Uitingsdelicten en de vrijheid van meningsuiting

45
De werking van artikel 10 EVRM binnen de Nederlandse jurisprudentie over uitingsdelicten Uitingsdelicten en de vrijheid van meningsuiting K. Lucas

Transcript of Uitingsdelicten en de vrijheid van meningsuiting

Page 1: Uitingsdelicten en de vrijheid van meningsuiting

De werking van artikel 10 EVRM binnen de Nederlandse jurisprudentie over uitingsdelicten

Uitingsdelicten en de vrijheid van meningsuiting

K. Lucas

Page 2: Uitingsdelicten en de vrijheid van meningsuiting

1

Uitingsdelicten en de vrijheid van meningsuiting

De werking van artikel 10 EVRM binnen de Nederlandse jurisprudentie over uitingsdelicten

Kim Lucas 10442057

Publiekrecht: Strafrecht

Begeleider: Mw. M.J. van Weerden LLM Tweede Lezer: Dhr. Mr. Dr. K.C.J. Vriend

12 juli 2016

Page 3: Uitingsdelicten en de vrijheid van meningsuiting

2

Inhoud Voorwoord ................................................................................................................................ 3

Abstract ..................................................................................................................................... 4

Inleiding .................................................................................................................................... 5

1. Uitingsdelicten ...................................................................................................................... 8

1.1. Opruiing ........................................................................................................................... 8

1.2. Opruiing ter verspreiding............................................................................................... 10

1.3. Belediging van een groep mensen en aanzetten tot haat, discriminatie of gewelddadig optreden ................................................................................................................................ 11

1.4. Openbaar maken, toezenden en verspreiden van een uitlating ...................................... 16

1.5. Samenvatting en conclusie ............................................................................................ 17

2. Het Europees verdrag voor de rechten van de mens ...................................................... 20

2.1. De vrijheid van meningsuiting ...................................................................................... 20

2.2. Het verbod van misbruik van recht ................................................................................ 24

2.3. Samenvatting en conclusie ............................................................................................ 24

3. Toepassing van artikel 10 in de Nederlandse jurisprudentie ........................................ 26

3.1. Jurisprudentie................................................................................................................. 26

3.2. Samenvatting en conclusie ............................................................................................ 33

4. Casus ................................................................................................................................... 35

4.1. Geert Wilders ................................................................................................................. 35

4.2. Samenvatting en conclusie ............................................................................................ 38

5. Conclusie ............................................................................................................................. 39

Literatuurlijst ......................................................................................................................... 42

Page 4: Uitingsdelicten en de vrijheid van meningsuiting

3

Voorwoord

Deze scriptie is geschreven in het kader van de afronding van mijn master publiekrecht:

strafrecht. Het onderwerp van deze scriptie is de invulling van de vrijheid van meningsuiting

zoals neergelegd in artikel 10 EVRM en de beperkingen daarvan in de Nederlandse wet en

jurisprudentie over uitingsdelicten. Omdat ik vorig jaar mijn master International en

European law heb afgerond vond ik het leuk om aan deze scriptie een Europees tintje te

geven. Ook de recente aanslagen en de gevolgen daarvan hebben geleid tot de

totstandkoming van mijn onderwerp. Omdat hierdoor het aantal strafzaken over

uitingsdelicten blijft groeien wordt het steeds belangrijker dat er in de Nederlandse wet en

jurisprudentie voldoende rekening wordt gehouden met de vrijheid van meningsuiting en

deze niet zomaar kan worden beperkt.

Graag wil ik mijn begeleider Margje van Weerden voor alle hulp en goede aanwijzingen die

hebben geleidt tot het eindresultaat. Ook wil ik mijn lieve ouders en lieve vriend Robbert

bedanken voor de steun die ik de afgelopen periode heb gekregen en voor het feit dat jullie

elke nieuwe aanpassing en elke nieuwe versie hebben willen lezen.

Veel leesplezier!

Kim Lucas

Schiedam, 12 juli 2016

Page 5: Uitingsdelicten en de vrijheid van meningsuiting

4

Abstract

Na de recente terroristische aanslagen groeit de onderlinge haat en discriminatie steeds meer.

Dankzij deze groei gaan ook steeds meer strafzaken over opruiing, het beledigen van een

groep mensen of het aanzetten tot haat, discriminatie of gewelddadig optreden, ook wel

uitingsdelicten genoemd. Bij de beoordeling van deze uitingsdelicten is het van belang

rekening te houden met de vrijheid van meningsuiting van degene die de uitlatingen doet. De

vrijheid van meningsuiting mag alleen beperkt worden wanneer is voldaan aan bepaalde

vereisten. Deze vereisten zijn door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in

jurisprudentie uitgelegd. Het doel van dit onderzoek is na te gaan of in de Nederlandse

jurisprudentie over opruiing, het beledigen van een groep mensen en aanzetten tot haat,

discriminatie of gewelddadig optreden voldoende rekening is gehouden met de vrijheid van

meningsuiting zoals neergelegd in artikel 10 EVRM en uitgelegd door het Europees Hof voor

de Rechten van de Mens in jurisprudentie en zo een goede basis vormt voor toekomstige

uitspraken.

Om een antwoord te kunnen geven op deze vraag heb ik eerst de Nederlandse jurisprudentie

over uitingsdelicten geanalyseerd. Uit welke bestanddelen bestaan de artikelen over

uitingsdelicten en wanneer worden uitlatingen precies strafbaar gesteld. Vervolgens heb ik

naar de Europese jurisprudentie gekeken en geanalyseerd wat er volgens het Europees Hof

voor de Rechten van de Mens onder de vrijheid van meningsuiting wordt verstaan en

wanneer een beperking van de vrijheid van meningsuiting is toegestaan. Daarna heb ik

gekeken naar hoe artikel 10 EVRM in de Nederlandse jurisprudentie over uitingsdelicten is

toegepast. Voldoet de Nederlandse jurisprudentie aan de Europese vereisten? Ten slotte heb

ik de lijn van de huidige jurisprudentie over de vrijheid van meningsuiting en uitingsdelicten

toegepast op de huidige strafzaak tegen Geert Wilders. Aan de hand hiervan kan goed worden

weergegeven of de huidige Nederlandse jurisprudentie een goede basis vormt voor

toekomstige zaken.

Op basis van het bovenstaande ben ik tot de conclusie gekomen dat er in de Nederlandse

jurisprudentie voldoende rekening wordt gehouden met de Europese invulling van de vrijheid

van meningsuiting. Hiervan uitgaande ben ik van mening dat de huidige lijn van Nederlandse

jurisprudentie, zoals in deze scriptie is geschetst, een goede basis vormt voor toekomstige

strafzaken.

Page 6: Uitingsdelicten en de vrijheid van meningsuiting

5

Inleiding

Volgens veel verdachten staat in dit proces dé islam — of in elk geval hún islamitisch geloof

— terecht. Ook de verdediging heeft in verschillende toonaarden aangevoerd dat dit proces

neerkomt op criminalisering van een geloofsovertuiging. Niet de gedragingen van de

verdachten, maar hun gedachtegoed wordt vervolgd en berecht, aldus de verdediging. En de

mogelijk onwelgevallige uitingen die de verdachten hebben gedaan zouden geheel of althans

voor een groot deel worden beschermd door het ook de verdachten toekomende recht op vrije

meningsuiting. Deze verwijten geven de rechtbank aanleiding dit vonnis te beginnen met

enkele algemene overwegingen over de vrijheid van denken en geloof, de vrijheid van

godsdienst en levensovertuiging en de vrijheid van meningsuiting.1

Hiermee begint het vonnis van de Rechtbank Den Haag in de Haagse Context zaak waarin 9

verdachten veroordeeld zijn voor het lid zijn van een criminele terroristische organisatie die

zich bezighield met onder andere het opruien van jongeren die naar Syrië wilden afreizen om

daar te vechten en het aanzetten tot haat. De rechtbank vervolgt zijn uitspraak met de

herinnering dat de vrijheid van meningsuiting één van de fundamenten vormt van de

democratische samenleving en een voorwaarde is voor de vooruitgang van de samenleving en

de ontwikkeling van elk mens. De vrijheid van meningsuiting is daarom ook stevig verankerd

in de Nederlandse (en Europese) samenleving. Echter, aan de uitoefening van de vrijheden

kunnen volgens de rechtbank beperkingen worden gesteld, onder meer ter bescherming van

de rechten en vrijheden van anderen of vanwege publieke belangen.

De Haagse Context zaak is één van de vele zaken waarin personen veroordeeld zijn voor het

doen van strafbare uitlatingen. In deze zaken wordt er beoordeeld of bepaalde uitingen van

een verdachte gezien kunnen worden als opruiing, groepsbelediging of aanzetten tot haat,

discriminatie of gewelddadig optreden, wat strafbaar is gesteld in de artikelen 131 sr 137c en

137d sr, of dat deze uitingen vallen onder de vrijheid van meningsuiting, een recht dat wordt

beschermd in artikel 10 EVRM. Bij deze beoordeling is het dus van belang dat een dergelijke

uiting wordt getoetst aan de vereisten in artikel 10 EVRM, dat naast grondrechten ook de

beperkingen hiervan aangeeft.

1 Rechtbank Den Haag 10 december 2015, NJFS 2016/14.

Page 7: Uitingsdelicten en de vrijheid van meningsuiting

6

Na de aanslagen in Parijs en Brussel en de vele oproepen van aanhangers om hetzelfde te

doen is het belangrijk dat de rechtbanken in hun uitspraken rekening blijven houden met de

vereisten van artikel 10 EVRM bij de beoordeling van wat wel en niet onder opruiing valt.

Ook de reactie van tegenhangers, en met name vanuit de politiek, wordt steeds radicaler

waardoor hetzelfde geldt voor de vrijheid van meningsuiting bij de beoordeling van

uitlatingen die mogelijk beledigend zijn of aanzetten tot haat, discriminatie of gewelddadig

optreden.

In deze scriptie wil ik onderzoeken of de huidige Nederlandse jurisprudentie over opruiing en

de verspreiding hiervan, zoals strafbaar gesteld in artikel 131 en 132 sr, en aanzetten tot haat,

discriminatie of gewelddadig optreden, zoals strafbaar gesteld in artikel 137d Sr, voldoen aan

de vereisten van artikel 10 EVRM en zo een goede basis vormen voor toekomstige

uitspraken. Omdat aanzetten tot haat, discriminatie of gewelddadig optreden nauw verbonden

is met artikel 137c Sr waarin het verbod op de belediging van een groep is neergelegd zal ik

dit artikel ook mee nemen in mijn analyse. Tevens zal er worden gekeken naar artikel 137e,

waarin het openbaar maken, toezenden en verspreiden van uitlatingen die strafbaar zijn

gesteld in de artikelen 137c en 137d Sr.

Om tot een antwoord op deze vraag te komen worden in het eerste hoofdstuk, aan de hand

van onder andere jurisprudentie en uitleg van de wet, de artikelen over opruiing, verspreiding

ter opruiing, beledigen van een groep, aanzetten tot haat, discriminatie of gewelddadig

optreden en het openbaar maken, toezenden en verspreiden van een uitlating besproken. In dit

hoofdstuk zal worden uitgelegd wat er precies onder deze begrippen wordt verstaan en hoe de

artikelen verder zijn ingevuld. Voor de beoordeling van deze artikelen kan de context waarin

de uitlatingen zijn gedaan van belang zijn en zou zelfs de strafbaarheid van hiervan kunnen

weggenemen. Dit kan echter alleen indien de uitlating niet onnodig grievend is.

In het tweede hoofdstuk wordt aan de hand van jurisprudentie van het Europees Hof voor de

Rechten van de Mens uitgelegd wat er onder de vrijheid van meningsuiting valt en hoe dit

recht beperkt kan worden. In verband met de beperking van dit recht is een stappentoets

ontwikkeld door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens die wordt gebruikt als

leidraad bij de beoordeling van een beperking. Deze stappentoets bestaat uit drie vereisten, te

weten: een beperking is slechts toegestaan wanneer deze is voorzien bij wet, een geoorloofd

doel dient en noodzakelijk is in een democratische samenleving. Wat precies onder deze

vereisten wordt verstaan, en met name onder het laatste vereiste, is uitvoerig in de

Page 8: Uitingsdelicten en de vrijheid van meningsuiting

7

jurisprudentie uitgelegd en zal in dit hoofdstuk ter sprake komen. Ook wordt kort aandacht

besteed aan een speciale beperkingsgrond die is neergelegd in artikel 17 van het EVRM.

In het derde hoofdstuk zal worden gekeken naar hoe het recht op vrijheid van meningsuiting

in het Nederlandse rechtssysteem wordt toegepast. Dit zal worden gedaan door aan de hand

van verschillende uitspraken de huidige lijn in de jurisprudentie te verduidelijken.

In het vierde hoofdstuk wordt aan de hand van alle informatie over de uitingsdelicten en de

vrijheid van meningsuiting gekeken naar een mogelijke beoordeling in de recente strafzaak

tegen Geert Wilders. Geert Wilders wordt verdacht van het beledigen van een groep mensen

wegens ras en aanzetten tot haat en discriminatie. Aan de hand hiervan kan worden

geoordeeld of de huidige lijn in de jurisprudentie een goede basis vormt voor toekomstige

uitspraken.

