Duurzaamheid...Duurzaamheid Keesjan Meijering AKD Elise Noordhoek AKD Wijziging van de Warmtewet:...

of 4/4
of 30/70. Nadat de inschrijvingslei- draad is verstrekt, doet een branche- vereniging haar beklag over de hierin beschreven weging. De prijs speelt volgens de branchevereniging nog nauwelijks een rol en daarmee heeft de aanbestedende dienst volgens haar de opdracht wezenlijk gewijzigd en/of gehandeld in strijd met het transparantiebeginsel. De CvAE volgt dit standpunt niet. De verhouding 50/50 in de aankondiging zegt niets over de werkelijke gewichten van de- ze criteria. Dit is volgens de CvAE volledig afhankelijk van de formule die door de aanbestedende dienst wordt gebruikt. De aanbestedende dienst heeft derhalve volgens de CvAE geen wegingsfactoren bekend- gemaakt en er is aldus ook geen spra- ke van een wijziging. Vervolgens komt de vraag aan de orde of de aan- bestedende dienst de wegingsfactoren had moeten vermelden in de aankon- diging. Zoals hierboven is verwoord, is deze verplichting opgenomen in het ARW 2016. De aanbesteder had de weging derhalve bekend moeten maken. De CvAE beveelt echter aan om ook bij Europese aanbestedingen waarop het ARW 2016 niet van toe- passing is de weging van de nadere criteria op te nemen in de aankondi- ging, ook al lijktdeze verplichting volgens de CVAE niet in de Aw 2012 opgenomen te zijn. Deze weging zou immers gelijk de nadere criteria van belang kunnen zijn om te beoor- delen of het voor hen de moeite waard is om tijd en energie te steken in het indienen van een verzoek tot deelneming. Samenvattend Alhoewel in de Nederlandse praktijk de nadere criteria veelal eerst in de selectieleidraad of inschrijvingslei- draad worden vermeld, is deze han- delwijze in strijd met de Aw 2012. In de Aw 2012 is immers in afwijking van de Richtlijn expliciet bepaald dat deze nadere criteria in de aankon- diging vermeld dienen te worden. Dit geldt zowel voor de openbare als de niet-openbare procedure. Bovendien kan het eventueel ontbreken van deze nadere criteria in de aankondiging volgens de CvAE niet geheeld wor- den bij Nota van Inlichtingen. In het ARW 2016 is een duidelijke verplich- ting opgenomen om de wegingsfacto- ren van deze nadere criteria ook in de aankondiging te vermelden. Deze verplichting ontbreekt in de Aw 2012. De wetgever spreekt immers in af- wijking van de bekendmaking van de nadere criteria over vermelding in de aanbestedingsstukken, en dus niet in de aankondiging. Desondanks be- veelt de CvAE aanbestedende dien- sten aan om bij alle Europese openba- re en niet-openbare aanbestedingen de weging al in de aankondiging op te nemen. Deze aanbeveling is wel- licht in het licht van het transparantie- beginsel te volgen. Echter, een wette- lijke plicht daartoe bestaat, zoals ge- zegd, mijns inziens niet. De auteur heeft deze rubriek op persoon- lijke titel geschreven. 1. CvAE 482 d.d. 21 december 2018 en CvAE 515 d.d. 20 december 2019. 2. Richtlijn 2014/24/EU. 3. HvJ EU 10 mei 2012, C-368/10. 4. Duurzaamheid Keesjan Meijering AKD Elise Noordhoek AKD Wijziging van de Warmtewet: tarief- regulering lage- temperatuurwarmte en WKOs 1 Op 1 januari 2020 is de Warmtewet weer gewijzigd. 2 Een van de aanleidin- gen voor deze wijziging was dat uit de evaluatie van de Warmtewet volg- de dat de tariefsystematiek onvoldoen- de rekening hield met de levering van lage-temperatuurwarmte (LT-warm- te), ook wel bronwarmte genoemd als het afkomstig is van een warmte- en koudeopslag (WKO). Met de wij- ziging is beoogd de Warmtewet beter te laten aansluiten op systemen die LT-warmte leveren, zoals WKOs. 3 Hieronder bespreken we eerst kort WKOs, LT-warmte en de Warmte- wet. Daarna gaan we in op de tarief- systematiek zoals die tot 1 januari 2020 gold en bespreken we wat er per 1 januari 2020 gewijzigd is. WKOs, LT-warmte en de Warmtewet in het kort Een WKO is een systeem waarbij warmte en koude (lees: warmen koudwater) in de bodem worden opgeslagen. Is het koud, dan wordt er verwarmd met warmte uit de warmtebron, waarna het afgekoelde water wordt teruggepompt naar de koudebron. Als het warm is, verloopt het proces in omgekeerde richting. Met koude uit de koudebron wordt er gekoeld, waarna het opgewarmde water naar de warmtebron wordt te- ruggepompt. In de warmtebron van een WKO- systeem zit LT-warmte. Denk aan water met een temperatuur van tussen de 10 en 20 °C. De temperatuur van het water is dus te laag om direct ge- bruikt te (kunnen) worden voor ruimteverwarming of verwarming van tapwater, de twee soortenver- warming waar de Warmtewet op ziet. LT-warmte kan wel als basis voor 105 Vastgoedrecht 2020-3 Duurzaamheid
  • date post

