

    Wat valt er zoal te bejubelen aan Utopia? Allereerst de

    economische omstandigheden. Alle Utopirs, zo heten

    de inwoners, zijn economisch gezien gelijk. Het land

    kent geen bedelaars en niemand is enorm rijk. Dit heeft

    er echter niet toe geleid dat er, zoals More voorspelde,

    door niemand meer werk wordt verricht en daardoor

    algehele armoede heerst. Er is genoeg eten en behuizing

    voor iedereen!

    Bovendien hebben de Utopirs hun hebzucht verloren.

    Mensen uit andere landen, die parels en juwelen

    dragen, worden dan ook een beetje uitgelachen, als

    kleine kinderen die nog niet beter weten. Dit heeft

    er toe geleid dat er geen grote behoefte meer is aan

    enorme hoeveelheden geld. Daarom wordt een deel van

    de eigen inkomsten aan andere landen afgestaan als

    ontwikkelingshulp en hoeft er niet zoveel uur per dag

    gewerkt te worden. Een gemiddelde werkdag in Utopia

    duurt zes uur. De rest van de dag wordt besteed aan

    sociale contacten, kunst of geestelijke ontwikkeling.

    Naast deze idyllische economische omstandigheden

    is er nog meer moois. Utopia is zeer democratisch

    georganiseerd - de Utopirs kiezen hun bestuurders

    op directe wijze -, er bestaat vrijheid van godsdienst

    en euthanasie is gelegaliseerd. Dit zijn zaken die wij

    tegenwoordig als normaal beschouwen, maar voor

    Mores tijd waren het revolutionaire ideen.

    Maar of Utopia wel echt zon paradijs op aarde is,

    is zeer de vraag. Naast de mooie dingen benoemt

    Babellario namelijk ook een groot aantal zaken die ik

    toch liever niet in Nederland ingevoerd zou zien. Voor de

    enorme gelijkheid die er in het land heerst, betalen de

    Utopirs een hoge prijs, en wel die van het leven in een

    totalitaire staat.

    Van privacy of individuele vrijheid is in Utopia maar

    in zeer beperkte mate sprake. De staat bepaalt waar je

    moet wonen, of je naar een ander land kunt reizen en

    hoeveel leden een gezin mag hebben (als een gezin

    bestaat uit te veel leden worden die overgeplaatst

    naar gezinnen met te weinig leden). Als de Utopirs

    weigeren zich aan dit soort regels te houden, worden

    ze gedegradeerd tot slaaf. Kortom: de staat dwingt

    de Utopirs op een radicale manier hun leven op een

    bepaalde wijze in te richten. Daarmee lijkt Utopia meer

    op een communistische heilstaat, als de voormalige

    Sovjet-Unie of DDR, dan op een paradijs.

    More vindt ook niet alles aan Utopia even mooi. Nadat

    Babellario zijn beschrijving heeft voltooid, neemt hij nog

    nmaal het woord. Hij zegt dan dat hij bepaalde zaken

    aan Utopia prachtig vindt, maar anderen ook absoluut

    niet. In de laatste alinea spreekt hij de hoop uit dat de

    aspecten die hij goed vindt zo snel mogelijk in Engeland

    zullen worden ingevoerd. More kan best tevreden zijn,

    want dat is in de afgelopen eeuwen stapje voor stapje

    gebeurt.

    Tot slot nog een interessante vraag: welke link kan er

    tussen de sociologische wetenschap en Utopia worden

    gelegd? Met andere woorden: slaat de verwijzing in de

    naam van Usocia ergens op?

    Als er een link gelegd kn worden, dan is dat, behalve

    natuurlijk dat het zowel in de sociologie als in Utopia

    vaak over maatschappelijke vraagstukken gaat, naar

    mijn idee deze: een socioloog zou zich op moeten

    stellen zoals More in zijn ctieve gesprek met Babellario.

    Hij toonde daarin immers drie eigenschappen die

    een goede socioloog ook zou moeten bezitten: het

    benoemen van de sociologische onmogelijkheid

    van een ideaal, nieuwsgierigheid en maatschappelijk

    engagement.

