Eindrapport radicaal onzichtbaar

Click here to load reader

download Eindrapport radicaal onzichtbaar

of 173

Embed Size (px)

description

Recente signalen geven aan dat er nieuwe ontwikkelingen plaatsvinden over de rollen van vrouwen in radicale bewegingen. De gemeente Amsterdam geeft onder andere aan dat zij te weinig zicht heeft op moslima’s die kampen met problemen die hen vatbaar kunnen maken voor radicalisering. Daar komt nog bij dat deze groep lastig te bereiken is. Hun problematiek is niet duidelijk en uit eerder oriënterend onderzoek blijkt dat deze groep een tendens vertoont om hun problemen te verinnerlijken.

Transcript of Eindrapport radicaal onzichtbaar

  • 1.1 Radicaal (on)zichtbaar Verkennend onderzoek naar omvang, kenmerken en oorzaken van mogelijke radicalisering onder Amsterdamse moslimas

2. 2 VOORWOORD Het onderzoek Radicaal (on)zichtbaar is uitgevoerd in opdracht van de Informatie Huishouding van de Dienst Openbare Orde & Veiligheid van de Gemeente Amsterdam. We zijn onze opdrachtgevers erkentelijk voor het verstrekken van de opdracht en onze dank gaat uit naar alle betrokkenen bij het onderzoek. In het bijzonder willen we bedanken: De externe leden van de begeleidingscommissie: Professor Dr. T. Pels [Verwey Jonker instituut], dr. R. Witte [IVA, Universiteit van Tilburg] en drs. F. Venecourt [Spirit] voor het kritisch meelezen en de wetenschappelijke feedback en de heer dr. B. Amjarso voor zijn inspirerende hulp bij het samenstellen van de vragenlijst. Onze speciale dank gaat uit naar de twee veldwerkers Z. Madhdroume en N. Ramzi, die ontelbare uren in dit onderzoek hebben gestopt en zonder wiens vertrouwen en ervaring de doelgroep nooit bereikt had kunnen worden. Onze dank gaat dan ook uit naar alle respondenten die bereid zijn geweest tijd vrij te maken voor onze vragen en die ervoor gezorgd hebben dat deze groep vrouwen niet langer onzichtbaar is. Tot slot hopen we de lezer een nieuwe ervaring mee te kunnen geven die aanvullend is op reeds bestaand onderzoek op het terrein van radicalisering. 10 juni 2012 Drs. L. Wessels, hoofdonderzoeker, conflictanalysis360 Msc. A. Dijkman, onderzoekscordinatie, Vizea 3. 3 SAMENVATTING RADICAAL (ON)ZICHTBAAR Probleemverkenning en behoefte gemeente Amsterdam Recente signalen geven aan dat er nieuwe ontwikkelingen plaatsvinden over de rollen van vrouwen in radicale bewegingen. De gemeente Amsterdam geeft onder andere aan dat zij te weinig zicht heeft op moslimas die kampen met problemen die hen vatbaar kunnen maken voor radicalisering. Daar komt nog bij dat deze groep lastig te bereiken is. Hun problematiek is niet duidelijk en uit eerder orinterend onderzoek blijkt dat deze groep een tendens vertoont om hun problemen te verinnerlijken. Dat velen hun emotionele, politieke en identiteitsontwikkeling mogelijk doormaken in een schaamte- en taboecultuur maakt het onderzoek en het duiden van de problematiek nog lastiger. Voor een compleet beeld van risico's van radicalisering is een goed beeld van deze groep essentieel. De gemeente is ervan overtuigd dat een onderzoek naar de omvang en kenmerken van kwetsbare, gesoleerde en mogelijk radicaliserende moslimas helderheid kan verschaffen wat op zijn beurt kan resulteren in een oplossingsgerichte aanpak. Om een doelgerichte aanpak te verwezenlijken heeft de gemeente Amsterdam belang bij een onderzoeksteam dat toegang heeft tot deze lastig te benaderen doelgroep zodat op een effectieve manier het probleem in beeld gebracht kan worden. De Informatie Huishouding (IHH) van de bestuursdienst