Ten slotte volgt in de conclusie een antwoord op de vraag of de Nederlandse wet en de

huidige jurisprudentie over opruiing, het beledigen van een groep en aanzetten tot haat,

discriminatie of gewelddadig optreden voldoen aan de vereisten van artikel 10 EVRM en zo

een goede basis vormen voor toekomstige uitspraken, zoals bijvoorbeeld in de huidige

strafzaak tegen Geert Wilders.

Page 9: Uitingsdelicten en de vrijheid van meningsuiting

8

1. Uitingsdelicten

1.1. Opruiing

Artikel 131 wetboek van strafrecht

1. Hij die in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, tot enig strafbaar feit of

tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag opruit, wordt gestraft met

gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van de vierde categorie.

2. Indien het strafbare feit waartoe wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een

misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt, wordt

de gevangenisstraf, gesteld op het in het eerste lid omschreven feit, met een derde verhoogd.

Uit de wet en wetsgeschiedenis valt niet op te maken wat de wetgever precies met het begrip

opruiing heeft bedoeld. Om dit begrip duidelijk te maken is er in de jurisprudentie verdere

invulling aan gegeven. Al in 1916 werd door de rechtbank van Alkmaar geoordeeld dat

opruien kan worden omgeschreven als ophitsen, opstoken of aanzetten.2 Deze omschrijving

wordt in de huidige jurisprudentie nog steeds gebruikt.3 Bij opruiing is het de bedoeling dat

de gedachte aan een bepaald feit wordt opgewekt en dat de mening wordt gevestigd dat dit

bepaalde feit wenselijk of noodzakelijk is en dat het verlangen wordt opgewekt om de feit te

laten plaatsvinden. Dit kan zowel op een directe als indirecte wijze gebeuren. De uiting kan

bijvoorbeeld de vorm van een verzoek of aansporing aannemen. Ook kan zij in een

imperatieve vorm, ofwel in een gebiedende wijs, zijn gegoten.4 De opruiing moet mondeling

of bij geschrift of afbeelding gebeuren. De opruiing is voltooid wanneer de uitlating door de

opruier is gedaan. Hierbij is het niet van belang of het feit waartoe is opgeruid daadwerkelijk

volgt. Het gevaar dat het strafbare feit kan plaats vinden is genoeg. Ook de omstandigheden

van het geval zijn belangrijk voor de beoordeling of er sprake is van opruiing. Eerdere

ervaringen en gewelddadige gebeurtenissen die grote maatschappelijke en politieke onrust

hebben veroorzaakt kunnen in aanmerking worden genomen.5

2 Rechtbank Alkmaar 1 februari 1916, W 9891. 3 Rechtbank Rotterdam 10 maart 2006, NJFS 2006, 120 en Rechtbank Den Haag 10 december 2015, NJFS 2016/14. 4 Rechtbank Den Haag 1 december 2014, NJFS 2015/54. 5 Rechtbank Noord-Holland 22 januari 2013, NJFS 2013/121 en Rechtbank Den Haag 1 december 2014, NJFS 2015/54.

Page 10: Uitingsdelicten en de vrijheid van meningsuiting

9

Een strafbaar feit en het openbare gezag

De opruiing moet zijn gericht op een strafbaar feit of gewelddadig optreden tegen het

openbare gezag. Bij strafbare feiten moet het gaan om strafbare feiten naar Nederlands recht.

Hierbij is het niet van belang tot welk concreet strafbaar feit wordt opgeruid, er dient echter

wel een rechtstreeks verband te bestaan tussen de opruiing en het strafbare feit.6 Recent is de

discussie ontstaan of het oproepen tot deelname aan de gewapende strijd in het buitenland

wel een strafbaar feit naar Nederlands recht is. In een uitspraak uit 2014 komt de rechtbank

Den Haag tot de conclusie dat de deelname aan het gewapende conflict in Syrië (en Irak) naar

Nederlands recht strafbaar is.7 Ook in een recente uitspraak van de rechtbank Den Haag

wordt dit standpunt ingenomen.8 Voor de strafbaarheid doet het er niet toe of de opruiing

daadwerkelijk tot een strafbaar feit leidt.9 Ook is het niet nodig dat de opruier weet dat

datgene waar hij toe opruit strafbaar is gesteld.10

In het geval van gewelddadig optreden tegen het openbare gezag, wordt naast het

Nederlandse openbare gezag mogelijk ook dat van andere staten verstaan. Hoewel het

aannemelijk is dat de wetgever in het bijzonder vooral aan het Nederlandse openbare gezag

heeft gedacht, is er geen houvast voor de veronderstelling dat het openbare gezag van andere

staten buiten de reikwijdte van dit artikel zouden vallen. Uit de wetsgeschiedenis van titel V

van het wetboek van Strafrecht blijkt dat het bij de openbare orde gaat om het

maatschappelijk leven en de natuurlijke orde der maatschappij. Aangezien de Nederlandse

staat ook door opruiing tegen een andere staat ook in gevaar kan worden gebracht, beperkt

het begrip “maatschappij” zich niet tot de Nederlandse maatschappij.11 Dit is later door de

Hoge Raad bevestigd .12

Openbaar

Vervolgens moet het opruien in het openbaar gebeuren. Hierbij dient sprake te zijn van

gerichtheid op of tot het publiek.13 Waar het in feite op aan komt is dat de opruiing geschiedt

onder zodanige omstandigheden en op zodanige wijze dat zij tot het publiek is gericht en

6 Rechtbank Den Haag 10 december 2015, NJFS 2016/14. 7 Rechtbank Den Haag 1 december 2014, NJFS 2015/54. 8 Rechtbank Den Haag 10 december 2015, NJFS 2016/14. 9 Rechtbank Rotterdam 10 maart 2006, NJFS 2006, 120 en Rechtbank Noord-Holland 22 januari 2013, NJFS 2013/121 en Rechtbank Den Haag 1 december 2014, NJFS 2015/54. 10 Hoge Raad 28 juni 1937, NJ 1938, no. 191. 11 Gerechtshof Amsterdam 17 december 2010, NJ 2012/620. 12 Hoge Raad 3 juli 2012, NJ 2012/656. 13 Rechtbank Rotterdam 10 maart 2006, NJFS 2006, 120.

Page 11: Uitingsdelicten en de vrijheid van meningsuiting

10

door het publiek kan worden gehoord of gezien.14 Dit kan een breed publiek zijn, zoals bij

publicatie in de media, maar ook bij een bepaald deel van het publiek, zoals bij plaatsing op

een internet site.15 Het internet kan dus worden aangemerkt als een openbare plaats, mits het

publiek ook daadwerkelijk toegang heeft tot de site waarop de uitlatingen zijn geplaatst.16 Het

feit dat de opruiende uiting ter kennis is gekomen van bepaalde personen hoeft niet te

betekenen dat het geschrift ook tot het publiek is gericht en in het openbaar is geuit.

Omgekeerd is het ook niet uitgesloten dat wanneer er geen publiek is, maar wel redelijkerwijs

kan worden verwacht dat er publiek komt opdagen, er sprake is van opruiing.17 Wanneer het

aannemelijk is dat de verdachte in de veronderstelling verkeerde dat zijn uitlatingen in e-

mails of chatsessies slechts door een klein groepje zouden worden gelezen, zijn deze niet in

het openbaar gedaan.18 Ook uitlatingen die zijn gedaan in zogenaamde “huiskamersessies”

vallen niet onder het begrip “in het openbaar”.

1.2. Opruiing ter verspreiding

Artikel 132 wetboek van strafrecht

1. Hij die een geschrift of afbeelding waarin tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig

optreden tegen het openbaar gezag wordt opgeruid, verspreidt, openlijk tentoonstelt of

aanslaat of, om verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen te worden, in voorraad

heeft, wordt, indien hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat in het geschrift of de

afbeelding zodanige opruiing voorkomt, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie

jaren of geldboete van de vierde categorie.

2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die, met gelijke wetenschap of een gelijke reden tot

vermoeden, de inhoud van een zodanig geschrift openlijk ten gehore brengt.

3. Indien het strafbare feit waartoe bij geschrift of afbeelding wordt opgeruid een

terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een

terroristisch misdrijf inhoudt, wordt de gevangenisstraf, gesteld op het in het eerste lid

omschreven feit, met een derde verhoogd.

14 Hoge Raad 22 mei 1939, NJ 1939/861 en Rechtbank Den Haag 1 december 2014, NJFS 2015/54. 15 Rechtbank Rotterdam 10 maart 2006, NJFS 2006, 120. 16 Gerechtshof Amsterdam 23 november 2009, NJFS 2010/29. 17 Noyon/Langemeijer/Remmelink Strafrecht, art. 131 Sr, aant. 5. 18 Gerechtshof Den Haag 23 januari 2008, NJ 2008/184

Page 12: Uitingsdelicten en de vrijheid van meningsuiting

11

Ook het verspreiden van of in voorraad hebben van opruiende geschriften is strafbaar.19

Hierbij moet het gaan om het verspreiden van meer dan één exemplaar. Dit hoeft echter niet

in het openbaar te gebeuren. Het plaatsen van een link op het internet, met het oog op het

verspreiden van een document, kan als verspreiding worden aangemerkt.20 Ten slotte valt ook

het wederom verspreiden van reeds verspreidde opruiende geschriften en het retweeten van

berichten onder de strafbaarheid van verspreiding ter opruiing.21

Voor het verspreiden van geschriften of afbeeldingen geldt dat enig resultaat niet is vereist.

Ook is het niet vereist dat de dader wist dat hetgeen waartoe hij heeft opgeruid strafbaar is.

Wel is van belang dat de dader aan de inhoud van een geschrift of afbeelding openbaarheid

wil geven.22

1.3. Belediging van een groep mensen en aanzetten tot haat, discriminatie of gewelddadig optreden

Artikel 137c wetboek van strafrecht

1. Hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, opzettelijk

beledigend uitlaat over een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of

levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische

of verstandelijke handicap, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of

geldboete van de derde categorie.

2. Indien het feit wordt gepleegd door een persoon die daarvan een beroep of gewoonte

maakt of door twee of meer verenigde personen wordt gevangenisstraf van ten hoogste twee

jaren of geldboete van de vierde categorie opgelegd.

Artikel 137d wetboek van strafrecht

1. Hij die in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, aanzet tot haat tegen of

discriminatie van mensen of gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen

wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun geslacht, hun hetero- of

homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap, wordt

gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie.

19 Rechtbank Rotterdam 10 maart 2006, NJFS 2006. 20 Rechtbank Rotterdam 30 oktober 2007, LJN BB7174. 21 Rechtbank Rotterdam 23 oktober 2013, NJFS 2014/8 en Rechtbank Den Haag 10 december 2015, NJFS 2016/14. 22 Rechtbank Den Haag 10 december 2015, NJFS 2016/14.

Page 13: Uitingsdelicten en de vrijheid van meningsuiting

12

2. Indien het feit wordt gepleegd door een persoon die daarvan een beroep of gewoonte

maakt of door twee of meer verenigde personen wordt gevangenisstraf van ten hoogste twee

jaren of geldboete van de vierde categorie opgelegd.

Omdat de artikelen over belediging en aanzetten tot haat, discriminatie en gewelddadig

optreden grotendeels overeenkomen zullen ze samen worden behandeld. Met deze artikelen is

uitvoering gegeven aan het Internationaal verdrag inzake de uitbanning van

rassendiscriminatie.23 Bij deze artikelen gaat het om de belediging van of aanzetten tot haat,

discriminatie of gewelddadig optreden tegen een groep mensen vanwege bepaalde

kenmerken.

Belediging

Het begrip beledigend in het kader van artikel 137c Sr wordt omschreven als het miskennen

van de waardigheid van een groep mensen of het aantasten van iemands eigenwaarde of

zelfrespect.24 Of een uitlating door een persoon of groep wordt opgevat als beledigend is niet

beslissend. Van belang is of de uitlating de strekking heeft en geschikt is om de menselijke

waardigheid aan te tasten. Dit moet uit de uitlating zelf blijken.

Bij de beoordeling van artikel 137c Sr is de context van groot belang. Om vast te stellen of er

sprake is van belediging moeten er drie stappen worden gezet, die zijn neergelegd in drie

arresten van de Hoge Raad.25 In de eerste plaats moet er worden vast gesteld of de uitspraak

naar algemeen taalgebruik beledigend is voor een groep mensen. Hierbij moet het gaan om

het miskennen van de waarde van andere of het in het diskrediet brengen van een groep,

omdat deze een bepaald kenmerk bezitten.

Wanneer de uitlatingen beledigend is moet er vervolgens worden gekeken in welke context

de uitlating is gedaan. Een voorbeeld van een dergelijke context is het maatschappelijke

debat. Wanneer de uitlating een bijdrage levert aan het maatschappelijke debat kan dat het

beledigende karakter wegnemen. Hierbij is de Europese jurisprudentie van groot belang.

