VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v....

of 71 /71
VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ KINDEREN MET EEN VERHOOGD RISICO OP AUTISMESPECTRUMSTOORNIS Aantal woorden: 22997 Charlotte De Meester Studentennummer: 01400190 Promotor(en): Prof. dr. Petra Warreyn Masterproef voorgelegd voor het behalen van de graad master in de klinische psychologie Academiejaar: 2018 - 2019

Embed Size (px)

Transcript of VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v....

Page 1: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

VROEGE MOTORISCHE EN

TAALVAARDIGHEDEN BIJ KINDEREN

MET EEN VERHOOGD RISICO OP

AUTISMESPECTRUMSTOORNIS

Aantal woorden: 22997

Charlotte De Meester Studentennummer: 01400190

Promotor(en): Prof. dr. Petra Warreyn

Masterproef voorgelegd voor het behalen van de graad master in de klinische psychologie

Academiejaar: 2018 - 2019

Page 2: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

Abstract

Er is steeds meer aandacht voor motoriek als vroeg signaal voor autismespectrumstoornis

(ASS). De meeste kinderen met ASS hebben fijnmotorische beperkingen. Deze fijnmotorische

ontwikkeling heeft een invloed op de taalontwikkeling en hangt mogelijk samen met de ernst van

de ASS-kenmerken.

Hoog- en laag-risico kinderen werden prospectief, longitudinaal opgevolgd. Video-opnames op

5, 10 en 14 maanden tijdens een gestandaardiseerde ontwikkelingstest (MSEL) en interactie met

de moeder werden gecodeerd om zo de fijnmotorische vaardigheden in reiken, grijpen, loslaten

en hanteren te bestuderen. Eerst werden verschillen in fijne motoriek tussen laag-en hoog-risico

kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden

a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht of er een verband is tussen deze vroege

motorische kenmerken en de latere taalontwikkeling, alsook de ASS-kenmerken gemeten a.d.h.v.

de ADOS-2.

Hoog-risico kinderen hadden op 14 en 36 maanden beperktere fijnmotorische vaardigheden dan

laag-risico kinderen gemeten a.d.h.v. de MSEL. Ze hanteerden op 14 maanden minder kleine

voorwerpen. De fijne motoriek gemeten a.d.h.v. de MSEL correleerde op 14 maanden met de

expressieve taalontwikkeling op 36 maanden maar correleerde niet met de ernst van de ASS-

kenmerken. Er werden geen verbanden gevonden tussen de aanwezigheid van de items van het

codeerschema en de latere taalontwikkeling en ASS-kenmerken.

Dit onderzoek bevestigt de vroege fijnmotorische verschillen tussen laag-en hoog-risico kinderen.

Het onderzoek kan gezien worden als een aanmoediging om verder onderzoek te doen naar de

subtiele verschillen in vroege fijnmotorische vaardigheden en de verbanden met de

taalontwikkeling en ASS-kenmerken.

Page 3: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

Voorwoord

Ik kan mijn vijfjarige opleiding vergelijken met het beklimmen van een berg. Mijn ouders gaven

me de kans om aan de beklimming te beginnen. Bij obstakels en moeilijke momenten stonden ze

steeds voor me klaar met bemoedigende woorden. Onderweg leerde ik veel nieuwe mensen

kennen en kon ik op hulp rekenen. Onder andere mijn kotgenoten, medestudenten, broer en

vriendinnen zorgden tijdens mijn tocht voor heel wat gezellige en onvergetelijke momenten. De

laatste jaren wandelde Stijn met me mee. Hij stond klaar met aanmoedigingen en knuffels

wanneer ik het nodig had en bleef op deze lange tocht steeds naast me wandelen. Daarnaast gaven

mijn begeleidster, Sofie Boterberg en promotor, Petra Warreyn me een duwtje in de rug om de

laatste steile beklimming te doen.

Met trots kan ik zeggen dat het einde van de bergtocht in zicht is. Ik kijk dan ook met veel

dankbaarheid terug naar de voorbije jaren en wil iedereen bedanken die me onderweg geholpen

heeft.

Page 4: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

Inhoudstafel Wat is Autismespectrumstoornis?.......................................................................................... 1

Kenmerken. ............................................................................................................................ 1

Prevalentie.............................................................................................................................. 2

Etiologie. ................................................................................................................................ 2

Jongere broers en zussen van kinderen met ASS. .................................................................. 3

Hoe Kan ASS Vroeg Gedetecteerd Worden? ........................................................................ 3

Onderzoek naar de vroege signalen van ASS. ....................................................................... 3

Vroege taalontwikkeling. ....................................................................................................... 5

Vroege sociale ontwikkeling. ................................................................................................. 5

Vroege cognitieve ontwikkeling. ........................................................................................... 5

Typische Motorische Ontwikkeling ....................................................................................... 6

Fijne en grove motoriek. ........................................................................................................ 6

Reflexen. ................................................................................................................................ 6

Vrijwillige bewegingen .......................................................................................................... 6

Reiken en grijpen ................................................................................................................... 7

Verband met andere ontwikkelingsdomeinen. ....................................................................... 7

Motorische Ontwikkeling bij ASS .......................................................................................... 8

Onvrijwillige bewegingen. ..................................................................................................... 8

Grove motoriek. ..................................................................................................................... 8

Fijne motoriek. ....................................................................................................................... 8

Motorische anticipatie. ........................................................................................................... 9

Verband met andere ontwikkelingsdomeinen. ....................................................................... 9

Motoriek en mate van ASS-kenmerken. ................................................................................ 9

Conclusie. ............................................................................................................................ 10

Motorische Ontwikkeling bij hoog-risico kinderen ............................................................ 10

Grove motoriek. ................................................................................................................... 10

Fijne motoriek. ..................................................................................................................... 10

Motorische anticipatie. ......................................................................................................... 11

Verband met de taalontwikkeling. ....................................................................................... 11

Conclusie. ............................................................................................................................ 12

Probleemstelling..................................................................................................................... 12

Onderzoeksvragen. ............................................................................................................... 13

Methode ...................................................................................................................................... 15

Steekproef. .............................................................................................................................. 15

Page 5: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

Kenmerken laag-risico kinderen. ......................................................................................... 15

Kenmerken hoog-risico kinderen. ........................................................................................ 16

Meetinstrumenten. ................................................................................................................. 16

Codeerschema. ..................................................................................................................... 16

Moeder-kind interactie. ........................................................................................................ 21

Mullen Scales of Early Learning (MSEL). .......................................................................... 21

Autism Diagnostic Observation Scale, Second Edition (ADOS-2). .................................... 22

Reynell Taalontwikkelingsschalen (RTOS). ........................................................................ 23

Procedure. .............................................................................................................................. 23

Coderingen. .......................................................................................................................... 23

Diagnostische procedure. ..................................................................................................... 24

Statistische Analyses. ............................................................................................................. 24

Interbeoordelaarsbetrouwbaarheid van het codeerschema. .................................................. 24

Preliminaire analyses. .......................................................................................................... 26

Analyses onderzoeksvragen. ................................................................................................ 27

Resultaten................................................................................................................................... 29

Vroege verschillen in fijnmotorische vaardigheden tussen hoog- en laag-risico kinderen

................................................................................................................................................. 29

Fijne motoriekschaal MSEL. ............................................................................................... 29

Ontwikkelingsindex MSEL. ................................................................................................ 30

Vroege vaardigheden in reiken. ........................................................................................... 31

Vroege vaardigheden in grijpen. .......................................................................................... 32

Vroege vaardigheden in loslaten van voorwerpen. .............................................................. 33

Vroege vaardigheden in hanteren van voorwerpen. ............................................................. 34

Verband tussen vroege fijnmotorische vaardigheden en latere taalvaardigheden .......... 36

Analyses op basis van de fijne motoriekschaal van de MSEL. ............................................ 36

Analyses op basis van de schalen van het codeerschema .................................................... 37

Verband tussen vroege fijnmotorische vaardigheden en latere ASS-kenmerken ........... 42

Analyses op basis van de fijne motoriekschaal van de MSEL. ............................................ 42

Analyses op basis van de schalen van het codeerschema .................................................... 43

Discussie ..................................................................................................................................... 47

Bevindingen en Bespreking Onderzoeksvragen ................................................................. 47

Fijnmotorische vaardigheden van hoog- en laag-risico kinderen. ....................................... 47

Verband tussen fijne motoriek en taalontwikkeling............................................................. 49

Verband tussen fijne motoriek en ASS-kenmerken. ............................................................ 51

Page 6: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

Beperkingen en Voordelen van het Onderzoek .................................................................. 51

Beperkingen. ........................................................................................................................ 51

Sterktes. ................................................................................................................................ 51

Klinische Implicaties ............................................................................................................. 52

Suggesties voor Toekomstig Onderzoek .............................................................................. 53

Conclusie ................................................................................................................................ 54

Referenties ................................................................................................................................. 55

Page 7: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

1

Wat is Autismespectrumstoornis?

Kenmerken. Autismespectrumstoornis (ASS) is een neurobiologische

ontwikkelingsstoornis die volgens de Diagnostic and Statistical Manual of mental discorders-5

(DSM-5) gekenmerkt wordt door beperkingen in de sociale communicatie en interactie alsook de

aanwezigheid van beperkte, repetitieve gedragspatronen, interesses of activiteiten. Deze dyade

van kenmerken staat centraal bij het stellen van de diagnose van ASS (American Psychiatric

Association [APA], 2013).

De beperkingen in de sociale communicatie en interactie komen op verschillende

manieren tot uiting. Dit is onder andere afhankelijk van de leeftijd, het intellectueel niveau, de

taalvaardigheid, eventuele voorafgaande behandelingen en de huidige ondersteuning. Er zijn ten

eerste problemen met sociaal-emotionele wederkerigheid. Dit uit zich vooral in moeilijkheden

met het in interactie treden met anderen alsook beperkingen in het delen van gedachten en

gevoelens. Er is ook geen of beperkte imitatie van anderen. Indien kinderen met ASS taal

gebruiken, wordt deze vaak gekenmerkt door een gebrek aan wederkerigheid. Ten tweede zijn er

beperkingen in de non-verbale communicatie. Dit kan bijvoorbeeld tot uiting komen via een

gebrek aan oogcontact, lichaamstaal en intonatie tijdens het spreken. Bij jonge kinderen kunnen

er ook moeilijkheden zijn met gedeelde aandacht. Dit wordt duidelijk doordat kinderen met ASS

minder naar objecten wijzen, deze tonen of brengen naar anderen. Ook hebben deze kinderen

moeite met het volgen van de blik of het wijzen van een persoon naar een object. Ten slotte uiten

de beperkingen in de sociale communicatie en interactie zich ook in problemen met het

ontwikkelen, behouden en begrijpen van relaties. Een kind met ASS kan bijvoorbeeld moeite

hebben om zijn gedrag aan te passen aan verschillende contexten en op dezelfde manier met zowel

leeftijdsgenoten als volwassenen communiceren. Verder hebben sommige kinderen geen

interesse in leeftijdsgenoten (APA, 2013).

Ook het tweede aspect van de dyade, beperkte en repetitieve gedragspatronen, interesses

en activiteiten komt op verschillende manieren tot uiting. Ten eerste kunnen er stereotiepe of

repetitieve motorische bewegingen, repetitief gebruik van voorwerpen of repetitieve spraak

aanwezig zijn. Voorbeelden zijn fladderen met de armen, woorden herhalen en gedurende een

langere tijd aan de wielen van een speelgoedauto draaien. Ten tweede is er een voorkeur voor

routine. Er is weinig flexibiliteit en moeite met verandering. Ten derde zijn er gefixeerde

interesses die een sterke intensiteit of focus hebben zoals bijvoorbeeld fascinatie voor

wasmachines of videospelletjes. Ten slotte is er soms hyper- of hyporeactiviteit voor zintuigelijke

prikkels. Voorbeelden hiervan zijn vaak voorwerpen aanraken, fixatie voor draaiende objecten en

bepaalde soorten kledij of geuren niet kunnen verdragen (APA, 2013).

Page 8: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

2

Bij de diagnose van ASS is de dyade van kenmerken al vroeg in de ontwikkeling

aanwezig. Ze veroorzaakt een significante lijdensdruk of beperkingen in bepaalde

levensdomeinen zoals bijvoorbeeld het schools functioneren. Ook kunnen deze kenmerken niet

beter verklaard worden door een verstandelijke beperking of een globale

ontwikkelingsachterstand. Daarnaast zijn er vaak secundaire kenmerken aanwezig zoals

bijvoorbeeld een cognitieve beperking of beperking in de taalontwikkeling, zelfverwondend en

disruptief gedrag (opstandig en antisociaal gedrag; APA, 2013). Belangrijk hierbij zijn de

comorbide motorische problemen die voorkomen bij ongeveer 80% van de kinderen met ASS

(Green et al., 2009).

Prevalentie. De geschatte wereldwijde prevalentie van ASS is 1 op 132 (Baxter et al.,

2015). Specifiek bij Amerikaanse kinderen wordt de prevalentie geschat op ongeveer 1,5%

(Christensen et al., 2018, 2016). Hoewel de verhouding jongens en meisjes met ASS varieert over

de leeftijd heen (Christensen et al., 2018, 2016), komt ASS drie tot vier keer vaker voor bij

jongens dan bij meisjes (Baxter et al., 2015). Daarnaast kan ASS voorkomen met of zonder

cognitieve beperking. Ongeveer één derde van de kinderen met ASS heeft een cognitieve

beperking, ongeveer één vierde heeft een IQ tussen 71 en 85 en ongeveer 40% heeft ten slotte een

gemiddelde tot bovengemiddelde intelligentie (Christensen et al., 2018).

Etiologie. De etiologie van ASS is complex, heterogeen en multifactorieel. Het gaat vaak

om een complexe interactie tussen een individueel genenprofiel en omgevingsaspecten (Dawson,

2008; Fakhoury, 2015).

De sterke rol van genetica in de etiologie blijkt uit de hoge concordantieratio bij eeneiige

tweelingen met ASS. De kans dat een lid van een ééneiige tweeling ASS heeft, wanneer de andere

ook ASS heeft, varieert binnen onderzoek van 60 tot 90%. Opvallend is de lage concordantieratio

bij twee-eiige tweelingen, geschat op 10-30%, in vergelijking met eeneiige tweelingen (Bailey et

al., 1995; Hallmayer et al., 2011; Rosenberg et al., 2009). Waarschijnlijk zijn er meerdere genen

betrokken bij de etiologie van ASS. Er zijn enkele risico kandidaat genen die mogelijk een rol

spelen. Deze genen zijn onder andere betrokken bij synaptische mechanismen (Gilman et al.,

2011; Kumar et al., 2011; Peça, Feliciano, et al., 2011; Peça, Ting, & Feng, 2011), neuronale

migratie, groei en differentiatie (Eagleson, Campbell, Thompson, Bergman, & Levitt, 2011;

Peñagarikano & Geschwind, 2012), excitatorische en inhibitorische neurotransmissie (O’Roak,

Vives, Girirajan, et al., 2012; Sanders et al., 2011), celregulatie (Neale et al., 2012; O’Roak,

Vives, Fu, et al., 2012) en acties op het niveau van de celkernen (Neale et al., 2012; O’Roak,

Vives, Girirajan, et al., 2012; Sestan, 2012). Verder zijn er op groepsniveau verschillen in de

hersenen zoals bijvoorbeeld een atypische structuur van de corticale minikolommen (Amaral,

Schumann, & Nordahl, 2008), verlaagde niveaus van oxytocine (Modahl et al., 1998) en bij 25

Page 9: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

3

tot 30% is er tussen het eerste en tweede levensjaar een overmatige toename in hersengrootte

(Courchesne, Redcay, & Kennedy, 2004; Parellada et al., 2014; Stanfield et al., 2008).

Naast genetische factoren zijn er ook omgevingsfactoren die het risico op ASS verhogen

zoals blootstelling aan bepaalde drugs, virussen en toxines gedurende kritische

ontwikkelingsperiodes (Landrigan, 2010; Parellada et al., 2014).

Jongere broers en zussen van kinderen met ASS. Kinderen met een oudere broer of zus

met de diagnose van ASS, hebben een verhoogd risico op ASS. Prospectief onderzoek van

Ozonoff et al. (2011) schatte dit risico, namelijk het herhalingsrisico (of ‘recurrence risk’), op

18.7% voor kinderen met minstens één oudere broer of zus met ASS. Dit risico neemt toe indien

er meerdere siblings in het gezin een diagnose van ASS hebben. Daarnaast is het herhalingsrisico

voor jongere broers bijna drie keer hoger dan het herhalingsrisico voor jongere zussen (Ozonoff

et al., 2011). Binnen deze masterproef verwijst het begrip hoog-risico kinderen steeds naar

jongere siblings van kinderen met ASS.

Sommige hoog-risico kinderen die geen diagnose krijgen, vertonen toch kenmerken van

ASS, deze kenmerken maken deel uit van het breder autisme fenotype (BAP; ‘Broader Autism

Phenotype’). BAP komt niet louter voor bij hoog-risico kinderen maar bijvoorbeeld ook bij ouders

van kinderen met ASS (Landry & Chouinard, 2016). Charman et al., (2017) vonden dat ongeveer

30% van de kinderen uit de hoog-risicogroep zonder ASS op driejarige leeftijd subklinische

kenmerken van ASS vertoonden.

Naast het voorkomen van het BAP-fenotype, hebben sommige hoog-risico kinderen een

atypische ontwikkeling. Ongeveer 11% van de hoog-risico kinderen heeft een algemene

ontwikkelingsachterstand. Dit percentage ligt drie keer hoger bij hoog- dan laag-risico kinderen.

Daarnaast hebben de hoog-risico kinderen gemiddeld een lager adaptief functioneren dan de laag-

risico kinderen. Er werden geen verschillen gevonden in taalachterstand tussen laag- en hoog-

risico kinderen (Charman et al., 2017).

Hoe Kan ASS Vroeg Gedetecteerd Worden?

Onderzoek naar de vroege signalen van ASS. Het vroegtijdig identificeren van ASS

heeft als gevolg dat een behandeling vroeger kan starten. Volgens onderzoek zorgt dit mogelijk

voor betere uitkomsten in termen van prognose (Wallace & Rogers, 2010; Warren et al., 2011;

Warreyn, van der Paelt, & Roeyers, 2014). Hierdoor wordt er veel onderzoek gedaan naar de

vroege gedragssignalen van ASS. Initieel werden vooral retrospectieve methodes gebruikt zoals

homevideo’s en ouderrapportage. Deze methodes kenden echter veel beperkingen (Boyd, Odom,

Humphreys, & Sam, 2010; Costanzo et al., 2015; Ozonoff, Heung, Byrd, Hansen, & Hertz-

Picciotto, 2008; Zwaigenbaum et al., 2007). Vandaar gebeurt het onderzoek naar de vroege

gedragssignalen van ASS tegenwoordig aan de hand van een prospectief design.

Page 10: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

4

Bij een prospectief onderzoek worden kinderen met een verhoogd risico op ASS (of

kinderen met reeds een vermoeden of een diagnose van ASS) gevolgd gedurende hun vroege

ontwikkeling, meestal tot en met de leeftijd van 3 jaar. Er is vaak meer controle dan bij

retrospectief onderzoek omdat dit onderzoek in een experimentele setting plaatsvindt. Dit zorgt

ervoor dat de resultaten gemakkelijker te repliceren zijn (Boyd et al., 2010). Aan de hand van een

longitudinaal, prospectief design kan de ontwikkeling van hoog-risico kinderen worden

opgevolgd. Door dit design kan de invloed van beperkingen in één ontwikkelingsdomein op

andere ontwikkelingsdomeinen worden onderzocht. Prospectief onderzoek biedt daarnaast de

mogelijkheid om na te gaan of er verbanden zijn tussen vroege gedragingen en de latere

uitkomsten (zoals typische ontwikkeling, BAP of ASS). Prospectief onderzoek geeft ten slotte

ook inzicht in de vroege signalen van ASS en suggereert welke aspecten centraal moeten staan

bij vroege interventies (Jones, Gliga, Bedford, Charman, & Johnson, 2014). Ondanks de vele

voordelen van prospectief onderzoek, heeft dit onderzoek ook enkele beperkingen.

Aangezien het grootste deel van de hoog-risico kinderen zich typisch ontwikkelt, zijn er

binnen prospectief onderzoek vaak weinig kinderen met een diagnose van ASS. Hierdoor heeft

prospectief onderzoek vaak kleinere steekproeven (van kinderen met ASS) (Boyd et al., 2010;

Zwaigenbaum et al., 2007). Daarnaast is er tussen prospectieve studies veel heterogeniteit. Zo

zijn er bijvoorbeeld methodologische verschillen of verschillen in de steekproefselectie die ervoor

zorgen dat onderzoekers tot verschillende bevindingen komen. Ook worden soms andere criteria

gebruikt voor het bepalen van de uitkomstgroepen. De diagnose van ASS wordt in de meeste

studies gebaseerd op de criteria van de DSM. Vaak zijn er echter geen duidelijke criteria voor de

andere uitkomstgroepen bv. criteria voor een typische of atypische ontwikkeling. Ten slotte vraagt

dit soort prospectief onderzoek een grote inspanning van gezinnen. Doordat kinderen op

verschillende onderzoeksmomenten getest worden en er verschillende methodes gebruikt worden,

vraagt dit een grote betrokkenheid van de ouders (Jones et al., 2014). Er is mogelijk een selectie-

bias waarbij gemotiveerde en/of hoger opgeleide ouders vaker deelnemen aan prospectief

onderzoek. Dit heeft mogelijk een invloed op de ontwikkelingsindexen waardoor het niet

duidelijk is of deze steekproeven representatief zijn voor alle kinderen met ASS (Charman et al.,

2017; Zwaigenbaum et al., 2007). Onderzoeken tonen daarnaast aan dat er verschillen zijn tussen

multiplex (gezinnen met meerdere kinderen met de diagnose van ASS) en simplex (gezinnen met

slechts één kind met de diagnose van ASS) gezinnen. Kinderen uit multiplex gezinnen vertonen

meer sociale beperkingen en repetitieve, restrictieve gedragspatronen dan kinderen uit simplex

gezinnen (Gerdts, Bernier, Dawson, & Estes, 2013; Taylor et al., 2015; Virkud, Todd, Abbacchi,

Zhang, & Constantino, 2009). Deze studies suggereren dat de onderliggende genetische

kwetsbaarheid bij multiplex gezinnen een sterke invloed heeft op de mate van ASS-kenmerken.

Page 11: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

5

Hierdoor is het onduidelijk of de bevindingen van onderzoek bij hoog-risico kinderen met ASS

(die uit een multiplex gezin komen) te veralgemenen zijn naar kinderen met ASS uit simplex

gezinnen.

Ondanks de nadelen van prospectief onderzoek heeft dit soort onderzoek veel voordelen

in vergelijking met retrospectief onderzoek. Binnen het onderzoek waarvan deze studie deel

uitmaakt, werd dan ook beslist om gebruik te maken van een prospectieve onderzoeksmethode.

Retrospectief onderzoek aan de hand van thuisvideo’s en ouderrapportage, alsook prospectief

onderzoek van hoog-risico kinderen zorgde voor een toename in kennis over de vroege

ontwikkelingssignalen van ASS binnen de taal-, sociale en cognitieve ontwikkeling.