    16-Aug-2020
  • Category

    Documents

  • view

    1
  • download

    0

Embed Size (px)

Transcript of Duurzaamheid...Duurzaamheid Keesjan Meijering AKD Elise Noordhoek AKD Wijziging van de Warmtewet:...

  • of 30/70. Nadat de inschrijvingslei-draad is verstrekt, doet een branche-vereniging haar beklag over de hierinbeschreven weging. De prijs speeltvolgens de branchevereniging nognauwelijks een rol en daarmee heeftde aanbestedende dienst volgens haarde opdracht wezenlijk gewijzigden/of gehandeld in strijd met hettransparantiebeginsel. De CvAE volgtdit standpunt niet. De verhouding50/50 in de aankondiging zegt nietsover de werkelijke gewichten van de-ze criteria. Dit is volgens de CvAEvolledig afhankelijk van de formuledie door de aanbestedende dienstwordt gebruikt. De aanbestedendedienst heeft derhalve volgens deCvAE geen wegingsfactoren bekend-gemaakt en er is aldus ook geen spra-ke van een wijziging. Vervolgenskomt de vraag aan de orde of de aan-bestedende dienst de wegingsfactorenhad moeten vermelden in de aankon-diging. Zoals hierboven is verwoord,is deze verplichting opgenomen inhet ARW 2016. De aanbesteder hadde weging derhalve bekend moetenmaken. De CvAE beveelt echter aan

    om ook bij Europese aanbestedingenwaarop het ARW 2016 niet van toe-passing is de weging van de naderecriteria op te nemen in de aankondi-ging, ook al ‘lijkt’ deze verplichtingvolgens de CVAE niet in de Aw 2012opgenomen te zijn. Deze weging zouimmers – gelijk de nadere criteria –van belang kunnen zijn om te beoor-delen of het voor hen de moeitewaard is om tijd en energie te stekenin het indienen van een verzoek totdeelneming.

    SamenvattendAlhoewel in de Nederlandse praktijkde nadere criteria veelal eerst in deselectieleidraad of inschrijvingslei-draad worden vermeld, is deze han-delwijze in strijd met de Aw 2012. Inde Aw 2012 is immers – in afwijkingvan de Richtlijn – expliciet bepaalddat deze nadere criteria in de aankon-diging vermeld dienen te worden. Ditgeldt zowel voor de openbare als deniet-openbare procedure. Bovendienkan het eventueel ontbreken van dezenadere criteria in de aankondigingvolgens de CvAE niet geheeld wor-