    Ga maar na: hij wees Babellario eerst op de

    sociologische onmogelijkheden van zijn idealen

    door te benadrukken dat een samenleving zonder

    doodstraf of priv-bezit mensen lui en crimineel zou

    maken. Vervolgens was hij tch nieuwsgierig naar de

    situatie in Utopia, om te kijken of de sociologische

    wetmatigheden daar misschien net op gingen. En hij

    was maatschappelijk betrokken, toen hij aan het einde

    van het gesprek de hoop uitsprak dat Engeland een

    aantal punten van de staatsinrichting van Utopia over

    zou nemen.

    Hij betoonde zich, kortom, een voorbeeldig socioloog.

  • april 2009 :: nr. 9 :: voor en door sociologen :: USOCIA PAMFLETPAMFLET

    23

    Studiekeuzetesten weten mij op de een of andere manier altijd van slag te brengen. Bij iedere keuze sluit ik

    duizend andere opties uit, en dat is al erg zat. De keuzetest in mijn nieuw verworven Nobiles mastergidsje

    sloeg echter werkelijk alles met de openingsvraag: wat wil je dat mensen op je begrafenis over je

    zeggen?. Slik. Buiten het feit dat deze vraag mij echt niet verder gaat helpen met de keuze van een master,

    overweeg ik de makers aan te klagen voor het verontrusten van arme studenten die al zo trots op zichzelf

    zijn dat ze tot pagina 5 van dit zo demotiverend boekwerk zijn gekomen.

    U, geachte lezer, denkt nu natuurlijk dat ik geen antwoord wist te formuleren op deze zo essentile vraag.

    Niets is echter minder waar. Ik weet al jaren wat ik wil: men moet sprakeloos zijn en niets anders uit kunnen

    brengen dan gesnik om het vreselijke verlies. Hordes met mensen moeten langs de kant van de weg rozen

    gooien en de wereld moet even haar adem in houden. De president moet speechen en o fortuna moet

    gespeeld worden wanneer ik de grond in zak.

    Ik ben mij er van bewust dat een dergelijke begrafenis een bepaalde levensstijl vereist. Een leven dat de

    dramatiek van o fortuna waardig is. Groots en meeslepend zal ik moeten leven, de wereld beroeren, de

    armoede oplossen, een voorbeeld stellen. Aldus het doel van mijn aanwezigheid hier. Dit doel naleven

    valt echter niet mee, zo zult u begrijpen. Stand van zaken na twintig jaar: middelbare school afgerond en

    rijbewijs gehaald.

    Daarna ben ik -o wreed lot- sociologie gaan studeren.

    In de bloei van mijn leven heb ik geen enkele wereldverbetering door weten te voeren. Ik heb geen

    boeken geschreven, religies opgericht, corruptie bestreden of landen veroverd. Na een enerverend nachtje

    zuipen waarin ik meerdere harten heb weten te raken ervaar ik in plaats van opgetogen inspiratie vooral

    spijt en koppijn. En hoewel ik in gedachte oplossingen bedenk voor de wereldhonger voelt ook de afwas

    doen wat ongenspireerd aan. Heb ik het nog niet eens over mijn allerminst verheven gedachten n de

    afwas: waarom smst die idioot niet terug, wat is het hier een teringzooi en wat moet ik in vredesnaam aan

    vanavond. Daar hoeft Obama zich natuurlijk nooit druk om te maken. Ja, dan kan ik het ook.

    Een goede master zal echter al het gemis teniet doen. Naast kennis zal het mij rust brengen, antwoorden

    bieden, houvast, een toekomst. Die toekomst zal groots en meeslepend zijn, omdat het moet. Nobiles

    mastergids zal mijn lot bepalen. En laat het asjeblieft beter zijn dan de uitslag van mijn beroepskeuzetest

    van de middelbare school, die me aanraadde boomchirurg te worden. Nobiles, ik ben klaar voor vraag 2.

    O fortunaDoor Femke Mureau

  • april 2009 :: nr. 9 :: voor en door sociologen :: USOCIA PAMFLETPAMFLET

    24

    Bij het zien van de titel van Femke Halsemas

    nieuwe boek knapte ik in eerste instantie een

    beetje af. Geluk! Voorbij de hyperconsumptie,

    haast en hufterigheid, het kwam mij voor als een

    zelfhulpboek met boeddhistische inslag, zoals je die

    wel eens tegenkomt bij uitverkoop van De Slegte. Wil

    de lijsttrekker van GroenLinks mij nou in dit boek

    vertellen hoe ik een gelukkig leven moet leiden?