Vroege taalontwikkeling. Wat betreft de taalvaardigheden op zes maanden worden geen

verschillen gerapporteerd tussen kinderen met ASS en kinderen met een typische ontwikkeling

(Landa, Gross, Stuart, & Faherty, 2013; Lemcke, Juul, Parner, Lauritsen, & Thorsen, 2013;

Libertus, Sheperd, Ross, & Landa, 2014; Ozonoff et al., 2010). Op 12, 14 en 18 maanden hebben

kinderen met ASS meer beperkingen op het gebied van de expressieve- en receptieve

taalontwikkeling dan kinderen met een typische ontwikkeling (Landa et al., 2013; Lemcke et al.,

2013; Ozonoff et al., 2010). Ze vertonen tijdens het tweede levensjaar geen groeispurt in de

receptieve en expressieve taalontwikkeling zoals gerapporteerd bij de typische ontwikkeling

(Landa et al., 2013).

Vroege sociale ontwikkeling. Op zes maanden vertonen kinderen met ASS een typische

sociale ontwikkeling (Lemcke et al., 2013; Ozonoff et al., 2010). Op 12 maanden kijken ze minder

naar gezichten en zijn er minder gerichte vocalisaties in vergelijking met kinderen met een

typische ontwikkeling (Ozonoff et al., 2010). Kinderen met ASS zullen daarnaast minder sociaal

lachen op 18 maanden (Messinger et al., 2013). Ongeveer 85% van de kinderen met ASS vertoont

een daling in de sociale communicatie gedurende de eerste 18 maanden (Ozonoff et al., 2010).

Vroege cognitieve ontwikkeling. Op zes maanden worden zeer lichte tot geen verschillen

gevonden in de cognitieve ontwikkeling (Landa et al., 2013; Lemcke et al., 2013; Libertus et al.,

2014; Ozonoff et al., 2010). Kinderen met een latere diagnose van ASS hebben op de leeftijd van

14, 18 en 36 maanden een lagere ontwikkelingsindex dan kinderen met een typische ontwikkeling

(Landa et al., 2013; Lemcke et al., 2013; Messinger et al., 2013; Ozonoff et al., 2010).

Motoriek is een domein dat de laatste jaren meer aandacht krijgt in onderzoek naar de

vroege signalen van ASS. Hieronder wordt eerst de typische motorische ontwikkeling besproken,

waarna er meer gefocust wordt op de motorische ontwikkeling van kinderen met ASS en hoog-

risico kinderen.

Page 12: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

6

Typische Motorische Ontwikkeling

De motorische ontwikkeling verloopt cefalocaudaal (van beneden naar boven) en

proximodistaal (van dicht bij het lichaam naar verder weg). Individuele verschillen worden

bepaald door intrinsieke (bv. fysieke kenmerken en temperament) en extrinsieke factoren (bv.

gezinsfactoren, culturele omgeving en sociaal economische status) (Berk, 2014; Gerber, Wilks,

& Erdie-Lalena, 2010). Naast individuele verschillen wordt de motorische ontwikkeling ook

gekenmerkt door geslachtsverschillen. Jongens ontwikkelen bepaalde vaardigheden waarvoor

kracht en spieren nodig zijn vlugger dan meisjes. Meisjes daarentegen zijn vaak beter in

fijnmotorische en bepaalde grofmotorische vaardigheden (Berk, 2014).

Fijne en grove motoriek. Het domein van de motorische ontwikkeling kan ingedeeld

worden in fijne en grove motoriek. Het doel van de grove motoriek is het verwerven van

onafhankelijke en vrijwillige bewegingen. Grove bewegingen zoals wandelen, lopen en springen

worden vooral gecontroleerd door grote spieren. Fijne bewegingen worden daarentegen vooral

gestuurd door kleine spieren. Hierbij wordt gebruikgemaakt van de bovenste ledematen om zo in

interactie te treden met de omgeving en deze te manipuleren. Voorbeelden hiervan zijn

bewegingen met de handen, zoals het grijpen en hanteren van voorwerpen, waarbij de kleinere

spieren van de vingers, hand en voorarm gebruikt worden. Deze domeinen staan niet los van

elkaar maar zijn met elkaar verbonden (Gerber et al., 2010; Payne & Isaacs, 2017).

Reflexen. De eerste maanden van de motorische ontwikkeling worden gekenmerkt door

onvrijwillige bewegingen. Deze onvrijwillige, stereotiepe en onbewuste bewegingen worden ook

reflexen genoemd. De reflexen zijn vaak subcorticaal zoals hersenstam- en spinale reflexen en

worden uitgelokt door een stimulus. De hogere orde hersenprocessen zijn hierbij niet betrokken.

Ze bereiden het kind voor op het verwerven van specifieke vaardigheden. Eén van de eerste

opkomende reflexen is de (palmaire) grijpreflex. Dit is een primitieve reflex omdat ze van belang

is voor de bescherming, voeding en overleving van het kind. Ze komt bij alle pasgeborenen voor.

Bij tactiele stimulatie van de handpalm, sluit het kind de vier vingers. De duim is bij deze reflex

niet betrokken. Ze verschijnt in utero rond de vijfde maand van de zwangerschap en blijft

aanwezig tot het kind vier maanden is. Deze reflex verdwijnt maar het grijpen zelf verdwijnt niet.

Het grijpen wordt vrijwillig in plaats van reflexmatig. Net zoals de grijpreflex zijn binnen de

typische ontwikkeling de meeste reflexen enkel aanwezig tijdens de eerste levensmaanden

(Gerber et al., 2010; Payne & Isaacs, 2017).

Vrijwillige bewegingen. Vanaf de vierde week verschijnen de eerste corticaal

gecontroleerde bewegingen namelijk bewegingen van het hoofd, de nek en de ogen. Door

maturatie van het zenuwstelstel worden de reflexen onderdrukt en kan het kind doelbewuste

bewegingen uitvoeren. Tijdens de eerste levensjaren is er een belangrijke grofmotorische

Page 13: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

7

ontwikkeling namelijk de posturale ontwikkeling of ontwikkeling van verschillende

lichaamshoudingen (Nickel, Thatcher, Keller, Wozniak, & Iverson, 2013). Eerst worden vooral

lichaamshoudingen aangenomen waarbij het volledige lichaam ondersteund wordt zoals buik- of

rugligging. Hierbij zijn de bovenste ledematen vooral belangrijk voor balans en mobiliteit. Hierna

wordt een overgang gemaakt naar posities die grotere sterkte, spiercoördinatie en balans vereisen

zoals zelfstandig zitten en staan. Hierdoor is er meer stabiliteit en kan het kind zich gemakkelijker

bewegen. Het kind kan zich zo onafhankelijk bewegen en heeft de handen vrij om de wereld te

verkennen, manipuleren en bij te leren over de omgeving. Deze grofmotorische ontwikkeling

heeft dus een invloed op de fijnmotorische ontwikkeling (Gerber et al., 2010; Nickel et al., 2013;

Payne & Isaacs, 2017).

Reiken en grijpen. Na de grijpreflex, starten kinderen gradueel met onhandig reiken en

het samenbrengen van de handen. Doordat de primitieve reflexen verdwijnen, begint het kind

vrijwillig te reiken. Dit gebeurt eerst met de volledige palm naar de pinkzijde (vijf maanden) en

dan vooral met het radiale aspect van de handpalm (zeven maanden). Op hetzelfde moment leren

kinderen voorwerpen vrijwillig loslaten. Dit wordt bijvoorbeeld duidelijk doordat het kind

voorwerpen van hand naar hand kan doorgeven. Hierbij wordt eerst de mond gebruikt als

tussenliggende fase (vijf maanden) waarna de voorwerpen direct van hand naar hand worden

doorgegeven (zes maanden). De duim wordt steeds meer betrokken bij het grijpen. Op acht

maanden worden voorwerpen gegrepen door de vier vingers tegen de duim te duwen. Op negen

maanden worden nog maar twee vingers en de duim gebruikt om voorwerpen te grijpen. Ten

slotte gebruikt het kind op ongeveer tien maanden alleen nog de wijsvinger en duim, de

zogenaamde pincetgreep. Op tien maanden kan het kind daarnaast ook een voorwerp doelbewust

loslaten op een specifieke plaats zoals een blokje in een doos (Gerber et al., 2010; Payne & Isaacs,

2017).

Verband met andere ontwikkelingsdomeinen. De motorische ontwikkeling heeft een

invloed op verschillende andere ontwikkelingsdomeinen, namelijk de cognitieve (Berk, 2014;

Libertus & Hauf, 2017; Michel, Campbell, Marcinowski, Nelson, & Babik, 2016), taal- en sociale

ontwikkeling (Libertus & Hauf, 2017).

Vooral de locomotorische ontwikkeling (ontwikkeling van beweging) hangt samen met

de taalproductie (of expressieve taalvaardigheden) en het taalbegrip (of receptieve

taalvaardigheden). Zo is het verwerven van vaardigheden die nodig zijn om te zitten tussen drie

en vijf maanden gerelateerd aan het taalbegrip op 10 en 14 maanden (Libertus & Violi, 2016). De

leeftijd waarop kinderen zelfstandig zitten en stappen voorspelt de taalproductie tussen 16 en 28

maanden. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat kinderen die zitten op een andere, actievere

manier in interactie treden met hun omgeving. Deze verandering in het gedrag van het kind zou

Page 14: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

8

een invloed kunnen hebben op de taalontwikkeling (Oudgenoeg-Paz, Volman, & Leseman, 2012).

Kinderen die op 12 of 13 maanden al stappen, hebben een sterker ontwikkeld taalbegrip en -

productie in vergelijking met kinderen die op deze leeftijd nog kruipen (Walle & Campos, 2014).

Andere domeinen van de motorische ontwikkeling vertoonden echter geen verband met de

taalontwikkeling. Zo hangen de grijpvaardigheden op drie en vijf maanden niet samen met het

taalbegrip in de volgende levensmaanden (Libertus & Violi, 2016).

De locomotorische ontwikkeling hangt daarnaast ook samen met de sociale ontwikkeling.

De overgang van kruipen naar stappen zorgt zowel voor veranderingen in het sociaal gedrag van

het kind als de reactie van zijn omgeving (Clearfield, Osborne, & Mullen, 2008; Karasik, Tamis-

LeModa, & Adolph, 2014; Walle, 2016).

Motorische Ontwikkeling bij ASS

Hoewel het meeste onderzoek naar de vroege signalen van ASS zich richtte op de dyade

van kenmerken (namelijk beperkingen in de sociale communicatie en interactie alsook beperkte,

repetitieve gedragspatronen, interesses of activiteiten), is er steeds meer evidentie dat motorische

beperkingen een belangrijk onderdeel zijn van ASS. Zo toonde een meta-analyse over 51 studies

aan dat kinderen en volwassenen met ASS motorische beperkingen hebben die zowel aanwezig

zijn in de onderste als bovenste ledematen (Fournier, Hass, Naik, Lodha, & Cauraugh, 2010).

Kinderen met ASS vertonen vaak een achterstand op het vlak van grove en fijne motoriek

(Provost, Lopez, & Heimerl, 2007). Doorheen de eerste levensjaren worden deze fijne en grove

motorische achterstanden meer uitgesproken (Lloyd, MacDonald, & Lord, 2013).

Onvrijwillige bewegingen. Pasgeborenen vertonen gegeneraliseerde bewegingen. Dit

zijn complexe bewegingen van het hoofd, de romp, armen en benen die meestal aanwezig zijn tot

vijf maanden. Kinderen met ASS vertonen vaak atypische gegeneraliseerde bewegingen. Over

verschillende studies heen werd gevonden dat 68% van de kinderen met ASS atypische

gegeneraliseerde bewegingen vertoonden gedurende de eerste levensmaanden (Einspieler et al.,

2014; Hadders-Algra, Bouwstra, & Groen, 2009; Palchik, Einspieler, Evstafeyeva, Talisa, &

Marschik, 2013; Phagava et al., 2008; Yuge et al., 2011). Bewegingsabnormaliteiten zoals

bijvoorbeeld hypotonie, hypertonie en hyperreflexie komen even vaak voor bij kinderen met ASS

als bij kinderen met een typische ontwikkeling (Ozonoff, Young, et al., 2008).

Grove motoriek. Verschillende onderzoeken rapporteren op zes maanden een typische

grofmotorische ontwikkeling bij kinderen met ASS (Landa et al., 2013; Ozonoff et al., 2010).

Tussen 12 en 36 maanden zijn de grofmotorische vaardigheden van kinderen met ASS

daarentegen minder ontwikkeld dan verwacht op basis van hun leeftijd (Lloyd et al., 2013).

Fijne motoriek. Op 14, 18 en 36 maanden zijn de fijnmotorische vaardigheden bij

kinderen met ASS minder ontwikkeld dan bij kinderen met een typische ontwikkeling (Landa et

Page 15: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

9

al., 2013; Ozonoff et al., 2010). Daarnaast voorspelde een zwakkere visuele-motorische integratie

(Het gebruik van perceptuele vaardigheden om complexe oog-hand coördinatietaken zoals reiken,

grijpen, bouwen, … uit te voeren) op zes maanden een latere ASS-diagnose (LeBarton & Landa,

2019).

Motorische anticipatie. Er is mogelijk ook sprake van anticipatieproblemen bij jonge

kinderen met ASS. Anticipatie is het voorspellen van een gebeurtenis in de toekomst en je gedrag

hieraan aanpassen. Observaties bij kinderen van vier tot zes maanden met ASS tonen bijvoorbeeld

aan dat ze hun mond minder openen in anticipatie op voeding in vergelijking met kinderen met

een typische ontwikkeling. Er is bij kinderen met ASS een graduele verbetering in deze

anticipatievaardigheid maar deze verloopt minder vlug dan bij kinderen met een typische

ontwikkeling (Brisson, Warreyn, Serres, Foussier, & Adrien-Louis, 2012).

Verband met andere ontwikkelingsdomeinen. De grofmotorische vaardigheden (tussen

14 en 49 maanden) van kinderen met ASS voorspelden de latere dagelijkse levensvaardigheden

zoals huishoudelijke, maatschappelijke en persoonlijke vaardigheden gerapporteerd door de

ouders. De fijne motorische vaardigheden van kinderen met ASS van 14 tot 49 maanden

voorspelden daarnaast het algemeen adaptief gedrag, de dagelijkse levensvaardigheden, adaptieve

sociale vaardigheden en adaptieve communicatievaardigheden op deze leeftijd (Macdonald, Lord,

& Ulrich, 2013).

Er werd naast het verband met adaptieve vaardigheden ook een verband gevonden tussen

de fijne motoriek en de taalontwikkeling. De fijne motoriek van kinderen met ASS op 30 maanden

voorspelde de receptieve en expressieve taalontwikkeling 20 maanden later. Interessant is dat er

naast dit direct verband ook een indirect verband werd gevonden tussen fijne motoriek en taal.

Het verband tussen fijne motoriek en expressieve taal werd gemedieerd door visuospatiële

cognitie, objectexploratie, spatiële exploratie en sociale oriëntatie gedurende de exploratie. De

visuospatiële cognitie, objectexploratie en sociale oriëntatie tijdens de exploratie medieerden het

verband tussen de fijne motoriek en receptieve taal (Hellendoorn et al., 2015).

Motoriek en mate van ASS-kenmerken. Bij kinderen van 14-33 maanden werd een

verband gevonden tussen de vroege grof- en fijnmotorische vaardigheden en de ernst van de ASS-

kenmerken gemeten a.d.h.v. ADOS-vergelijkingsscores (een gestandaardiseerde ernstmaat voor

ASS-symptomen). Zowel zwakkere grof- als fijnmotorische vaardigheden hingen samen met

hogere ernstscores (MacDonald, Lord, & Ulrich, 2014). Uit dit onderzoek blijkt dat er mogelijk

al zeer jong een verband is tussen de motorische ontwikkeling en de ernst van de ASS-

symptomen. Dit wijst erop dat kinderen met ASS met zwakkere motorische vaardigheden, meer

en/of ernstigere ASS-symptomen vertonen.

Page 16: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

10

Conclusie. Onderzoek toonde aan dat er verschillen zijn in onvrijwillige bewegingen,

grove en fijne motoriek bij kinderen met ASS in vergelijking met kinderen met een typische

ontwikkeling. Kinderen met ASS vertonen vaker atypische gegeneraliseerde bewegingen

(Einspieler et al., 2014; Hadders-Algra et al., 2009; Palchik et al., 2013; Phagava et al., 2008;

Yuge et al., 2011). Daarnaast zijn hun grof- en fijnmotorische vaardigheden tijdens de eerste

levensjaren minder ontwikkeld (Landa et al., 2013; LeBarton & Landa, 2019; Lloyd et al., 2013;

Ozonoff et al., 2010). Zowel de vroege grof- als fijnmotorische vaardigheden hangen samen met

de latere dagelijkse levensvaardigheden en de taalontwikkeling (Hellendoorn et al., 2015;

Macdonald et al., 2013). Ook toonde onderzoek aan dat jonge kinderen met ASS met zwakkere

motorische vaardigheden ernstigere ASS-symptomen vertonen (MacDonald et al., 2014).

Motorische Ontwikkeling bij hoog-risico kinderen

Naast de motorische ontwikkeling bij kinderen met ASS, werd ook onderzoek gevoerd naar deze

ontwikkeling bij hoog-risico kinderen.

Grove motoriek. Hoog-risico kinderen. Onderzoek toont aan dat kinderen met een

verhoogd risico op ASS op drie en zes maanden een minder sterke posturale ontwikkeling hebben

dan kinderen zonder verhoogd risico. Hun houdingen tijdens buikligging en in een zittende positie

zijn minder ontwikkeld en ze spenderen meer tijd in minder ontwikkelde posities (bijvoorbeeld

vaker in een zittende positie met steun en minder vaak zelfstandig zittend) (Bhat, Galloway, &

Landa, 2012; LeBarton & Landa, 2019; Nickel et al., 2013).

Hoog-risico kinderen met een latere diagnose. Hoog-risico kinderen met een latere

diagnose vertonen op zes maanden vaker een ‘head lag’ (Flanagan, Landa, Bhat, & Bauman,

2012). Op latere leeftijd verwerven ze minder vlug nieuwe lichaamshoudingen en vanaf negen

maanden spenderen ze meer tijd in minder ontwikkelde houdingen zoals liggen of zitten. HR-

kinderen met een latere diagnose nemen uit zichzelf minder verschillende lichaamshoudingen aan

(Nickel et al., 2013).

Fijne motoriek. Hoog-risico kinderen. Ouders rapporteren zwakkere fijnmotorische

vaardigheden op zeven, 12, 14 en 18 maanden (Lebarton & Iverson, 2013; Leonard et al., 2014).

Hoog-risicokinderen scoren daarnaast ook lager op gestandaardiseerde metingen van fijne

motoriek (zoals de MSEL). Dit reeds op de leeftijd van zes maanden (Libertus et al., 2014).

Libertus en collega’s (2014) vonden op zes maanden vooral verschillen in items gerelateerd aan

objectexploratie en grijpen. Ze toonden daarnaast aan dat hoog-risico kinderen op zes maanden

tijdens een vrije spelcontext minder objecten grijpen dan laag-risico kinderen ondanks dat ze de

objecten even vaak aanraken. Dit verschil werd niet geobserveerd op 10 maanden (Libertus et al.,

2014). Naast verschillen in frequentie van grijpactiviteit, toonde onderzoek aan dat er op zes

maanden verschillen zijn in de kwaliteit van reik- en grijpbewegingen. Zo toonden Lebarton &

Page 17: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

11

Landa (2019) aan dat de grijpvaardigheden van hoog-risico kinderen minder ontwikkeld zijn dan

deze van laag-risicokinderen. Zij vonden echter op zes maanden geen verschillen in visuo-

motorische integratie. Subtiele verschillen in het reiken werden ook teruggevonden tijdens een

bloktaak. Hoog-risico kinderen vertoonden een verminderde versnelling in het reiken naar een

blok in vergelijking met laag-risico kinderen op 18, 24 en 36 maanden (Focaroli, Taffoni, Parsons,

Keller, & Iverson, 2016).

Hoog-risico kinderen met een latere diagnose. Onderzoek specifiek bij hoog-risico

kinderen met ASS toonde aan dat deze kinderen een minder sterk ontwikkelde fijne motoriek

hebben in het tweede en derde levensjaar. Op basis van de mate van fijnmotorische achterstand

konden kinderen uit de hoog-risico groep met een latere diagnose van ASS, onderscheiden

worden van kinderen zonder een latere diagnose (Lebarton & Iverson, 2013). Onderzoek toonde

aan dat er ook bij hoog-risico kinderen met een latere diagnose verschillen zijn in de reik-

grijpbeweging. Kinderen met een latere diagnose hebben een minder goed gecoördineerde reik-

grijpbeweging tijdens de eerste drie levensjaren dan laag- en hoog-risico kinderen zonder latere

diagnose. Kinderen met ASS verschilden op vlak van oriëntatie, het opheffen van het voorwerp

en pronatie (beweging waarbij handpalm naar onder wordt gedraaid) van kinderen zonder de

diagnose (Sacrey, Zwaigenbaum, Bryson, Brian, & Smith, 2018).

Motorische anticipatie. Er werd daarnaast reeds onderzoek gedaan naar de

anticipatievaardigheden bij hoog-risico kinderen. Deze kinderen bewegen minder vaak in

anticipatie op een naderende bal dan laag-risico kinderen. Er was echter geen verband tussen deze

anticipatievaardigheden op zes maanden en het sensorimotorisch functioneren of de mate van

ASS symptomatologie op 14 maanden (Landa, Haworth, & Nebel, 2016).

Verband met de taalontwikkeling. Ook bij hoog-risico kinderen werd een samenhang

gevonden tussen de motoriek en taalontwikkeling. De algemene grofmotorische vaardigheden op

zeven maanden voorspelden de ontwikkeling van expressieve taal tussen zeven en 36 maanden

bij hoog-risico kinderen met ASS (Leonard, Bedford, Pickles, & Hill, 2015). Dit kan mogelijk

verklaard worden door het significante verband tussen de vroege ontwikkeling van

lichaamshoudingen (op drie en zes maanden) en de latere taalontwikkeling. Onderzoek toonde

aan dat deze vaardigheden op drie en zes maanden significant gerelateerd zijn aan de

taalontwikkeling op 18 maanden (Bhat et al., 2012). Aanvullend onderzoek van LeBarton &

Landa (2019) toonde aan dat er bij hoog-risico kinderen een verband is tussen de locomotorische

ontwikkeling op zes maanden en de expressieve taalontwikkeling op 30 maanden (LeBarton &

Landa, 2019).

De algemene fijnmotorische vaardigheden zijn daarnaast gerelateerd aan de expressieve

taal op drie jaar (ook na controle voor de non-verbale cognitie) (Lebarton & Iverson, 2013).

Page 18: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

12

Onderzoek toonde reeds aan dat de grijpvaardigheden van hoog-risico kinderen op zes maanden

samenhangen met de expressieve taalontwikkeling op 30 en 36 maanden (LeBarton & Landa,

2019).

Conclusie. Hoog-risico kinderen (met en zonder latere diagnose van ASS) hebben een

minder sterke posturale ontwikkeling in vergelijking met laag-risico kinderen (Bhat et al., 2012;

Flanagan et al., 2012; LeBarton & Landa, 2019; Nickel et al., 2013). Daarnaast zijn er ook

verschillen in de fijnmotorische vaardigheden. Deze werden zowel teruggevonden aan de hand

van ouderrapportage (Leonard et al., 2014), als gestandaardiseerde testen (Lebarton & Iverson,

2013). Vooral de grijp- en reikvaardigheden van hoog-risico kinderen (zonder latere diagnose)

tonen subtiele verschillen met deze van laag-risico kinderen o.a. verminderde versnelling tijdens

grijpbeweging, lagere frequentie van reiken en minder ontwikkelde grijpvaardigheden (Focaroli

et al., 2016; LeBarton & Landa, 2019; Libertus et al., 2014). Ook hoog-risico kinderen met een

latere diagnose hebben vaker een fijnmotorische achterstand. Hun reik-grijpbewegingen zijn

daarnaast minder goed gecoördineerd (Lebarton & Iverson, 2013; Sacrey et al., 2018). Deze

vroege fijnmotorische vaardigheden o.a. de grijpvaardigheden vertonen bij hoog-risico kinderen

een samenhang met de latere expressieve taalontwikkeling (LeBarton & Landa, 2019).