    den bij Nota van Inlichtingen. In hetARW 2016 is een duidelijke verplich-ting opgenomen om de wegingsfacto-ren van deze nadere criteria ook inde aankondiging te vermelden. Dezeverplichting ontbreekt in de Aw 2012.De wetgever spreekt immers – in af-wijking van de bekendmaking van denadere criteria – over vermelding inde aanbestedingsstukken, en dus nietin de aankondiging. Desondanks be-veelt de CvAE aanbestedende dien-sten aan om bij alle Europese openba-re en niet-openbare aanbestedingende weging al in de aankondiging opte nemen. Deze aanbeveling is wel-licht in het licht van het transparantie-beginsel te volgen. Echter, een wette-lijke plicht daartoe bestaat, zoals ge-zegd, mijns inziens niet.

    De auteur heeft deze rubriek op persoon-lijke titel geschreven.

    1.

    CvAE 482 d.d. 21 december 2018 enCvAE 515 d.d. 20 december 2019.

    2.

    Richtlijn 2014/24/EU.3.HvJ EU 10 mei 2012, C-368/10.4.

    Duurzaamheid

    Keesjan MeijeringAKD

    Elise NoordhoekAKD

    Wijziging van deWarmtewet: tarief-regulering lage-temperatuurwarmteen WKO’s1

    Op 1 januari 2020 is de Warmtewetweer gewijzigd.2 Een van de aanleidin-gen voor deze wijziging was dat uitde evaluatie van de Warmtewet volg-de dat de tariefsystematiek onvoldoen-de rekening hield met de levering vanlage-temperatuurwarmte (LT-warm-te), ook wel bronwarmte genoemdals het afkomstig is van een warmte-en koudeopslag (WKO). Met de wij-ziging is beoogd de Warmtewet beterte laten aansluiten op systemen dieLT-warmte leveren, zoals WKO’s.3

    Hieronder bespreken we eerst kortWKO’s, LT-warmte en de Warmte-wet. Daarna gaan we in op de tarief-systematiek zoals die tot 1 januari2020 gold en bespreken we wat er per1 januari 2020 gewijzigd is.

    WKO’s, LT-warmte en deWarmtewet in het kort

    Een WKO is een systeem waarbijwarmte en koude (lees: ‘warm’ en‘koud’ water) in de bodem wordenopgeslagen. Is het koud, dan wordter verwarmd met warmte uit dewarmtebron, waarna het afgekoeldewater wordt teruggepompt naar dekoudebron. Als het warm is, verloopthet proces in omgekeerde richting.Met koude uit de koudebron wordter gekoeld, waarna het opgewarmdewater naar de warmtebron wordt te-ruggepompt.

    In de warmtebron van een WKO-systeem zit LT-warmte. Denk aanwater met een temperatuur van tussende 10 en 20 °C. De temperatuur vanhet water is dus te laag om direct ge-bruikt te (kunnen) worden voorruimteverwarming of verwarmingvan tapwater, de twee ‘soorten’ ver-warming waar de Warmtewet op ziet.LT-warmte kan wel als basis voor

    105Vastgoedrecht 2020-3

    Duurzaamheid

  • verwarming worden gebruikt, maarom het geschikt te maken voor ge-bruik moet het tot een hogere tempe-ratuur worden opgewaardeerd. Ditgebeurt meestal door verbruikers4

    zelf met individuele warmtepompen.5

    De leverancier levert op dedeurdrempel LT-warmte, die verbrui-kers op eigen kosten opwaarderen.Denk daarbij aan de aanschaf of huur– doorgaans van de leverancier – vaneen warmtepomp en het betalen vande – vaak aanzienlijke – elektriciteits-rekening. Op 22 februari 2016 heefthet College van Beroep voor het be-drijfsleven (CBb) geoordeeld dat ookde levering van dit ‘soort’ (LT-)warmte onder de Warmtewet valt.6

    Volgens het CBb is de LT-warmtedie op de deurdrempel wordt gele-verd namelijk ‘warmte’ als bedoeldin de Warmtewet. Dit betekent ondermeer dat de leverancier die LT-warmte levert, bij verbruikers slechtstarieven in rekening mag brengen dieaan de Warmtewet voldoen.