Hierin is geoordeeld dat uitlatingen gedaan in het kader van het maatschappelijke debat niet

makkelijk kunnen worden beperkt. Ook uitlatingen die “kwetsend, schokkend of

verontrustend” zijn kunnen niet zomaar worden beperkt. Eén vorm van het maatschappelijke

23 Internationaal Verdrag van New York van 7 maart 1966 inzake de uitbanning van elke vorm van rassendiscriminatie. 24 Gerechtshof Arnhem 26 juni 2001, LJN: AB2294 25 Hoge Raad 9 januari 2001, NJ 2001, 203, Hoge Raad 9 januari 2001, NJ 2001, 204 en Hoge Raad 14 januari 2003, NJ 2003, 261.

Page 14: Uitingsdelicten en de vrijheid van meningsuiting

13

debat is het politieke debat. Dit betekent dat politici een grotere mate van bescherming

hebben bij het doen van bepaalde uitspraken.

Wanneer de uitlating is gedaan in het kader van een bepaalde context moet ten slotte worden

gekeken of de uitlating onnodig grievend is. Wanneer een uitlating wordt gedaan binnen het

maatschappelijke debat kan deze toch strafbaar zijn wanneer deze onnodig grievend is.

Hierbij moet worden gekeken of de uitlating een meerwaarde heeft, of deze uitlating voor de

gemiddelde waarnemer buiten proportie is en of het gaat om harde gevallen van wezenlijke

aantasting van de menselijke waardigheid.

Een groep mensen

Om strafbaar te zijn op grond van artikel 137c Sr moet een uitlating gericht zijn op een groep

mensen. Echter, wanneer een uitlating die name gericht is tot één persoon ook beledigend kan

zijn voor de gehele bevolkingsgroep, is artikel 137c Sr ook van toepassing.26

Opzettelijk

Voor het bestanddeel opzettelijk uit artikel 137c Sr is het voldoende dat de verdachte het

beledigende karakter van zijn uitlating noodzakelijkerwijs heeft begrepen. Een intentie om te

beledigen is dus niet specifiek vereist.

Aanzetten tot

In het kader van artikel 137d Sr worden twee vormen van aanzetten onderscheiden: direct

aanzetten en indirect aanzetten. Om vast te stellen of een uitlating aanzet tot haat

discriminatie of gewelddadig optreden moet eerst worden beoordeeld of deze uitlating naar

bewoording hiertoe aanzet. De samenhang van de uitlating met de rest van de tekst kan

bepalend zijn voor de vraag welke betekenis aan bepaalde woorden moet worden gegeven.

Deze samenhang beperkt zich tot het artikel, boek, interview of de bijeenkomst waarin de

uitlating is gedaan.

Haat

De term haat uit artikel 137d Sr wordt in de jurisprudentie omschreven als een gevoel van

diepe afkeer voor iemand, gepaard met het verlangen om die persoon te zien ondergaan, of

26 Gerechtshof Amsterdam 26 maart 2009, LJN:BI1298.

Page 15: Uitingsdelicten en de vrijheid van meningsuiting

14

om hem leed aan te doen.27 Het aanzetten tot haat gaat duidelijk verder dan belediging.

Aanzetten tot haat kan alleen op indirecte wijze en daarom is het nodig dat het voldoende

krachtig is en moet sprake zijn van een intrinsiek conflictueuze tweedeling. Een intrinsiek

conflictueuze tweedeling kan bestaan wanneer twee groepen tegenover elkaar worden gezet

en vanuit een éénzijdig perspectief wordt geschetst dat de maatschappij (ofwel de ene groep)

ernstig de dupe wordt van de schadelijke eigenschappen van de andere groep en dat door de

door die tweedeling ontstane kloof tussen de twee groepen kan leiden tot ernstige en

gewelddadige conflicten.28 Ook moet er sprake zijn van een kracht versterkend element.

Discriminatie

Bij de omschrijving van discriminatie kan worden aangesloten bij de omschrijving uit artikel

90quarter Sr, welke overeenkomt met die van artikel 1 van het Internationale Verdrag inzake

de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie. Hierin wordt vermeld dat onder

discriminatie (...) wordt verstaan elke vorm van onderscheid, elke uitsluiting, beperking of

voorkeur, die ten doel heeft of ten gevolge kan hebben dat de erkenning of de uitoefening op

voet van gelijkheid van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden op politiek,

economisch, sociaal of cultureel terrein of op ander terreinen van het maatschappelijk leven

wordt teniet gedaan of aangetast. Met discriminatie wordt dus bedoeld: elke feitelijke

achterstand van mensen waardoor zij in hun fundamentele rechten en vrijheden worden

aangetast.

Anders dan bij de extreme emotie haat, is bij aanzetten tot discriminatie geen

krachtversterkend element nodig. Ook kan aanzetten tot discriminatie zowel direct als

indirect gebeuren.

Bij aanzetten tot discriminatie moet, net als bij het beledigen van een groep mensen, een

context toets gemaakt worden. Als een uiting die aanzet tot discriminatie wordt gedaan

binnen het kader van het maatschappelijke debat, kan het discriminerende karakter worden

weggenomen. Echter wanneer deze uitlating onnodig buitensporig is, kan er toch sprake zijn

van aanzetten tot discriminatie.

27 Rechtbank Rotterdam 10 maart 2006, NJFS 2006. 28 Rechtbank Amsterdam 23 juni 2011, NJ 2012/370

Page 16: Uitingsdelicten en de vrijheid van meningsuiting

15

Gewelddadig optreden

De term gewelddadig optreden levert in het algemeen weinig onduidelijkheid op. Het gaat

hier zowel om aanzetten tot geweld tegen personen als tegen goederen.

Kenmerken

Zowel bij het beledigen van een groep mensen als bij aanzetten tot haat, discriminatie en

gewelddadig optreden gaat het om bepaalde kenmerken van (een groep) mensen. De

kenmerken waarom het gaat zijn ras, godsdienst of levensovertuiging, seksuele gerichtheid of

handicap. Bij aanzetten tot haat, discriminatie of gewelddadig optreden komt daar ook het

kenmerk van geslacht bij. Dit verschil ligt in het feit dat de strafbaarheid van belediging op

grond van geslacht een te grote beperking zou zijn van de vrijheid van meningsuiting.29

In het geval van ras moet volgens de Hoge Raad worden aangesloten bij de strekking van

artikel 1 van het Internationale Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van

rassendiscriminatie.30 Hierin staat dat rassendiscriminatie gebaseerd is op ras, huidskleur,

afkomst of nationale etnische afstamming.

Met godsdienst worden alle religies bedoeld die het bestaan van een bovennatuurlijke macht

aanvaarden. Wanneer dit niet het geval is, kan worden terug gevallen op levensovertuiging.

Hierbij is overigens ook een heilige en existentiële opvatting over de betekenis van zijn

bestaan en de wijze waarop dat geleefd moet worden nodig.31 Waar het bij deze artikelen om

gaat is het beledigend uitlaten over of aanzetten tot haat, discriminatie of gewelddadig

optreden tegen gelovige mensen, en niet over een godsdienst.32 Maar niet alleen gelovigen

vallen hieronder. Bij de beoordeling van uitlatingen op grond van 137d Sr heeft Hoge Raad

geoordeeld dat ook ongelovigen onder de bescherming van dit artikel vallen. De redenatie

hierachter was dat noch de tekst noch de geschiedenis van de totstandkoming van artikel

137d Sr aanknopingspunten bevat dat dit artikel beoogt alleen bepaalde minderheidsgroepen

vanwege hun kwetsbaarheid te beschermen.33

29 Tweede Kamer 1988-1989, 20 239, MvA nr. 5, p. 5. 30 Hoge Raad 15 juni 1976, LJN: AB5842, NJ 1976, 551 31 Memorie van Antwoord, Kamerstukken II 1969/70 nr. 9724. 32 Gerechtshof van Amsterdam 21 januari 2009, LJN: BH0496, NJ 2009, 191 33 Hoge Raad 2 februari 2010, RvdW 2010, 276

Page 17: Uitingsdelicten en de vrijheid van meningsuiting

16

Bij seksuele gerichtheid en handicap gaat het om het uiterlijke gedrag of bepaald kenmerk

van iemand.

Openbaar

Om strafbaar te zijn moet een uiting, net als bij opruiing, in het openbaar gedaan zijn. In een

arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het voor aanzetten tot haat nodig is dat er opzet is

geweest op de openbaarheid.34 Hieruit kan worden afgeleid dat hetzelfde geldt voor

beledigende uitlatingen. Voorwaardelijk opzet is echter voldoende. Dit betekent dat iemand,

die zich bewust blootstelt aan de aanmerkelijke kans dat het gebruik van de term tegen de

daarmee aangeduide personen een beledigend karakter draagt, strafbaar is.35 Zoals boven bij

de uitleg over opruiing al is opgemerkt kan het internet worden aangemerkt als openbare

plaats, mits deze ook daadwerkelijk toegankelijk is voor publiek.

Net als bij opruiing moet belediging van een groep of aanzetten tot haat, discriminatie of

gewelddadig optreden mondeling gebeuren of door middel van geschrift of afbeelding.

1.4. Openbaar maken, toezenden en verspreiden van een uitlating

Artikel 137e wetboek van strafrecht

1. Hij die, anders dan ten behoeve van zakelijke berichtgeving:

1° een uitlating openbaar maakt die, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, voor

een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun hetero- of

homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap

beledigend is, of aanzet tot haat tegen of discriminatie van mensen of gewelddadig optreden

tegen persoon of goed van mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun

geslacht, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of

verstandelijke handicap;

2° een voorwerp waarin, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, zulk een uitlating is

vervat, aan iemand, anders dan op diens verzoek, doet toekomen, dan wel verspreidt of ter

openbaarmaking van die uitlating of verspreiding in voorraad heeft;

wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde

categorie.

34 Hoge Raad 2 april 2002 LJN: AD8693, 00105/01 en Hoge Raad 29 mei 2001 LJN:AB1818 00074/00. 35 Hoge Raad 21 november 1989, DD 1990, 130.

Page 18: Uitingsdelicten en de vrijheid van meningsuiting

17

2. Indien het feit wordt gepleegd door een persoon die daarvan een beroep of gewoonte

maakt of door twee of meer verenigde personen wordt gevangenisstraf van ten hoogste een

jaar of geldboete van de vierde categorie opgelegd.

Artikel 137e Sr heeft een ander karakter dan de artikelen 137c en 137d Sr. Bij artikel 137e Sr

gaat het namelijk om uitlatingen die strafbaar zijn gesteld in de artikelen 137c en 137d Sr.

Hierbij is van belang dat de uitlatingen openbaar zijn gemaakt, toegezonden of verspreid

“anders dan ten behoeve van zakelijke berichtgeving.” Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat dit

vereiste is toegevoegd om de vrijheid van meningsuiting niet onnodig te beperken.36 Wanneer

vast staat dat in het kader van zakelijke berichtgeving wordt gehandeld heft dit in beginsel de

strafbaarheid op. Bij zakelijke berichtgeving valt te denken aan wetenschappelijke en

journalistieke publicaties en aan voorlichting.37 Uit de bewijsmiddelen zal moeten blijken of

de uitlatingen “anders dan ten behoeve van zakelijke berichtgeving” ter verspreiding in

voorraad worden gehouden. De bedoeling van de verdachte kan een rol spelen bij de

beoordeling of de verspreiding al dan niet “ten behoeve van zakelijke berichtgeving” diende.

1.5. Samenvatting en conclusie

De uitingsdelicten die hierboven zijn beschreven omvatten opruiing, het beledigen van een

groep en het aanzetten tot haat, discriminatie of gewelddadig optreden. Al deze

uitingsdelicten hangen nauw met elkaar samen en bevatten enige overlap.

Opruien is het ophitsen, opstoken of aanzetten tot iets ongeoorloofds is, namelijk tot een

strafbaar feit of gewelddadig optreden tegen het openbare gezag. De opruiing kan zowel

direct als indirect gebeuren en verschillende vormen aannemen. Bij de beoordeling of iets

onder opruiing valt kunnen eerdere ervaringen en gewelddadige gebeurtenissen die grote

politieke en maatschappelijke onrust hebben veroorzaakt van invloed zijn. Het strafbare feit

waartoe opgeruid wordt moet een strafbaar feit naar Nederlands recht zijn. In de

jurisprudentie is geconcludeerd dat deelname aan het gewapende conflict in Syrië (en Irak)

een strafbaar feit naar Nederlands recht is. Hieruit volgt dat het oproepen tot deelname aan de

gewapende strijd opruiing is. Met het begrip “openbaar gezag” wordt niet alleen het openbare

gezag van Nederland verstaan, maar ook het openbare gezag van andere staten kan hieronder

vallen. Een opruiende uitlating is pas strafbaar wanneer dit in het openbaar gebeurt. Hierbij is

36 Kamerstukken II 1967/1968, 9724, nr. 3. 37 Hoge Raad 23 november 2010, RvdW 2010/1423.

Page 19: Uitingsdelicten en de vrijheid van meningsuiting

18

van belang dat de uitlating “potentieel ter kennis van het publiek kan komen”, het moet dus

gericht zijn op of tot het publiek. Ook het verspreiden of in voorraad hebben van opruiende

uitlating is strafbaar.