    En dat ik geen haastige, hufterige hyperconsument

    mag zijn? Hoewel ik geen liefhebber ben van

    zelfhulpboeken, dacht iemand mij afgelopen Kerst

    toch te kunnen plezieren door dit knalroze boek

    cadeau te geven. Gelukkig bleek mijn eerste indruk

    niet te kloppen; wat Halsema in dit boek doet is

    namelijk kritiek uiten op onze maatschappij, in het

    bijzonder op onze consumptiepatronen. Niet veel

    gelukkiger dan voorheen, maar misschien wel ietsje

    wijzer zal ik hier verslag doen van dit boek.

    Als Femke Halsema iets niet verweten mag worden,

    is het dat ze geen idealen heeft. Iets wat haar wl

    verweten mag worden, is dat ze deze idealen niet altijd

    even consistent toepast in haar eigen leven. Zo rijdt de

    fractievoorzitter van Nederlands groenste partij graag

    rond in een grote, onzuinige, ink vervuilende bak

    en wordt ze zelden twee keer in hetzelfde peperdure

    designer-jurkje gespot. Open en eerlijk vertelt ze

    hierover in Geluk. In het eerste hoofdstuk, met de

    pakkende en o-zo-ware titel Niemand wil een sukkel zijn

    neemt ze zichzelf als voorbeeld en gaat in op de vraag

    waarom ze zoveel tijd en geld aan consumptie besteedt.

    Het antwoord is simpel en herkenbaar: consumeren is

    lekker.

    Met consumptie is op zich natuurlijk weinig mis, maar

    met hyperconsumptie wel. Van hyperconsumptie is

    sprake als luxegoederen een belangrijke symbolische

    en culturele betekenis hebben in een samenleving

    De illusie van materieel gelukBoekverslag: Geluk! van Femke Halsema Door Laura Vonk

    en als het bezit ervan leidt tot individueel geluk,

    status en succes. Dat er in Nederland sprake is van dit

    soort consumptie zie je volgens Femke Halsema op

    verschillende manieren terug. Zo is het principe van

    Keeping up with the Joneses, dus bijvoorbeeld een

    nieuwe auto willen omdat je buurman een nieuwe

    auto heeft, terug te vinden in alle lagen van de

    Nederlandse bevolking. Het is algemeen bekend dat

    hyperconsumptie leidt tot milieuproblemen en sociale

    problemen, bijvoorbeeld de uitbuiting van werknemers

    in arme landen. Wat Halsema bovendien duidelijk maakt

    is dat de consumptie van luxegoederen ons slechts

    kortstondig geluk biedt: Met een nieuw boek beloof

    ik mezelf minder televisie, met nieuwe keukenspullen

    beloof ik om meer etentjes te gaan geven, met make-

  • april 2009 :: nr. 9 :: voor en door sociologen :: USOCIA PAMFLETPAMFLET

    25

    up een stralend uiterlijk. Ik koop dus een illusie. De

    illusie van geluk!. Luxe consumptieartikelen worden

    gekocht om meer te ontspannen, beter te eten en

    gezonder en tevredener te leven, maar in plaats van

    het leven makkelijker te maken, gaan ze het leven

    van consumenten beheersen. Hoe dit leidt tot haast,

    hufterigheid en verharding van de samenleving

    behandelt Femke Halsema in het eerste deel van haar

    boek.

    Na deze probleemschets komt Halsema met

    oplossingen. Als een moderne Thomas More (zie ook het

    stuk van Thijs van Dooremalen in dit Pamet) beschrijft

    zij een ideale samenleving waarin meer aandacht en

    ruimte is voor zaken die ons cht gelukkig maken: Geluk

    ontstaat als mensen in vrede met elkaar leven. Als zij zich

    kunnen ontwikkelen, voor hun gezin kunnen zorgen,

    vrienden hebben, zich thuis voelen in een gemeenschap

    en vrij kunnen zijn, dan noemen zij zichzelf sneller

    gelukkig. Bijna iedereen, zelfs Femke Halsema, is het er

    mee eens dat economische groei en welvaart belangrijk

    zijn. Op dit moment lijkt economische groei vaak zelfs

    de belangrijkste graadmeter te zijn voor hoe goed

    het gaat met ons land. Dit is volgens Halsema een te

    beperkte blik op welvaart. Om vast te leggen hoe goed

    het met ons gaat, is het volgens haar ook belangrijk