van de gemeente Amsterdam heeft daarom Vizea de opdracht verleend om dit onderzoek uit te voeren en daarbij gebruik te maken van haar specifieke netwerk en contacten. Doelstellingen Het Vizea-onderzoek naar radicalisering onder moslima's in Amsterdam heeft vijf doelstellingen: 1. Inzicht krijgen in de relatieve omvang van de groep kwetsbare, gesoleerde en mogelijk radicaliserende moslima's in Amsterdam; 2. Inzicht krijgen in de oorzaken die leiden tot de problematiek van kwetsbare, gesoleerde en mogelijke radicaliserende moslima's in Amsterdam; 3. Zicht krijgen op veel voorkomende kenmerken van kwetsbare, gesoleerde mogelijk radicaliserende moslima's in Amsterdam; 4. Kennis verkrijgen over positieve en negatieve invloeden van buitenaf en de impact hiervan, zoals het aanbod van radicaal gedachtegoed; 5. Het doen van suggesties en aanbevelingen voor beleid en verder onderzoek. Aard en methode van het onderzoek Dit onderzoek is exploratief van aard. Er is weinig specifiek onderzoek naar de rol, positie en het gedrag van geradicaliseerde moslima's gedaan in Nederland en daarbuiten. Bestaand onderzoek gaat vaak over radicalisering onder moslims, ongeacht geslacht. Het behandelt vrouwen vaak niet als een groep met mogelijk aparte eigenschappen wat radicalisering betreft. Dit onderzoek is daarmee vernieuwend en exploratief en de eerste keer dat de gemeente Amsterdam zo specifiek onderzoek laat doen naar vrouwen en radicalisering. Om de beperkte tijd en middelen zo efficint mogelijk in te zetten is er voor gekozen om het onderzoek in te delen in twee fasen; een kwantitatief gedeelte en een kwalitatief gedeelte. Ten eerste het uitzetten van een vragenlijst onder 155 dames op basis van een doelgroepprofiel. Voor de vragenlijst is gebruik gemaakt van vragen uit eerder onderzoek van Van den Bos (2009) en op basis van de studie Salafisme in Nederland van 4. 4 Roux et al (2010) Deze vragenlijst is op basis van eigen inzicht en expertise aangepast en aangevuld met additionele vragen die in de uiteindelijke vragenlijst verwerkt zijn. In fase twee zijn twaalf geselecteerde dames genterviewd met gebruikmaking van een narratief biografisch interviewmodel. Deze methode, ontwikkeld door de socioloog Schtze, vraagt de respondente om zelf het verhaal van haar leven te vertellen. Het voordeel hiervan is dat er volgens Schtze door de spontaniteit van het verhaal zogenaamde 'Zugzwnge' (letterlijk de dwang om een 'zet' te maken, denk aan het schaken) tot het verdichten en tot het detailleren. Vooral door deze Zugzwnge raken mensen verstrikt in hun verhaal en verliezen daarbij de controle over hun verhaal. De verteller wordt meegesleept door zijn eigen verhaal en produceert op die manier meer en andere informatie, een vollediger beeld over zich zelf dan hij of zij van plan was. Deze methode leidt daarmee vaker tot een eerlijker en duidelijker beeld van het leven van de respondent, dan reguliere vraag- en antwoord methodes. Toegang tot respondenten Elk onderzoek werkt met 'materiaal', de informatie waar we als onderzoekers toegang toe hebben. Bij dit onderzoek ligt er een grote uitdaging omdat de informatie over radicalisering en over de rol van vrouwen daarin niet voor het oprapen ligt en voor ons veelal onzichtbaar is: gedrag van veel moslimvrouwen en zeker mogelijk radicaliserende moslimvrouwen in het bijzonder, vindt achter de voordeur plaats. Zonder toegang tot deze vrouwen en relevante netwerken kun je niets zinnigs zeggen over het radicaliseringspotentieel van moslima's in Amsterdam. Wat dit onderzoek extra