De artikelen 137c en 137d Sr zijn zo nauw met elkaar verbonden dat de artikelen enige

overlap hebben tussen de bestanddelen. Bij beide artikelen gaat het om ofwel de belediging

van ofwel het aanzetten tot haat, discriminatie of gewelddadig optreden tegen een groep

mensen vanwege bepaalde kenmerken.

Bij belediging is het van belang dat de uitlating de strekking heeft en geschikt is om de

menselijke waardigheid aan te tasten van een groep. Bij de beoordeling van het beledigen van

een groep mensen moet een stappentoets gevolgd worden. Eerst moet worden gekeken of de

uitlating naar algemeen spraakgebruik beledigend is voor een groep mensen. Wanneer een

uitlating beledigend is moet vervolgens worden gekeken naar de context, die in sommige

gevallen het beledigende karakter kan ontnemen. Ten slotte moet worden gekeken of de

uitlating gedaan in een bepaalde context onnodig grievend is. Wanneer dit zo is, kan een

uitlating alsnog strafbaar zijn. Verder moet de uitlating beledigend zijn voor een gehele

bevolkingsgroep en niet voor één enkel individu. Ten slotte is nog enige opzet vereist.

Aanzetten tot haat, discriminatie of gewelddadig optreden kan op directe en indirecte wijze

gebeuren. Om vast te stellen of een uitlating ergens toch aanzet moet eerst naar de

bewoording zelf worden gekeken. Ook de samenhang van de uitlating met de rest van de

tekst is van belang.

Bij haat draait het om een gevoel van diepe afkeer voor iemand, gepaard met het verlangen

om die persoon te zien ondergaan, of hem leed aan te doen. Haat is dus een extreme emotie

van afkeer en vijandigheid. Er moet sprake zijn van een intrinsiek conflictueuze tweedeling

en een kracht versterkend element. Het aanzetten tot haat gaat duidelijk verder dan

belediging.

Bij de omschrijving van discriminatie kan worden aangesloten bij de omschrijving uit artikel

90quarter Sr, welke overeenkomt met die van artikel 1 van het Internationale Verdrag inzake

de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie en komt neer op elke feitelijke

achterstand van mensen waardoor zij in hun fundamentele rechten en vrijheden worden

aangetast. Ook hier wordt weer gekeken naar de context en, wanneer deze is gedaan in het

kader van het maatschappelijke debat, of de uitlating onnodig buitensporig is.

Page 20: Uitingsdelicten en de vrijheid van meningsuiting

19

De uitlating moet gericht zijn op bepaalde kenmerken van (een groep) mensen, zoals ras,

godsdienst, geslacht, seksuele gerichtheid of handicap.

Om strafbaar te zijn moet een uiting, net als bij opruiing, in het openbaar gedaan zijn en moet

er (voorwaardelijk) opzet zijn op deze openbaarheid.

Het openbaar maken, toezenden en verspreiden van een uiting die beledigend is of aanzet tot

haat, discriminatie of gewelddadig optreden wegens bepaalde kenmerken is ook verboden

indien dit is gedaan “anders dan ten behoeve van zakelijke berichtgeving.”

Het is duidelijk te zien dat artikelen over opruiing, het beledigen van een groep en aanzetten

tot haat, discriminatie of gewelddadig optreden in de loop der jaren steeds verder zijn

uitgekristalliseerd doormiddel van bijvoorbeeld nadere wetsuitleg en de verschillende

uitspraken die in de afgelopen jaren zijn uitgesproken.

In het volgende hoofdstuk zal worden ingegaan op de vrijheid van meningsuiting. Dit recht is

namelijk belangrijk bij het beoordelen of er sprake is van een strafbare uitlating.

Page 21: Uitingsdelicten en de vrijheid van meningsuiting

20

2. Het Europees verdrag voor de rechten van de mens

Voor de beoordeling of er sprake is van strafbare opruiing, het beledigen van een groep

mensen of aanzetten tot haat is toetsing aan artikel 10 EVRM van belang.38 Artikel 10 EVRM

bevat het recht op de vrijheid van meningsuiting. Het recht op de vrijheid van meningsuiting

is een klassiek grondrecht en is er op gericht de burger tegen de overheid te beschermen.

2.1. De vrijheid van meningsuiting

Artikel 10 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de

fundamentele vrijheden

1. Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een

mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te

verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Dit artikel

belet Staten niet radio-omroep-, bioscoop- of televisieondernemingen te onderwerpen aan

een systeem van vergunningen.

2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt,

kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of

sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk

zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid,

het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid

of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de

verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de

onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.

Het recht op vrije meningsuiting is vast gelegd in het eerste lid van artikel 10 EVRM en

wordt als essentieel gezien voor de maatschappelijke vooruitgang en de ontwikkeling van het

individu. Het artikel biedt zowel bescherming aan positieve denkbeelden als aan

meningsuitingen die mogelijk als kwetsend, schokkend en/of verontrustend ervaren worden.39

Dit artikel beschermt het recht deze meningsuitingen te verstrekken en te ontvangen maar

ook om deze te koesteren. Hierdoor wordt het gehele communicatieproces door artikel 10

EVRM beschermd.

38 EVRM: het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. 39 EHRM 7 december 1976, Handyside – Verenigd Koninkrijk, NJ 1987/236.

Page 22: Uitingsdelicten en de vrijheid van meningsuiting

21

De vrijheid van meningsuiting is echter geen absoluut recht. In lid 2 van het artikel wordt

aangegeven dat de vrijheid van meningsuiting door de overheid mag worden beperkt wanneer

dit nodig is om de rechten of goede naam van anderen te beschermen of in het belang van de

nationale veiligheid of ter bescherming van de openbare orde, de volksgezondheid of de

goede zeden.

In de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is een stappentoets

ontwikkeld die wordt gebruikt als leidraad bij de beoordeling van beperkingen van de

vrijheid van meningsuiting.40 Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft

vastgesteld dat een beperking bij wet voorzien moet zijn, een legitiem doel uit lid 2 van

artikel 10 EVRM moet dienen en noodzakelijk moet zijn in een democratische samenleving.

Bij wet voorzien

De eerste voorwaarde is dat de beperking “bij wet voorzien” moet zijn. Het begrip “wet”

moet hier ruim uitgelegd worden, aangezien hier ook lagere regelingen onder vallen. De

wettelijke bepaling waarop de beperking berust moet voldoende voorzienbaar en toegankelijk

zijn. Dit betekent dat de burger moet kunnen weten welke regels op hem van toepassing zijn

(toegankelijk) en dat de regel voor de burger duidelijk genoeg moet zijn om te weten welke

rechten en plichten eraan ontleend kunnen worden (voorzienbaar). Ook moet de bepaling

met voldoende zorgvuldigheid zijn geformuleerd. Het Europees Hof voor de Rechten van de

Mens heeft bepaald dat ook ongeschreven recht kan voldoen aan het vereiste van “bij wet

voorzien”, mits deze voldoende toegankelijk en voorzienbaar zijn.41

Een legitiem doel dienen

Een tweede voorwaarde is dat er sprake moet zijn van een “legitiem doel onder één van de

beperkingsgronden”. De staat zelf heeft hier een zekere beoordelingsruimte om te bepalen of

er sprake is van een rechtmatige beperking. De legitieme doelen waaruit gekozen kan worden

staan opgesomd in lid 2 van artikel 10 EVRM en omvatten onder andere het belang van de

nationale veiligheid of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en

strafbare feiten en de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen. Omdat deze

40 EHRM 26 april 1979, Sunday Times –Verenigd Koninkrijk, NJ 1980 en 146 en EHRM 7 december 1976, Handyside – Verenigd Koninkrijk, NJ 1987/236. 41 EHRM 26 april 1979, Sunday Times –Verenigd Koninkrijk, NJ 1980, 146.

Page 23: Uitingsdelicten en de vrijheid van meningsuiting

22

in de rechtspraak zeer ruim worden geïnterpreteerd vormt dit tweede vereisten vrijwel nooit

een obstakel voor de beperking.42

Noodzakelijk in een democratische samenleving

Een derde en tevens belangrijkste voorwaarde is dat de beperking “noodzakelijk moet zijn in

een democratische samenleving”. De nadruk van lid 1 van artikel 10 EVRM ligt op het

beschermen van het maatschappelijke debat. Daarom is een beperking slechts toegestaan

wanneer deze noodzakelijk is in een democratische samenleving. In de jurisprudentie van het

Europees Hof voor de Rechten van de Mens is geoordeeld dat er in dit geval sprake moet zijn

van een “pressing social need.” Hiernaast moeten de nationale autoriteiten relevante en

toereikende redenen hebben voor de beperking. Vervolgens moet beperking niet alleen

noodzakelijk zijn maar ook proportioneel. Dit betekent dat de beperking evenredig moet zijn

aan het doel dat wordt nagestreefd. Tevens moet de beperking effectief en doelmatig zijn.43

Bij de beoordeling of een beperking noodzakelijk is moet volgens het Europees Hof voor de

Rechten van de Mens ook rekening worden gehouden met de principes van een

democratische samenleving, te weten pluralisme, tolerantie en verdraagzaamheid.44 Omdat

het EVRM een “living instrument” is, is tijd een belangrijke factor waarmee rekening moet

worden gehouden bij het beoordelen of een beperking noodzakelijk is.

Ook de context waarin de uiting wordt gedaan is van belang.45 Uitlatingen die worden gedaan

in de context van het maatschappelijke debat kunnen rekenen op een grotere mate van

bescherming onder artikel 10 EVRM.46 Staten hebben weinig ruimte om strafrechtelijk op te

treden tegen degenen die zich mengen in het maatschappelijke debat, zeker wanneer het gaat

om kritiek op de overheid of maatschappelijke misstanden. Met name in het geval van

uitlatingen door de pers en de media in het kader van het maatschappelijke debat bestaat een

hoge mate van bescherming en is niet snel sprake dat een beperking noodzakelijk is in een

democratische samenleving. Het is namelijk de rol van de pers om mensen zo goed mogelijk

te informeren en zij moeten dit in vrijheid kunnen doen.47

42 J.H. Gerards, EVRM, algemene beginselen, Den Haag: Sdu Uitgevers 2011. 43 EHRM 7 december 1976, Handyside – Verenigd Koninkrijk, NJ 1987/236 en EHRM 6 mei 2003, Appleby and Others – Verenigd Koninkrijk, NJ 2010/207. 44 EHRM 7 december 1976, Handyside – Verenigd Koninkrijk, NJ 1987/236. 45 EHRM 8 juli 2008, Vajnai – Hongarije, application no. 23168/94. 46 EHRM 8 juli 1999, Surek – Turkije, nr 26682/95. 47 EHRM 26 april 1979, Sunday Times –Verenigd Koninkrijk, NJ 1980, 146.

Page 24: Uitingsdelicten en de vrijheid van meningsuiting

23

Hetzelfde geldt voor politici. Wanneer een politicus een uitlating doet over zijn politieke

opvatting die bijdraagt aan het maatschappelijke/politieke debat, zal de rechter een beperking

slechts om zeer dringende redenen toestaan.48 Een politicus vertegenwoordigt en verdedigt

namelijk de belangen van het volk.49 Echter, doordat de woorden van politici een grote

impact hebben, kunnen zij meer schade aanrichten en eerder worden ervaren als beledigend.50

Hoewel de overheid zich terughoudend moet opstellen wanneer het gaat om het beperken van

uitlatingen van politici, mag zij wel ingrijpen wanneer deze ervoor zorgen dat de publieke

orde in gevaar komt of wanneer opgeroepen wordt tot geweld tegen mensen of de

samenleving. Een politicus dient de democratie en haar principes te respecteren.51 Een

politicus dient daarom terughoudend en gematigd te zijn bij het doen van uitspraken.52 Er

moet echter van geval tot geval bekeken te worden of het gerechtvaardigd is om de vrijheid

van meningsuiting te beperken.53

Het doel van artikel 10 EVRM is het bieden van bescherming tegen de overheid. Een burger

kan bij schending van dit recht een beroep doen bij de rechter. Omdat de vrijheid van

meningsuiting een essentieel recht is, zal een beperking daarop goed gemotiveerd moeten

worden.

Margin of appreciation

Bij de interpretatie van artikel 10 EVRM hebben de lidstaten een bepaalde beleidsvrijheid,

waarbij nationale omstandigheden in acht kunnen worden genomen. Dit maakt het mogelijk

om lokale sociale en culturele omstandigheden mee te nemen bij de beoordeling. Deze

beoordelingsmarge is toegekend aan de afzonderlijke staten omdat zij in beginsel beter in

staat zijn om te beoordelen of in een concreet geval een beperking noodzakelijk is.