    De tariefregulering is een belangrijkonderdeel van de Warmtewet. Andersdan bij gas en elektriciteit kunnen af-nemers/verbruikers van warmte na-melijk niet tussen verschillende leve-ranciers kiezen. Zij zijn aan één leve-rancier ‘overgeleverd’ en dus gebon-den verbruikers. De Warmtewet be-schermt verbruikers daarom tegen dieleverancier, onder meer door voor teschrijven wat leveranciers maximaalbij verbruikers in rekening mogenbrengen. In dat kader stelt de Autori-teit Consument en Markt (ACM)jaarlijks een maximumtarief voor delevering van warmte vast, gebaseerdop het ‘niet meer dan anders’(NMDA)-principe. Dat wil zeggendat het (maximum)tarief voor delevering van warmte overeen moetkomen met wat een verbruiker aankosten zou hebben als hij voor dezelf-de hoeveelheid warmte gas als energie-bron zou gebruiken.

    Tariefregulering tot1 januari 2020

    Tot 1 januari 2020 stelde de ACMvoor alle ‘soorten’ warmte, ongeachtde temperatuur, hetzelfde maximum-tarief vast. Dit bestond uit (i) vast-recht/een gebruiksonafhankelijk deelen (ii) een bedrag per gigajoule(Gj)/een gebruiksafhankelijk deel.

    Zoals hiervoor al is opgemerkt, geldtvoor veel verbruikers die zijn aange-sloten op een WKO dat zij LT-warmte afnemen en een individuelewarmtepomp gebruiken om dewarmte op te waarderen. Dat bete-kent dat zij niet alleen voor de (LT-)warmte, waarvan het tarief door deWarmtewet is gemaximeerd, moetenbetalen, maar ook kosten moetenmaken voor hun warmtepomp.Hierover hebben verbruikers in dezesituatie handhavingsverzoeken bij deACM ingediend.7 Daarbij voeren zijonder meer aan dat, gelet op hetNMDA-principe, ook de kosten voorhun warmtepomp aan het maximum-tarief getoetst moeten worden. Derechtbank Rotterdam is het hier nietmee eens. Zij oordeelde op 5 juli 2018dat het overdrachtspunt, het puntwaar de leverancier warmte aan deverbruiker (af)levert en tot waar debescherming van de Warmtewetstrekt, vóór de warmtepomp ligt.8

    Daarom vallen de kosten die verbrui-kers maken voor hun warmtepompniet onder het maximumtarief voorde levering van warmte.

    Naast de levering van LT-warmte dieverbruikers nog op eigen kostenmoeten opwaarderen, paste eentweede specifiek kenmerk vanWKO’s lastig onder de Warmtewet.Om WKO’s technisch goed te latenfunctioneren, kan het namelijknoodzakelijk zijn dat verbruikers ookeen bepaalde hoeveelheid koude afne-men. Ook voor deze afname vankoude zijn verbruikers aan die ene(warmte)leverancier overgeleverd. DeWarmtewet reguleerde koude tot1 januari 2020 echter niet.9

    Tariefregulering vanaf1 januari 2020

    Per 1 januari 2020 zijn twee belangrij-ke wijzigingen in de Warmtewetdoorgevoerd: de ACM stelt nu ver-schillende maximumtarieven voorverschillende ‘warmtecategorieën’vast en er is een aparte (tarief)regelingvoor ‘warmte koude systemen’ (waarWKO’s onder kunnen vallen10) geïn-troduceerd. Deze twee wijzigingenbespreken we hieronder, waarna wenog apart ingaan op het overgangs-recht dat geldt voor de tariefregelingvoor warmte koude systemen.