Probleemstelling

Onderzoek toont aan dat zowel kinderen met ASS als hoog-risico kinderen zonder ASS

vroege ontwikkelingsvertragingen vertonen in verschillende ontwikkelingsdomeinen (onder

andere Lemcke, Juul, Parner, Lauritsen, & Thorsen, 2013; Messinger et al., 2013; Ozonoff et al.,

2010). De laatste jaren richt het onderzoek naar de vroege signalen van ASS zich in het bijzonder

op het motorische ontwikkelingsdomein. Deze onderzoeken toonden onder andere aan dat

kinderen met ASS gedurende de eerste levensjaren zwakkere fijnmotorische vaardigheden hebben

dan kinderen met een typische ontwikkeling (Fournier et al., 2010; Landa et al., 2013; Ozonoff et

al., 2010; Provost et al., 2007). Daarnaast is er ook steeds meer evidentie dat de fijnmotorische

vaardigheden van hoog-risico kinderen minder ontwikkeld zijn dan deze van laag-risico kinderen

(Focaroli et al., 2016; Landa et al., 2016; Lebarton & Iverson, 2013; LeBarton & Landa, 2019;

Libertus et al., 2014). Zo zijn er verschillen in objectexploratie, grijpactiviteit (frequentie van

grijpen), grijp-reik bewegingen en anticipatievaardigheden bij hoog-risico kinderen (Landa et al.,

2016; LeBarton & Landa, 2019; Libertus et al., 2014; Sacrey et al., 2018).

Onderzoek richt zich daarnaast ook op het verband tussen de motorische ontwikkeling en

latere ontwikkelingsdomeinen. Er wordt zowel bij kinderen met een typische ontwikkeling,

kinderen met ASS en hoog-risico kinderen een verband gevonden tussen de vroege fijnmotorische

vaardigheden en latere taalontwikkeling (Bhat et al., 2012; Hellendoorn et al., 2015; LeBarton &

Landa, 2019; Leonard et al., 2015; Macdonald et al., 2013). Daarnaast toonde onderzoek een

Page 19: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

13

verband aan tussen de motorische vaardigheden en de ernst van de ASS-kenmerken (MacDonald,

Lord, & Ulrich, 2013; MacDonald et al., 2014).

Deze onderzoeken kunnen belangrijk zijn omdat problemen in een ontwikkelingsdomein

mogelijk kunnen zorgen voor een cascade-effect in andere ontwikkelingsdomeinen. Het is

mogelijk dat vroege interventies die zich deels richten op het stimuleren van de fijne motoriek,

zorgen voor een verbetering in andere ontwikkelingsdomeinen (Barger, Campbell, &

McDonough, 2013; Costanzo et al., 2015; Schmitz, Martineau, Barthélémy, & Assaiante, 2003).

Onderzoeksvragen. In het huidig onderzoek wordt er gefocust op de fijnmotorische

ontwikkeling bij kinderen met een verhoogd risico op ASS en het verband met de

taalontwikkeling en ASS-kenmerken.

De eerste onderzoeksvraag is de volgende: ‘Zijn er verschillen tussen kinderen met een

hoog- en laag risico op ASS op het vlak van de vroege fijnmotorische ontwikkeling?’ Onderzoek

toonde aan dat hoog-risico kinderen zwakkere fijnmotorische vaardigheden hebben dan laag-

risico kinderen tijdens de eerste drie levensjaren (Focaroli et al., 2016; Lebarton & Iverson, 2013;

LeBarton & Landa, 2019; Leonard et al., 2014; Libertus et al., 2014). Er wordt dan ook verwacht

dat hoog-risico kinderen op 10, 14 en 36 maanden significant lager zullen scoren op de fijne

motoriekschaal van de Mullen Scales of Early Learning (MSEL; Mullen, 1995) dan laag-risico

kinderen. Op basis van voorgaand onderzoek verwachten we daarnaast verschillen terug te vinden

in de vroege reik- en grijpbeweging (Focaroli et al., 2016; LeBarton & Landa, 2019). Lebarton &

Landa (2019) toonden aan dat de grijpvaardigheden van hoog-risico kinderen op zes maanden

minder ontwikkeld zijn dan deze van laag-risico kinderen. Er wordt dan ook verwacht dat

kinderen met een hoog risico op ASS minder ontwikkelde grijpbewegingen zullen gebruiken dan

kinderen met een laag risico op ASS op de leeftijd van 5, 10 en 14 maanden.

Een bijkomende onderzoeksvraag die hierbij gesteld wordt is ‘Zijn er verschillen in de

algemene ontwikkeling tussen kinderen met een laag- en hoog-risico op ASS?’. Deze

onderzoeksvraag is belangrijk omdat een algemene ontwikkelingsvertraging onderliggend kan

zijn aan een fijnmotorische vertraging en mogelijk eventuele verbanden met andere

ontwikkelingsdomeinen kan verklaren. Op basis van het onderzoek van Charman en collega's

(2017) dat aantoonde dat een algemene ontwikkelingsachterstand drie keer vaker voorkwam bij

hoog- dan bij laag-risico kinderen, wordt er verwacht dat de gemiddelde ontwikkelingsindex van

hoog-risico kinderen lager zal zijn dan deze van laag-risico kinderen.

De tweede onderzoeksvraag is: ‘Is er een verband tussen vroege fijnmotorische

vaardigheden en de latere taalontwikkeling?’ Onderzoek toont aan dat er verbanden zijn tussen

de motorische ontwikkeling en latere taalontwikkeling bij kinderen met een typische

ontwikkeling. Daarnaast toont onderzoek bij hoog-risico kinderen en kinderen met ASS een sterk

Page 20: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

14

verband tussen de vroege fijnmotorische vaardigheden en de latere expressieve taal (Hellendoorn

et al., 2015; Lebarton & Iverson, 2013; LeBarton & Landa, 2019). In het huidige onderzoek wordt

dan ook een verband tussen de fijne motoriek en de latere expressieve taalontwikkeling verwacht.

Onderzoek van Lebarton & Landa (2019) toonde aan dat de grijpvaardigheden bij hoog-risico

kinderen op zes maanden samenhangen met de expressieve taalontwikkeling op 3 jaar. Op basis

daarvan wordt verwacht dat kinderen met minder ontwikkelde grijpvaardigheden op 5, 10 en 14

maanden lager zullen scoren op de expressieve taalschaal van de Reynell

Taalontwikkelingsschaal (RTOS; Schaerlaekens, Zink, & Van Ommeslaeghe, 2003) en MSEL op

36 maanden.

De derde onderzoeksvraag is ‘Is er een verband tussen vroege fijnmotorische

vaardigheden en latere ASS-kenmerken?’ Op basis van het onderzoek van MacDonald et al., 2014

wordt er verwacht dat zwakkere fijnmotorische vaardigheden samenhangen met ASS-kenmerken

op 36 maanden. Onderzoek bij kinderen met ASS toont aan dat de fijnmotorische vaardigheden

minder sterk ontwikkeld zijn dan bij kinderen met een typische ontwikkeling (Landa et al., 2013;

Ozonoff et al., 2010). In voorgaand onderzoek konden hoog-risico kinderen met een latere

diagnose van ASS daarnaast onderscheiden worden van hoog-kinderen zonder diagnose op basis

van de mate van fijnmotorische achterstand (Lebarton & Iverson, 2013). Op basis van deze

bevindingen wordt in het huidige onderzoek verwacht dat fijnmotorische kenmerken gemeten

a.d.h.v. de MSEL op 10, 14 en 36 maanden zullen samenhangen met de ernst van de ASS-

kenmerken.

Page 21: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

15

Methode

Steekproef.

De steekproef in de huidige studie maakt deel uit van een grotere longitudinale

prospectieve studie naar de vroege voorspellers van ASS, namelijk de ‘Babystudie’. De hoog-

risico kinderen werden gerekruteerd via revalidatiecentra, centra voor ontwikkelingsstoornissen

(zoals bijvoorbeeld het centrum voor ontwikkelingsstoornissen te Gent) en

thuisbegeleidingsdiensten. De laag-risico kinderen werden voornamelijk gerekruteerd via Kind

& Gezin. Gezinnen die in aanmerking kwamen, werden via brieven uitgenodigd om deel te nemen

aan het onderzoek. De deelname gebeurde op vrijwillige basis. Het onderzoek werd goedgekeurd

door het ethisch comité van de Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen. Ouders

gaven op elk onderzoeksmoment geïnformeerde toestemming voor deelname aan het onderzoek.

Kinderen die op 5, 10 of 14 maanden tijdens het meetmoment buiten de vooropgestelde

leeftijdsgrenzen vielen, werden niet opgenomen in de statistische analyses (met uitzondering het

berekenen van de gemiddelde leeftijden). Bij de meetmomenten op vijf, 10 en 14 maanden was

er een maximale afwijking van anderhalve maand. Drie kinderen vielen buiten deze

leeftijdsgrenzen (één kindje op 5 maanden, twee op 14 maanden) en werden dan ook niet

opgenomen in de analyses. Op 36 maanden werd geen rekening gehouden met leeftijdsgrenzen

omdat op dit moment belangrijke informatie werd verzameld over de uitkomsten o.a. de

prevalentie van ASS als onderzoeksdiagnose en breder fenotype van ASS (BAP).

Indien de ouders in de thuisomgeving geen Nederlands spraken met het kind, werden deze

kinderen niet geïncludeerd. Kinderen met medische- of ontwikkelingsproblemen die de

hersenontwikkeling mogelijk beïnvloeden (zoals cerebrale parese, syndroom van Down en Cystic

Fibrosis) werden uitgesloten. Daarnaast mochten de deelnemende kinderen geen significante, niet

te corrigeren visuele of auditieve beperking hebben alsook niet prematuur geboren zijn

(zwangerschap minder dan 36 weken). Deelnemende kinderen mochten geen epilepsie of

convulsies hebben alsook geen genetisch syndroom gerelateerd aan ASS. De hoog-risico kinderen

moesten een oudere broer of zus hebben die reeds gediagnosticeerd was met ASS door een

multidisciplinair team onder leiding van een kinderpsychiater. Ten slotte mocht er bij de laag-

risico kinderen geen sprake zijn van ASS bij de eerstegraadsverwanten of zorgen met betrekking

tot ASS bij het kind.

Kenmerken laag-risico kinderen. De laag-risico groep bestond uit 34 kinderen waarvan

16 meisjes en 18 jongens. De gemiddelde leeftijden op het eerste (vijf maanden), tweede (tien

maanden), derde (14 maanden) en laatste meetmoment (36 maanden) waren respectievelijk 5.14

(SD = 0.44), 10.24 (SD = 0.59), 14.30 (SD = 0.51), 36.78 (SD = 0.81) maanden.

Page 22: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

16

Kenmerken hoog-risico kinderen. De hoog-risico groep bestond uit 31 kinderen waarvan

17 meisjes en 14 jongens. De gemiddelde leeftijden op het eerste (vijf maanden), tweede (tien

maanden), derde (14 maanden) en laatste meetmoment (36 maanden) waren respectievelijk 5.00

(SD = 0.50), 10.40 (SD = 0.54), 14.38 (SD = 0.70), 37.55 (SD = 2.05) maanden.

Aan de hand van t-testen voor onafhankelijke groepen, Mann-Whitney U (Mann &

Whitney, 1947) testen (indien de data niet normaal verdeeld was) en χ2 testen (voor binaire

variabelen zoals geslacht) werden de groepsverschillen bekeken tussen de laag-en hoog-risico

groep. Er werden geen significante verschillen gevonden in leeftijd op 5 (U = 217.5, p = .346),

10 (t(58.693) = -1.108, p = .272), 14 (t(52.857) = -.507, p = .614) en 36 (U = 407, p = .304)

maanden. Ook was er tussen de hoog- en laag-risico kinderen geen significant verschil in geslacht

(χ2 (1) = .393, p = .531).

Meetinstrumenten.

Binnen de ‘Babystudie’ waarvan dit onderzoek deel uitmaakt, werden verschillende

meetinstrumenten gebruikt. Hieronder worden enkel de meetinstrumenten besproken die relevant

zijn voor deze masterproef.

Codeerschema. Om de motoriek tijdens de moeder-kindinteractie en de Mullen Scales of

Early Learning-afname te beoordelen, werd gebruikgemaakt van een codeerschema. Het gebruik

van een codeerschema zorgt ervoor dat de observatie systematisch is en de invloed van de

observator minimaal. Er wordt zo op voorhand bepaald wat er geobserveerd zal worden. Voor het

coderen van de gedragingen namelijk reiken, grijpen, loslaten en hanteren van voorwerpen is er

gebruikgemaakt van een codeerschema dat ontwikkeld werd op basis van het schema van Wens

en Warreyn (2016). Indien het gedrag werd geobserveerd, werd dit gecodeerd als 1. Afwezigheid

van het gedrag werd gecodeerd als 0.

De eerste schaal Reiken gaat na of het kind één of beide armen volledig sterkt naar een

voorwerp. Het kind moet dit voorwerp niet kunnen grijpen. Deze schaal bevat acht items. Er wordt

hierbij een belangrijk onderscheid gemaakt tussen doelgericht en ongericht reiken alsook tussen

unilateraal en bilateraal reiken. De items van de eerste schaal worden weergegeven in Tabel 1.

Page 23: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

17

Tabel 1

Items van de schaal Reiken Beweging Inclusiecriteria Exclusiecriteria

1. Pre-reikbewegingen Spontane, niet doelgerichte

armbewegingen die slecht

gecoördineerd zijn. Het zijn

slaande bewegingen weg van

het lichaam.

Armbewegingen dicht bij het

lichaam.

2. Bilateraal ongericht reiken

naar een voorwerp

Het kind strekt niet doelbewust

beide armen uit naar een

voorwerp. Het is geen vlotte

beweging en het kind kijkt

bijvoorbeeld niet naar het

voorwerp.

Beweging is doelbewust en vlot.

Het kind gebruikt maar één arm.

3. Doelgericht reiken naar de

eigen knieën of voeten

Het kind strekt één of beide

armen uit naar de eigen voeten

of knieën met de intentie om

deze vast te nemen.

Kind raakt bij toeval de eigen

voeten of knieën aan en heeft

geen intentie om deze vast te

nemen.

4. Unilateraal ongericht reiken

naar een voorwerp

Het kind strekt niet doelbewust

één arm uit naar een voorwerp.

Het is geen vlotte beweging en

het kind kijkt bijvoorbeeld niet

naar het voorwerp.

De beweging is vlot en

doelbewust. Het kind gebruikt

beide armen.

5. Bilateraal doelgericht reiken

naar een voorwerp

Het kind kijkt naar een

voorwerp en maakt één vlotte en

doelgerichte reikbeweging met

beide armen.

Kind maakt een toevallige vlotte

reikbeweging naar een

voorwerp zonder zijn aandacht

ernaar te richten. Het kind

gebruikt maar één arm.

6. Unilateraal doelgericht reiken

zonder steun andere arm naar

een voorwerp

Het kind strekt één arm zonder

te steunen op de andere arm.

Kind strekt beide armen of

steunt op de andere arm.

7. Unilateraal doelgericht reiken

met steun andere arm naar een

voorwerp

Het kind strekt één arm en

steunt op de andere arm.

Kind strekt beide armen of kind

steunt niet op een arm.

8. Unilateraal doelgericht reiken

naar een voorwerp met in de

ander hand een voorwerp

Het kind strekt één arm en heeft

in de andere hand reeds een

voorwerp vast.

Kind strekt beide armen of heeft

geen voorwerp vast in de ander

hand.

De tweede schaal in het codeerschema is Grijpen. Deze schaal omvat zeven items. Deze

kunnen teruggevonden worden in Tabel 2.

Page 24: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

18

Tabel 2

Items van de schaal Grijpen Beweging Inclusiecriteria Exclusiecriteria

1. Grijpreflex Het kind grijpt een voorwerp

zodra het de handpalm raakt.

Ouders grijpen de hand van het

kind vast en plooien de vingers

rond het voorwerp.

2. Handen worden geopend

wanneer een nieuw voorwerp

nadert

Wanneer een nieuw voorwerp in

de buurt of in het gezichtsveld

van het kind komt, opent het

kind de handen.

Het voorwerp is reeds in de

buurt of in het gezichtsveld van

het kind.

3. Ulnair palmaire greep Het kind grijpt voorwerpen vast

met de pinkzijde van de hand.

De vingers worden hierbij tegen

de handpalm geduwd. De duim

wordt niet gebruikt.

Het kind gebruikt de duim.

4. Palmaire greep of

handpalmgreep

Het volledige palmaire

oppervlak van de handen, de

handpalm en de vingers worden

gebruikt. Het kind gebruikt alle

vingers (inclusief de duim).

De duim is niet betrokken of het

voorwerp raakt de handpalm

niet.

5. Radiaal-palmaire greep Het kind grijpt een voorwerp

met drie of vier vingers

namelijk de duim, wijsvinger en

middenvinger. Het voorwerp

raakt de handpalm niet.

Het voorwerp raakt de

handpalm.

6. Grijpen met twee vingers

anders dan duim en wijsvinger

Het kind grijpt een voorwerp

met twee vingers bijvoorbeeld

de duim en middenvinger.

Het kind grijpt een voorwerp

tussen de duim en wijsvinger.

7. Schaargreep of onderste

pincetgreep

Het kind grijpt een voorwerp

tussen gestrekte duim en

gebogen wijsvinger.

Het kind grijpt met de toppen

van de wijsvinger en de duim.

De derde schaal is het Loslaten van voorwerpen. De items van deze schaal worden enkel

als aanwezig gecodeerd indien het kind het voorwerp eerst zelfstandig vastheeft en het daarna

loslaat. Deze schaal bestaat uit zeven items. Deze worden weergegeven in Tabel 3.

Page 25: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

19

Tabel 3

Items van de schaal Loslaten Beweging Inclusiecriteria Exclusiecriteria

1. Voorwerp wordt niet

vrijwillig losgelaten

Een voorwerp wordt niet

doelbewust losgelaten.

2. Voorwerp wordt losgelaten

door het weg te gooien of door

bruuske armbewegingen

Het voorwerp wordt losgelaten

door een bruuske armbeweging

en wordt niet op een bewuste

plaats neergelegd.

Het voorwerp wordt op een

doelbewuste plaats neergelegd.

3. Voorwerp wordt onbewust

losgelaten en valt

Het kind laat het voorwerp

onbewust vallen.

Het voorwerp op een

doelbewuste plaats laten vallen.

4. Voorwerpen loslaten of laten

vallen om met dezelfde hand

een ander voorwerp te grijpen

Het kind heeft een voorwerp

vast en gooit dit weg om met

dezelfde hand een ander

voorwerp te grijpen. Het kind

laat het voorwerp vallen met de

intentie om een ander voorwerp

te grijpen.

Het kind laat onbewust een

voorwerp vallen en grijpt hierna

een ander voorwerp.

5. Voorwerpen loslaten of laten

vallen om met de ander hand

een ander voorwerp te grijpen

Het kind heeft een voorwerp

vast en gooit dit weg om met de

andere hand een ander voorwerp

te grijpen. Het kind laat het

voorwerp vallen met de intentie

om een ander voorwerp te

grijpen.

Het kind laat onbewust een

voorwerp vallen en grijpt hierna

een ander voorwerp.

6. Opzettelijk of bewust een

voorwerp laten vallen

Kind laat voorwerp doelbewust

vallen omdat hij hierdoor

geboeid wordt.

7. Voorwerp wordt doelbewust

losgelaten op een specifieke

plaats

Het voorwerp wordt doelbewust

losgelaten zodat het op een

specifieke plaats terecht komt.

Het voorwerp komt toevallig op

een specifieke plaats terecht.

De laatste schaal is voorwerpen Hanteren. Deze schaal bevat acht items. Bij item 4,5 en

6 heeft het kind het voorwerp niet enkel zelfstandig vast maar heeft het er ook controle over. De

items worden weergegeven in Tabel 4.

Page 26: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

20

Tabel 4

Items van de schaal Hanteren Beweging Inclusiecriteria Exclusiecriteria

1. Voorwerp in één hand,

aftasten met de andere hand

Het kind onderzoekt de

voorwerpen door het vast te

houden in de ene hand en eraan

te voelen met de vingertoppen

van de andere hand.

Het kind probeert het voorwerp

door te geven van hand naar

hand.

2. Voorwerpen worden

ongecontroleerd doorgegeven

van hand naar hand

Het kind probeert een voorwerp

door te geven van hand naar

hand maar kan het voorwerp nog

niet vrijwillig loslaten.

Het kind kan het voorwerp

doorgeven in een vlotte

beweging en heeft geen moeite

om het voorwerp los te laten.

3. Speelgoed naar de mond

brengen

Het kind brengt een voorwerp

naar zijn of haar mond.

Het voorwerp is bedoeld om op

te eten.

4. Voorwerpen hanteren met

twee handen

Het kind heeft volledige controle

over voorwerpen en gebruikt

hiervoor de beide handen.

5. Hanteren van grote

voorwerpen

Het kind heeft volledige controle

over voorwerpen tussen de 2,5

en 9 centimeter.

Het kind heeft het voorwerp vast

maar weet het verder niet te

hanteren.

6. Voorwerpen vasthouden en

met de andere hand een ander

voorwerp grijpen

Het kind houdt een voorwerp

vast in de ene hand en grijpt met

de andere ander hand een

voorwerp vast.

7. Hanteren kleine voorwerpen Het kind heeft controle over

voorwerpen kleiner dan 2,5

centimeter.

Het kind heeft het voorwerp vast

maar weet het verder niet te

hanteren.

8. Voorwerpen vlot van hand

naar hand doorgeven

Het kind kan een voorwerp vlot

doorgeven van de ene naar de

andere hand. Loslaten van het

voorwerp is hierbij geen

probleem.

Verder werden ook de posities van het kind genoteerd zoals bijvoorbeeld op de schoot

van de ouder zitten of op de grond kruipen. Daarnaast werden ook de aanwezige objecten

genoteerd zoals speelgoed of andere voorwerpen. Zowel voor de moeder-kind interactie als de

MSEL werd telkens ook een observatiechecklist ingevuld. Hierop werd bijvoorbeeld genoteerd

of de handen van het kind in beeld zijn en het kind aan het huilen is.

Page 27: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

21

Moeder-kind interactie. Op vijf en tien maanden werd aan de moeder gevraagd om 15

minuten vrij te spelen met het kind op een mat in het onderzoekslokaal. Doordat de onderzoeker

niet tussenkomt, is deze observatie ecologisch meer valide dan een gestandaardiseerde afname

zoals de Mullen Scales of Early Learning. Deze moeder-kind interactie werd opgenomen. Hierbij

werd één camera gericht op het gezicht van het kind, de andere op het gezicht van de zorgfiguur.

De eerste tot en met de zesde minuut van deze video-opnames werd gecodeerd. Hierbij was er

een kussen aanwezig voor de ouder, alsook een relax voor het kind. Het aanwezige speelgoed

was: een Bumba, een giraf, een zachte nijntjesbal, een blauwe eend, een tijgertje en een

rammelarmbandje. Figuur 1 en 2 tonen de opstelling van de moeder-kind interactie.