interessant en relevant maakt is de toegang die Vizea heeft tot sterk gesoleerde moslima's. Een onderzoek naar niet- gesoleerde moslima's is minder interessant omdat de meeste indicatoren dan automatisch wijzen op niet-radicalisering, niet-isolatie of minder kwetsbaarheid. Vizea heeft deze vrouwen kunnen bereiken en bevragen door eigen ervaring, netwerk en daarbij behorende toegang tot lezingen van conservatieve prekers en verschillende gesloten fora voor vrouwen (thuis, in de moskee, in praatgroepen, tijdens islamitische feesten). Dat betekent dat Vizea hiermee een 'biased steekproef', selecte steekproef doet in positieve zin, dieper de doelgroep in van mogelijk kwetsbare, gesoleerde en mogelijk radicaliserende vrouwen. Omvang kwetsbare, gesoleerde en mogelijk radicaliserende moslima's Op basis van dit onderzoek kan niet met zekerheid worden vastgesteld wat het aantal radicale moslima's in Amsterdam is. Elke poging om een omvang van deze doelgroep te bepalen is moeilijk. Zoals in hoofdstuk 6 Materiaal en Doelgroep is beschreven, levert een algemene schatting op basis van de gegevens van de Veiligheids- en Diversiteitsmonitor 2010 van de Dienst Onderzoek en Statistiek1 op, dat er in de leeftijdscategorie 13 tot 30 jaar in Amsterdam maximaal 20.000 moslima's zijn. We gaan uit van deze leeftijdscategorie omdat uit eerdere onderzoeken blijkt dat in deze leeftijdscategorie het radicaliseringpotentieel het grootst is. Bij een steekproefmarge van 7 procent, een betrouwbaarheidspercentage van 90% en een populatie van 20.000 is een steekproef van 138 personen voldoende om representatief te zijn.2 Met 155 ingevulde vragenlijsten is daarmee aan deze voorwaarde voldaan. Deze marges gelden echter voor een aselecte steekproef en gezien het feit dat het bij onderzoek Radicaal (on)zichtbaar om een selecte steekproef gaat, is het extrapoleren van de uitslag naar de gehele doelgroep van moslima's in Amsterdam in deze context weinigzeggend. De selecte steekproef bestaat 1 Dienst Onderzoek en statistiek: Veiligheids en Diversiteits Monitor, 2010. 2 Steekproefcalculator (www.AllesoverMarktonderzoek.nl) 5. 5 namelijk uit respondenten die voldoen aan een voor dit onderzoek vastgesteld profiel (Zie hoofdstuk 6 Materiaal en doelgroep pagina 37) met factoren die bij kunnen dragen aan het radicaliseringpotentieel. Ongeveer 1,3 procent (2 dames) van de 155 dames scoort meer dan 3,0 op de factor Directe geweldslegimatie (tegen 4 procent op exact 3.0). Het percentage dames dat daadwerkelijk aangeeft dat geweld gebruikt mag (4,2 procent) of moet (2.8 procent) worden om de islam te verdedigen is relatief klein. Een hoge score op geweldslegitimatie is echter niet voldoende om daadwerkelijk te radicaliseren en tot een geweldsdaad te komen. De onderzochte dames zijn niet allemaal noodzakelijkerwijs radicaal, maar in potentie wel het meest ontvankelijk voor radicalisering, gemeten aan de hand van de factor Directe geweldslegitimatie. Deze gegevens zijn gebaseerd op de uitslag van het kwantitatieve gedeelte van het onderzoek. Aan de hand van het kwalitatieve gedeelte blijken echter dat er meer factoren zijn die een rol kunnen spelen bij radicalisering van meiden en vrouwen (zie Hoofdstuk Resultaten Interviews pagina 61). Deze factoren zijn echter niet meegenomen in de vragenlijst omdat deze is gebaseerd op uitkomsten van eerder onderzoek. Nieuw kwantitatief onderzoek zou moeten uitwijzen in welke mate deze nieuwe aanvullende factoren van belang zijn bij een eventuele omvangsberekening. Resultaten en conclusies uit de vra