    Verschillende tarieven voorverschillende warmtecategorieënHet NMDA-principe is nog steedsleidend. In artikel 5 lid 2 Warmtewetstaat nu echter dat het maximumtariefper aflevertemperatuur kan verschil-len. Artikel 5 lid 7 Warmtewet be-paalt daarnaast dat de indeling inverschillende categorieën in hetWarmtebesluit wordt uitgewerkt; datis gebeurd in artikel 1a lid 1 Warmte-besluit.11 De wijze waarop de bijbeho-rende maximumtarieven wordenvastgesteld staat vermeld in de artike-len 2 tot en met 4 van het Warmtebe-sluit.

    Artikel 1a lid 1 Warmtebesluit onder-scheidt categorieën (a) tot en met(d).12

    Bij categorie (a) gaat het om warmtedie direct geschikt is voor ruimtever-warming waarbij tevens warm tapwa-ter wordt geleverd of warmte diedirect geschikt is om warm tapwaterte creëren. Bij levering van warmtevan deze categorie zijn verbruikersdus volledig in hun warmtebehoeftevoorzien. Het maximumtarief bij de-ze categorie bestaat uit dezelfde tweeonderdelen als voorheen, namelijkeen vastrecht en een bedrag per Gj(art. 3 lid 1 en 4 lid 1 Warmtebesluit).Categorie (b) ziet op warmte diedirect geschikt is voor ruimteverwar-ming, maar niet om tapwater op tewarmen. Bij deze categorie wordtwarm tapwater door een andere leve-rancier geleverd of zelf ‘gecreëerd’.Bij categorie (d) gaat het juist enkelom levering van warm tapwater ofwarmte die direct geschikt is omwarm tapwater te creëren. Hierbijmoeten afnemers dus op andere wijzevoorzien in ruimteverwarming. Om-dat de leverancier bij categorie (b) en(d) dus slechts een van de twee ‘soor-ten’ van de warmtebehoefte levert,mag maximaal de helft van het vast-recht zoals vastgesteld voor categorie(a) in rekening worden gebracht (art.3 lid 2 Warmtebesluit). Het bedragper Gj mag wel volledig worden ge-vraagd (art. 4 lid 1 Warmtebesluit).

    Categorie (c) betreft ten slottewarmte die noch direct geschikt isvoor ruimteverwarming, noch voorwarm tapwater, ofwel: LT-warmte.Omdat verbruikers de warmte bijdeze categorie op eigen kosten moe-ten opwaarderen, mag de leverancieralleen vastrecht in rekening brengen,

    Vastgoedrecht 2020-3106

    Duurzaamheid

  • en dus geen gebruiksafhankelijk ta-rief/bedrag per Gj (art. 3 lid 3Warmtebesluit). Bij het berekenenvan een maximaal tarief voor ditvastrecht wordt rekening gehoudenmet de kosten die verbruikers moetenmaken om de warmte op te waarde-ren. Hoe dit uitpakt, blijkt uit hetbesluit waarbij de ACM de maximum-tarieven voor 2020 heeft vastgesteld.13

    Voor 2020 geldt voor warmteleveringin categorie (a) een vastrecht van€ 387,74 per jaar plus een bedrag van€ 21,54 per Gj, terwijl voor warmtele-vering in categorie (c) voor aansluitin-gen tot 3 kW enkel een vast tarief vanslechts € 215,73 per jaar geldt.14 Eenleverancier mag aan verbruikers diede warmte op eigen kosten moetenopwaarderen dus aanmerkelijk min-der in rekening brengen.

    Aparte tarieven voor warmte koudesystemenUit artikel 5 lid 4 Warmtewet volgtdat in het Warmtebesluit een ‘systeemdat mede dient voor levering vanwarmte’ kan worden aangewezenwaarvoor een aparte tariefsystematiekgeldt (art. 4a Warmtebesluit). Ditaanwijzen is in artikel 1a lid 2Warmtebesluit gebeurd en uit arti-kel 1 lid 1 Warmtebesluit volgt datdeze systemen in het Warmtebesluit‘warmte koude systemen’ heten.