Figuur 1. Visuele voorstelling opstelling Moeder-kind interactie

Figuur 2. Opstelling Moeder-kind interactie

Mullen Scales of Early Learning (MSEL). Op 10, 14 en 36 maanden werd de Mullen

Scales of Early Learning (MSEL; Mullen, 1995) afgenomen. Dit is een gestandaardiseerde

ontwikkelingstest voor kinderen van één tot 69 maanden. Deze test bevat vijf schalen namelijk

Grove Motoriek, Visuele Receptie, Fijne Motoriek, Expressieve Taal en Receptieve Taal. De

schalen worden individueel afgenomen. Voor sommige items worden ook vragen gesteld aan de

ouders. De afnameduur varieert afhankelijk van de leeftijd. De resultaten worden omgezet naar

MAT

relax

x

O

C

1

C

2

Page 28: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

22

T-scores, percentielen of leeftijdsequivalenten. De algemene score of de ‘Early Learning

Composite’ (ontwikkelingsindex of ELC) wordt beschreven aan de hand van een standaardscore

(gemiddelde 100, standaarddeviatie 15), percentiel of descriptieve categorie (bijvoorbeeld

gemiddeld of bovengemiddeld) en kan beschouwd worden als een algemene IQ-maat. Deze ELC

wordt berekend op basis van de schalen: Fijne Motoriek, Visuele Receptie, Receptieve Taal en

Expressieve taal (Bradley-johnson, 1997). De MSEL-afname van de fijne motoriek schaal werd

op 10 en 14 maanden opgenomen op video en achteraf gecodeerd. Hierbij werden enkel de eerste

vijf minuten van de MSEL Fijne Motoriek schaal gecodeerd. Er wordt op een specifieke leeftijd

telkens met hetzelfde item gestart waardoor dezelfde items bij alle kinderen werden afgenomen.

Binnen deze studie werd gebruik gemaakt van de schalen Expressieve Taal, Receptieve Taal

(taalschalen op 36 maanden), Fijne Motoriek (op 10, 14 en 36 maanden) en de ontwikkelingsindex

(op 10, 14 en 36 maanden). Figuur 3 geeft het materiaal van de MSEL weer.

Figuur 3. Materiaal MSEL-afname op 10 maanden

Autism Diagnostic Observation Scale, Second Edition (ADOS-2). De Autism

Diagnostic Observation Schedule, Second Edition (ADOS-2) (Lord et al., 2012) is een

semigestructureerde, gestandaardiseerde meting van communicatie, sociale interactie,

spel/verbeelding en restrictieve en/of repetitieve gedragingen. De ADOS-2 is ontworpen om

individueel afgenomen te worden door een opgeleide onderzoeker en bestaat uit vijf modules. Er

wordt telkens een van de vijf modules gekozen op basis van het expressieve taalniveau, de

chronologische leeftijd van het kind en eventueel of de taken aansluiten bij de interesses en

vaardigheden van het kind. Elke module bestaat uit enkele specifieke taken die ontworpen zijn

om communicatief, sociaal en gedragsmatige kenmerken uit te lokken.

Op 36 maanden werd de ADOS module 1 of 2 afgenomen. Module 1 is ontworpen voor

kinderen vanaf 31 maanden die niet consistent gebruik maken van zinnen. Module 2 is ontworpen

voor kinderen die gebruik maken van zinnen maar die nog geen verbaal vloeiende spraak hebben

(expressieve taalvaardigheden van een typische vierjarige). Bij module 1 en 2 hebben de

gecodeerde items betrekking tot het Sociaal Affect (wat overeenstemt met het eerste aspect van

Page 29: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

23

de dyade namelijk beperkingen in de sociale communicatie en interactie) en het Restrictief en

Repetitief Gedrag (wat overeenstemt met het tweede aspect van de dyade namelijk aanwezigheid

van beperkte, repetitieve gedragspatronen, interesses of activiteiten). De codering is sterk

gebaseerd op het klinisch beoordelingsvermogen van de onderzoeker. De test heeft een goede

betrouwbaarheid en validiteit. Zowel de interne consistentie, test-hertest betrouwbaarheid als de

interbeoordelaarsbetrouwbaarheid zijn goed tot zeer goed. Ook de inhouds-, construct- en

voorspellende validiteit zijn goed tot zeer goed (McCrimmon & Rostad, 2014).

De ADOS geeft vergelijkings- of ernstscores (Calibrated Severity Scores; CSS) op twee

verschillende domeinen namelijk Sociaal Affect en Restrictief, Repetitief Gedrag alsook een

totale vergelijkingsscore. Kindkenmerken zoals IQ, leeftijd, taal en ontwikkelingsniveau hebben

een minder sterke invloed op deze vergelijkingsscores dan op de ruwe scores. Hierdoor kan de

mate van ASS-kenmerken vergeleken worden tussen kinderen met een verschillend

ontwikkelingsniveau (Hus, Gotham, & Lord, 2014). Binnen deze masterproef werd enkel gebruik

gemaakt van deze ‘Calibrated Severity Scores’ (namelijk Sociaal Affect, Restrictief Repetitief

Gedrag en Totaalscore) op 36 maanden als meting voor ASS-kenmerken. Deze scores geven een

indicatie van de ernst van de ASS-kenmerken.

Reynell Taalontwikkelingsschalen (RTOS). De Reynell Taalontwikkelingsschalen zijn

gebaseerd op de Engelse Reynell Developmental Language Scales (Reynell & Gruber, 1997;

Schaerlaekens et al., 2003). De RTOS is een gestandaardiseerde test voor Nederlandstalige

kinderen van 2 tot 5 jaar. De test meet het Taalbegrip (de receptieve taalontwikkeling) en de

Taalproductie (de expressieve taalontwikkeling). De test bevat enkele belangrijke taaldomeinen

zoals bijvoorbeeld woordenschat en zinsstructuur. De RTOS wordt individueel bij het kind

afgenomen en duurt ongeveer 45 minuten. Er zijn Vlaamse normtabellen beschikbaar. De

betrouwbaarheid en validiteit van de RTOS zijn voldoende (Letts, Edwards, Schaefer, & Sinka,

2014; Prodia, 2013).

Procedure.

Het huidige onderzoek maakt deel uit van een grootschalige longitudinale, prospectieve

studie uitgevoerd door de onderzoeksgroep Ontwikkelingsstoornissen van de Universiteit Gent

namelijk de Babystudie. Zowel laag-risico kinderen als hoog-risico kinderen werden op vijf, 10,

14, en 36 maanden uitgenodigd op de Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen.

Instappen in de studie kon tot en met de leeftijd van 14 maanden.

Coderingen. De video’s van de MKI en MSEL werden bekeken en gecodeerd door twee

onafhankelijke beoordelaars die blind waren voor de risicogroep. Elke video werd vier keer

bekeken, op normale snelheid, waarbij telkens een andere schaal (namelijk reiken, grijpen,

loslaten of hanteren) gecodeerd werd. Eerst was er een trainingsfase waarin video’s werden

Page 30: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

24

gebruikt om het coderen te oefenen (deze video’s werden later niet opgenomen in de data). Daarna

werd in onderling overleg de items overlopen waarop geen overeenstemming was. Indien de

beoordelaars voldoende overeenkomsten hadden en de interbeoordelaarsbetrouwhaarheid

voldoende hoog was (namelijk een kappa-waarde > .70), werden de overige video’s gecodeerd.

Hierbij werd ongeveer 30% van de video’s door beide beoordelaars gecodeerd.

Diagnostische procedure. Op drie jaar werd door doctoraatsstudenten van de vakgroep

ontwikkelingsstoornissen nagegaan of de kinderen voldeden aan de DSM-criteria voor ASS.

Indien dit het geval was, kreeg het kind de onderzoeksdiagnose ASS. Er werd rekening gehouden

met de uitkomsten van de ADOS-2, ADI-R (vragenlijst voor ouders of verzorgers van het kind

die kenmerken van ASS bevraagt; De Jonge & De Bildt, 2007; Le Couteur, Lord, Rutter, & others,

2003) en alle overige onderzoeksinformatie. Wanneer er kenmerken van ASS aanwezig waren

maar onvoldoende om volgens de DSM een diagnose te stellen, werden deze kinderen als BAP

geclassificeerd. Aan de hand van de MSEL en RTOS werd nagegaan of kinderen tot de atypische

ontwikkelingsgroep behoorden. Enkele kinderen die tot de atypische ontwikkelingsgroep

behoorden, hadden bijvoorbeeld een taalachterstand, ontwikkelingsachterstand of gedragsmatige

problemen maar hadden geen moeilijkheden die gerelateerd zijn aan de diagnostische criteria van

ASS. Alle laag-risico kinderen behoorden tot de typische ontwikkelingsgroep op 3 jaar. Van de

hoog-risico kinderen behoorden acht kinderen tot de typische ontwikkelingsgroep, 17 kinderen

hadden een atypische ontwikkeling of vertoonden kenmerken van het BAP-fenotype en 6

kinderen kregen de onderzoeksdiagnose ASS. Ongeveer 19% van de hoog-risicokinderen kreeg

op drie jaar een onderzoeksdiagnose. Dit sluit aan bij het herhalingsrisico dat door Ozonoff en

collega's (2011) op 18,7% werd geschat.

Statistische Analyses.

Alle statistische analyses werden uitgevoerd met het Statistical Package for the Social

Sciences (SPSS) versie 25.

Interbeoordelaarsbetrouwbaarheid van het codeerschema. Voor elk item werd de

interbeoordelaarsbetrouwbaarheid (IBB) berekend aan de hand van Cohen’s Kappa (k; Cohen,

1960; McHugh, 2012). Om de Kappa te interpreteren werd gebruik gemaakt van de normen voor

gezondheidsonderzoek opgesteld door McHugh (2012), die strenger zijn dan de originele

richtlijnen van Cohen (1960).

Wegens een zwakke en matige IBB werden twee items weggelaten namelijk het item

‘unilateraal ongericht reiken’ (k = .501) en het item ‘handen worden geopend wanneer een nieuw

voorwerp nadert’ (k = .646). Enkele andere items werden samengevoegd omdat ze moeilijk van

elkaar te onderscheiden waren. Zo werden het item ‘bilateraal ongericht reiken naar een

voorwerp’ (k = .688) en het item ‘bilateraal doelgericht reiken naar een voorwerp’ (k = .677)

Page 31: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

25

samengevoegd tot het item ‘bilateraal reiken’ (k = .775). Ook de items ‘voorwerpen loslaten of

laten vallen om met zelfde hand een voorwerp te grijpen’ (k = .775) en ‘voorwerpen loslaten of

laten vallen om met andere hand een ander voorwerp te grijpen’ (k = .598) werden samengevoegd

tot het item ‘voorwerpen loslaten om een ander voorwerp te grijpen’ (k = .787). Ten slotte werden

de items ‘voorwerp wordt losgelaten en valt’ (k = .655) en ‘opzettelijk voorwerp laten vallen’ (k

= .944) samengevoegd tot het item ‘voorwerp wordt losgelaten en valt (al dan niet opzettelijk)’

(k = .739). In tabel 5 zijn alle items, kappa’s en interpretaties (McHugh, 2012) terug te vinden.

Tabel 5

Interbeoordelaarsbetrouwbaarheid van de items van het codeerschema a.d.h.v. Cohen’s Kappa

k Interpretatie overeenkomst

Reiken

Pre-reikbewegingen .804 Sterk

Bilateraal reiken .775 Matig

Doelgericht reiken naar eigen knieën of voeten .862 Sterk

Unilateraal doelgericht reiken zonder steun andere

arm naar een voorwerp

.835 Sterk

Unilateraal doelgericht reiken met steun andere arm

naar een voorwerp

.799 Sterk

Unilateraal doelgericht reiken naar een voorwerp

met in de andere hand een voorwerp

.892 Sterk

Grijpen

Grijpreflex .964 Bijna perfect

Ulnair palmaire greep .920 Bijna perfect

Palmaire greep .900 Sterk

Radiaal-palmaire greep .834 Sterk

Grijpen met 2 vingers; anders dan duim en

wijsvinger

.944 Bijna perfect

Schaargreep of onderste pincetgreep .863 Sterk

Loslaten

Voorwerp wordt niet vrijwillig losgelaten .937 Bijna perfect

Voorwerp wordt losgelaten door het weg te gooien

of door bruuske armbewegingen

.763 Matig

Voorwerp wordt losgelaten en valt (al dan niet

opzettelijk)

.739 Matig

Voorwerp loslaten om een ander voorwerp te grijpen .787 Matig

Voorwerp wordt doelbewust losgelaten op een

specifieke plaats

.867 Sterk

Page 32: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

26

Hanteren

Voorwerp in één hand, aftasten met andere hand .732 Matig

Voorwerpen worden ongecontroleerd doorgegeven

van hand naar hand

.764 Matig

Speelgoed naar de mond brengen .915 Bijna perfect

Voorwerp hanteren met 2 handen .805 Sterk

Hanteren grote voorwerpen .929 Bijna perfect

Voorwerp vasthouden en met andere hand een

voorwerp grijpen

.933 Bijna perfect

Hanteren kleine voorwerpen .986 Bijna perfect

Voorwerpen vlot van hand naar hand doorgeven .858 Sterk

Schalen

Schaal reiken .828 Sterk

Schaal grijpen .904 Bijna perfect

Schaal loslaten .819 Sterk

Schaal hanteren .865 Sterk

Schaal reiken .828 Sterk

Preliminaire analyses. Missing data analyse. Aangezien ontbrekende data verklaard

kunnen worden doordat kinderen niet konden deelnemen op specifieke onderzoeksmomenten

door ziekte of andere factoren, kan verondersteld worden dat de data at random missing zijn. Dit

werd bevestigd door middel van de Little’s Missing Completely at Random Test (MCAR; Little,

1998) (χ2 (252) = 241.884, p = .649). Er werd dan ook gekozen om telkens zo veel mogelijk data

te betrekken in de statistische analyses (d.i. pairwise deletion). Hierdoor verschilde het aantal

deelnemers dat betrokken werd in de analyses waardoor het aantal vrijheidsgraden in de

statistische toetsen kan variëren. Er werd beslist om geen data bij te schatten (zoals bijvoorbeeld

aan de hand van het expectatie-maximalisatie algoritme) aangezien sommige onderzoeksvragen

eerder exploratief zijn en er veel missing data waren. Zo is er op vijf maanden bijvoorbeeld bijna

25% missingness (o.a. doordat kinderen op een latere leeftijd konden instromen).

Outlieranalyse. Verder werd er nagegaan of er outliers waren. Een waarde die meer dan

drie standaarddeviaties afweek van het gemiddelde werd beschouwd als een outlier. Deze outliers

werden vervangen door het gemiddelde +/- 3 keer de standaarddeviatie. Er werden outliers

gevonden op de RTOS Taalbegrip en RTOS Totaalscore (gemeten op 3 jaar). Hierbij werden bij

de RTOS Taalbegrip de waarden 0 en 2 vervangen door 11. Bij de RTOS Totaalscore werden de

waarden 0 en 4 vervangen door 19. Ook bij de MSEL Taalbegrip en Taalproductie op 36 maanden

werden outliers gevonden. Tweemaal werd de waarde 14 vervangen door 19 op de MSEL

Taalbegrip. De waardes 13 en 18 werden vervangen door 19 op de MSEL Taalproductie.

Page 33: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

27

Normaliteitsanalyse. Er werd nagegaan of de continue variabelen normaal verdeeld zijn.

Hiervoor werd gebruikgemaakt van de Kolmogorov-Smirnov test (Lilliefors, 1967). Enkel de

MSEL ontwikkelingsindexen op 10 en 14 maanden waren normaal verdeeld. Aangezien de

ADOS vergelijkingsscores ordinaal zijn, werd de normaliteit van deze uitkomstvariabelen niet

nagegaan. De uitkomsten van de analyses kunnen teruggevonden worden in tabel 5.

Tabel 6

Normaliteitstesten uitkomstvariabelen a.d.h.v. de Kolomogorov-Smirnov testa

Statistiek df

MSEL Fijne Motoriek 14 maanden .175* 53

MSEL Fijne Motoriek 10 maanden .248* 53

MSEL Fijne Motoriek 36 maanden .122* 53

MSEL Taalbegrip 36 maanden .156* 63

MSEL Taalproductie 36 maanden .173* 63

RTOS Taalbegrip 36 maanden .142* 50

RTOS Taalproductie 36 maanden .168* 50

RTOS Totaalscore 36 maanden .201* 50

MSEL Ontwikkelingsindex 10 maanden .106 53

MSEL Ontwikkelingsindex 14 maanden .069 53

MSEL Ontwikkelingsindex 36 maanden .165* 53

Noot. * = Niet normaal verdeeld

a. Lilliefors Significance Correction

Analyses onderzoeksvragen. Om de eerste onderzoeksvraag te beantwoorden, werd via

Mann-Whitney U-testen (aangezien de fijne motoriekschalen niet normaal verdeeld waren)

nagegaan of er significante groepsverschillen waren in fijne motoriek tussen laag- en hoog-risico

kinderen op 10, 14 en 36 maanden gemeten a.d.h.v. de MSEL. Daarnaast werd bijkomend aan de

hand van de Mann-Whitney U-test (ontwikkelingsindex op 36 maanden) en t-testen voor

onafhankelijke steekproeven (ontwikkelingsindex op 10 en 14 maanden) nagegaan of er

groepsverschillen waren in de ontwikkelingsindex gemeten a.d.h.v. de MSEL.

De verschillen tussen laag- en hoog-risico kinderen op het gebied van vroege reik- en

grijpvaardigheden en vaardigheden in het loslaten en hanteren van voorwerpen werden daarnaast

bekeken aan de hand van de items van het codeerschema. Hiervoor werd gebruik gemaakt van

Chi-kwadraat toetsen. Indien de celfrequentie van minstens één cel minder dan 5 was, werd er

gekozen om gebruik te maken van de Fisher’s Exact Test (Graham, 1992). Op 10 maanden waren

zowel de coderingen van de MSEL als de MKI beschikbaar. Deze variabelen werden

gecombineerd aangezien uit eerdere analyses bleek dat er vooral overeenkomsten waren tussen

de coderingen van de MKI en MSEL. Indien het item tijdens de MKI en/of MSEL voorkwam,

werd dit item op de nieuwe variabele als aanwezig gecodeerd. Indien het item niet voorkwam

Page 34: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

28

tijdens de MKI en MSEL, werd dit item als afwezig gecodeerd. Indien data op de MKI of MSEL

ontbraken, werd de score van het aanwezige instrument overgenomen.

Om de tweede en derde onderzoeksvraag te beantwoorden, werden eerst correlaties

berekend tussen de fijne motoriek gemeten a.d.h.v. de MSEL en de latere taalontwikkeling

gemeten a.d.h.v. de RTOS en de MSEL, alsook de latere ASS-kenmerken gemeten a.d.h.v. de

ADOS. Hiervoor werd telkens gebruikgemaakt van Spearmans ρ aangezien de variabelen niet

normaal verdeeld waren.

Daarnaast werden ook analyses gedaan a.d.h.v. de coderingen om de tweede en derde

onderzoeksvraag te beantwoorden. Ten eerste werden de frequenties van de items van de

codeerschema’s bekeken en werden items geselecteerd die bij meer dan 25% en minder dan 75%

van de kinderen aanwezig waren. Op deze manier werden bodem- en plafondeffecten vermeden.

De geselecteerde items kunnen teruggevonden worden in Tabel 7. Elk geselecteerd item werd

gebruikt om de kinderen in te delen in groepen, namelijk 0 indien het item niet aanwezig was en

1 indien het item wel aanwezig was. Ten tweede werden er t-toetsten voor onafhankelijke

steekproeven of Mann-Whitney U-testen uitgevoerd. Indien de variabele in beide groepen

normaal verdeeld was, werd er gebruik gemaakt van een t-toets. Indien de Levene’s test aantoonde

dat er niet voldaan werd aan de assumptie van gelijke varianties, werd hiervoor een correctie

toegepast. Aan de hand van de t-testen en Mann-Whitney U-testen werden de scores op de RTOS

en ADOS vergeleken tussen de groepen (namelijk kinderen waarbij het item aanwezig was en

kinderen waarbij het item niet aanwezig was). Indien de variabele niet normaal verdeeld was,

werd de mediaan gerapporteerd. Bij normaal verdeelde variabelen werd telkens het gemiddelde

en de standaarddeviatie gerapporteerd.

Page 35: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

29

Tabel 7

Geselecteerde items

Leeftijd Items opgenomen in de analyses

5 maanden Pre-reikbewegingen

Unilateraal doelgericht reiken zonder steun andere arm naar een voorwerp

Voorwerp wordt losgelaten door het weg te gooien of door bruuske

armbewegingen

Voorwerpen worden ongecontroleerd doorgegeven van hand naar hand

Voorwerp hanteren met 2 handen

Hanteren grote voorwerpen

10 maanden Schaargreep of onderste pincetgreep

Voorwerp wordt losgelaten door het weg te gooien of door bruuske

armbewegingen

Voorwerp wordt doelbewust losgelaten op een specifieke plaats

Voorwerpen worden ongecontroleerd doorgegeven van hand naar hand

14 maanden Unilateraal doelgericht reiken met steun andere arm naar een voorwerp

Schaargreep of onderste pincetgreep

Voorwerp wordt losgelaten en valt (al dan niet opzettelijk)

Voorwerp in één hand, aftasten met andere hand

Speelgoed naar de mond brengen

Aangezien de hypotheses niet-directioneel zijn en er weinig wetenschappelijke

onderbouwing is voor directionele hypotheses, werden alle analyses tweezijdig getoetst. Bij alle

toetsen werd ten slotte de Holm-Bonferroni correctie (Holm, 1979) toegepast. Er werd gekozen

om de p-waardes aan te passen waarbij het significantieniveau constant bleef. De aangepaste p-

waardes worden aangeduid met p’.

Resultaten

Vroege verschillen in fijnmotorische vaardigheden tussen hoog- en laag-risico kinderen

Fijne motoriekschaal MSEL. Op 10 maanden waren er geen significante verschillen in

fijne motoriek gemeten a.d.h.v. de MSEL tussen laag- en hoog- risico kinderen (U(59) = 378, p

= p’ = .383). Op 14 maanden was er wel een significant verschil in fijne motoriek (U(58) = 280.5,

p = .025, p’ = .050). Hoog-risico kinderen (Med = 18.50) scoorden lager op de fijne

motoriekschaal gemeten a.d.h.v. de MSEL op 14 maanden dan laag-risico kinderen (Med =

19.00). Ook op 36 maanden werden er significante verschillen gevonden in fijne motoriek (U(63)

Page 36: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

30

= 270, p = .002, p’ = .006). Hoog-risico kinderen (Med = 33.00) hadden op 36 maanden zwakkere

fijnmotorische vaardigheden dan laag-risico kinderen (Med = 37.00). De resultaten worden

weergegeven in Tabel 8.