48 EHRM 16 juli 2009, Feret – Belgie, LJN: BJ9038. 49 EHRM 23 april 1992, Castells – Spanje, nr. 11798/85. 50 EHRM 6 juli 2006, Erbakan – Turkey, nr. 59405/00. 51 EHRM 16 juli 2009, Feret – Belgie, LJN: BJ9038. 52 EHRM 4 december 2003, Gunduz – Turkije, NJ 2005, 176. 53 EHRM 8 juli 2008, Vajnai – Hongarije, application no. 23168/94.

Page 25: Uitingsdelicten en de vrijheid van meningsuiting

24

2.2. Het verbod van misbruik van recht

Artikel 17 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de

fundamentele vrijheden

Geen der bepalingen van dit Verdrag mag worden uitgelegd als zou zij voor een Staat, een

groep of een persoon een recht inhouden enige activiteit aan de dag te leggen of enige daad

te verrichten met als doel de rechten of vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld teniet te

doen of deze verdergaand te beperken dan bij dit Verdrag is voorzien.

Artikel 17 EVRM is een speciale beperkingsgrond naast die van lid 2 van artikel 10 EVRM.

Hierin is vast gelegd dat het verboden is om grond rechten zoals de vrijheid van

meningsuiting te misbruiken met als doel de andere grondrechten of democratische waarden

zoals het pluralisme of tolerantie teniet te doen. Dit artikel wordt echter niet snel toegepast.

2.3. Samenvatting en conclusie

Bij de beoordeling van de strafbaarheid van de uitingsdelicten moet rekening worden

gehouden met de vrijheid van meningsuiting, zoals neergelegd in artikel 10 EVRM. Deze

vrijheid van meningsuiting mag namelijk alleen worden beperkt indien deze beperking aan

een aantal vereisten voldoet. Deze vereisten zijn door het Europees Hof voor de Rechten van

de Mensen ontwikkeld en samengevat in een stappentoets die kan worden gebruikt als

leidraad bij de beoordeling van de uitlatingen.

Voor een toegestane beperking is het nodig dat deze is voorzien bij wet, één van de legitieme

doelen dient en noodzakelijk is in een democratische samenleving. Aan de eerste twee eisen

wordt in de Europese jurisprudentie weinig aandacht besteed en eisen dat de beperking in een

toegankelijke en voorzienbare wet zijn neergelegd en dat de beperking bijvoorbeeld in het

belang is van de nationale of openbare veiligheid is, wanordelijkheden of strafbare feiten

voorkomt of de goede naam of rechten van andere beschermd. Het laatste vereiste,

noodzakelijk in een democratische samenleving, wordt daarentegen uitgebreid behandeld in

de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Bij dit vereiste moet

een dringende maatschappelijke noodzaak bestaan voor de beperking en moet worden

gekeken naar de context waarin de uitlatingen zijn gedaan. Met name uitlatingen die zijn

gedaan in het kader van het maatschappelijke debat zullen minder snel kunnen worden

beperkt. Het politieke debat is een onderdeel van het maatschappelijke debat. Hieruit volgt

Page 26: Uitingsdelicten en de vrijheid van meningsuiting

25

dat politici een grotere mate van bescherming van de vrijheid van meningsuiting genieten,

ook wanneer hun uitlatingen kwetsend, schokkend of verontrustend zijn. Deze uitlatingen

mogen dan echter niet onnodig grievend zijn. Politici moeten zich bij het doen van uitspraken

terughoudend en gematigd opstellen.

Bij de beoordeling van artikel 10 EVRM hebben de afzonderlijke lidstaten een bepaalde

beleidsvrijheid, wat het mogelijk maakt dat nationale omstandigheden mee worden genomen

bij de beoordeling.

Naast artikel 10 EVRM bestaat ook nog een speciale beperkingsgrond. Deze is neergelegd in

artikel 17 EVRM en wordt niet snel toepasbaar geacht door het Europees Hof voor de

Rechten van de Mens.

In het volgende hoofdstuk zal worden bekeken hoe artikel 10 EVRM wordt toegepast in de

Nederlandse jurisprudentie over uitingsdelicten. Aan de hand van verschillende uitspraken

zal worden gekeken naar wat de lijn in de huidige jurisprudentie is.

Page 27: Uitingsdelicten en de vrijheid van meningsuiting

26

3. Toepassing van artikel 10 in de Nederlandse jurisprudentie Na te hebben gekeken naar het juridische kader van de artikelen over opruiing, het beledigen

van een groep mensen en het aanzetten tot haat, discriminatie en gewelddadig optreden en het

juridische kader van de vrijheid van meningsuiting, zal in dit hoofdstuk worden bekeken hoe

artikel 10 EVRM is toegepast in de Nederlandse jurisprudentie. Om hier achter te komen heb

ik gekeken naar de lijn van de jurisprudentie van de laatste jaren. Hiervoor heb ik

verschillende uitspraken bekeken die betrekking hebben op opruiing, het beledigen van een

groep mensen en aanzetten tot haat, discriminatie en gewelddadig optreden.

3.1. Jurisprudentie

Eén van de eerdere grote uitspraken inzake opruiing betreffen die in de strafzaak tegen de

Hofstadgroep. De leden van de Hofstad groep werden ervan verdacht te hebben deelgenomen

aan een criminele en terroristische organisatie en in het kader hiervan te hebben opgeruid tot

het plegen van strafbare feiten en gewelddadig optreden, het verspreiden van opruiende

uitlatingen en het aanzetten tot haat, discriminatie en gewelddadig optreden. Bij de

behandeling van de zaak in eerste aanleg in 2006 wordt een kleine verwijzing gemaakt naar

de vrijheid van meningsuiting bij de behandeling van de tenlastelegging. De rechtbank

Rotterdam geeft hier aan dat iedereen het recht op de vrijheid van meningsuiting heeft, maar

dat hier wel beperking aan zijn gesteld, onder andere ter bescherming van de rechten en

vrijheden van anderen. Hiermee wordt indirect één van de vereisten van de stappentoets

benoemd: de beperking dient een legitiem doel te dienen. De rechtbank geeft aan dat het aan

de rechter is om te beoordelen of een bepaalde uitlating strafbaar is. Vervolgens wordt tijdens

het behandelen van het bewijs getoetst of aan de delictsomschrijvingen van de artikelen is

voldaan. Door deze toetsing wordt tevens impliciet voldaan aan het vereiste van “voorzien bij

wet.” Over het belangrijkste vereiste, “noodzakelijk in een democratische samenleving”

wordt in deze uitspraak niets gezegd.54

Bij de beoordeling van een, door één van de leden ingesteld, hoger beroep uit 2008 gaat het

gerechtshof Den Haag wel in op de bescherming van de vrijheid van meningsuiting. Voordat

het hof toekomt aan de beoordeling van de delictsomschrijving wordt het recht op vrijheid

van meningsuiting benoemd en onderstreept dat ook uitlatingen die kwetsend, schokkend of

54 Rechtbank Rotterdam 10 maart 2006, NJFS 2006/120.

Page 28: Uitingsdelicten en de vrijheid van meningsuiting

27

verontrustend zijn worden beschermd. Het hof geeft aan dat een beperking mogelijk is

wanneer deze is voorzien bij wet, één van de legitieme doelen van lid 2 dient en dit

noodzakelijk is in een democratische samenleving. Door een beperking toe te staan zou

volgens het hof het belang van de nationale en openbare veiligheid worden gediend, zou de

openbare orde worden beschermd, worden strafbare feiten voorkomen en worden de rechten

en vrijheden van andere beschermd. Met name op de vraag of de beperking noodzakelijk is in

een democratische samenleving wordt dieper ingegaan. Volgens het hof blijkt uit de

jurisprudentie van het Europees hof voor de Rechten van de Mens dat de beantwoording van

deze vraagt af hangt van een belangenafweging waarbij een aantal factoren een rol spelen.

Een uitlating moet bijvoorbeeld in de grotere context worden gezien. Hierbij is van belang of

de uitlating bijdraagt aan het maatschappelijke debat. Wanneer deze uitlating echter nodeloos

agressief is, staat de bescherming van artikel 10 EVRM in beginsel niet open. Hierop volgt

een uitleg van het hof of en waarom aan deze vereisten zijn voldaan. In deze uitspraak wordt

dus uitgebreid ingegaan op de vrijheid van meningsuiting en de stappentoets van het

Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Alle drie de vereisten worden benoemd en er

wordt duidelijk aangegeven of en waarom aan deze vereisten is voldaan.55

In een uitspraak van de rechtbank van Amsterdam uit 2008 stond de vrijheid van

meningsuiting in het kader van belediging van een groep mensen op een internet forum

centraal. Bij de waardering van het bewijs geeft de rechtbank aan dat voor de beantwoording

van de vraag of er sprake is van belediging, niet alleen de tekst op zichzelf beschouwd

beoordeeld moet worden. De rechtbank geeft aan dat de zaak beoordeeld moet worden in het

licht van de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, aangezien

artikel 137c Sr een uitzondering is op de vrijheid van meningsuiting. Uit deze jurisprudentie

valt volgens de rechtbank namelijk af te leiden welke feiten en omstandigheden bij de

beoordeling een rol spelen. De rechtbank geeft aan dat er in de Europese jurisprudentie keer

op keer wordt benadrukt dat de vrijheid van meningsuiting één van de meest essentiële

fundamenten van de democratische rechtsstaat vormt. Vervolgens wordt er ingegaan op de

drie vereisten voor een beperking, zoals ontwikkeld door het Europees Hof voor de Rechten

van de Mens. Ook hier wordt weer aangegeven dat niet alleen positieve uitlatingen worden

beschermd. In het geval van politieke uitlatingen of uitlatingen die het publieke belang raken

biedt artikel 10 EVRM weinig ruimte voor een beperking. Volgens de rechtbank is aan de

55 Gerechtshof Den Haag 23 januari 2008, NJ 2008/184.

Page 29: Uitingsdelicten en de vrijheid van meningsuiting

28

eerste twee vereisten voldaan en er wordt duidelijk uitgelegd waarom. De belangrijkste vraag

die beantwoord moet worden is volgens de rechtbank of de beperking noodzakelijk is in een

democratische samenleving. De rechtbank benadrukt dat het Europees Hof voor de Rechten

van de Mens van mening is dat een strafrechtelijke veroordeling en bestraffing de zwaarst

mogelijke inbreuk op de vrijheid van meningsuiting vormen en dat staten hier voorzichtig

mee om moeten gaan. Dit geldt nog sterker wanneer de staat mogelijke alternatieven voor

handen heeft. Bij de beantwoording van de vraag of een beperking noodzakelijk is in een

democratische samenleving is het van belang of er een dringende maatschappelijke noodzaak

bestaat om de verdachte te veroordelen en of de veroordeling proportioneel is ten aanzien van

het beoogde doel. Ten slotte is het van belang dat er kan worden aangetoond dat een

veroordeling voldoende relevant en voldoende is. Bij de beoordeling van een

maatschappelijke noodzaak heeft de staat een bepaalde beoordelingsvrijheid. Hoe groot deze

beleidsvrijheid is hangt af van de omstandigheden van het geval. Vervolgens wordt de zaak

beoordeeld in het licht van artikel 10 EVRM. Hierbij wordt gekeken of de context het

beledigende karakter kan wegnemen. Wanneer de uitlatingen geen bijdrage leveren aan het

maatschappelijke debat zal dit niet kunnen. Ondanks dat niet alleen positieve uitlatingen

worden beschermd, oordeelt de rechtbank dat dit wordt begrenst door de bescherming tegen

dehumanisering en onwaardige behandeling in de vorm van discriminatie. Ten slotte oordeelt

de rechter dat ook van belang is of de groepen in kwestie redelijkerwijs in aanraking konden

komen met de uitlatingen. Wanneer dit niet het geval is, zal een beperking niet snel

noodzakelijk worden geacht.56

In de strafzaak tegen Geert Wilders inzake de belediging van een groep mensen en het

aanzetten tot haat, discriminatie en gewelddadig optreden is de vrijheid van meningsuiting

tevens van belang. Op 21 januari 2009 heeft het gerechtshof Amsterdam de strafvervolging

van Geert Wilders bevolen. In de inhoudelijke behandeling wordt eerst bekeken of de

uitlatingen naar Nederlands recht strafbaar zijn. Hier gaat het hof al kort in op de context, het

maatschappelijke/politieke debat, waarin de uitlating is gedaan. Volgens het hof moeten de

betreffende uitlatingen in onderling verband worden beschouwd, wat in combinatie met de

politieke context waarin deze zijn gedaan de strafbaarheid zou kunnen wegnemen. Deze

combinatie kan er echter ook voor zorgen dat de strafbaarheid versterkt wordt. Ook wordt in

dit onderdeel aandacht besteedt aan het feit dat Wilders een politicus is. Vervolgens wordt de

56 Rechtbank Amsterdam 2 juni 2008, LJN BD2977.

Page 30: Uitingsdelicten en de vrijheid van meningsuiting

29

toelaatbaarheid van de strafbaarheid op grond van artikel 10 EVRM getoetst. In deze

uitspraak wordt weer uitgebreid ingegaan op de drie vereisten van het Europees Hof voor de

Rechten van de Mens. Meteen wordt aangegeven dat een politicus een krachtige bescherming

van de vrijheid van meningsuiting geniet, welke ook betrekking heeft op kwetsende,

schokkende en verontrustende uitlatingen. Vervolgens wordt ingegaan op het vereiste

“voorzien bij wet”. Hier wordt aangegeven dat de wet voldoende duidelijk en voorzienbaar

moet zijn geweest. Hierna gaat het hof in op het vereiste “noodzakelijk in een democratische

samenleving”. Er wordt aangegeven dat er een dringende reden van maatschappelijk belang

nodig is voor een toegestane beperking. Een voorbeeld van een dringende reden bestaat

volgens het hof wanneer politici intolerantie prediken en haat zaaien. Dit houdt volgens het

hof direct verband met de plichten en verantwoordelijkheden die aan de uitoefening van de

vrijheid van meningsuiting zijn verbonden. Die vrijheid legt namelijk de nodige

terughoudendheid en matiging op aan een politicus. Het enkele feit dat een politicus

deelneemt aan het publieke debat maakt hem volgens het hof niet bij voorbaat straffeloos.