    Bij de vraag of sprake is van eenwarmte koude systeem, gaat het eromof een verbruiker bij het aangaan,wijzigen of verlengen15 van een leve-ringsovereenkomst vrije keuze heeftom alleen koude af te nemen. Andersgezegd: bepalend is of de leverancierkoude uitsluitend in combinatie metwarmte aanbiedt. Is dat niet het geval,dan is geen sprake van een warmtekoude systeem als bedoeld in hetWarmtebesluit en geldt de ‘gewone’tariefsystematiek (art. 2-4 Warmtebe-sluit). Heeft een verbruiker daarente-gen geen keuze (‘het is het pakket vankoude en warmte of niets’), dan issprake van een warmte koude sys-teem en geldt de tariefsystematiek uitartikel 4a Warmtebesluit. Omdat eenverbruiker in dit geval ook voorkoude gebonden is aan die ene leve-rancier, geldt een maximumtariefvoor koude (art. 4a lid 1 onder b jo.lid 2 Warmtebesluit). Voor warmtegeldt het maximumtarief dat bij decategorie hoort waarbinnen de gele-

    verde warmte valt (art. 4a lid 1 on-der a Warmtebesluit).

    OvergangsrechtDe nieuwe maximumtarieven voorwarmte en koude gelden direct, dusper 1 januari 2020. Dit is alleen nietzo als het overgangsrecht voorwarmte koude systemen (art. 4a lid 3en 4 Warmtebesluit) geldt. Als hetovergangsrecht van toepassing is,geldt voor:a. de resterende looptijd van de le-

    veringsovereenkomst als dezevoor bepaalde tijd is, of,

    b. indien de leveringsovereenkomstvoor onbepaalde tijd is aange-gaan, gedurende 15 jaar nadathet warmte koude systeem ingebruik is genomen,

    bij de levering van warmte in de cate-gorieën (a) of (b) geen maximumtariefvoor koude (lid 3) en voor leveringvan warmte als bedoeld in categorie(c) voor warmte én koude het maxi-mumtarief behorend bij categorie (a)(lid 4). Achterliggende gedachte is datwijziging van de regulering voor be-staande contracten een inbreuk maaktop de gemaakte afspraken. Daarbijwil de amvb-gever voorkomen dat derentabiliteit van bestaande projectenernstig onder druk komt te staan, alsgevolg waarvan het voortbestaan vandeze projecten in gevaar komt.16

    Het overgangsrecht is echter niet inveel gevallen van toepassing. Zo gel-den voor zowel het koude- als hetwarmte-overgangsrecht (art. 4a lid 3,resp. lid 4 Warmtebesluit) twee ‘alge-mene’ eisen: (i) vóór 1 januari 2020moet een leveringsovereenkomst zijnaangegaan, gewijzigd of verlengdwaarbij een verbruiker alleen koudein combinatie met warmte als ‘pak-ket’ kon afnemen (lees: vóór 1 januari2020 moest sprake zijn van eenwarmte koude systeem) en (ii) vóór1 januari 2020 moet de eerste leveringvan warmte of koude aan de eersteverbruiker met behulp van datwarmte koude systeem hebbenplaatsgevonden (dit wordt met ‘inge-bruikneming’ in lid 3 en 4 bedoeld).17

    Als niet aan deze eisen is voldaan,bijvoorbeeld als de eerste levering vanwarmte of koude pas op of na 1 janua-ri 2020 heeft plaatsgevonden, dangelden direct de nieuwe tarieven.

    De vraag is of het overgangsrecht metde strenge eisen tegemoetkomt aan

    de wens van de amvb-gever om geenafbreuk te doen aan de rentabiliteitvan bestaande projecten. Met nameklemmend is de eis dat vóór 1 januari2020 een leveringsovereenkomst moetzijn aangegaan, gewijzigd of verlengdwaarbij een verbruiker uitsluitendkoude in combinatie met warmte konafnemen. Niet valt uit te sluiten datleveranciers afname van koude nietverplicht hebben gesteld, maar bij-voorbeeld wel één vastrecht voorwarmte én koude in rekening hebbengebracht en in de zomer standaardkoel water hebben geleverd. In dezesituatie lijkt geen beroep op hetovergangsrecht te kunnen wordengedaan en zou de leverancier voorwarmte vanaf 1 januari 2020 nogslechts het tarief van categorie (c),ofwel alleen vastrecht, in rekeningmogen brengen. Voor levering vankoude mag het daarvoor vastgesteldemaximumtarief in rekening wordengebracht, maar daarbij is de vraag ofverbruikers daarvoor zullen kiezen.