Tabel 8

Verschillen in fijnmotorische vaardigheden tussen laag- en hoog- risico kinderen laag-risico groep

Med

Mean Rank

hoog-risico groep

Med

Mean Rank

U

(df)

MSEL Fijne Motoriek 10 maanden

15.00

31.81

n = 31

15.00

28.00

n = 28

378

(59)

MSEL Fijne Motoriek 14 maanden

19.00

34.15

n = 30

18.50

24.52

n = 28

280.5**

(58)

MSEL Fijne Motoriek 36 maanden

37.00

39.06

n = 32

33.00

24.71

n = 31

270**

(63)

Noot. * = p ≤ .05 voor Holm-Bonferroni correctie, ** = p ≤ .05 na Holm-Bonferroni correctie

Ontwikkelingsindex MSEL. Er was een significant verschil in de ontwikkelingsindex

tussen laag- en hoog-risico kinderen op 10 maanden (t(57) = 2.314, p = .024, p’ = .048). Op 10

maanden hadden laag-risico kinderen (M = 117.52, SD = 11.10) gemiddeld een hogere

ontwikkelingsindex dan hoog-risico kinderen (M = 110.25, SD = 13.02). Op 14 maanden was er

ook een significant verschil in de ontwikkelingsindex (t(46.191) = 2.326, p = .024, p’ = .048)

waarbij laag-risico kinderen (M = 104.67, SD = 9.19) gemiddeld een hogere ontwikkelingsindex

hadden dan hoog-risico kinderen (M = 97.39, SD = 13.97). Ten slotte is er ook op 36 maanden

een significant verschil in ontwikkelingsindex tussen laag- en hoog-risico kinderen (U(63) =

200.5, p < .001). Hoog-risico kinderen (Med = 107.00) hadden op 36 maanden gemiddeld een

lagere ontwikkelingsindex dan laag-risico kinderen (Med = 122.00). De resultaten worden

weergegeven in Tabel 9.

Tabel 9

Verschillen in ontwikkelingsindex tussen laag- en hoog- risico kinderen op 10 en 14 maanden

Risico groep

Laag-risico

M (SD)

Hoog-risico

M (SD)

Statistiek df

MSEL Ontwikkelingsindex 10 maanden 117.52

(11.10)

n = 31

110.25

(13.02)

n = 28

2.314**a 57

MSEL Ontwikkelingsindex 14 maanden 104.67

(9.19)

n = 30

97.39

(13.97)

n = 28

2.326**a 46.191

MSEL Ontwikkelingsindex 36 maanden 122.00

41.23

n = 32

107.00

22.47

n = 31

200.5**b 63

Noot.**p ≤.05 na Holm-Bonferroni correctie, at-test voor onafhankelijke steekproeven, bMann Whitney U-test

Page 37: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

31

Vroege vaardigheden in reiken. Analyse van de items van de schaal Reiken in het

codeerschema toonde aan dat er geen verschillen zijn in de aanwezigheid van vroege

vaardigheden in reiken op 10 en 14 maanden. Wel werd er een verschil gevonden in de

aanwezigheid van het item unilateraal doelgericht reiken zonder steun andere arm op 5 maanden

(χ2(1) = 3.893, p = .048). Dit item werd vaker als aanwezig gecodeerd bij laag-risico kinderen dan

hoog-risico kinderen. Het verschil was echter niet meer significant na het toepassen van de Holm-

Bonferroni correctie (p’ = .288). De resultaten worden weergegeven in Tabel 10, Tabel 11 en

Tabel 12.

Tabel 10

Verschillen in vroege vaardigheden in reiken op 5 maanden tussen laag- en hoog- risico

kinderen Kenmerk aanwezig (%)

Niveau Laag-risico

n = 29

Hoog-risico

n = 20

χ2

(df)

Pre-reikbewegingen 65.50% 65.00% .001

(1)

Bilateraal reiken 96.60% 85.00% /a

Doelgericht reiken naar eigen knieën

of voeten

17.20% 15.00% /a

Unilateraal doelgericht reiken zonder

steun andere arm

58.60% 30.00% 3.893

(1)*

Unilateraal doelgericht reiken met

steun andere arm

20.70% 15.00% /a

Unilateraal doelgericht reiken naar

een voorwerp met in de andere hand

een voorwerp

17.20% 10.00% /a

Noot. * = p ≤ .05 voor Holm-Bonferroni correctie, aFisher’s Exact Test

Tabel 11

Verschillen in vroege vaardigheden in reiken op 10 maanden tussen laag- en hoog- risico

kinderen Kenmerk aanwezig (%)

Niveau Laag-risico

n = 32

Hoog-risico

n = 28

χ2

(df)

Pre-reikbewegingen 18.80% 25.00% .344

(1)

Bilateraal reiken 96.90% 96.40% /a

Doelgericht reiken naar eigen knieën

of voeten

12.50% 25% 1.558

(1)

Unilateraal doelgericht reiken zonder

steun andere arm

100.00% 96.40% /a

Unilateraal doelgericht reiken met

steun andere arm

87.50% 82.10% /a

Unilateraal doelgericht reiken naar

een voorwerp met in de andere hand

een voorwerp

93.80% 92.90% /a

Noot. aFisher’s Exact Test

Page 38: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

32

Tabel 12

Verschillen in vroege vaardigheden in reiken op 14 maanden tussen laag- en hoog- risico

kinderen

Kenmerk aanwezig (%)

Niveau Laag-risico

n = 27

Hoog-risico

n = 25

χ2

(df)

Pre-reikbewegingen 3.70% 4.00% /a

Bilateraal reiken 88.90% 72.00% /a

Doelgericht reiken naar eigen knieën

of voeten

0% 0% /b

Unilateraal doelgericht reiken zonder

steun andere arm

100% 100% /b

Unilateraal doelgericht reiken met

steun andere arm

74.10% 76.00% .026

(1)

Unilateraal doelgericht reiken naar

een voorwerp met in de andere hand

een voorwerp

100% 100% /b

Noot. aFisher’s Exact Test, bGeen statistiek berekend omdat de variabele constant is

Vroege vaardigheden in grijpen. Aan de hand van de items van het codeerschema werden

geen significante verschillen gevonden in grijpen op 5, 10 en 14 maanden. De resultaten zijn terug

te vinden in Tabel 13, Tabel 14 en Tabel 15.

Tabel 13

Verschillen in vroege vaardigheden in grijpen op 5 maanden tussen laag- en hoog- risico

kinderen Kenmerk aanwezig (%)

Niveau Laag-risico

n = 29

Hoog-risico

n = 20

χ2

(df)

Grijpreflex 6,90% 20,00% /a

Ulnair palmaire greep 0% 0% /b

Palmaire greep 100% 95% /a

Radiaal-palmaire greep 3,40% 5,00% /a

Grijpen met twee vingers (anders dan

duim en wijsvinger)

0% 0% /b

Schaargreep of onderste pincetgreep 0% 0% /b

Noot. aFisher’s Exact Test, bGeen statistiek berekend omdat de variabele constant is

Tabel 14

Verschillen in vroege vaardigheden in grijpen op 10 maanden tussen laag- en hoog- risico

kinderen Kenmerk aanwezig (%)

Niveau Laag-risico

n = 32

Hoog-risico

n = 28

χ2

(df)

Grijpreflex 0% 0% /a

Ulnair palmaire greep 12.50% 7.10% /b

Palmaire greep 100.00% 100.00% /a

Radiaal-palmaire greep 87.50% 78.60% /b

Grijpen met twee vingers (anders dan

duim en wijsvinger)

6.30% 0.00% /b

Schaargreep of onderste pincetgreep 59.40% 39.30% 2.411

(1)

Page 39: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

33

Noot. aGeen statistiek berekend omdat de variabele constant is, bFisher’s Exact Test

Tabel 15

Verschillen in vroege vaardigheden in grijpen op 14 maanden tussen laag- en hoog- risico

kinderen Kenmerk aanwezig (%)

Niveau Laag-risico

n = 27

Hoog-risico

n = 25

χ2

(df)

Grijpreflex 0% 0% /a

Ulnair palmaire greep 0% 8.00% /b

Palmaire greep 92.60% 88.00% /b

Radiaal-palmaire greep 100.00% 96.00% /b

Grijpen met twee vingers (anders dan

duim en wijsvinger)

3.70% 4.00% /b

Schaargreep of onderste pincetgreep 55.60% 32.00% 2.920

(1)

Noot. aGeen statistiek berekend omdat de variabele constant is, bFisher’s Exact Test

Vroege vaardigheden in loslaten van voorwerpen. Er waren geen verschillen in

vaardigheden in loslaten tussen hoog- en laag- risico kinderen op 5 en 10 maanden. Op 14

maanden was er een significant verschil in de aanwezigheid van het item voorwerp wordt

losgelaten door het weg te gooien of door bruuske armbewegingen (χ2(1) = 4.995, p = .025). Dit

item werd vaker als aanwezig gecodeerd bij laag-risico kinderen (33.3%) dan hoog-risico

kinderen (8%). Na de Holm-Bonferroni correctie was dit verschil echter niet meer significant (p’

= .051). De resultaten worden weergegeven in Tabel 16, Tabel 17 en Tabel 18.

Tabel 16

Verschillen in vroege vaardigheden in loslaten op 5 maanden tussen laag- en hoog- risico

kinderen Kenmerk aanwezig (%)

Niveau Laag-risico

n = 29

Hoog-risico

n = 20

χ2

(df)

Voorwerp wordt niet vrijwillig

losgelaten

6.90% 15.00% /a

Voorwerp wordt losgelaten door het

weg te gooien of door bruuske

armbewegingen

34.50%

15.00% 2.305

(1)

Voorwerp wordt losgelaten en valt (al

dan niet opzettelijk)

75.90% 80.00% /a

Voorwerpen loslaten om een ander

voorwerp te grijpen

24.10% 25.00% /a

Voorwerp wordt doelbewust

losgelaten op een specifieke plaats

0% 0% /b

Noot. aFisher’s Exact Test, bGeen statistiek berekend omdat de variabele constant is

Page 40: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

34

Tabel 17

Verschillen in vroege vaardigheden in loslaten op 10 maanden tussen laag- en hoog- risico

kinderen

Kenmerk aanwezig (%)

Niveau Laag-risico

n = 32

Hoog-risico

n = 28

χ2

(df)

Voorwerp wordt niet vrijwillig

losgelaten

9.40% 3.60% /a

Voorwerp wordt losgelaten door het

weg te gooien of door bruuske

armbewegingen

65.60% 60.70% .155

(1)

Voorwerp wordt losgelaten en valt (al

dan niet opzettelijk)

96.90% 100.00% /a

Voorwerpen loslaten om een ander

voorwerp te grijpen

90.60% 85.70% /a

Voorwerp wordt doelbewust

losgelaten op een specifieke plaats

78.10% 64.30% 1.409

(1)

Noot. aFisher’s Exact Test

Tabel 18

Verschillen in vroege vaardigheden in loslaten op 14 maanden tussen laag- en hoog- risico

kinderen Kenmerk aanwezig (%)

Niveau Laag-risico

n = 27

Hoog-risico

n = 25

χ2

(df)

Voorwerp wordt niet vrijwillig

losgelaten

0% 0% /a

Voorwerp wordt losgelaten door het

weg te gooien of door bruuske

armbewegingen

33.30% 8.00% 4.995

(1)*

Voorwerp wordt losgelaten en valt (al

dan niet opzettelijk)

70.40% 64.00% .239

(1)

Voorwerpen loslaten om een ander

voorwerp te grijpen

100% 100% /a

Voorwerp wordt doelbewust

losgelaten op een specifieke plaats

100% 100% /a

Noot. * = p ≤.05 zonder Holm-Bonferroni correctie, aGeen statistiek berekend omdat de variabele constant is

Vroege vaardigheden in hanteren van voorwerpen. Op 5 maanden werd het item

voorwerpen worden ongecontroleerd doorgegeven van hand naar hand bij laag-risico kinderen

(48.30%) vaker als aanwezig gecodeerd dan bij hoog-risico kinderen (20%). Dit verschil was

echter niet meer significant na het toepassen van de Holm-Bonferroni correctie voor meervoudig

toetsen (χ2(1) = .407, p = .044, p’ = .308). Op 10 maanden waren er geen significante verschillen

in het hanteren van voorwerpen. Op 14 maanden was er een significant verschil in het hanteren

van kleine voorwerpen (p <.01, p’ <.01). Dit item werd vaker als aanwezig gecodeerd bij laag-

risico kinderen (100%) dan hoog-risico kinderen (64%). De resultaten worden weergegeven in

Tabel 19, Tabel 20 en Tabel 21.

Page 41: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

35

Tabel 19

Verschillen in vroege vaardigheden in hanteren op 5 maanden tussen laag- en hoog- risico

kinderen

Kenmerk aanwezig (%)

Laag-risico

n = 29

Hoog-risico

n = 20

χ2

(df)

Voorwerp in één hand, aftasten met

andere hand

82.80% 65.00% /a

Voorwerpen worden ongecontroleerd

doorgegeven van hand naar hand

48.30% 20.00% .407*

(1)

Speelgoed naar mond brengen 89.70% 75.00% /a

Voorwerpen hanteren met twee

handen

65.50% 45.00% 2.035

(1)

Hanteren grote voorwerpen 65.50% 60.00% .155

(1)

Voorwerp vasthouden en met andere

hand een voorwerp grijpen

13.80% 5.00% /a

Hanteren kleine voorwerpen 0% 0% /b

Voorwerpen vlot van hand naar hand

doorgeven

3.40% 5.00% /a

Noot. * = p ≤.05 zonder Holm-Bonferroni correctie, aFisher’s Exact Test, bGeen statistiek berekend omdat de

variabele constant is

Tabel 20

Verschillen in vroege vaardigheden in hanteren op 10 maanden tussen laag- en hoog- risico

kinderen Kenmerk aanwezig (%)

Laag-risico

n = 32

Hoog-risico

n = 28

χ2

(df)

Voorwerp in één hand, aftasten met

andere hand

81.30% 85.70% /a

Voorwerpen worden ongecontroleerd

doorgegeven van hand naar hand

40.60% 39.30% .011

(1)

Speelgoed naar mond brengen 87.50% 89.30% /a

Voorwerpen hanteren met twee

handen

96.90% 100.00% /a

Hanteren grote voorwerpen 100% 100% /b

Voorwerp vasthouden en met andere

hand een voorwerp grijpen

90.60% 85.70% /a

Hanteren kleine voorwerpen 71.90% 53.60% 2.154

(1)

Voorwerpen vlot van hand naar hand

doorgeven

81.30% 67.90% 1.429

(1)

Noot. aFisher’s Exact Test, bGeen statistiek berekend omdat de variabele constant is

Page 42: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

36

Tabel 21

Verschillen in vroege vaardigheden in hanteren op 14 maanden tussen laag- en hoog- risico

kinderen

Kenmerk aanwezig (%)

Niveau Laag-risico

n = 27

Hoog-risico

n = 25

χ2

(df)

Voorwerp in één hand, aftasten met

andere hand

55.60% 40.00% 1.258

(1)

Voorwerpen worden ongecontroleerd

doorgegeven van hand naar hand

7.40% 12.00% /a

Speelgoed naar mond brengen 37.00% 48.00% .639

(1)

Voorwerpen hanteren met twee

handen

96.30% 84.00% /a

Hanteren grote voorwerpen 100% 100% /b

Voorwerp vasthouden en met andere

hand een voorwerp grijpen

100% 100% /b

Hanteren kleine voorwerpen 100% 64.00% /a**

Voorwerpen vlot van hand naar hand

doorgeven

88.90% 80.00% /a

Noot. ** = p ≤.05 na Holm-Bonferroni correctie, aFisher’s Exact Test, bGeen statistiek berekend omdat de variabele

constant is

Verband tussen vroege fijnmotorische vaardigheden en latere taalvaardigheden

Analyses op basis van de fijne motoriekschaal van de MSEL. De fijne motoriek op 10

maanden zoals gemeten met de MSEL correleerde positief met de taalproductie op 36 maanden

gemeten a.d.h.v. de RTOS (rs = .307, p = .021) en de taalproductie gemeten door de MSEL (rs =

.338, p = .010). Kinderen met sterkere fijnmotorische vaardigheden op 10 maanden scoorden

hoger op de taalproductieschalen op 36 maanden. Deze verbanden waren echter niet meer

significant na het toepassen van de Holm-Bonferroni correctie (respectievelijk p’ = .105, p’ =

.070). Op 14 maanden correleerde de fijne motoriek zoals gemeten door de MSEL ook positief

met de taalproductie op 36 maanden gemeten a.d.h.v. de RTOS (rs = .338, p = .010) en MSEL (rs

= .430, p = .001). Kinderen met sterkere fijnmotorische vaardigheden op 14 maanden hadden een

sterker ontwikkelde taalproductie op 36 maanden. De correlatie met de RTOS bleef echter niet

significant na correctie voor meerdere toetsen (p’ = .102). De correlatie met de MSEL bleef

daarentegen significant (p’ = .008). Deze correlaties kunnen allemaal als zwak geïnterpreteerd

worden. Resultaten kunnen teruggevonden worden in Tabel 22.

Page 43: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

37

Tabel 22

Correlaties tussen Fijne motoriek op 10 en 14 maanden en de taalontwikkeling op 36 maanden RTOS

Taalbegrip

RTOS

Taalproductie

MSEL

Taalbegrip

MSEL

Taalproductie

MSEL Fijne Motoriek 10

maanden

.131

n = 57

.307*

n = 56

.255

n = 58

.338*

n = 58

MSEL Fijne Motoriek 14

maanden

.220

n = 56

.319*

n = 55

.256

n = 57

.430**

n = 57

Noot. * = p ≤.05 zonder Holm-Bonferroni correctie, ** = p ≤.05 met Holm-Bonferroni correctie

Analyses op basis van de schalen van het codeerschema

Reiken. Er waren geen verbanden tussen pre-reikbewegingen en unilateraal doelgericht

reiken zonder steun andere arm naar een voorwerp op 5 maanden, unilateraal doelgericht reiken

met steun andere arm naar een voorwerp op 14 maanden en de latere taalontwikkeling. De

resultaten zijn weergegeven in Tabel 23, Tabel 24 en Tabel 25.

Tabel 23

Verband tussen pre-reikbewegingen op 5 maanden en taalontwikkeling op 36 maanden Pre-reikbewegingen op 5 maanden

Aanwezig Niet aanwezig

Statistiek

(df)

RTOS Taalbegrip 36 maanden

(Med/mean rank)

48.50

23.32

(n = 30)

46.50

23.84

(n = 16)

U = 234.5

RTOS Taalproductie 36 maanden

(Med/mean rank)

44.50

24.22

(n = 30)

44.00

20.57

(n = 15)

U = 188.5

MSEL Taalbegrip 36 maanden

(M/SD)

33.52 (4.49)

(n = 30)

33.44 (2.22)

(n = 16)

t(45) = -.066

MSEL Taalproductie 36 maanden

(Med/mean rank)

36.00

23.90

(n = 30)

35.50

24.19

(n = 16)

U = 245

Tabel 24

Verband tussen unilateraal doelgericht reiken zonder steun andere arm naar een voorwerp op 5

maanden en taalontwikkeling op 36 maanden Unilateraal doelgericht reiken zonder steun andere arm naar

een voorwerp op 5 maanden

Aanwezig Niet aanwezig Statistiek

(df)

RTOS Taalbegrip 36 maanden

(M/SD)

48.90 (7.03)

(n = 21)

44.60 (9.88)

(n = 25)

t(44) = -1.671

RTOS Taalproductie 36 maanden

(Med/mean rank)

44.50

21.50

(n = 20)

44.00

24.88

(n = 25)

U = 212.5

MSEL Taalbegrip 36 maanden

(M/SD)

34.05 (3.62)

(n = 22)

33 (4.04)

(n = 25)

t(45) = -.936

MSEL Taalproductie 36 maanden

(Med/SD/mean rank)

36.50

27.77

(n = 22)

34.00

20.68

(n = 25)

U =192

Page 44: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

38

Tabel 25

Verband tussen unilateraal doelgericht reiken met steun andere arm naar een voorwerp op 14

maanden en taalontwikkeling op 36 maanden

Unilateraal doelgericht reiken zonder steun andere arm naar

een voorwerp op 14 maanden

Aanwezig Niet aanwezig Statistiek

(df)

RTOS Taalbegrip 36 maanden

(M/SD)

44.39 (10.656)

(n = 38)

47.83 (8.52)

(n = 12)

t(48) = 1.018

RTOS Taalproductie 36 maanden

(Med/mean rank)

44.00

24.01

(n = 38)

51.00

28.41

(n = 11)

U = 171.5

MSEL Taalbegrip 36 maanden

(Med/mean rank)

34.00

26.65

(n = 39)

33.50

23.88

(n = 12)

U = 208.5

MSEL Taalproductie 36 maanden

(Med/mean rank)

36.00

25.42

(n = 39)

36.00

27.88

(n = 12)

U = 211.5

Grijpen. Er waren geen verbanden tussen de schaargreep (of onderste pincetgreep) op 10

en 14 maanden en de scores op taalproductie en -begrip op 36 maanden gemeten a.d.h.v. de

RTOS. De resultaten zijn terug te vinden in Tabel 26.

Tabel 26

Verband tussen schaargreep of onderste pincetgreep op 10 en 14 maanden en de taalontwikkeling

op 36 maanden Schaargreep of onderste pincetgreep

10 maanden 14 maanden

Aanwezig

Niet

aanwezig

Statistiek Aanwezig

Niet

aanwezig

Statistiek

RTOS Taalbegrip 36

maanden (M/SD)

45.69

(9.64)

(n = 29)

45.14

(9.57)

(n = 29)

t(56) =

-.219 45.18

(7.36)

(n = 22)

45.25

(12.13)

(n = 28)

t(48) =

.023

RTOS Taalproductie

36 maanden

(Med/mean rank)

44.00

30.84

(n = 29)

44.00

27.09

(n = 28)

U = 352.5 44.50

23.52

(n = 22)

48.00

26.20

(n = 27)

U = 264.5

MSEL Taalbegrip 36

maanden (Med/mean

rank)

34.00

31.16

(n = 29)

33.50

28.88

(n = 30)

U = 401.5 34.00

26.52

(n = 22)

33.50

25.60

(n= 29)

U = 307.5

MSEL Taalproductie

36 maanden

(Med/mean rank)

36.00

33.88

(n = 29)

34.50

26.25

(n = 30)

U = 322.5 35.00

29.77

(n = 22)

36.50

23.14

(n = 29)

U = 236

Loslaten. Er waren geen verbanden tussen de aanwezigheid van de items voorwerp wordt

losgelaten door het weg te gooien of door bruuske armbewegingen op 5 en 10 maanden, voorwerp

loslaten op een specifieke plaats op 10 maanden en voorwerp wordt losgelaten en valt op 14

maanden en de latere taalontwikkeling gemeten a.d.h.v. de RTOS. De resultaten worden

weergegeven in Tabel 27, Tabel 28 en Tabel 29.

