Hoofdstuk 2: Theoretisch kader

Click here to load reader

  • date post

    11-Jan-2017
  • Category

    Documents

  • view

    217
  • download

    4

Embed Size (px)

Transcript of Hoofdstuk 2: Theoretisch kader

  • 2 Theoretisch kader 2.1 Inleiding Het doel van dit hoofdstuk is het verhelderen en theoretisch inkaderen van de verschil-lende concepten die in dit onderzoek centraal staan, namelijk psychologische basisbe-hoeften en de vervulling daarvan (2.2 en 2.3), het verband tussen de vervulling van psychologische basisbehoeften en functioneren (2.4, 2.5 en 2.6) en het verband tussen de vervulling van psychologische basisbehoeften en het inzetten van kernkwaliteiten (2.7 en 2.8). Omdat op het gebied van onderzoek naar het functioneren van docenten op dit moment nog nauwelijks studies zijn verricht ten aanzien van de mate van vervulling van psychologische basisbehoeften en kernkwaliteiten, zal over deze onderwerpen eerst een algemeen psychologisch kader worden geschetst. Dit algemene kader zal vervolgens worden vertaald naar dio's. 2.2 Psychologische basisbehoeften 2.2.1 Psychologische basisbehoeften van mensen in het algemeen Zoals in paragraaf 1.3.2 is aangegeven, wordt een belangrijk fundament voor het onder-zoek naar optimaal functioneren en psychologische groei gevormd door de Self-Determination Theory (SDT) waarin het concept van psychologische basisbehoeften centraal staat.1 Een belangrijk uitgangspunt van de SDT is dat de mens, om optimaal te functioneren, van nature georinteerd is op het ontwikkelen van een steeds verder uit-gewerkte en samenhangende ervaring van het 'zelf' (Ryan & Deci, 2002, p. 5; zie ook Deci & Ryan, 2000, 2002; Ryan, 1995; Sheldon, 2002), volgens de SDT ht kenmerk van psychologische groei. Hodgins en Knee zeggen hierover: "the core self includes intrinsic integrative tendencies that motivate individuals to assimilate ongoing experience into increasingly elaborated and integrated self-structures" (Hodgins & Knee, 2002, p. 87; zie ook Deci & Ryan, 1985; Ryan, 1995). De mate waarin een persoon daarin slaagt, is bepalend voor de ontwikkeling van een autonoom zelf dat meer en meer de bron - ook wel aangeduid met locus of causality (deCharms, 1968) - van zelfgestuurd handelen wordt. Deze ontwikkeling wordt aangeduid met het begrip zelfactualisatie. Zelfactualisa-tie is het gentegreerd en probleemloos kunnen inzetten van het eigen potentieel (Deci, 1980; Deci & Ryan, 1985, p. 164; Sheldon, Elliot, Kim, & Kasser, 2001; zie ook Maslow, 1971a, 1971b).2 Omdat het begrip zelf in dit onderzoek verder niet centraal staat, ver-wijzen wij naar enige toonaangevende publicaties hierover (Deci, 1980; Deci & Ryan, 2000, 2002; Hodgins & Knee, 2002; Ryan, 1995; Sheldon, 2002).

    De visie in de SDT op het optimaal functioneren door psychologische groei en zelfac-tualisatie is gebaseerd op een organisch-dialectische benadering. Hiermee wordt bedoeld dat de orintatie op psychologische groei en zelfactualisatie aangeboren is en eigen is aan de menselijke psyche (dus niet is aangeleerd), en in een voortdurende wisselwerking met de omgeving vorm krijgt (Deci & Ryan, 2000, p. 229). De mens is volgens de SDT van nature gericht op integratie van innerlijke, psychische mogelijkheden met betrekking tot het functioneren in sociale structuren. Deze gerichtheid op integratie komt tot uit-

    1 Enige toonaangevende publicaties over de SDT zijn: Deci, 1980; Deci & Ryan, 1985a, 2000, 2002;

    Ryan & Deci, 2000a, 2000b, 2002; Reis et al., 2000. 2 "As individuals develop in the direction of greater autonomy, their sense of self-worth is based on

    organismic functioning, that is, on simply 'being' what they are by nature as they act choicefully in integrated ways and fulfill potentialities" (Maslow, 1968, in Hodgins, 2002, p. 87; zie ook Maslow 1971a, 1971b).

  • 22 Hoofdstuk 2 drukking in de betrokkenheid op interessante activiteiten, het verwerven van capacitei-ten, het verbonden zijn met sociale groepen en het realiseren van adaptatie.