    AfsluitingMet het gedifferentieerde tariefsys-teem in de gewijzigde Warmtewetwordt beter tegemoetgekomen aande diversiteit aan systemen waarmeewarmte wordt geleverd. Bij systemenwaarbij slechts of warmte voor ruim-teverwarming of warmte voor warmtapwater wordt geleverd, mag immersnog maar de helft van het vastrechtin rekening worden gebracht. Daar-naast geldt een flink lager maximum-tarief voor systemen waarbij verbrui-kers zelf nog kosten hebben om dewarmte geschikt te maken voor ge-bruik, en is een maximumtarief inge-steld voor levering van koude aanverbruikers die daaraan ‘gebonden’zijn.

    De vraag is echter of het overgangs-recht uitpakt zoals de amvb-gever datheeft beoogd. Doel van het overgangs-recht is namelijk om de rentabiliteitvan bestaande projecten te behouden.Het overgangsrecht is echter in der-mate strikt afgebakende situaties vantoepassing, dat vermoedelijk een(groot) deel van de leveranciers – dievanuit WKO’s of anderszins LT-warmte leveren – daar geen beroepop zal kunnen doen.

    107Vastgoedrecht 2020-3

    Duurzaamheid

  • De auteurs danken Ron Verheggen voorzijn input op een eerdere versie van dezebijdrage.

    1.

    Stb. 2019, 134.2.Kamerstukken II 2016/17, 34723, nr. 3,p. 8.

    3.

    Zie definitie van ‘verbruiker’ in art. 1 lid1 Warmtewet.

    4.

    N.B. Wij beperken ons hier tot indivi-duele aansluitingen van verbruikers die

    5.

    de LT-warmte opwaarderen met een in-dividuele voorziening (zoals een warm-tepomp). Het opwaarderen kan echterook collectief gebeuren, waarbij de LT-warmte centraal wordt opgewaardeerdzodat het op een (wel) direct bruikbaretemperatuur bij verbruikers over dedrempel komt. Zie bijvoorbeeld de casusdie heeft geleid tot het besluit van deACM van 7 februari 2020, met kenmerkACM/UIT/528521 (Enera).CBb 22 februari 2016,ECLI:NL:CBB:2016:30.

    6.

    Besluit van de ACM van 12 december2019, met kenmerk ACM/UIT/525773

    7.

    (Vestia). Zie ook besluiten van de ACMvan 25 september 2017, met kenmerkenACM/DE/2017/204863_OV enACM/DE/2017/204067_OV (De Sniep).Rb. Rotterdam 5 juli 2018,ECLI:NL:RBROT:2018:5194, r.o. 11.

    8.

    Uit (punt 41 van) het besluit van deACM van 12 december 2019, met ken-merk ACM/UIT/525773 (Vestia) volgtdat tegen deze uitspraak geen hoger be-roep is ingesteld en de uitspraak dus on-herroepelijk is geworden. Zie ook Rb.Rotterdam 23 april 2020,ECLI:NL:RBROT:2020:3709, r.o. 5.1en 5.2.N.B. In de praktijk is het soms lastig ombij levering van LT-warmte (vanuit

    9.