Page 45: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

39

Tabel 27

Verband tussen voorwerp loslaten door het weg te gooien of door bruuske armbewegingen op 5

en 10 maanden en taalontwikkeling op 36 maanden

Voorwerp wordt losgelaten door het weg te gooien of door bruuske

armbewegingen

5 maanden 10 maanden

Aanwezig

Niet

aanwezig

Statistiek Aanwezig

Niet

aanwezig

Statistiek

RTOS Taalbegrip 36

maanden (M/SD of

Med/mean rank)

47.83

(7.33)

(n = 12)

45.89

(9.20)

(n = 35)

t (45) =

-.663

46.83

31.03

(n = 36)

43.09

27.00

(n = 22)

U = 341

RTOS Taalproductie

36 maanden

(Med/mean rank)

44.50

24.13

(n = 12)

43.50

23.28

(n = 34)

U = 196.5 44.00

30.14

(n = 35)

41.00

27.18

(n = 22)

U = 345

MSEL Taalbegrip 36

maanden (Med/mean

rank)

34.00

29,27

(n = 13)

33.00

22,73

(n = 35)

U = 165.5 34.00

30.66

(n = 37)

33.50

28.89

(n = 22)

U = 382.5

MSEL Taalproductie

36 maanden

(Med/mean rank)

36.00

27.81

(n = 13)

35.00

23.27

(n = 35)

U = 184.5 35.00

31.14

(n = 37)

35.50

28.09

(n = 22)

U = 365

Tabel 28

Verband tussen voorwerp wordt doelbewust losgelaten op een specifieke plaats op 10 maanden

en taalontwikkeling op 36 maanden

Voorwerp wordt doelbewust losgelaten op een specifieke

plaats op 10 maanden

Aanwezig Niet aanwezig U

RTOS Taalbegrip 36 maanden

(Med/mean rank)

46.00

29.75

(n = 42)

47.50

28.84

(n = 16)

325.5

RTOS Taalproductie 36 maanden

(Med/mean rank)

45.00

29.16

(n = 41)

43.50

28.59

(n = 16)

321.5

MSEL Taalbegrip 36 maanden

(Med/mean rank)

34.00

31.21

(n = 43)

33.50

26.75

(n = 16)

292

MSEL Taalproductie 36 maanden

(Med/mean rank)

36.00

31.21

(n = 43)

35.00

26.28

(n = 16)

284.5

Page 46: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

40

Tabel 29

Verband tussen voorwerp loslaten waarbij het voorwerp valt op 14 maanden en de

taalontwikkeling op 36 maanden

Voorwerp wordt losgelaten en valt (al dan niet opzettelijk)

Aanwezig

Niet aanwezig Statistiek

RTOS Taalbegrip 36 maanden

(M/SD)

44.73 (11.52)

(n = 33)

46.18 (7.24)

(n = 17)

t(48) = .472

RTOS Taalproductie 36 maanden

(Med/mean rank)

45.00

22.59

(n = 32)

48.00

29.53

(n = 17)

U = 195

MSEL Taalbegrip 36 maanden

(Med/mean rank)

33.00

24.84

(n = 34)

34.00

28.23

(n = 17)

U = 294.5

MSEL Taalproductie 36 maanden

(Med/mean rank)

36.00

25.56

(n = 34)

35.00

26.88

(n = 17)

U = 274

Hanteren. Er waren geen verbanden tussen de aanwezigheid van de items voorwerpen

ongecontroleerd doorgeven van hand naar hand op 5 en 10 maanden, voorwerpen hanteren met

2 handen op 5 maanden, hanteren van grote voorwerpen op 5 maanden, voorwerp in één hand,

aftasten met andere hand en speelgoed naar de mond brengen op 14 maanden en de latere

taalontwikkeling gemeten a.d.h.v. de RTOS. De resultaten worden weergegeven in Tabel 30,

Tabel 31, Tabel 32, Tabel 33 en Tabel 34.

Tabel 30

Verband tussen voorwerpen ongecontroleerd doorgeven van hand naar hand op 5 en 10

maanden en de taalontwikkeling op 36 maanden

Voorwerpen worden ongecontroleerd doorgegeven van hand naar hand

5 maanden 10 maanden

Aanwezig

Niet

aanwezig

Statistiek Aanwezig

Niet

aanwezig

Statistiek

RTOS Taalbegrip 36

maanden (M/SD)

48.63

(8.60)

(n = 16)

45..47

(8.97)

(n = 30)

t(44) =

-.154

44.88

(9.97)

(n = 34)

45.79

(9.34)

(n = 34)

t(56) =

.359

RTOS Taalproductie

36 maanden

(Med/mean rank)

49.00

26.66

(n = 16)

44.00

20.98

(n = 29)

U = 173.5 41.00

28.22

(n = 24)

44.00

29.53

(n = 34)

U = 373

MSEL Taalbegrip 36

maanden (M/SD of

Med/mean rank)

34.50

(3.12)

(n = 16)

32.97

(4.12)

(n = 31)

t(45) =

-1.305

33.50

29.31

(n = 24)

34.00

30.47

(n = 35)

U = 403.5

MSEL Taalproductie

36 maanden

(Med/mean rank)

35.5

26.78

(n = 16)

36.00

22.56

(n = 31)

U = 203.5 36.00

31.85

(n = 24)

35.00

28.73

(n = 35)

U = 275.5

Page 47: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

41

Tabel 31

Verband tussen voorwerpen hanteren met 2 handen op 5 maanden en de taalontwikkeling op 36

maanden

Voorwerpen hanteren met 2 handen op 5

maanden

Aanwezig Niet aanwezig Statistiek (df)

RTOS Taalbegrip 36 maanden

(M/SD)

46.08 (10.44)

(n = 26)

47.20 (6.51)

(n = 20)

t(44) = .422

RTOS Taalproductie 36 maanden

(Med/mean rank)

44.00

(n = 25)

22.02

44.5

24.23

(n = 20)

U = 225.5

MSEL Taalbegrip 36 maanden

(Med/mean rank)

34.00

23.70

(n = 27)

34.00

24.40

(n = 20)

U = 262

MSEL Taalproductie 36 maanden

(M/SD)

34.67 (3.86)

(n = 27)

34.85 (3.86)

(n = 20)

t(45)= .122

Tabel 32

Verband tussen grote voorwerpen hanteren op 5 maanden en de taalontwikkeling op 36

maanden

Hanteren grote voorwerpen op 5

maanden

Aanwezig Niet aanwezig Statistiek

RTOS Taalbegrip 36 maanden

(M/SD)

45.76 (10.15)

(n = 29)

47.94 (6.17)

(n = 17)

t(44) = .802

RTOS Taalproductie 36 maanden

(Med/mean rank)

43.50

21.43

(n = 28)

45.00

15.59

(n = 17)

U = 194

MSEL Taalbegrip 36 maanden

(Med/mean rank)

34.00

23.92

(n = 30)

34.00

24.15

(n = 17)

U = 252.5

MSEL Taalproductie 36 maanden

(M/SD)

34.33 (5.87)

(n = 30)

35.47 (3.13)

(n = 17)

t(44.90) = .866

Page 48: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

42

Tabel 33

Verband tussen voorwerp in één hand, aftasten met de andere hand op 14 maanden en de

taalontwikkeling op 36 maanden

Voorwerp in één hand, aftasten met

andere hand op 14 maanden

Aanwezig Niet aanwezig Statistiek

RTOS Taalbegrip 36 maanden

(M/SD)

44.33 (9.69)

(n = 24)

46.04 (10.79)

(n = 26)

t(48) = .586

RTOS Taalproductie 36 maanden

(Med/mean rank)

43.50

22.60

(n = 24)

49.00

27.30

(n = 25)

U = 242.5

MSEL Taalbegrip 36 maanden

(Med/mean rank)

34.00

26.44

(n = 24)

33.00

25.61

(n = 27)

U = 313.5

MSEL Taalproductie 36 maanden

(Med/mean rank)

36.00

27.63

(n = 24)

35.00

24.56

(n = 27)

U = 285

Tabel 34

Verband tussen speelgoed naar de mond brengen op 14 maanden en de taalontwikkeling op 36

maanden

Speelgoed naar de mond brengen op 14

maanden

Aanwezig Niet aanwezig Statistiek

RTOS Taalbegrip 36 maanden

(M/SD)

44.48 (10.19)

(n = 21)

45.76 (10.37)

(n = 29)

t(48) = .435

RTOS Taalproductie 36 maanden

(Med/mean rank)

49.00

27.07

(n = 21)

42.50

23.45

(n = 28)

U = 250.5

MSEL Taalbegrip 36 maanden

(Med/mean rank)

33.50

23.07

(n = 22)

34.00

28.22

(n = 29)

U = 254.5

MSEL Taalproductie 36 maanden

(Med/mean rank)

36.00

26.70

(n = 22)

36.00

25.47

(n = 29)

U = 303.5

Verband tussen vroege fijnmotorische vaardigheden en latere ASS-kenmerken

Analyses op basis van de fijne motoriekschaal van de MSEL. Er was een lage, negatieve

correlatie tussen fijne motoriek gemeten a.d.h.v. de MSEL op 36 maanden en restrictief, repetitief

gedrag gemeten a.d.h.v. de ADOS op 36 maanden (r = -.30, p = .017). Dit verband was echter

niet meer significant na het toepassen van de Holm-Bonferroni correctie (p’ = .153). De resultaten

worden weergegeven in tabel 35.

Page 49: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

43

Tabel 35

Correlaties tussen Fijne motoriek op 10 en 14 maanden en de taalontwikkeling op 36 maanden

ADOS Sociaal

Affect

ADOS Restrictief,

Repetitief Gedrag

ADOS

Totaalscore

MSEL Fijne Motoriek 10 maanden

(n = 57)

-.074

-.114

-.094

MSEL Fijne Motoriek 14 maanden

(n = 56)

.046

-.149

.008

MSEL Fijne Motoriek 36 maanden

(n = 62)

-.139

-.303*

-.178

Noot.* = p ≤.05 voor Holm-Bonferroni correctie

Analyses op basis van de schalen van het codeerschema

Reiken. Er waren geen verbanden tussen pre-reikbewegingen en unilateraal doelgericht

reiken zonder steun andere arm naar een voorwerp op 5 maanden, unilateraal doelgericht reiken

met steun andere arm naar een voorwerp op 14 maanden en de latere ASS-kenmerken. De

resultaten zijn terug te vinden in Tabel 36, Tabel 37 en Tabel 38.

Tabel 36

Verband tussen pre-reikbewegingen op 5 maanden en ASS-kenmerken op 36 maanden Pre-reikbewegingen op 5 maanden

Aanwezig

(n = 31)

Niet aanwezig

(n = 15)

U

ADOS CSS Sociaal Affect 36

maanden (Med/mean rank)

3.00

24.10

2.00

22.27

214

ADOS CSS Restrictief, Repetitief

Gedrag 36 maanden (Med/mean rank)

5.00

25.11

5.00

20.17

182.5

Tabel 37

Verband tussen unilateraal doelgericht reiken zonder steun andere arm naar een voorwerp op 5

maanden en ASS-kenmerken op 36 maanden Unilateraal doelgericht reiken zonder

steun andere arm naar een voorwerp op

5 maanden

Aanwezig

(n = 22)

Niet aanwezig

(n = 24)

U

ADOS CSS Sociaal Affect 36

maanden (Med/mean rank)

2.00

22.14

2.50

24.75

234

ADOS CSS Restrictief, Repetitief

Gedrag 36 maanden (Med/mean rank)

5.00

20.02

6.00

26.69

187.5

Page 50: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

44

Tabel 38

Verband tussen unilateraal doelgericht reiken met steun andere arm naar een voorwerp op 14

maanden en taalontwikkeling op 36 maanden

Unilateraal doelgericht reiken met steun

andere arm naar een voorwerp op 14

maanden

Aanwezig

(n = 38)

Niet aanwezig

(n = 12)

U

ADOS CSS Sociaal Affect 36

maanden (Med/mean rank)

3.00

25.42

3.00

25.75

225

ADOS CSS Restrictief, Repetitief

Gedrag 36 maanden (Med/mean rank)

5.00

24.51

6.00

28.63

190.5

Grijpen. Er werden geen verbanden gevonden tussen de aanwezigheid van de

schaargreep op 10 en 14 maanden en de ASS-kenmerken op 36 maanden. De resultaten worden

weergegeven in tabel 39.

Tabel 39

Verband tussen schaargreep of onderste pincetgreep op 10 en 14 maanden en ASS-kenmerken

op 36 maanden Schaargreep of onderste pincetgreep

10 maanden 14 maanden

Aanwezig

(n = 28)

Niet

aanwezig

(n = 30)

U Aanwezig

(n = 22)

Niet

aanwezig

(n = 28)

U

ADOS CSS Sociaal

Affect 36 maanden

(Med/mean rank)

2.50

29.63

3.00

29.38

416.5 3.00

22.25

2.00

28.05

236.5

ADOS CSS

Restrictief, Repetitief

Gedrag 36 maanden

(Med/mean rank)

5.00

27.00

5.50

31.83

350 5.00

22.07

5.50

28.20

232.5

Loslaten. Er waren geen verbanden tussen de aanwezigheid van de items voorwerp

loslaten door het weg te gooien of door bruuske armbewegingen op 5 en 10 maanden en voorwerp

loslaten op een specifiek plaats op 10 maanden en voorwerp wordt losgelaten en valt op 14

maanden en de latere ASS-kenmerken gemeten a.d.h.v. de ADOS. De resultaten zijn terug te

vinden in Tabel 38, Tabel 39 en Tabel 40.

Page 51: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

45

Tabel 38

Verband tussen voorwerp loslaten door het weg te gooien of door bruuske armbewegingen op 5

en 10 maanden en ASS-kenmerken op 36 maanden Voorwerp wordt losgelaten door het weg te gooien of door bruuske

armbewegingen

5 maanden 10 maanden

Aanwezig

(n = 13)

Niet

aanwezig

(n = 34)

U Aanwezig

(n = 36)

Niet

aanwezig

(n = 22)

U

ADOS CSS Sociaal

Affect 36 maanden

(Med/mean rank)

2.00

22.15

2.50

24.71

197 3.00

30.86

2.00

27.27

347

ADOS CSS

Restrictief, Repetitief

Gedrag 36 maanden

(Med/mean rank)

5.00

21.35

5.00

15.01

186.5 5.00

30.75

5.00

27.45

351

Tabel 39

Verband tussen voorwerp loslaten op een specifieke plaats en 10 maanden en ASS-kenmerken

op 36 maanden Voorwerp wordt losgelaten op een specifieke plaats op 10

maanden

Aanwezig

(n = 42)

Niet aanwezig

(n = 16)

U

ADOS CSS Sociaal Affect 36

maanden (Med/mean rank)

3.00

28.74

3.00

31.50

304

ADOS CSS Restrictief, Repetitief

Gedrag 36 maanden (Med/mean rank)

5.00

27.24

5.50

35.44

241

Tabel 40

Verband tussen voorwerp loslaten waarbij het voorwerp valt op 14 maanden en ASS-kenmerken

op 36 maanden Voorwerp wordt losgelaten en valt (al dan niet opzettelijk) op

14 maanden

Aanwezig

(n = 34)

Niet aanwezig

(n = 16)

U

ADOS CSS Sociaal Affect 36

maanden (Med/mean rank)

3.00

24.07

2.50

28.53

223.5

ADOS CSS Restrictief, Repetitief

Gedrag 36 maanden (Med/mean rank)

5.50

25.76

5.00

24.94

263

Hanteren. Er waren geen verbanden tussen de aanwezigheid van de items voorwerpen

ongecontroleerd doorgeven van hand naar hand op 5 en 10 maanden, voorwerpen hanteren met

2 handen op 5 maanden, grote voorwerpen hanteren op 5 maanden, voorwerp in één hand,

aftasten met de andere hand op 14 maanden en de latere ASS-kenmerken gemeten aan de hand

van de ADOS. Wel was er een significant verband tussen de aanwezigheid van het item speelgoed

naar de mond brengen en ADOS Sociaal Affect (U = 209.5, p = .05). Kinderen waarbij op 14

maanden werd geobserveerd dat ze speelgoed naar de mond brachten, scoorden op 3 jaar hoger

op de ADOS Sociaal Affect schaal. Dit verschil was echter niet meer significant na het toepassen

Page 52: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

46

van de Holm-Bonferroni correctie (p’ = .25). De resultaten kunnen teruggevonden worden in

Tabel 41 tot en met Tabel 45.

Tabel 41

Verband tussen voorwerpen ongecontroleerd doorgeven van hand naar hand op 5 en 10

maanden en ASS-kenmerken op 36 maanden

Voorwerpen worden ongecontroleerd doorgegeven van hand naar hand

5 maanden 10 maanden

Aanwezig

(n = 16)

Niet

aanwezig

(n = 30)

U Aanwezig

(n = 23)

Niet

aanwezig

(n = 35)

U

ADOS CSS Sociaal

Affect 36 maanden

(Med/mean rank)

2.50

26.13

2.00

22.10

198 3.00

29.98

3.00

29.19

391.5

ADOS CSS

Restrictief, Repetitief

Gedrag 36 maanden

(Med/mean rank)

5.00

20.97

5.00

24.85

199.5 5.00

30.43

5.00

28.89

381

Tabel 42

Verband tussen voorwerpen hanteren met 2 handen op 5 maanden en ASS-kenmerken op 36

maanden

Voorwerpen hanteren met 2 handen op 5

maanden

Aanwezig

(n = 27)

Niet aanwezig

(n = 19)

U

ADOS CSS Sociaal Affect 36

maanden (Med/mean rank)

2.00

22.93

2.00

24.32

241

ADOS CSS Restrictief, Repetitief

Gedrag 36 maanden (Med/mean rank)

5.00

21.87

5.00

25.82

212.5

Tabel 43

Verband tussen grote voorwerpen hanteren op 5 maanden en ASS-kenmerken op 36 maanden

Hanteren grote voorwerpen op 5

maanden

Aanwezig

(n = 30)

Niet aanwezig

(n = 16)

U

ADOS CSS Sociaal Affect 36

maanden (Med/mean rank)

2.00

21.55

3.00

27.16

181.5

ADOS CSS Restrictief, Repetitief

Gedrag 36 maanden (Med/mean rank)

5.00

22.43

5.00

25.50

208

Page 53: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

47

Tabel 44

Verband tussen voorwerp in één hand, aftasten met de andere hand op 14 maanden en ASS-

kenmerken op 36 maanden

Voorwerp in één hand, aftasten met

andere hand op 14 maanden

Aanwezig

(n = 23)

Niet aanwezig

(n = 27)

U

ADOS CSS Sociaal Affect 36

maanden (Med/mean rank)

2.00

21.35

3.00

29.04

215

ADOS CSS Restrictief, Repetitief

Gedrag 36 maanden (Med/mean rank)

5.00

21.37

6.00

29.02

215.5

Tabel 45

Verband tussen speelgoed naar de mond brengen op 14 maanden en ASS-kenmerken op 36

maanden

Speelgoed naar de mond brengen op 14

maanden

Aanwezig

(n = 22)

Niet aanwezig

(n = 28)

U

ADOS CSS Sociaal Affect 36

maanden (Med/mean rank)

3.00

29.98

2.00

21.98

209.5*

ADOS CSS Restrictief, Repetitief

Gedrag 36 maanden (Med/mean rank)

6.00

28.11

5.00

23.45

250.5

Noot. * = p ≤ .05 zonder Holm-Bonferroni correctie

Discussie

Bevindingen en Bespreking Onderzoeksvragen

Fijnmotorische vaardigheden van hoog- en laag-risico kinderen. De eerste

onderzoeksvraag ging na of er verschillen zijn in vroege fijnmotorische vaardigheden tussen laag-

en hoog-risico op basis van de MSEL en de coderingen.

De analyses gebaseerd op de gestandaardiseerde ontwikkelingstest (MSEL) toonden aan

dat de fijnmotorische vaardigheden van kinderen met een verhoogd risico op ASS tijdens het

tweede en derde levensjaar minder ontwikkeld waren dan deze van kinderen met een laag risico

op ASS. Dit is in overeenstemming met voorgaand onderzoek (Focaroli et al., 2016; Lebarton &

Iverson, 2013; LeBarton & Landa, 2019; Leonard et al., 2014; Libertus et al., 2014).

Op 10 maanden werden echter geen verschillen gevonden in de fijnmotorische

ontwikkeling tussen hoog- en laag-risico kinderen. Dit in tegenstelling tot het onderzoek van

Libertus en collega’s (2014) waarbij reeds op zes maanden verschillen werden gevonden aan de

hand van de MSEL. Een mogelijke verklaring hiervoor kan de grotere steekproef van Libertus en

collega’s (2014) zijn. Hun steekproef omvatte 129 kinderen in tegenstelling tot de steekproef

binnen dit onderzoek dat slechts 59 kinderen omvatte. Leonard et al. (2014) vonden daarentegen

op zeven maanden ook geen verschillen in de fijne motoriek tussen laag- en hoog-risico kinderen

Page 54: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

48

aan de hand van de MSEL. Ze rapporteerden pas verschillen aan de hand van de MSEL op de

leeftijd van 14 maanden. Zij toonden daarentegen wel aan dat ouders op zeven maanden reeds

verschillen rapporteerden in fijnmotorische vaardigheden. Het zou kunnen dat fijnmotorische

vaardigheden op jonge leeftijd (namelijk voor 14 maanden) moeilijk te observeren zijn tijdens

een gestandaardiseerde test, dit in tegenstelling tot het dagelijkse leven. Het is mogelijk dat de

fijne motoriek vanaf 14 maanden betrouwbaarder te meten is aan de hand van de MSEL dan op

jongere leeftijd. Dit suggereert dat het voor de leeftijd van 14 maanden beter is om zowel

ouderrapportage als gestandaardiseerde testen te gebruiken om de fijne motoriek in kaart te

brengen (Leonard et al., 2014).

In het huidige onderzoek werd gevonden dat op 14 en 36 maanden de fijnmotorische

vaardigheden van hoog-risico kinderen minder sterk ontwikkeld waren dan deze van laag-risico

kinderen. Dit wijst erop dat deze verschillen blijvend zijn tijdens de eerste levensjaren en niet van

voorbijgaande aard.

Het is echter ook mogelijk dat de fijnmotorische ontwikkeling van sommige hoog-risico

kinderen stagneert of er een regressie is en dit mogelijk een verklaring is voor het niet vinden van

een verschil tussen laag- en hoog-risico kinderen op 10 maanden. Onderzoek toont aan dat er

ongeveer bij een derde van de kinderen met ASS een regressie plaatsvindt tijdens het tweede

levensjaar. Waarbij kinderen met ASS eerder verworven sociale en talige vaardigheden verliezen

(Barger et al., 2013). Tot op heden is er weinig onderzoek naar fijnmotorische regressie bij

kinderen met ASS en kinderen met een verhoogd risico (Boterberg, Charman, Marschik, Bölte,

& Roeyers, 2019). Mogelijk vertonen sommige hoog-risico kinderen na het eerste levensjaar een

fijnmotorische regressie of stagnatie waardoor verschillen tussen de hoog- en laag-risico groep

pas werden gevonden vanaf 14 maanden.

Met betrekking tot de coderingen bieden de analyses op itemniveau enige evidentie voor

een verschil in fijnmotorische vaardigheden tussen laag- en hoog-risico kinderen op 14 maanden.

Alle laag-risico kinderen hanteerden op 14 maanden kleine voorwerpen. Negen hoog-risico

kinderen van de 25 hanteerden daarentegen geen kleine voorwerpen ondanks dat bij beide groepen

kleine voorwerpen aanwezig waren (namelijk minstens één parel) en er geen verschil werd

gevonden in het voorkomen van de pincetgreep. Dit wijst mogelijk op een subtiel verschil in

fijnmotorische vaardigheden tussen laag- en hoog-risico kinderen in het hanteren van

voorwerpen.

Ondanks dat onderzoek suggereert dat er reeds vroeg in de ontwikkeling verschillen zijn

in grijpvaardigheden tussen laag- en hoog-risico kinderen (LeBarton & Landa, 2019), werd dit

niet teruggevonden in de huidige studie. Aan de hand van het codeerschema werd de

aanwezigheid van bepaalde reikbewegingen bestudeerd (o.a. pre-reikbewegingen, unilateraal en

Page 55: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

49

bilateraal reiken). Er werd echter geen rekening gehouden met de kwaliteit van deze beweging.

Binnen de huidige studie werd gefocust op het resultaat (namelijk het voorkomen van de

beweging) en niet op het proces (o.a. subtiele verschillen in reiken). Dit is een mogelijke

verklaring voor het verschil in de bevindingen. Zo werd er binnen eerder onderzoek gekeken naar

het proces van de reikbeweging. Focaroli en collega’s (2016) toonden bijvoorbeeld aan dat er

onder andere verschillen zijn in de versnelling van de reikbeweging. Sacrey en collega’s (2018)

toonden daarnaast aan dat er tijdens de eerste levensjaren specifieke verschillen zijn in de

grijpbeweging tussen hoog-risico kinderen met ASS en kinderen zonder de diagnose in pronatie,

het opheffen van een voorwerp en oriëntatie. Het is dan ook belangrijk dat toekomstig onderzoek

deze verschillen bestudeert waarbij er eerder een focus ligt op het proces dan op de aanwezigheid

van reikbewegingen.