Een dergelijke uitlating als die van Wilders, is volgens het hof enkel toegestaan wanneer dit

van argumenten wordt voorzien en een substantiële bijdrage levert aan het publieke debat. In

lijn met het Europees Hof voor de Rechten van de Mens behoeft een deelnemer aan dit

publieke debat een waardeoordeel niet altijd van genoegzaam feitelijk bewijs te voorzien,

maar moet dit wel enigszins of een feitelijke basis geschieden. Het hof eindigt hier met de

uitspraak dat de lijn in de rechtspraak duidelijk is: in geval een politicus oproept tot

discriminatie en haat wordt misbruik gemaakt van het recht op vrije meningsuiting en komt

hem geen beroep toe op de bescherming van artikel 10 EVRM. Ten slotte oordeelt het hof dat

een beperking nodig is in het belang van de bescherming van de rechten van andere en met

het oog op het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten. In deze zaak wordt diep

ingegaan op de drie vereisten en wordt helder uiteen gezet wanneer hier wel of niet aan is

voldaan.57

In de daadwerkelijke strafvervolging van Geert Wilders in 2011 wordt door de rechtbank

Amsterdam kort ingegaan op de visie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens

over de vrijheid van meningsuiting. Tijdens de waardering van het bewijs van aanzetten tot

haat tegen en discriminatie van moslims wegens hun godsdienst wordt eerst geanalyseerd wat

er onder het aanzetten tot haat en discriminatie verstaan wordt. Vervolgens wordt gekeken

57 Gerechtshof van Amsterdam 21 januari 2009, NJ 2009/191.

Page 31: Uitingsdelicten en de vrijheid van meningsuiting

30

naar de samenhang van en context waarin de uitlatingen zijn gedaan. Hier is volgens de

rechtbank artikel 10 EVRM van belang. De rechtbank geeft aan dat lid 2 van artikel 10

EVRM in het geval van politieke uitspraken of zaken van algemeen belang weinig ruimte

biedt voor een beperking. Ook hier wordt aangegeven dat indien er sprake is van een bij wet

voorziene beperking die een legitiem doel dient, zal moeten worden onderzocht of de

beperking noodzakelijk is in een democratische samenleving. Volgens het hof is het in een

democratische samenleving van belang om het politieke debat de ruimte te geven en is van

oordeel dat aan politieke uitspraken slechts om zeer dringende redenen beperkingen mogen

worden opgelegd. Het hof geeft aan dat de vrijheid van meningsuiting met name voor

volksvertegenwoordigers van belang is aangezien zij de kiezers vertegenwoordigen. Daarom

zijn ook kwetsende, schokkende en verontrustende uitlatingen toelaatbaar. Tevens dient er

voor een toegestane beperking sprake te zijn van een “pressing social need.” Ten slotte is het

van wezenlijk belang dat politici in hun openbare uitspraken vermijden woorden te gebruiken

die de onverdraagzaamheid zouden kunnen aanwakkeren.

De rechtbank van Noord-Holland heeft in 2013 een uitspraak gedaan in een strafzaak tegen

iemand die terecht stond voor het opruien tot het plegen van strafbare feiten. Bij de

bewijsoverweging haalt de rechtbank het EVRM en de stappentoets van het Europees Hof

voor de Rechten van de Mens aan. De rechtbank geeft bij de beoordeling of de beperking

noodzakelijk is in een democratische samenleving aan dat ondanks dat ook kwetsende,

schokkende en verontrustende uitlatingen onder de bescherming van artikel 10 EVRM

kunnen vallen, dit niet het geval is wanneer door middel van het oproepen tot het plegen van

strafbare feiten geprobeerd wordt het maatschappelijke debat of een politieke discussie over

een bepaald onderwerp te stimuleren. Ook hier is weer duidelijk te zien dat het van belang is

dat niet alleen positieve uitlatingen worden beschermd, maar dat dit niet mag leiden tot iets

strafbaars.58

Bij de behandeling van een strafzaak tegen een antiquair die in zijn winkel het boek “Mein

Kampf” ter verkoop in voorraad had wordt ingegaan op de rol van de vrijheid van

meningsuiting in het geval van artikel 137e Sr. In de uitspraak uit 2014 gaat de rechtbank

Amsterdam bij de strafbaarheid van het feit en de strafbaarheid van de verdachte in op de

invloed van de vrijheid van meningsuiting. Nadat wordt ingegaan op de zakelijke

berichtgeving en de context waarbinnen de verdachte het boek heeft verkocht wordt gekeken

58 Rechtbank Noord-Holland 22 januari 2013, NJFS 2013/121.

Page 32: Uitingsdelicten en de vrijheid van meningsuiting

31

naar de overwegingen ten aanzien van artikel 10 EVRM. Na het benoemen van de eerste twee

vereisten van de stappentoets van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het

toetsen of hieraan voldaan is volgt een behandeling van het derde vereiste. Ook hier wordt

weer aangegeven dat er sprake moet zijn van een “pressing social need” en dat de beperking

moet voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Tevens wordt het feit dat

niet alleen positieve uitlatingen onder artikel 10 EVRM vallen herhaalt. Een belangrijk punt

is volgens de rechtbank of de uitlating in het kader van een debat over een onderwerp van

gewichtig maatschappelijk belang wordt gedaan. In dit geval wordt namelijk een hoge mate

van bescherming toegekend. Bij de beoordeling is volgens de rechtbank de “margin of

appreciation” van staten erg beperkt en kan niet los worden gezien van maatschappelijke

ontwikkelingen. Voorts wordt ook hier weer het belang van de context aangehaald.59

Ook in de context zaak uit 2015 was het van belang om te oordelen of de vrijheid van

meningsuiting bescherming kon bieden aan de gedane uitspraken. In deze zaak stonden de

verdachten terecht voor onder andere het opruien tot de deelname aan de gewapende strijd in

Syrië. In de uitspraak van de rechtbank Den Haag wordt bij de behandeling van het juridische

kader van opruiing en verspreiding ter opruiing eerst gekeken naar het juridische kader van

opruiing. Vervolgens wordt ingegaan op het EVRM. De rechtbank herhaalt de 3 vereisten

waaraan voldaan moet worden wil een beperking toegestaan worden geacht. Ook hier wordt

de meeste aandacht besteed aan het laatste vereiste: “noodzakelijk in een democratische

samenleving.” De rechtbank geeft aan dat uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de

Rechten van de Mens valt af te leiden dat “noodzakelijk” een dringende maatschappelijke

noodzaak inhoudt. Bij de waardering hiervan dient een afweging te worden gemaakt tussen

het individuele grondrecht, het fundamentele belang van de vrijheid van meningsuiting en het

algemene maatschappelijke belang, het fundamentele belang van bescherming van de

democratische rechtsstaat. Ook hier wordt herhaalt dat een beperking aan de eisen van

proportionaliteit dient te voldoen. Hiernaast wordt aangegeven dat de kenmerken van een

democratische samenleving, zoals pluralisme, tolerantie en ruimdenkendheid, eisen dat

artikel 10 EVRM grote ruimte biedt aan kwetsende, schokkende en verontrustende

uitlatingen. Bij de beoordeling van de grens tussen zulk soort uitlatingen en strafbare

uitlatingen spelen vele factoren een rol. Door de rechtbank worden de volgende factoren

genoemd: de inhoud van de uitlating, de context waarin de uitlating is gedaan, de plaats of

59 Rechtbank Amsterdam 21 november 2014, NJFS 2015/51.

Page 33: Uitingsdelicten en de vrijheid van meningsuiting

32

gelegenheid waarin de uitlating is gedaan, de doelgroep waarop de uitlating kennelijk was

gericht en de kennelijke bedoeling van de uitlating. Gelet op het bovenstaande beoordeelt de

rechtbank vervolgens per uitlating of deze rechtsreeks aanzet tot een strafbaar feit. In dit

arrest wordt duidelijk en uitgebreid aandacht besteed aan de stappentoets van het Europees

Hof voor de rechten van de Mens en wordt nader uitgelegd waarom een beperking

noodzakelijk is in een democratische samenleving. Ook hier wordt weer duidelijk gemaakt

dat de context waarin de uitlating is gedaan erg belangrijk is.60

In januari 2016 is een uitspraak gedaan in hoger beroep in zaak uit 2014 over artikel 137e Sr.

Bij de beoordeling van de strafbaarheid van het bewezenverklaarde gaat het gerechtshof

Amsterdam in op de overwegingen ten aanzien van artikel 10 EVRM en vraagt zich af of een

veroordeling van de verdachte in strijd is met zijn recht op vrije meningsuiting. Ook hier

wordt weer ingegaan op de stappentoets van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens

en wordt er vooral ingegaan op de vraag of de beperking noodzakelijk is in een

democratische samenleving. Er wordt weer aangegeven dat een beperking moet

beantwoorden aan een dwingende maatschappelijke behoefte en evenredig moet zijn aan het

beoogde doel. Tevens wordt aangegeven dat in het algemeen moet worden voorkomen dat de

vervolging van meningsuitingen leidt tot een chilling effect en bijdraagt aan een sfeer van

maatschappelijke onverdraagzaamheid.61

Op dezelfde dag is door het gerechtshof Amsterdam ook een uitspraak gedaan in een zaak ten

aanzien van groepsbelediging en het aanzetten tot discriminatie door een lokale politicus.

Deze zaak was terug verwezen door de Hoge Raad omdat bij de beoordeling van een uitlating

rekening dient te worden gehouden met de bewoordingen van die uitlating en de context

waarin deze is gedaan. Hierbij moet worden gekeken of de uitlating een bijdrage kan leveren

aan onder andere het publieke debat of een uitlating is van artistieke expressie. Ook moet

worden bekeken of de uitlating onnodig grievend is. Wanneer een uitlating is gedaan door

een politicus in het kader van het publieke debat zal rekening moeten worden gehouden met

enerzijds het belang dat een politicus daadwerkelijk in staat moet zijn zaken van algemeen

belang aan de orde te stellen en anderzijds de verantwoordelijkheid die een politicus in het

publieke debat draagt om te voorkomen dat hij uitlatingen doet die strijdig zijn met de wet en

de grondbeginselen van de democratische rechtsstaat. Hierbij gaat het niet alleen om

60 Rechtbank Den Haag 10 december 2015, NJFS 2016/14. 61 Gerechtshof Amsterdam 1 februari 2016, NJFS 2016/82.

Page 34: Uitingsdelicten en de vrijheid van meningsuiting

33

uitlatingen die aanzetten tot haat, geweld of discriminatie, maar ook om uitlatingen die

aanzetten tot onverdraagzaamheid. Tijdens de behandeling gaat het hof in het toetsingskader

onder andere in op de punten van de Hoge Raad. Eerst gaat het hof in op de bewoordingen

van de uitlatingen. Vervolgens wordt ingegaan op de context. Net als de Hoge Raad geeft het

hof aan dat het van belang is of de uitlatingen zijn gedaan in het publieke debat, of deze

onnodig grievend zijn en of deze aanzetten tot onverdraagzaamheid.62

3.2. Samenvatting en conclusie

Aan de hand van de bovenstaande jurisprudentie is een lijn te schetsen ten aanzien van de

toepassing van artikel 10 EVRM in de rechtspraak over uitingsdelicten.

Hoewel er tijdens de behandeling van de zaak in eerste aanleg tegen de Hofstad groep slechts

een kleine verwijzing wordt gemaakt naar de vrijheid van meningsuiting en de eisen voor een

toegestane beperking daarvan is te zien dat de vrijheid van meningsuiting een steeds grotere

rol ging spelen in de uitspraken die daarop volgde.

In de latere uitspraken is te zien dat zowel de rechtbanken als de gerechtshoven duidelijk

gebruik maken van de stappentoets die door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens

is ontwikkeld als leidraad bij de beoordeling van een toegestane beperking. Deze stappentoets

wordt in de uitspraak van de zaak aangehaald bij de inhoudelijke behandeling van het bewijs.