    WKO’s) vast te stellen welk deel daarvanvoor verwarming en welk deel voor ver-koeling wordt gebruikt. Bij sommigesystemen is de temperatuur van het gele-verde water in de zomer en de winternamelijk hetzelfde (bijv. 12 °C). De ver-

    bruiker beslist dan of hij dit inzet voorkoeling of – met behulp van een warmte-pomp – opwaardeert en gebruikt voorverwarming.Het gaat meestal om WKO’s, maar ookandere opslagsystemen (bijv. een mijnwa-

    10.

    terproject) kunnen hieronder vallen, zieStb. 2019, 133, p. 20.Stb. 2019, 133.11.Zie voor een uitgebreide toelichting opde categorieën en bijbehorende tempera-turen Stb. 2019, 133, p. 17.

    12.

    Besluit van de ACM van 19 december2019, met kenmerk ACM/UIT/525371

    13.

    (‘Tarievenbesluit warmte-leveranciers2020’).Voor aansluitingen groter dan 3 kWkomt er per kW € 54,59 bij.

    14.

    In art. 1a lid 2 Warmtebesluit staat uit-sluitend ‘aangaan’, maar uit de nota van

    15.

    toelichting volgt dat het ook om wijzi-ging en verlenging gaat, zie Stb. 2019,133, p. 20.Stb. 2019, 133, p. 22.16.Stb. 2019, 133, p. 39-40.17.

    Financieel recht

    Robbert MiddelburgDentons Europe LLP

    Merel BouwDentons Europe LLP

    Verlaging en uitstelkapitaaleisen banken

    De uitbraak van COVID-19 heeftingrijpende gevolgen voor de Europe-se en Nederlandse economie. De cri-sis die zich als gevolg van de uitbraakaandient, raakt ook de financiële sec-

    tor. Een van de redenen daarvoor isdat de hedendaagse economie deelsis gestoeld op leningen: hypothecaireleningen, bedrijfskredieten, zakelijkeen private rekeningcourantkredieten,enzovoort. Omdat in één klap veelmensen en bedrijven geen of minderinkomsten hebben, kunnen zij nietof minder afbetalen op die leningen.Hierdoor ontvangen banken logi-scherwijs minder rente en afbetaling,terwijl dit nu juist belangrijke inkom-stenbronnen zijn van het (klassieke)bankbedrijf.

    De Nederlandsche Bank N.V. (DNB)kondigde afgelopen maart maatrege-len aan om de kredietverlening on-danks deze oplopende verliezen oppeil te houden en de economischeschade in Nederland van de COVID-19-uitbraak zo veel mogelijk te beper-ken.1 De vastgoedsector is een grotespeler op de Nederlandse leenmarkt.Van de maatregelen zou daarom ookde vastgoedsector moeten profiteren.

    De CRR en de CRD IVOm onverwachte verliezen op tevangen moeten banken bufferkapitaalaanhouden. Dit is kapitaal dat zij nietkunnen uitlenen. Juist vanwege deoplopende achterstanden op uitstaan-de leningen moeten banken steeds

    meer van dat kapitaal aanhoudenvoor diezelfde leningen. Dit is gere-geld in de Capital RequirementsRegulation (Regulation (EU) nr.575/2013; de CRR) en de CapitalRequirements Directive (Directive2013/36/EU; de CRD IV). De CRRen de CRD IV zijn de Europese im-plementatie van de internationale af-spraken die na de financiële crisis inhet Bazel III-akkoord zijn geïntrodu-ceerd om het financiële stelsel te ver-sterken. Ze vormen het fundamentvan het toezicht op kapitaaleisen enliquiditeitsbuffers voor banken inEuropa.2

    Binnen de kaders van de CRR en deCRD IV kondigde DNB in maart vandit jaar twee maatregelen aan: verla-ging van de zogeheten systeemrisico-buffer en uitstel van de invoering vaneen ondergrens voor de risicowegingvan hypothecaire leningen.3

    Verlaging systeemrisico-buffer

    Sommige bepalingen in de CRR ende CRD IV bieden lidstaten of toe-zichthouders discretionaire ruimtebij de invulling en toepassing vandaarin opgenomen normen. Dit geefthen ruimte om op nationaal niveaumeer of minder kapitaalbuffers in te

    Vastgoedrecht 2020-3108

    Financieel recht