In overeenstemming met het onderzoek van Charman en collega’s (2017) hebben hoog-

risico kinderen een lagere ontwikkelingsindex dan laag-risico kinderen. Dit wijst erop dat er

mogelijk een algemene ontwikkelingsvertraging onderliggend is aan de verschillen in fijne

motoriek geobserveerd op 14 en 36 maanden. Toekomstig onderzoek kan corrigeren voor deze

ontwikkelingsindex. Op deze manier kan worden nagegaan of hoog-risico kinderen na deze

controle nog steeds zwakkere fijnmotorische vaardigheden hebben dan laag-risico kinderen. De

MSEL ontwikkelingsindex wordt gebaseerd op basis van de fijne motoriek, visuele receptie,

receptieve en expressieve taalschalen. Toekomstig onderzoek kan eventueel enkel corrigeren voor

de schaal visuele receptie om zo overlap in metingen te voorkomen.

Verband tussen fijne motoriek en taalontwikkeling. De fijne motoriek op 10 en 14

maanden gemeten a.d.h.v. de MSEL correleerde significant met de taalproductie op 36 maanden

gemeten door de RTOS en MSEL. Enkel het verband tussen de fijne motoriek op 14 maanden en

de taalproductie gemeten a.d.h.v. de MSEL op 36 maanden bleef significant na het toepassen van

de Holm-Bonferroni correctie. Het is mogelijk dat deze correctie te streng is voor de kleine

steekproef waardoor de correlaties niet meer significant waren. Er werden geen significante

verbanden gevonden tussen de vroege fijnmotorische vaardigheden en het latere taalbegrip.

Het verband tussen vroege fijnmotorische vaardigheden en latere expressieve taal stemt

overeen met bevindingen uit eerder onderzoek bij kinderen met een typische ontwikkeling, hoog-

risico kinderen en kinderen met ASS (Hellendoorn et al., 2015; Lebarton & Iverson, 2013;

LeBarton & Landa, 2019).

Het verband tussen de motoriek en taalontwikkeling werd uitgebreid besproken door

Iverson (2010). Enerzijds zorgt de motorische ontwikkeling ervoor dat kinderen vaardigheden

kunnen oefenen die relevant zijn voor de taalontwikkeling. Anderzijds zorgt de motorische

ontwikkeling ervoor dat kinderen op een andere manier in interactie treden met objecten en hun

Page 56: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

50

omgeving. De motorische ontwikkeling heeft dus een invloed op de exploratiemogelijkheden van

het kind (Iverson, 2010). Dit werd bevestigd in het onderzoek van Hellendoorn en collega’s

(2015) dat aantoonde dat het verband tussen de fijne motoriek en expressieve taalontwikkeling

gemedieerd wordt door exploratie. De fijnmotorische ontwikkeling heeft een invloed op de

exploratie en kan zo indirect een invloed hebben op de expressieve taalontwikkeling. De

fijnmotorische vaardigheden beperken en sturen de objectexploratie. Zo spelen de fijnmotorische

vaardigheden bijvoorbeeld een cruciale rol in het manipuleren van objecten. Zwakkere

fijnmotorische vaardigheden beperken leerervaringen (doordat het kind op een andere manier in

interactie treedt met de omgeving) (Hellendoorn et al., 2015; Lebarton & Iverson, 2013; LeBarton

& Landa, 2019). Daarnaast heeft objectexploratie een invloed op de taalontwikkeling onder

andere door de invloed dat het kind heeft op zijn omgeving. Onderzoek toonde aan dat wanneer

kinderen op 14 maanden objecten exploreren, dit een invloed heeft op het gedrag van de moeder.

Moeders van kinderen die een object exploreren, zullen zelf vaker dit object exploreren en

hierover praten met hun kind dan moeders van kinderen die het object niet exploreren. Belangrijk

hierbij is dat moeders op hetzelfde moment het object exploreren en erover praten. Dit zorgt

ervoor dat het kind zowel visuele als auditieve informatie krijgt en heeft op deze manier een

invloed op de taalontwikkeling van het kind. Het gedrag van het kind stuurt dus het gedrag van

de moeder. Deze wederkerige interactie heeft op zijn beurt een invloed op de taalontwikkeling

van het kind (Tamis-Lemonda, Kuchirko, & Tafuro, 2013). Het verband tussen de fijne motoriek

en expressieve taal kan dus mogelijk deels verklaard worden door het effect dat de fijne motoriek

heeft op de objectexploratie en het effect dat zowel de fijne motoriek als objectexploratie hebben

op de wederzijdse relatie tussen het kind en zijn omgeving en de leermogelijkheden.

Onderzoek bij kinderen met ASS en hoog-risico kinderen (zonder diagnose) toonde aan

dat ze een atypische objectexploratie vertonen tijdens het eerste levensjaar (Koterba,

Leezenbaum, & Iverson, 2014; Ozonoff, Macari, et al., 2008). Kinderen met ASS vertonen op 12

maanden een ongewone visuele objectexploratie (Ozonoff, Macari, et al., 2008). Kinderen met

een verhoogd risico (zonder latere diagnose) verschillen in visuele en orale exploratie van

kinderen zonder verhoogd risico. Ze vertonen in beide domeinen een vertraging op zes en negen

maanden (Koterba et al., 2014). De verbanden tussen de fijnmotorische vaardigheden, (atypische)

objectexploratie en expressieve taalontwikkeling dienen verder onderzocht te worden bij hoog-

risico kinderen en kinderen met ASS.

Daarnaast is het ook mogelijk dat een algemene ontwikkelingsvertraging zowel een

invloed heeft op de motorische- als taalontwikkeling en dit het verband tussen de vroege

fijnmotorische vaardigheden en latere taalontwikkeling kan verklaren. In overeenstemming met

Page 57: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

51

het onderzoek van Charman en collega’s (2017) hadden hoog-risico kinderen op 10, 14 en 36

maanden namelijk een lagere ontwikkelingsindex dan laag-risico kinderen.

Verband tussen fijne motoriek en ASS-kenmerken. Ondanks dat hoog-risico kinderen

met ASS volgens LeBarton & Iverson (2013) onderscheiden kunnen worden op basis van

fijnmotorische achterstand van hoog-risico kinderen zonder latere diagnose en er volgens

MacDonald en collega’s (2014) een verband is tussen de fijnmotorische vaardigheden en ernst

van de ASS-kenmerken, toonde dit onderzoek aan dat er geen verband is tussen de fijnmotorische

achterstand en de ASS-kenmerken.

Een mogelijke verklaring hiervoor is dat de steekproef van het huidige onderzoek zowel

uit laag- als hoog-risico kinderen bestond. Dit kan er mogelijk voor gezorgd hebben dat het

verband tussen ASS-kenmerken en fijne motoriek niet werd geobserveerd. Daarnaast is het

mogelijk dat dit verband enkel terug te vinden is bij kinderen met ASS. Het was binnen dit

onderzoek niet mogelijk om het verband specifiek bij kinderen met een latere diagnose te

onderzoeken aangezien er slechts zes kinderen waren met een latere diagnose van ASS.

Beperkingen en Voordelen van het Onderzoek

Beperkingen. Een eerste beperking van dit onderzoek is de kleine steekproef. Er waren

slechts zes hoog-risico kinderen die een latere diagnose van ASS kregen. Replicatie is dan ook

noodzakelijk en de resultaten moeten dan ook met voorzichtigheid geïnterpreteerd worden. Door

de kleine steekproef kan de Holm-Bonferroni correctie te streng zijn waardoor bepaalde

significante bevindingen na correctie niet meer significant zijn. Dit onderzoek kan gezien worden

als een preliminair onderzoek. In toekomstig onderzoek zou het dan ook interessant zijn om

ordinale regressies uit te voeren om zo na te gaan of de vroege fijne motorische vaardigheden de

ernst van ASS-kenmerken en taalontwikkeling voorspellen. In het huidig onderzoek werden geen

ordinale regressies uitgevoerd omdat de steekproef te klein was. Daarnaast is het codeerschema

niet gestandaardiseerd maar werd het zelf opgesteld. Het is dus belangrijk dat dit verder

gerepliceerd en getest wordt.

Sterktes. De belangrijkste sterkte is het gebruik van een longitudinaal, prospectief design

waarbij de kinderen reeds vanaf vijf maanden werden opgevolgd. Dit zorgde ervoor dat

leeftijdsspecifieke verbanden konden worden onderzocht. Door het longitudinaal design konden

de invloeden van ontwikkelingen in één domein (namelijk fijne motoriek) op latere

ontwikkelingsdomeinen (namelijk de taalontwikkeling) onderzocht worden. Daarnaast had deze

studie aandacht voor specifieke fijnmotorische vaardigheden in reiken, grijpen, loslaten en

hanteren. De video’s werden door twee onafhankelijke beoordelaars gecodeerd die blind waren

voor de risicogroep van het kind. Daarnaast werd er binnen dit onderzoek gecorrigeerd voor

Page 58: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

52

multipele testen. Ten slotte waren de coderingen zeer betrouwbaar aangezien er strenge criteria

voor de interbeoordelaarsbetrouwbaarheid werden gebruikt.

Klinische Implicaties

Verschillende onderzoeken tonen aan dat het belangrijk is om zo snel mogelijk een

interventie te starten bij kinderen die de diagnose van ASS kregen (Wallace & Rogers, 2010;

Warren et al., 2011). Van hieruit is het dan ook belangrijk dat er zo vroeg mogelijk een diagnose

gesteld wordt. Er is steeds meer evidentie dat motorische verschillen zich vroeger manifesteren

(namelijk de tweede helft van het eerste levensjaar) dan sociaal-communicatieve beperkingen en

restrictieve, repetitieve gedragingen. Zo zijn er op zes maanden geen verschillen in de sociale,

cognitieve en taalontwikkeling tussen kinderen met ASS en kinderen met een typische

ontwikkeling (Landa et al., 2013; Lemcke et al., 2013; Libertus et al., 2014; Ozonoff et al., 2010).

Libertus et al. rapporteren daarentegen op 6 maanden reeds verschillen in fijne motoriek. Ander

onderzoek toonde aan dat ouders reeds op zes maanden meer zorgen hebben i.v.m. de motorische

ontwikkeling van hoog-risico kinderen met een latere diagnose in vergelijking met kinderen

zonder een latere diagnose (laag- en hoog-risico kinderen zonder latere diagnose). Dit in

tegenstelling tot verschillen in zorgen i.v.m. de sociale communicatie en restrictief, repetitief

gedrag die pas werden gevonden na 12 maanden (Sacrey et al., 2015). Belangrijk is echter dat het

verband tussen de vroege fijne motoriek en latere taalontwikkeling mogelijk veroorzaakt wordt

door het verband met de algemene ontwikkeling. Het is mogelijk dat bijvoorbeeld een vertraagde

algemene ontwikkeling onderliggend is aan de fijnmotorische- en taalbeperkingen.

Recente onderzoeken suggereren positieve effecten van vroege interventies die zich

richten op de motorische ontwikkeling (Bremer, Balogh, & Lloyd, 2015) en specifiek op de

fijnmotorische ontwikkeling (Libertus & Landa, 2014; Libertus & Needham, 2010). Zo zorgt een

training van twee weken met sticky mittens (handschoenen met velcro waardoor objecten blijven

plakken) op 3 maanden bij hoog-risico kinderen voor een toename in reikduur en een vooruitgang

in fijne, grove motoriek alsook perceptie-actie vaardigheden (Libertus & Landa, 2014). Dit kan

mogelijk zorgen voor een cascade-effect in andere ontwikkelingsdomeinen (Barger et al., 2013;

Costanzo et al., 2015; Schmitz et al., 2003). Zo kan stimulatie van de fijne motoriek zorgen voor

een toename in objectexploratie en op deze manier ook voor een toename in de leermogelijkheden

van het kind. De traditionele interventies (die vooral focussen op sociale en communicatieve

vaardigheden) kunnen bijvoorbeeld aanvullend aandacht hebben voor stimulatie van de

fijnmotorische ontwikkeling.

Page 59: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

53

Suggesties voor Toekomstig Onderzoek

Aangezien er in dit onderzoek een kleine steekproef gebruikt werd (maar zes kinderen

met een latere diagnose) is het belangrijk dat deze bevindingen worden gerepliceerd in grotere

steekproeven. Zoals Zwaigenbaum en collega’s (2007) aangeven zou het samenwerken van

verschillende onderzoeksgroepen ervoor kunnen zorgen dat er grotere steekproeven zijn. Dit zou

het onderzoek naar de vroege signalen van ASS kunnen versnellen. Hierbij is het wel van belang

dat de uitkomsten (bv. ASS, atypische ontwikkeling, BAP of typische ontwikkeling) op dezelfde

manier bepaald worden en er minstens een paar gemeenschappelijke metingen zijn zoals

bijvoorbeeld de MSEL.

Aangezien zowel dit onderzoek als andere onderzoeken aangeven dat er vooral subtiele

verschillen zijn in fijne motoriek bij hoog-risico kinderen (met en zonder latere diagnose) is het

belangrijk dat verder onderzoek zich focust op het identificeren van deze subtiele verschillen en

de verbanden met de taalontwikkeling en ASS-kenmerken. Dit onder andere aan de hand van het

bestuderen van het proces van de reik-grijpbeweging. Aangezien voorgaand onderzoek aantoonde

dat er zowel hij hoog-risico kinderen, als bij kinderen met ASS anticipatieproblemen zijn (Brisson

et al., 2012; Landa et al., 2016), kan er binnen toekomstig onderzoek ook aandacht gegeven

worden aan de bewegingen die kinderen stellen in anticipatie op gebeurtenissen bijvoorbeeld

anticipatie op een naderend blokje tijdens de MSEL. Doordat het item handen worden geopend

wanneer een voorwerp nadert onvoldoende betrouwbaar werd gecodeerd, kon dit in het huidige

onderzoek niet bestudeerd worden. Onderzoek naar anticipatievaardigheden van kinderen met

ASS kan bijvoorbeeld nagaan of kinderen met ASS en hoog-risico kinderen minder vaak hun

handen openen in anticipatie op het naderen van een voorwerp dan kinderen met een typische

ontwikkeling.

Toekomstige longitudinale studies kunnen zowel gebruik maken van gestandaardiseerde

metingen, als prospectieve ouderrapportering om de specifieke vroege fijnmotorische

vaardigheden te meten. Op deze manier kan ook bekeken worden of er overeenkomsten zijn

tussen de klinische observatie en ouderrapportering.

Binnen dit onderzoek werden de fijnmotorische verschillen tussen laag- en hoog-risico

kinderen vergeleken. Er werd echter binnen de hoog-risico groep geen onderscheid gemaakt

tussen kinderen met ASS en kinderen zonder ASS. Het is interessant als dit binnen toekomstig

onderzoek wel gedaan wordt. Op deze manier kunnen de verschillen tussen hoog-risico kinderen

met latere diagnose, hoog-risico kinderen zonder latere diagnose en laag-risico kinderen

onderzocht worden.

Ten slotte kan toekomstig onderzoek de rol van objectexploratie als mediator van het

verband tussen de fijne motoriek en latere taalontwikkeling, alsook ASS kenmerken verder

Page 60: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

54

exploreren. Daarnaast is het ook belangrijk dat het verband tussen de fijne motoriek en

taalontwikkeling veroorzaakt kan worden doordat beide verband houden met de algemene

ontwikkeling. Het is nog niet duidelijk of motoriek hierbinnen een cruciale rol speelt.

Conclusie

Op 14 en 36 maanden hebben hoog-risico kinderen zwakkere fijnmotorische vaardigheden dan

laag-risicokinderen gemeten a.d.h.v. gestandaardiseerde testen. Daarnaast hanteerden hoog-risico

kinderen op 14 maanden minder kleine voorwerpen dan laag-risico kinderen. De fijnmotorische

vaardigheden op 14 maanden hingen significant samen met de expressieve taalontwikkeling op 3

jaar. De vroege fijnmotorische vaardigheden hingen niet samen met de ASS-kenmerken op 3 jaar.

Er werden geen verschillen gevonden in de taalontwikkeling of ernst van de ASS-kenmerken op

basis van de aan- of afwezigheid van specifieke fijnmotorische vaardigheden in reiken, grijpen,

loslaten en hanteren. Deze masterproef bevestigt de verschillen in fijn- en grofmotorische

vaardigheden tussen laag- en hoog-risico kinderen en kan gezien worden als een aanmoediging

om verder onderzoek te doen naar de subtiele verschillen in fijne motoriek, de verbanden met de

latere taalontwikkeling en ASS-kenmerken, en de eventuele rol van objectexploratie.

Page 61: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

55

Referenties

Amaral, D. G., Schumann, C. M., & Nordahl, C. W. (2008). Neuroanatomy of autism. Trends in

Neurosciences, 31(3), 137–145. https://doi.org/10.1016/j.tins.2007.12.005

American Psychiatric Association. (2013). Diagnostic and statistical manual of mental

disorders (DSM-5®) (5th ed.). American Psychiatric Pub.

Bailey, A., Le Couteur, A., Gottesman, I., Bolton, P., Simonoff, E., Yuzda, E., & Rutter, M.

(1995). Autism as a strongly genetic disorder: evidence from a British twin study.

Psychological Medicine, 25(1), 63–77.

https://doi.org/https://doi.org/10.1017/S0033291700028099

Barger, B. D., Campbell, J. M., & McDonough, J. D. (2013). Prevalence and onset of regression

within autism spectrum disorders: a meta-analytic review. Journal of Autism and

Developmental Disorders, 43(4), 817–828. https://doi.org/10.1007/s10803-012-1621-x

Baxter, A. J., Brugha, T. S., Erskine, H. E., Scheurer, R. W., Vos, T., & Scott, J. G. (2015). The

epidemiology and global burden of autism spectrum disorders. Psychological Medicine,

45(3), 601–613. https://doi.org/10.1017/S003329171400172X

Berk, L. (2014). Physical Development in Infancy and Toddlerhood. In Development through

the lifespan (Sixth edit, pp. 137–140). Pearson.

Bhat, A. N., Galloway, J. C., & Landa, R. J. (2012). Relation between early motor delay and

later communication delay in infants at risk for autism. Infant Behavior and Development,

35(4), 838–846. https://doi.org/10.1016/j.infbeh.2012.07.019

Boterberg, S., Charman, T., Marschik, P. B., Bölte, S., & Roeyers, H. (2019). Regression in

Autism Spectrum Disorder: A Critical Overview of Retrospective Findings and

Recommendations for Future Research: Invited Contribution to the Special Issue of

Neuroscience and Biobehavioral Reviews on “Regression in Developmental Disorders.”

Neuroscience & Biobehavioral Reviews.

Boyd, B. A., Odom, S. L., Humphreys, B. P., & Sam, A. M. (2010). Infants and toddlers with

autism spectrum disorder: Early identification and early intervention. Journal of Early

Intervention, 32(2), 75–98. https://doi.org/10.1177/1053815110362690

Bradley-johnson, S. (1997). Mullen scales of early learning. Psychology in the Schools, 34(2),

379–382.

Bremer, E., Balogh, R., & Lloyd, M. (2015). Effectiveness of a fundamental motor skill

intervention for 4-year-old children with autism spectrum disorder: A pilot study. Autism,

19(8), 980–991. https://doi.org/10.1177/1362361314557548

Brisson, J., Warreyn, P., Serres, J., Foussier, S., & Adrien-Louis, J. (2012). Motor anticipation

Page 62: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

56

failure in infants with autism: a retrospective analysis of feeding situations. Autism, 16(4),

420–429. https://doi.org/10.1177/1362361311423385

Charman, T., Young, G. S., Brian, J., Carter, A., Carver, L. J., Chawarska, K., …

Zwaigenbaum, L. (2017). Non-ASD outcomes at 36 months in siblings at familial risk for

autism spectrum disorder (ASD): A baby siblings research consortium (BSRC) study.

Autism Research, 10(1), 169–178. https://doi.org/10.1002/aur.1669

Christensen, D. L., Baio, J., Braun, K. V. N., Bilder, D., Charles, J., Constantino, J. N., …

Yeargin-Allsopp, M. (2018). Prevalence and Characteristics of Autism Spectrum Disorder

Among Children Aged 8 Years - Autism and Developmental Disabilities Monitoring

Network, 11 Sites, United States, 2012. Morbidity and Mortality Weekly Report.

Surveillance Summaries, 65(3), 1–23. https://doi.org/10.15585/mmwr.ss6503a1

Christensen, D. L., Bilder, D. A., Zahorodny, W., Pettygrove, S., Durkin, M. S., Fitzgerald, R.

T., … Yeargin-Allsopp, M. (2016). Prevalence and characteristics of autism spectrum

disorder among 4-year-old children in the autism and developmental disabilities

monitoring network. Journal of Developmental Behavior Pediatrics, 37(1), 1–8.

https://doi.org/10.1097/DBP.0000000000000235

Clearfield, M. W., Osborne, C. N., & Mullen, M. (2008). Learning by looking: Infants’ social

looking behavior across the transition from crawling to walking. Journal of Experimental

Child Psychology, 100(4), 297–307. https://doi.org/10.1016/j.jecp.2008.03.005

Cohen, J. (1960). A coefficient of agreement for nominal scales. Educational and Psychological

Measurement, 20(1), 37–46. https://doi.org/10.1177/001316446002000104

Costanzo, V., Chericoni, N., Amendola, F. A., Casula, L., Muratori, F., Scattoni, M. L., &

Apicella, F. (2015). Early detection of autism spectrum disorders: from retrospective home

video studies to prospective “high risk” sibling studies. Neuroscience and Biobehavioral

Reviews, 55, 627–635. https://doi.org/10.1016/j.neubiorev.2015.06.006

Courchesne, E., Redcay, E., & Kennedy, D. P. (2004). The autistic brain: birth through

adulthood. Current Opinion in Neurology, 17(4), 489–496.

https://doi.org/10.1097/01.wco.0000137542.14610.b4

Dawson, G. (2008). Early behavioral intervention, brain plasticity, and the prevention of autism

spectrum disorder. Development and Psychopathology, 20(3), 775–803.

https://doi.org/10.1017/S0954579408000370

De Jonge, M., & De Bildt, A. (2007). Nederlandse bewerking van de ADI-R. Amsterdam:

Hogrefe Uitgevers BV.

Eagleson, K. L., Campbell, D. B., Thompson, B. L., Bergman, M. Y., & Levitt, P. (2011). The

Page 63: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

57

autism risk genes MET and PLAUR differentially impact cortical development. Autism

Research, 4(1), 68–83. https://doi.org/10.1002/aur.172

Einspieler, C., Sigafoos, J., Bartl-Pokorny, K. D., Landa, R., Marschik, P. B., & Bölte, S.