Hierbij wordt in de meeste zaken afzonderlijk gekeken naar de artikelen over de

uitingsdelicten en artikel 10 EVRM. Bij de beoordeling van zaken in het kader van de

artikelen 137c en 137d Sr wordt echter bij de beoordeling van het uitingsdelict ook al

rekening gehouden met de vrijheid van meningsuiting doormiddel van een contexttoets.

Net als in de Europese jurisprudentie worden de eerste twee vereisten, “voorzien bij wet” en

“het dienen van één van de legitieme doelen uit artikel 10 lid 2 EVRM, kort aangehaald en

wordt er uitgelegd wanneer en waarom aan deze vereisten in voldaan.

Ook in de Nederlandse jurisprudentie wordt de meeste aandacht besteed aan het derde

vereiste, namelijk dat de beperking “noodzakelijk moet zijn in een democratische

samenleving.” Hierbij wordt aangegeven daar er sprake moet zijn van een dringende

maatschappelijke noodzaak waarbij een afweging moet worden gemaakt tussen het

individuele grond recht en het maatschappelijke belang. Ook de eisen van subsidiariteit en

62 Gerechtshof Amsterdam 1 februari 2016, NJFS 2016/81.

Page 35: Uitingsdelicten en de vrijheid van meningsuiting

34

proportionaliteit worden in de Nederlandse jurisprudentie aangehaald als een eis waaraan een

beperking moet voldoen. Een groot onderwerp bij de behandeling van de zaken betreft de

context van het maatschappelijke debat, waar het politieke debat een onderdeel van is. Er

wordt aangegeven dat artikel 10 EVRM weinig ruimte laat voor beperkingen ten aanzien kan

politieke uitlatingen of uitlatingen die het publieke belang raken. Net als in de Europese

jurisprudentie wordt het belang van een grote mate van bescherming van de vrijheid van

meningsuiting van politici in het kader van het politieke debat in de Nederlandse

jurisprudentie onderstreept. Ook in de Nederlandse jurisprudentie vallen niet alleen positieve

uitlatingen gedaan door politici in het kader van het politieke debat onder de bescherming van

artikel 10 EVRM. Zelfs kwetsende, schokkende en verontrustende uitspraken kunnen worden

beschermd door dit artikel. Wanneer deze in het kader van het maatschappelijke debat zijn

gedaan, kan hierdoor de strafbaarheid worden weggenomen. Echter, net als in de

jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens wordt aangegeven, mogen

deze uitspraken ook in Nederland niet onnodig grievend zijn. Een politicus moet voorkomen

dat hij uitspraken doet die strijdig zijn met de wet. Wanneer dit wel het geval is, is de

bescherming van artikel 10 EVRM niet van toepassing.

Op basis van de besproken uitspraken en de lijn die daaruit volgt bekijk ik in het volgende

hoofdstuk de huidige strafzaak tegen Geert Wilders inzake het beledigen van een groep

mensen wegens ras en het aanzetten tot haat en discriminatie van Marokkanen. Het is

interessant om te zien wat de mogelijke uitkomst kan worden van deze zaak wanneer de

bovenstaande lijn in de jurisprudentie gevolgd wordt.

Page 36: Uitingsdelicten en de vrijheid van meningsuiting

35

4. Casus Na de uitleg van de uitingsdelicten en de vrijheid van meningsuiting en de analyse van de

Nederlandse jurisprudentie over uitingsdelicten en de toepasbaarheid van artikel 10 EVRM is

het interessant om te kijken hoe er in een toekomstige zaak zou kunnen worden geoordeeld.

4.1. Geert Wilders

Een recente zaak waarin de beoordeling van de vrijheid van meningsuiting een rol speelt is de

strafzaak tegen Geert Wilders. Geert Wilders wordt verdacht van belediging van een groep

mensen wegens hun ras (artikel 137c Sr) en van aanzetten tot haat en discriminatie van

Marokkanen. De verdenking is gebaseerd op twee mogelijke strafbare feiten. Het eerste feit

vond plaats tijdens een PVV-partijbijeenkomst rond de gemeenteraadsverkiezingen in een

Haagse horecagelegenheid en betreft de uitlating: “ik vraag aan jullie, willen jullie in deze

stad en in Nederland meer of minder Marokkanen?”. Het publiek reageerde hierop door zo’n

zestien keer “minder, minder!” te roepen. Geert Wilders reageerde hierop met de uitspraak:

“nah, dan gaan we dat regelen”. Het tweede feit betreft een uitspraak van Geert Wilders in

een interview met de NOS. Hierin heeft hij gezegd: “belangrijkst is toch voor de mensen hier

op de markt de Hagenaars, Hagenezen en Scheveningers zoals Leon dat altijd netjes en

terecht noemt. Voor die mensen doen we het nu. Die stemmen op een veiliger en socialer en

in ieder geval een stad met minder lasten en als het even kan ook wat minder Marokkanen.”63

Na gekeken te hebben naar hoe invulling is gegeven aan de uitingsdelicten en de vrijheid van

meningsuiting in zowel de Nederlandse als de Europese jurisprudentie, is het interessant om

te bekijken welke invloed dit heeft op de huidige strafzaak tegen Geert Wilders. Gebaseerd

op de beschreven informatie, waar moet de rechtbank rekening mee houden?

Nu het hier gaat om een beperking op het recht op vrijheid van meningsuiting, zal moeten

worden gekeken naar de toelaatbaarheid van deze beperking.

Aangezien zowel discriminatie van een groep mensen wegens ras als aanzetten tot haat en

discriminatie strafbaar zijn gesteld in de Nederlandse strafwet, te weten in de artikelen 137c

en 137d, is de beperking voorzien bij wet. Om onder de delictsomschrijving van belediging te

vallen moet de uitlating in het openbaar gedaan zijn en beledigend zijn voor een groep

63 https://www.om.nl/onderwerpen/zaak-wilders/

Page 37: Uitingsdelicten en de vrijheid van meningsuiting

36

mensen wegens ras. Nu de eerst genoemde uitspraak plaats vond tijdens een PVV-

partijbijeenkomst rond de gemeenteraadsverkiezingen in een Haagse horecagelegenheid en

de tweede uitspraak gedaan werd in een interview met de NOS kan worden geconcludeerd

dat de uitlatingen in het openbaar gedaan zijn. Voor de beoordeling van het beledigen van een

groep mensen moet een stappentoets worden gevolgd die is beschreven in hoofdstuk 1.3.

Hieruit volgt dat de uitlating naar algemeen taalgebruik beledigend moet zijn, dat er naar de

context moet worden gekeken waar de uitlating in is gedaan omdat dit de strafbaarheid kan

weggenemen en dat ondanks dat, onnodig grievende uitlatingen gedaan in een bepaalde

context toch strafbaar kunnen zijn. De uitlatingen van Wilders kunnen op zichzelf gezien naar

algemeen spraakgebruik als beledigend worden gezien. Door de uitlatingen kunnen moslims,

als groep, in hun waarde worden aangetast. De uitlatingen zijn echter wel gemaakt in het

kader van de functie als politicus en zijn bedoeld om een bijdrage te leveren aan het politieke

debat. Hierdoor zou de strafbaarheid kunnen worden weggenomen, tenzij er wordt geacht dat

de uitlatingen onnodig grievend zijn. Wanneer de uitlating kan worden opgevat als

beledigend moet worden gekeken of aan het begrip ras is voldaan. Hiervoor moet worden

gekeken naar artikel 1 van het Internationale Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen

van rassendiscriminatie waaruit is gebleken dat het begrip ruim moet worden uitgelegd en

hier ook etnische afstamming onder valt.

In het geval van artikel 137d Sr moet de uitlating in het openbaar zijn gedaan en aanzetten tot

haat tegen of discriminatie van mensen. Zoals hierboven is aangegeven kan worden gezegd

dat de uitlatingen in het openbaar zijn gedaan. Het zal voor de rechtbank lastig worden om

aan te tonen dat er door Wilders is aangezet tot haat omdat de uitlatingen van Wilders niet

direct blijk geven van het feit dat hij een diepe afkeer heeft voor het Marokkaanse volk en dat

hij het verlangen heeft hen te zien ondergaan en daarom anderen wil aanzetten tot hetzelfde.

Tevens zal door de rechtbank moeten worden aangetoond dat er sprake is van het teweeg

brengen van een conflictueuze tweedeling en krachtversterkend element hebben. Ook het

opzet is lastig aan te tonen. Wat bij discriminatie zal moeten worden beoordeeld is of de

“minder Marokkanen” uitspraken die Geert Wilders heeft gedaan daadwerkelijk hatelijk en

discriminerend zijn. Ook hier zal weer rekening moeten worden gehouden met de context

waarin de uitlating is gedaan, en kan het discriminerende karakter worden weggenomen

doordat deze is gedaan binnen het politieke debat, mits deze uitlating niet onnodig

buitensporig is.

Page 38: Uitingsdelicten en de vrijheid van meningsuiting

37

Nu het verbod op het beledigen van een groep mensen en het verbod op het aanzetten tot haat

en discriminatie duidelijk in de strafwet zijn neergelegd in de artikelen 137c en 137d is het

waarschijnlijk dat zal worden geconcludeerd dat de wet en daarmee de beperking voldoende

voorzienbaar en toegankelijk is. Wanneer er word geconcludeerd dat de uitlatingen onder de

delictsomschrijvingen van artikelen 137c en 137d Sr vallen en deze artikelen ook voldoende

voorzienbaar en toegankelijk waren voor Geert Wilders zal aan het eerste vereiste voor een

beperking zijn voldaan.

Een beperking van een beledigende of discriminerende uitlatingen zoals gedaan door Wilders

kan in het belang worden geacht van de bescherming van de goede naam of rechten van

anderen. Hiermee zou ook aan het tweede vereiste voldaan zijn.

Vervolgens zal, in het kader van het derde vereiste, moeten worden gekeken of de beperking

een dringende maatschappelijke noodzaak heeft of dat de uitlatingen van Geert Wilders een

bijdrage leveren aan het maatschappelijke debat. De vraag die dus zal moeten worden

beantwoord is: leveren de uitlatingen “ik vraag aan jullie, willen jullie in deze stad en in

Nederland meer of minder Marokkanen?”, “nah, dan gaan we dat regelen” en “belangrijkst is

toch voor de mensen hier op de markt de Hagenaars, Hagenezen en Scheveningers zoals

Leon dat altijd netjes en terecht noemt. Voor die mensen doen we het nu. Die stemmen op

een veiliger en socialer en in ieder geval een stad met minder lasten en als het even kan ook

wat minder Marokkanen” een bijdrage aan het maatschappelijke debat of zijn deze eerder

onnodig grievend? Hierbij zal een afweging moeten worden gemaakt tussen het recht op de

vrijheid van meningsuiting en het algemene belang.

Ten slotte moet worden gekeken of deze beperking evenredig is aan het gewenste doel, te

weten het voorkomen van de belediging van een groep mensen wegens ras en het aanzetten

tot haat en discriminatie. Wanneer de uitlatingen inderdaad beledigend zijn een aanzetten tot

haat en discriminatie zal een beperking proportioneel zijn.

Alleen wanneer de rechtbank tot de conclusie komt dat aan alle voorwaarden voor een

toegestane beperking is voldaan mag de vrijheid van meningsuiting van Geert Wilders

worden beperkt en zal hij mogen worden vervolgd inzake de belediging van een groep

mensen wegens ras en het aanzetten tot haat en discriminatie. Wanneer dit niet het geval is

zullen de uitlatingen van Geert Wilders de bescherming van artikel 10 EVRM genieten.

Page 39: Uitingsdelicten en de vrijheid van meningsuiting

38

4.2. Samenvatting en conclusie

Of de rechtbank tot de conclusie komt dat de beperking is toegestaan of dat er wordt besloten

dat de vrijheid van meningsuiting in dit geval belangrijker is, zal moeten worden bezien. In

het geval van het beledigen van een groep mensen kan naar mijn mening worden gezegd dat

de uitlatingen zeker beledigend zijn naar algemeen taalgebruik. Hoewel de uitlatingen zijn

gedaan in het kader van het politieke debat, vind ik de uitlatingen zo onnodig grievend dat de

strafbaarheid niet zou moeten worden weggenomen. Nu Marokkanen onder het begrip ras

vallen, zijn aan de eisen voor belediging voldaan.

Hoewel haat moeilijk aan te tonen is, zorgen de uitspraken van Geert Wilders voor een

intrinsiek conflictueuze tweedeling aangezien deze ervoor zorgen dat twee groepen tegenover

elkaar worden gezet, Nederlanders en Marokkanen, en dat er vanuit een eenzijdig perspectief

wordt geschetst dat deze Nederlanders de dupe worden van de schadelijke eigenschappen van

Marokkanen. De kloof die hierdoor ontstaat tussen Nederlanders en Marokkanen kan leiden

tot ernstige en gewelddadige conflicten. De opzet van Wilders op het aanzetten is ook lastig

aan te tonen, wat ertoe leidt dat aanzetten tot haat moeilijk te bewijzen is. In het geval van

aanzetten tot discriminatie moet ook weer rekening worden gehouden met het feit dat de

uitlatingen zijn gedaan in het kader van het politieke debat. De buitensporigheid van de

uitlatingen zorgt er echter voor dat de strafbaarheid niet kan worden weggenomen. Aangezien

de uitlatingen er voor zorgen dat Marokkanen feitelijk worden achtergesteld waardoor hun

fundamentele rechten en vrijheden worden aangetast, is zeker sprake van discriminatie.