    Voor optimaal psychologisch functioneren zijn volgens Deci en Ryan (2000, p. 229) fundamentele 'voedingsstoffen'3 nodig, namelijk het ervaren van competentie, verbon-denheid en autonomie. Deze voedingsstoffen kunnen volgens hen vergeleken worden met de voeding die een plant in de vorm van mineralen, water en zonlicht nodig heeft om te kunnen groeien. Ontbreken deze voedingsstoffen of is daar een structureel gebrek aan, dan worden het functioneren en de groei nadelig benvloed of ontstaat er zelfs ver-val. Competentie, verbondenheid en autonomie zijn essentile, menselijke psychologi-sche basisbehoeften die aangeboren, universeel en onmisbaar zijn. De aanwezigheid of afwezigheid van (momentane) omgevingsfactoren waardoor deze behoeften vervuld worden, is zeer bepalend voor de voortgaande psychologische groei van een persoon (Deci & Ryan, 2000, p. 229). Behalve deze omgevingsfactoren spelen de gedurende het leven opgedane competentie-, verbondenheids- en autonomie-ervaringen een belangrijke rol. Deze ervaringen kunnen voor een persoon een psychologische ondersteuning vormen in situaties waarin de basisbehoeften onder druk staan. Een belangrijke hypothese van de SDT is dat de vervulling van psychologische basisbehoeften een noodzakelijke conditie is voor intrinsieke motivatie, het ervaren van welzijn, optimaal functioneren, psychologi-sche groei en vitaliteit (Deci & Ryan, 2000, 2002). Ook heeft de vervulling van psycholo-gische basisbehoeften een spectrum aan andere ervaringen tot gevolg, zoals het ervaren van positieve emoties en bijvoorbeeld het afwezig zijn van boosheid, verdriet, vijandig-heid en zelfbescherming (Deci & Ryan 2000, 2002; Ryan & Deci, 2000a). Ook zelfver-trouwen, interesse en betrokkenheid (engagement), betere aanpassing, en het effectief omgaan met en functioneren in moeilijke omstandigheden ('coping'), zelfregulatie, en mentale en fysieke gezondheid zijn belangrijke en, volgens de SDT, rechtstreekse gevol-gen van de vervulling van de drie psychologische basisbehoeften (Deci & Ryan, 2000, 2002; Ryan & Deci, 2000a). Ook het ervaren van 'flow' wordt door Deci en Ryan (2000) als een belangrijk fenomeen gezien dat volgens hen in verband staat met de vervulling van de psychologische basisbehoeften. Volgens Csikszentmihalyi (1990, 1993) ervaren mensen flow wanneer een uitdaging optimaal past bij persoonlijke capaciteiten. Flow is een staat van inherente bevrediging en genot. Wanneer flow ervaren wordt, is er sprake van een autotelische ervaring, dat wil zeggen dat het doel van het handelen het handelen zelf is geworden. Flow wordt daarom ook gezien als het prototype van intrinsiek gemoti-veerd handelen. Volgens Deci en Ryan (2000) zijn er aanzienlijke theoretische overeen-komsten tussen opvattingen van de SDT en het flow-concept. Volgens hen zou het flow-concept verdiept kunnen worden wanneer de opvattingen over de vervulling van psycho-logische basisbehoeften als een centraal gegeven van flow zouden worden beschouwd (wat nu nog niet het geval is; flow wordt meer gezien als een ultieme competentie-ervaring). Als psychologische basisbehoeften niet vervuld zijn, wordt veiligheid een the-ma en kan er een spectrum aan submotivaties en afgeleide behoeften ontstaan (Deci & Ryan, 2000). Deze leiden ertoe dat een persoon veelal door een afname van aanpas-sing - een bepaalde gerichtheid heeft op het minimaliseren van de behoeftebeperking en het beperken van de nadelige gevolgen daarvan (Skinner & Edge, 2002). Epstein (1998a) stelt dat onvervulde behoeften aan de basis staan van onder andere een uitgebreid spec-trum aan negatieve zelfbeelden, negatieve en belemmerende overtuigingen over het zelf

    3 Sheldon, Ryan en Reis (1996, p. 1277) geven in dit verband aan: "The functional role of need-

    fulfilling experiences we assume, is to replenish psychological energies and thereby enable ongoing motivated behavior."

  • Theoretisch kader 23

    Mensen met een vervulde competentiebehoef-te voelen:

    zich bekwaam; dat ze in staat zijn om interessante en nieuwe

    vaardigheden te leren;

    dat ze op de meeste dagen de dingen die ze doen tot een goed einde brengen;

    dat ze in hun leven veel kansen hebben om te tonen hoe capabel ze zijn;

    dat ze succesvol zijn in het uitvoeren van taken.

    (Vrij naar de Basic Psychological Needs Question-naire, BPNQ, 2001)

    en de wereld, destructieve gedachten en het ontbreken van constructieve gedachten. Deze werken door in het denken en functioneren van mensen, veelal zonder dat zij zich daar bewust van zijn.

    Kortom: de vervulling van de behoefte aan competentie, verbondenheid en autono-mie staat volgens de SDT in verband met het meest effectieve functioneren (Deci & Ryan, 2000, p. 229). Geen van deze drie behoeften kan genegeerd of onderdrukt worden zonder significante, negatieve consequenties voor de persoon.4 Competentie, verbonden-heid en autonomie vertegenwoordigen van elkaar onderscheidbare en met elkaar samen-hangende psychologische basisbehoeften. In de volgende subparagrafen (2.2.2, 2.2.3 en 2.2.4) zal elk hiervan toegelicht worden. 2.2.2 Competentie De benadering van competentie binnen de SDT is gebaseerd op het begrip effectance motivation van White (1959, in Elliot, McGregor, & Trash, 2002, p. 361) die stelt dat

    organismen geboren worden met de drang om invloed te hebben op, en beheersing uit te oefenen over hun omgeving. De behoefte aan compe-tentie is het beste te conceptualiseren als een aangeboren streven om be-kwaam te zijn. De behoefte aan com-petentie zet mensen aan om uitda-gingen te zoeken die optimaal zijn voor de ontwikkeling van hun capaci-teiten, en vastberaden te proberen deze vaardigheden en capaciteiten te behouden en te vergroten. De be-hoefte aan competentie is niet het

    verlangen naar het beschikken over concrete vaardigheden of capaciteiten, maar veel meer een verlangen naar het ervaren van vertro