(2014). Highlighting the first 5 months of life: General movements in infants later

diagnosed with autism spectrum disorder or Rett syndrome. Research in Autism Spectrum

Disorders, 8(3), 286–291. https://doi.org/10.1016/j.rasd.2013.12.013

Fakhoury, M. (2015). Autistic spectrum disorders: A review of clinical features, theories and

diagnosis. International Journal of Developmental Neuroscience, 43, 70–77.

https://doi.org/10.1016/j.ijdevneu.2015.04.003

Flanagan, J. E., Landa, R., Bhat, A., & Bauman, M. (2012). Head lag in infants at risk for

autism: A preliminary study. American Journal of Occupational Therapy, 66(5), 577–585.

https://doi.org/https://dx.doi.org/10.5014/ajot.2012.004192

Focaroli, V., Taffoni, F., Parsons, S. M., Keller, F., & Iverson, J. M. (2016). Performance of

motor sequences in children at heightened vs. low risk for ASD: A longitudinal study from

18 to 36 months of age. Frontiers in Psychology, 7(MAY), 1–9.

https://doi.org/10.3389/fpsyg.2016.00724

Fournier, K. A., Hass, C. J., Naik, S. K., Lodha, N., & Cauraugh, J. H. (2010). Motor

coordination in autism spectrum disorders: A synthesis and meta-analysis. Journal of

Autism and Developmental Disorders, 40(10), 1227–1240. https://doi.org/10.1007/s10803-

010-0981-3

Gerber, R. J., Wilks, T., & Erdie-Lalena, C. (2010). Developmental Milestones: Motor

Development. Pediatrics in Review, 31(7), 267–277. https://doi.org/10.1542/pir.31-7-267

Gerdts, J. A., Bernier, R., Dawson, G., & Estes, A. (2013). The broader autism phenotype in

simplex and multiplex families. Journal of Autism and Developmental Disorders, 43(7),

1597–1605. https://doi.org/10.1007/s10803-012-1706-6

Gilman, S. R., Iossifov, I., Levy, D., Ronemus, M., Wigler, M., & Vitkup, D. (2011). Rare de

novo variants associated with autism implicate a large functional network of genes

involved in formation and function of synapses. Neuron, 70(5), 898–907.

https://doi.org/10.1016/j.neuron.2011.05.021.

Graham, J. G. (1992). Fisher’s Exact Test. Journal of the Royal Statistical Society. Series A

(Statistics in Society), 155(3), 395–402.

Green, D., Charman, T., Pickles, A., Chandler, S., Loucas, T., Simonoff, E., & Baird, G. (2009).

Impairment in movement skills of children with autistic spectrum disorders.

Developmental Medicine and Child Neurology, 51(4), 311–316.

Page 64: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

58

https://doi.org/10.1111/j.1469-8749.2008.03242.x

Hadders-Algra, M., Bouwstra, H., & Groen, S. E. (2009). Quality of general movements and

psychiatric morbidity at 9 to 12 years. Early Human Development, 85(1), 1–6.

https://doi.org/10.1016/j.earlhumdev.2008.05.005

Hallmayer, J., Cleveland, S., Torres, A., Phillips, J., Cohen, B., Torigoe, T., … Risch, N.

(2011). Genetic heritability and shared environmental factors among twin pairs with

autism. Archives of General Psychiatry, 68(11), 1095–1102.

https://doi.org/10.1001/archgenpsychiatry.2011.76

Hellendoorn, A., Wijnroks, L., van Daalen, E., Dietz, C., Buitelaar, J. K., & Leseman, P.

(2015). Motor functioning, exploration, visuospatial cognition and language development

in preschool children with autism. Research in Developmental Disabilities, 39, 32–42.

https://doi.org/10.1016/j.ridd.2014.12.033

Holm, S. (1979). A simple sequentially rejective multiple test procedure. Scandinavian Journal

of Statistics, 65–70.

Hus, V., Gotham, K., & Lord, C. (2014). Standardizing ADOS domain scores: Separating

severity of social affect and restricted and repetitive behaviors. Journal of Autism and

Developmental Disorders, 44(10), 2400–2412. https://doi.org/10.1007/s10803-012-1719-1

Iverson, J. M. (2010). Developing language in a developing body: The relationship between

motor development and language development. Journal of Child Language, 37(2), 229–

261.

Jones, E. J., Gliga, T., Bedford, R., Charman, T., & Johnson, M. H. (2014). Developmental

pathways to autism: a review of prospective studies of infants at risk. Neuroscience and

Biobehavioral Reviews, 39, 1–33. https://doi.org/10.1016/j.neubiorev.2013.12.001

Karasik, L. B., Tamis-LeModa, C. S., & Adolph, K. E. (2014). Crawling and walking infants

elicit different verbal responses from mothers, 17(3), 388–395.

https://doi.org/10.1111/desc.12129

Koterba, E. A., Leezenbaum, N. B., & Iverson, J. M. (2014). Object exploration at 6 and 9

months in infants with and without risk for autism. Autism, 18(2), 97–105.

https://doi.org/10.1177/1362361312464826

Kumar, A., Swanwick, C. C., Johnson, N., Menashe, I., Basu, S. N., Bales, M. E., & Banerjee-

Basu, S. (2011). A brain region-specific predictive gene map for autism derived by

profiling a reference gene set. PLoS ONE, 6(12).

https://doi.org/10.1371/journal.pone.0028431

Landa, R. J., Gross, A. L., Stuart, E. A., & Faherty, A. (2013). Developmental trajectories in

Page 65: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

59

children with and without autism spectrum disorders: the first 3 Years. Child

Development, 84(2), 429–442. https://doi.org/10.1111/j.1467-8624.2012.01870.x

Landa, R. J., Haworth, J. L., & Nebel, M. B. (2016). Ready, set, go! Low anticipatory response

during a dyadic task in infants at high familial risk for autism. Frontiers in Psychology,

7(MAY), 1–12. https://doi.org/10.3389/fpsyg.2016.00721

Landrigan, P. J. (2010). What causes autism? Exploring the environmental contribution.

Current Opinion in Pediatrics, 22(2), 219–225.

https://doi.org/10.1097/MOP.0b013e328336eb9a

Landry, O., & Chouinard, P. A. (2016). Why we should study the broader autism phenotype in

typically developing populations. Journal of Cognition and Development, 17(4), 584–595.

https://doi.org/10.1080/15248372.2016.1200046

Lebarton, E. S., & Iverson, J. M. (2013). Fine motor skill predicts expressive language in infant

siblings of children with autism. Developmental Science, 16(6), 815–827.

https://doi.org/10.1111/desc.12069

LeBarton, E. S., & Landa, R. J. (2019). Infant motor skill predicts later expressive language and

autism spectrum disorder diagnosis. Infant Behavior and Development, 54(November

2018), 37–47. https://doi.org/10.1016/j.infbeh.2018.11.003

Lemcke, S., Juul, S., Parner, E. T., Lauritsen, M. B., & Thorsen, P. (2013). Early signs of

autism in toddlers: A follow-up study in the Danish National Birth Cohort. Journal of

Autism and Developmental Disorders, 43(10), 2366–2375. https://doi.org/10.1007/s10803-

013-1785-z

Leonard, H. C., Bedford, R., Pickles, A., & Hill, E. L. (2015). Predicting the rate of language

development from early motor skills in at-risk infants who develop autism spectrum

disorder. Research in Autism Spectrum Disorders, 13–14, 15–24.

https://doi.org/10.1016/j.rasd.2014.12.012

Leonard, H. C., Elsabbagh, M., Hill, E. L., Baron-Cohen, S., Bedford, R., Bolton, P., … Volein,

A. (2014). Early and persistent motor difficulties in infants at-risk of developing autism

spectrum disorder: A prospective study. European Journal of Developmental Psychology,

11(1), 18–35. https://doi.org/10.1080/17405629.2013.801626

Letts, C., Edwards, S., Schaefer, B., & Sinka, I. (2014). The New Reynell Developmental

Language scales: Descriptive account and illustrative case study. Child Language

Teaching and Therapy, 30(1), 103–116. https://doi.org/10.1177/0265659013492784

Libertus, K., & Hauf, P. (2017). Motor skills and their foundational role for perceptual, social,

and cognitive development. Frontiers in Psychology, 8(MAR), 301.

Page 66: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

60

https://doi.org/10.3389/fpsyg.2017.00301

Libertus, K., & Landa, R. J. (2014). Scaffolded reaching experiences encourage grasping

activity in infants at high risk for autism. Frontiers in Psychology, 5(SEP), 1071.

https://doi.org/10.3389/fpsyg.2014.01071

Libertus, K., & Needham, A. (2010). Teach to reach: The effects of active vs. passive reaching

experiences on action and perception. Vision Research, 50(24), 2750–2757.

https://doi.org/10.1016/j.visres.2010.09.001

Libertus, K., Sheperd, K. A., Ross, S. W., & Landa, R. J. (2014). Limited fine motor and

grasping skills in 6-month-old infants at high risk for autism. Child Development, 85(6),

2218–2231. https://doi.org/10.1111/cdev.12262

Libertus, K., & Violi, D. A. (2016). Sit to talk: relation between motor skills and language

development in infancy. Frontiers in Psychology, 7(MAR), 1–8.

https://doi.org/10.3389/fpsyg.2016.00475

Lilliefors, H. W. (1967). On the Kolmogorov-Smirnov Test for Normality with Mean and

Variance Unknown. Journal of the American Statistical Association, 62(318), 399–402.

https://doi.org/10.2307/2283970

Little, R. J. (1998). A test of missing completely at random multivariate data with missing

values. Journal of the American Statistical Association.

https://doi.org/10.1080/01621459.1988.10478722

Lloyd, M., MacDonald, M., & Lord, C. (2013). Motor skills of toddlers with autism spectrum

disorders. Autism, 17(2), 133–146. https://doi.org/10.1177/1362361311402230

Lord, C., Rutter, M., DiLavore, P., Risi, S., Gotham, K., & Bishop, S. (2012). Autism diagnostic

observation schedule-2nd edition (ADOS-2). Los Angeles, CA: Western Psychological

Corporation.

Lord, C., Rutter, M., & Le Couteur, A. (1994). Autism Diagnostic Interview-Revised: a revised

version of a diagnostic interview for caregivers of individuals with possible pervasive

developmental disorders. Journal of Autism and Developmental Disorders, 24(5), 659–

685.

Macdonald, M., Lord, C., & Ulrich, D. (2013). The relationship of motor skills and adaptive

behavior skills in young children with autism spectrum disorders. Research in Autism

Spectrum Disorders, 7(11), 1383–1390. https://doi.org/10.1016/j.rasd.2013.07.020

MacDonald, M., Lord, C., & Ulrich, D. A. (2013). The relationship of motor skills and social

communicative skills in school-aged children with autism spectrum disorder. Adapted

Physical Activity Quarterly, 30(3), 271–282.

Page 67: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

61

MacDonald, M., Lord, C., & Ulrich, D. A. (2014). Motor skills and calibrated autism severity in

young children with autism spectrum disorder. Adapted Physical Activity Quarterly, 31(2),

95–105. https://doi.org/10.1123/apaq.2013-0068

Mann, H. B., & Whitney, D. R. (1947). On a Test of Whether one of Two Random Variables is

Stochastically Larger than the Other. The Annals of Mathematical Statistics, 18(1), 50–60.

McCrimmon, A., & Rostad, K. (2014). Test Review: Autism Diagnostic Observation Schedule,

Second Edition (ADOS-2) Manual (Part II): Toddler Module. Journal of

Psychoeducational Assessment, 32(1), 88–92. https://doi.org/10.1177/0734282913490916

McHugh, M. L. (2012). Interrater reliability : the kappa statistic. Biochemia Medica, 22(3),

276–282. https://doi.org/10.11613/BM.2012.031

Messinger, D., Young, G. S., Ozonoff, S., Dobkins, K., Carter, A., Zwaigenbaum, L., …

Sigman, M. (2013). Beyond autism: A baby siblings research consortium study of high-

risk children at three years of age. Journal of the American Academy of Child and

Adolescent Psychiatry, 52(3), 300–309. https://doi.org/10.1016/j.jaac.2012.12.011

Michel, G. F., Campbell, J. M., Marcinowski, E. C., Nelson, E. L., & Babik, I. (2016). Infant

hand preference and the development of cognitive abilities. Frontiers in Psychology,

7(MAR), 1–6. https://doi.org/10.3389/fpsyg.2016.00410

Modahl, C., Green, L. A., Fein, D., Morris, M., Waterhouse, L., Feinstein, C., & Levin, H.

(1998). Plasma oxytocin levels in autistic children. Biological Psychiatry, 43(4), 270–277.

https://doi.org/10.1016/S0006-3223(97)00439-3

Mullen, E. M. (1995). Mullen Scales of Early Learning (AGS Editio). Los Angeles: Western

Psychological Services.

Neale, B. M., Kou, Y., Liu, L., Ma’ayan, A., Samoncha, K. E., Sabo, A., … Daly, M. J. (2012).

Patterns and rates of exonic de novo mutations in autism spectrum disorders. Nature,

485(7397), 242–246. https://doi.org/10.1038/nature11011

Nickel, L. R., Thatcher, A. R., Keller, F., Wozniak, R. H., & Iverson, J. M. (2013). Posture

development in infants at heightened vs. low risk for autism spectrum disorders. Infancy,

18(5), 639–661. https://doi.org/10.1111/infa.12025

O’Roak, B. J., Vives, L., Fu, W., Egertson, J. D., Stanaway, I. B., Phelps, I. G., … Shendure, J.

(2012). Multiplex targeted sequencing identifies recurrently mutated genes in Autism

Spectrum Disorders. Science, 338(6114), 1619–1623.

O’Roak, B. J., Vives, L., Girirajan, S., Karakoc, E., Krumm, N., Coe, P., … Eichler, E. E.

(2012). Sporadic autism exomes reveal a highly interconnected protein network of de novo

mutations. Nature, 485(7397), 246–250. https://doi.org/10.1038/nature10989

Page 68: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

62

Oudgenoeg-Paz, O., Volman, M. C. J., & Leseman, P. P. (2012). Attainment of sitting and

walking predicts development of productive vocabulary between ages 16 and 28 months.

Infant Behavior and Development, 35(4), 733–736.

https://doi.org/10.1016/j.infbeh.2012.07.010

Ozonoff, S., Heung, K., Byrd, R., Hansen, R., & Hertz-Picciotto, I. (2008). The onset of autism:

Patterns of symptom emergence in the first years of life. Autism Research, 1(6), 320–328.

https://doi.org/10.1002/aur.53

Ozonoff, S., Iosif, A. M., Baguio, F., Cook, I. C., Hill, M. M., Hutman, T., … Young, G. S.

(2010). A prospective study of the emergence of early behavioral signs of autism. Journal

of the American Academy of Child & Adolescent Psychiatry, 49(3), 256–266.

https://doi.org/10.1097/00004583-201003000-00009

Ozonoff, S., Macari, S., Young, G. S., Goldring, S., Thompson, M., & Rogers, S. J. (2008).

Atypical object exploration at 12 months of age is associated with autism in a prospective

sample. Autism, 12(5), 457–472. https://doi.org/10.1177/1362361308096402

Ozonoff, S., Young, G. S., Carter, A., Messinger, D., Yirmiya, N., Zwaigenbaum, L., … Stone,

W. (2011). Recurrence risk for autism spectrum disorders: A baby siblings research

consortium study. Pediatrics, 128(3), e488–e495. https://doi.org/peds.2010-2825

[pii]\r10.1542/peds.2010-2825

Ozonoff, S., Young, G. S., Goldring, S., Greiss-Hess, L., Herrera, A. M., Steele, J., … Rogers,

S. J. (2008). Gross Motor Development, Movement Abnormalities, and Early

Identification of Autism. Journal of Autism and Developmental Disorders, 38(4), 644–

656. https://doi.org/10.1007/s10803-007-0430-0

Palchik, A. B., Einspieler, C., Evstafeyeva, I. V., Talisa, V. B., & Marschik, P. B. (2013). Intra-

uterine exposure to maternal opiate abuse and HIV: The impact on the developing nervous

system. Early Human Development, 89(4), 229–235.

https://doi.org/10.1016/j.earlhumdev.2013.02.004

Parellada, M., Penzol, M. J., Pina, L., Moreno, C., González-Vioque, E., Zalsman, G., &

Arango, C. (2014). The neurobiology of autism spectrum disorders. European Psychiatry,

29(1), 11–19. https://doi.org/10.1016/j.eurpsy.2013.02.005

Payne, G., & Isaacs, L. (2017). Human Motor Development (Ninth edit). Routledge. Retrieved

from https://books.google.be/books?hl=nl&lr=&id=I--

fDgAAQBAJ&oi=fnd&pg=PT22&dq=motor+development+infants+stages&ots=pCMGB

1ufy5&sig=I-M_siqtbsCm7AhFLH6B7EiBzTE#v=onepage&q&f=true

Peça, J., Feliciano, C., Ting, J. T., Wang, W., Wells, M. F., Venkatraman, T. N., … Feng, G.

Page 69: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

63

(2011). Shank3 mutant mice display autistic-like behaviours and striatal dysfunction,

472(7344), 437–442. https://doi.org/10.1038/nature09965

Peça, J., Ting, J., & Feng, G. (2011). SnapShot: Autism and the synapse. Cell, 147(3), 706-

706.e1. https://doi.org/10.1016/j.cell.2011.10.015

Peñagarikano, O., & Geschwind, D. H. (2012). What does CNTNAP2 reveal about autism

spectrum disorder? Trends in Molecular Medicine, 18(3), 156–163.

https://doi.org/10.1016/j.molmed.2012.01.003

Phagava, H., Muratori, F., Einspieler, C., Maestro, S., Apicella, F., Guzzetta, A., … Cioni, G.

(2008). General movements in infants with autism spectrum disorders. Georgian Medical

News, (156), 100—105. Retrieved from http://europepmc.org/abstract/MED/18403821

Prodia. (2013). Diagnostische fiche RTOS – oktober 2013.

Provost, B., Lopez, B. R., & Heimerl, S. (2007). A comparison of motor delays in young

children: Autism spectrum disorder, developmental delay, and developmental concerns.

Journal of Autism and Developmental Disorders, 37(2), 321–328.

https://doi.org/10.1007/s10803-006-0170-6

Reynell, J. K., & Gruber, C. P. (1997). Reynell developmental language scales. Western

Psychological Services.

Rosenberg, R. E., Law, J. K., Yenokyan, G., McGready, J., Kaufmann, W. E., & Law, P. A.

(2009). Characteristics and concordance of ASDs among 277 twin pairs. Archives of

Pediatrics and Adolescent Medicine, 163(10), 907–914.

Sacrey, L. A. R., Zwaigenbaum, L., Bryson, S., Brian, J., & Smith, I. M. (2018). The reach-to-

grasp movement in infants later diagnosed with autism spectrum disorder: a high-risk

sibling cohort study. Journal of Neurodevelopmental Disorders, 10(1), 41.

https://doi.org/10.1186/s11689-018-9259-4

Sacrey, L. A. R., Zwaigenbaum, L., Bryson, S., Brian, J., Smith, I. M., Roberts, W., … Novak,

C. (2015). Can parents’ concerns predict autism spectrum disorder? A prospective study of

high-risk siblings from 6 to 36 months of age. Journal of the American Academy of Child

& Adolescent Psychiatry, 54(6), 470–478.

Sanders, S. J., Ercan-Sencicek, A. G., Hus, V., Luo, R., Murtha, M. T., Moreno-De-Luca, D., …

State, M. W. (2011). Multiple recurrent de novo CNVs, including duplications of the

7q11.23 Williams syndrome region, are strongly associated with autism. Neuron, 70(5),

863–885. https://doi.org/10.1016/j.neuron.2011.05.002

Schaerlaekens, A., Zink, I., & Van Ommeslaeghe, K. (2003). Reynell

Taalontwikkelingsschalen, Handleiding tweede versie.

Page 70: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

64

Schmitz, C., Martineau, J., Barthélémy, C., & Assaiante, C. (2003). Motor control and children

with autism: Deficit of anticipatory function? Neuroscience Letters, 348(1), 17–20.

https://doi.org/10.1016/S0304-3940(03)00644-X

Sestan, N. (2012). The emerging biology of autism spectrum disorders. Science, 337(6100),

1301–1303. https://doi.org/10.1126/science.1224989

Stanfield, A. C., McIntosh, A. M., Spencer, M. D., Philip, R., Gaur, S., & Lawrie, S. M. (2008).

Towards a neuroanatomy of autism: A systematic review and meta-analysis of structural

magnetic resonance imaging studies. European Psychiatry, 23(4), 289–299.

https://doi.org/10.1016/j.eurpsy.2007.05.006

Tamis-Lemonda, C. S., Kuchirko, Y., & Tafuro, L. (2013). From action to interaction: Infant

object exploration and mothers’ contingent responsiveness. IEEE Transactions on

Autonomous Mental Development, 5(3), 202–209.

https://doi.org/10.1109/TAMD.2013.2269905

Taylor, L. J., Maybery, M. T., Wray, J., Ravine, D., Hunt, A., & Whitehouse, A. J. O. (2015).

Are there differences in the behavioural phenotypes of Autism Spectrum Disorder

probands from simplex and multiplex families? Research in Autism Spectrum Disorders,

11, 56–62. https://doi.org/10.1016/j.rasd.2014.12.003

Virkud, Y. V., Todd, R. D., Abbacchi, A. M., Zhang, Y., & Constantino, J. N. (2009). Familial

aggregation of quantitative autistic traits in multiplex versus simplex autism. American

Journal of Medical Genetics, Part B: Neuropsychiatric Genetics, 150(3), 328–334.

https://doi.org/10.1002/ajmg.b.30810

Wallace, K. S., & Rogers, S. J. (2010). Intervening in infancy: Implications for autism spectrum

disorders. Journal of Child Psychology and Psychiatry, 51(12), 1300–1320.

https://doi.org/10.1111/j.1469-7610.2010.02308.x

Walle, E. A. (2016). Infant social development across the transition from crawling to walking.

Frontiers in Psychology, 7(960). https://doi.org/10.3389/fpsyg.2016.00960

Walle, E. A., & Campos, J. J. (2014). Infant language development is related to the acquisition

of walking. Developmental Psychology, 50(2), 336–348. https://doi.org/10.1037/a0033238

Warren, Z., McPheeters, M. L., Sathe, N., Foss-Feig, J. H., Glasser, A., & Veenstra-

VanderWeele, J. (2011). A systematic review of early intensive intervention for autism

spectrum disorders. Pediatrics, 127(5), e1303–e1311. https://doi.org/10.1542/peds.2011-

0426

Warreyn, P., van der Paelt, S., & Roeyers, H. (2014). Social-communicative abilities as

treatment goals for preschool children with autism spectrum disorder: The importance of

Page 71: VROEGE MOTORISCHE EN TAALVAARDIGHEDEN BIJ ......kinderen onderzocht op 10, 14 en 36 maanden a.d.h.v. de MSEL en op 5, 10 en 14 maanden a.d.h.v. de coderingen. Nadien werd onderzocht

65

imitation, joint attention, and play. Developmental Medicine and Child Neurology, 56(8),

712–716. https://doi.org/10.1111/dmcn.12455

Wens, M., & Warreyn, P. (2016). Toekomst in beeld? Pilootstudie: vroege motorische signalen

van autismespectrumstoornis in kaart brengen via homevideo’s. Retrieved from

https://lib.ugent.be/catalog/rug01:002305000

Yuge, M., Marschik, P. B., Nakajima, Y., Yamori, Y., Kanda, T., Hirota, H., … Einspieler, C.

(2011). Movements and postures of infants aged 3 to 5 months: To what extent is their

optimality related to perinatal events and to the neurological outcome? Early Human

Development, 87(3), 231–237. https://doi.org/10.1016/j.earlhumdev.2010.12.046

Zwaigenbaum, L., Thurm, A., Stone, W., Baranek, G., Bryson, S., Iverson, J., … Sigman, M.

(2007). Studying the emergence of autism spectrum disorders in igh-risk Infants :

methodological and practical issues. Journal of Autism and Developmental Disorders,

37(3), 466–480. https://doi.org/10.1007/s10803-006-0179-x