Nu de uitlatingen mogelijk onder de delictsomschrijvingen vallen rest de vraag of de vrijheid

van meningsuiting bescherming kan bieden. Een beperking zou volgens mij in het belang

kunnen zijn van de bescherming van de goede naam of rechten van anderen. Bij de afweging

van de noodzaak van de beperking voor de democratische samenleving vind ik dat het

individuele recht in dit geval moet wijken voor het algemene belang. De uitlatingen voegen

niet direct wat toe aan het maatschappelijke/politieke debat en zijn louter onnodig grievend.

Een beperking van de vrijheid van meningsuiting in het geval van het beledigen van een

groep mensen wegens ras en het aanzetten tot discriminatie is naar mijn mening proportioneel

en toegestaan.

Page 40: Uitingsdelicten en de vrijheid van meningsuiting

39

5. Conclusie Na het analyseren van de uitingsdelicten en de vrijheid van meningsuiting, de toepassing van

artikel 10 EVRM in de Nederlandse jurisprudentie en de toepassing van deze Nederlandse

jurisprudentie op een toekomstige zaak kan een antwoord worden gegeven op de vraag die ik

aan het begin van mijn scriptie heb gesteld:

Voldoet de huidige Nederlandse jurisprudentie over opruiing, zoals strafbaar gesteld in artikel

131 sr, het beledigen van een groep mensen, zoals strafbaar gesteld in artikel 13c Sr en

aanzetten tot haat, discriminatie of gewelddadig optreden, zoals strafbaar gesteld in artikel

137d Sr aan de vereisten van artikel 10 EVRM en vormt deze jurisprudentie een goede basis

voor toekomstige uitspraken?

Allereerst is er gekeken naar wat er precies onder opruiing, het beledigen van een groep

mensen en aanzetten tot haat, discriminatie en gewelddadig optreden valt. Uit welke

bestanddelen bestaan de artikelen en hoe wordt hieraan invulling gegeven. Alleen wanneer

aan de bestanddelen is voldaan kan een uitlating namelijk strafbaar worden gesteld. Van

groot belang voor alle uitingsdelicten is dat deze in het openbaar zijn gedaan. Wanneer de

uitlating niet in het openbaar is gedaan zal deze over het algemeen niet strafbaar zijn.

Omdat het bij uitlatingen die onder de delictsomschrijving vallen van belang is rekening te

houden met de vrijheid van meningsuiting is vervolgens naar artikel 10 EVRM gekeken. De

vrijheid van meningsuiting is een belangrijk recht voor de burger en mag niet zomaar worden

beperkt. Alleen wanneer aan drie specifieke vereisten is voldaan, is een beperking toegestaan.

Deze drie vereisten zijn ontwikkeld door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en

eisen dat de beperking moet zijn voorzien in de wet, één van de legitieme doelen uit lid 2

artikel 10 EVRM dient en noodzakelijk is in een democratische samenleving. Deze vereisten

zijn in de Europese jurisprudentie verder uitgelegd, met name over het derde vereiste is veel

geschreven. Het is duidelijk geworden dat de vrijheid van meningsuiting en de beperking

daarvan als erg belangrijk wordt gezien in de Europese rechtspraak.

Ook in de Nederlandse rechtspraak is veel geschreven over de vrijheid van meningsuiting en

de toegestane beperking hiervan. Aan de hand van de uitspraken die ik heb besproken kan

een duidelijke lijn worden geschetst ten aanzien van de toepassing van artikel 10 EVRM en

Page 41: Uitingsdelicten en de vrijheid van meningsuiting

40

de uitleg hiervan door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de Nederlandse

jurisprudentie.

Zowel het Europees Hof voor de Rechten van de Mens als de Nederlandse rechtspraak gaan

diep in op de eisen van de vrijheid van meningsuiting en de beperking hiervan. De drie

vereisten die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens stelt aan een beperking worden

door de Nederlandse rechtspraak over genomen en er wordt in de jurisprudentie meestal

direct, maar soms ook indirect, naar verwezen. In de Nederlandse rechtspraak wordt duidelijk

getoetst of een bepaalde uitlating onder delictsomschrijving van een bepaald artikel valt.

Strafbaarstelling zijn in de Nederlandse wet voorzienbaar neergelegd en deze zijn

toegankelijk voor de burger. Ook wordt er duidelijk aangegeven aan welke legitieme doelen

uit lid 2 van artikel 10 EVRM is voldaan. De legitieme doelen die bij uitingsdelicten van

belang zijn, zijn de nationale of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden of

strafbare feiten en de bescherming van de goede naam of rechten van anderen.

Net als in de Europese jurisprudentie is in de Nederlandse jurisprudentie het meest

geschreven over de eis dat de beperking noodzakelijk is in een democratische samenleving.

Waar in de Europese jurisprudentie een “pressing social need” geëist wordt, is dit in de

Nederlandse jurisprudentie vertaald naar een dringende maatschappelijke noodzaak. Volgens

de Nederlandse jurisprudentie moet hier een afweging worden gemaakt tussen het

fundamentele belang van de vrijheid van meningsuiting en het fundamentele belang van de

bescherming van de democratische rechtstaat. Het Europees Hof voor de Rechten van de

Mens eist dat de nationale autoriteiten relevante en toereikende redenen hebben voor de

beperking. Dit wordt in de Nederlandse jurisprudentie opgevolgd door steeds aan te geven

wat de redenen achter de beperking waren. Ook aan het proportionaliteitsvereiste wordt in de

Nederlandse jurisprudentie aangehaald. Het belang dat het Europees Hof voor de Rechten

van de Mens hecht aan de bescherming van het maatschappelijke/politieke debat is ook terug

te zien in de Nederlandse jurisprudentie. Met name de grote bescherming van de vrijheid van

meningsuiting die de pers en media en politici hebben staat ook in de Nederlandse

jurisprudentie centraal. Net als in de Europese jurisprudentie wordt in de Nederlandse

jurisprudentie aangegeven dat niet alleen positieve uitlatingen door politici in het kader van

het maatschappelijke/politieke debat moeten worden beschermd, maar ook uitlatingen die

kwetsend, schokkend of verontrustend zijn. Bescherming van zulk soort uitlatingen bestaat

echter niet wanneer deze onnodig grievend zijn. In de Nederlandse jurisprudentie wordt

Page 42: Uitingsdelicten en de vrijheid van meningsuiting

41

aangegeven dat bij de beoordeling van kwetsende, schokkende en verontrustende uitlatingen,

naast de context waarin de uitlating is gedaan ook nog andere factoren een rol kunnen spelen.

Nu door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is geoordeeld dat de afzonderlijke

staten een mate van beleidsvrijheid hebben mag er in de Nederlandse jurisprudentie rekening

worden gehouden met nationale belangen. Deze beleidsvrijheid is terug te zien in het feit dat

bij de afweging van de noodzaak van de beperking in de democratische samenleving

rekening wordt gehouden met eerdere ervaringen en gebeurtenissen die die grote

maatschappelijke of politieke onrust hebben veroorzaakt in de Nederlandse samenleving bij

de beoordeling in aanmerking worden genomen.

Door de toepassing van de huidige lijn van de jurisprudentie op de strafzaak tegen Geert

Wilders inzake belediging van een groep mensen en het aanzetten tot haat en discriminatie

wordt duidelijk gemaakt welke stappen moeten worden gezet en waar de rechtbank rekening

mee moet houden. Wanneer de huidige lijn van Nederlandse jurisprudentie wordt toepast,

wordt naar mijn mening voldoende rekening gehouden met de Europese jurisprudentie en

vormt de huidige jurisprudentie een goede basis voor deze zaak.

Gebaseerd op mijn onderzoek en de toepassing van mijn analyses op de toekomstige zaak ben

ik van mening dat er in de Nederlandse jurisprudentie over uitingsdelicten voldoende

rekening wordt gehouden met de Europese interpretatie van artikel 10 EVRM en dat de

huidige lijn in de Nederlandse jurisprudentie een goede basis vormt voor toekomstige zaken,

zoals de huidige strafzaak tegen Geert Wilders inzake belediging van een groep mensen en

het aanzetten tot haat en discriminatie.

Page 43: Uitingsdelicten en de vrijheid van meningsuiting

42

Literatuurlijst

Jurisprudentie

Rechtbank

Rechtbank Alkmaar 1 februari 1916, W 9891.

Rechtbank Amsterdam 2 juni 2008, LJN BD2977.

Rechtbank Amsterdam 23 juni 2011, NJ 2012/370. Rechtbank Amsterdam 21 november 2014, NJFS 2015/51. Rechtbank Den Haag 1 december 2014, NJFS 2015/54. Rechtbank Den Haag 10 december 2015, NJFS 2016/14.

Rechtbank Noord-Holland 22 januari 2013, NJFS 2013/121.

Rechtbank Rotterdam 10 maart 2006, NJFS 2006/120. Rechtbank Rotterdam 30 oktober 2007, LJN BB7174. Rechtbank Rotterdam 23 oktober 2013, NJFS 2014/8 Gerechtshof

Gerechtshof van Amsterdam 21 januari 2009, NJ 2009/191. Gerechtshof Amsterdam 23 november 2009, NJFS 2010/29. Gerechtshof Amsterdam 17 december 2010, NJ 2012/620. Gerechtshof Amsterdam 1 februari 2016, NJFS 2016/82. Gerechtshof Amsterdam 1 februari 2016, NJFS 2016/81. Gerechtshof Den Haag 23 januari 2008, NJ 2008/184. Hoge Raad

Hoge Raad 28 juni 1937, NJ 1938/191. Hoge Raad 22 mei 1939, NJ 1939/861. Hoge Raad 28 november 1950, NJ 1951/137.

Page 44: Uitingsdelicten en de vrijheid van meningsuiting

43

Hoge Raad 24 januari 1967, NJ 1967/270. Hoge Raad 15 juni 1976, LJN: AB5842, NJ 1976, 551. Hoge Raad 11 december 1987, NJ 1990/73. Hoge Raad 21 november 1989, DD 1990/130. Hoge Raad 16 april 1996, LJN: AD 2525. Hoge Raad 9 januari 2001, NJ 2001, 203. Hoge Raad 9 januari 2001, NJ 2001, 204. Hoge Raad 9 januari 2001, LJN: AA9367. Hoge Raad 29 mei 2001 LJN:AB1818 00074/00. Hoge Raad 9 oktober 2001, NJ 2002/76. Hoge Raad 30 oktober 2001, NJ 2002/129. Hoge Raad 2 april 2002 LJN: AD8693, 00105/01. Hoge Raad 14 januari 2003, NJ 2003, 261. Hoge Raad 2 februari 2010, RvdW 2010/276. Hoge Raad 23 november 2010, RvdW 2010/1423 Hoge Raad 3 juli 2012, NJ 2012/656. Hoge Raad 16 december 2014, NJB 2015/160. Europees Hof voor de Rechten van de Mens

EHRM 7 december 1976, Handyside – Verenigd Koninkrijk, NJ 1987/236. EHRM 26 april 1979, Sunday Times –Verenigd Koninkrijk, NJ 1980/146. EHRM 23 april 1992, Castells – Spanje, application no. 11798/85. EHRM 8 juli 1999, Surek – Turkije, application no. 26682/95. EHRM 6 mei 2003, Appleby and Others – Verenigd Koninkrijk, NJ 2010/207. EHRM 4 december 2003, Gunduz – Turkije, NJ 2005, 176.

Page 45: Uitingsdelicten en de vrijheid van meningsuiting

44

EHRM 8 juli 2008, Vajnai – Hongarije, application no. 23168/94. EHRM 16 juli 2009, Feret – Belgie, LJN: BJ9038. Literatuur

Gerards J.H. EVRM, algemene beginselen, Den Haag: Sdu Uitgevers 2011. Janssens A.L.J.M. Strafbare Belediging, Groningen: Rijksuniversiteit Groningen (proefschrift) 1998. Artikelen Wetboek van Strafrecht Artikel 131 Artikel 132 Artikel 137c Artikel 137d Artikel 137e Europees Verder voor de Rechten van de Mens Artikel 10 Artikel 17 Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van elke vorm van rassendiscriminatie Artikel 1 Kamerstukken Memorie van Antwoord Kamerstukken II 1967/1968, 9724. Memorie van Antwoord, Kamerstukken II 1969/1970, 9724 Memorie van Antwoord, Kamerstukken II 1976/1977, 13872. Memorie van Antwoord, Kamerstukken II 1988/1989, 20 239. Website/online bronnen Noyon/Langemeijer/Remmelink. Strafrecht, art. 131 Sr, online naslagwerk, Wolters Kluwer. https://www.om.nl/onderwerpen/zaak-wilders/