Kindbeelden en hedendaagse fotografie: een kwalitatief...

of 123/123
Academiejaar 2014 2015 Tweede semester examenperiode Kindbeelden en hedendaagse fotografie: een kwalitatief onderzoek naar het werk van Veerle Scheppers Masterproef II neergelegd tot het behalen van de graad van Master of Science in de Pedagogische Wetenschappen, afstudeerrichting Pedagogiek en Onderwijskunde Promotor: Dr. Kris Rutten 01003348 Lore Meganck
  • date post

    11-Jul-2020
  • Category

    Documents

  • view

    3
  • download

    0

Embed Size (px)

Transcript of Kindbeelden en hedendaagse fotografie: een kwalitatief...

  • Academiejaar 2014 – 2015

    Tweede semester examenperiode

    Kindbeelden en hedendaagse fotografie: een kwalitatief

    onderzoek naar het werk van Veerle Scheppers

    Masterproef II neergelegd tot het behalen van de graad van

    Master of Science in de Pedagogische Wetenschappen, afstudeerrichting Pedagogiek en

    Onderwijskunde

    Promotor: Dr. Kris Rutten

    01003348

    Lore Meganck

  • Voorwoord

    Beelden spreken mij zeer sterk aan, ze hebben een enorme impact op mijn gedachten en

    gevoelens. Ik kreeg het idee om voor mijn masterproef te werken rond kindbeelden

    nadat ik een artikel las over de reeks “My first Riffle” van An-Sofie Kesteleyn. Haar

    kinderportretten choqueerden mij. Het beeld van “kind als/in gevaar” kwam hier sterk

    naar voren. De foto’s deden mij ook denken aan de jongeren die naar Syrië trekken om

    te vechten. Ik wilde nagaan of dit aanvoelen gelijkaardig leeft bij pedagogen dan wel of

    zij nog andere beeldvorming hebben over kinderen. Toen ik het fotofestival in Knokke

    Heist bezocht, was ik gefascineerd door de het werk van fotografe Veerle Scheppers. Ik

    besloot om met haar samen te werken voor deze masterproef. Met het kind wordt in

    deze masterproef zowel het lagere schoolkind als de jongere bedoeld. Voor het refereren

    werd er gebruik gemaakt van APA 6.

    Het schrijven van deze masterproef zou niet mogelijk geweest zijn zonder de hulp en

    steun van enkele mensen. Daarom zou ik deze mensen graag mijn dank willen betuigen.

    Ten eerste wil ik mijn promotor Dr. Kris Rutten bedanken voor de goede begeleiding en

    de feedback. Ten tweede wil ik mijn ouders, zus en mijn vriend bedanken voor hun

    steun tijdens mijn opleiding. Ik kon bij hen steeds terecht wanneer ik moeilijke

    momenten had. Er zijn enkele mensen die de tijd genomen hebben om deze masterproef

    na te lezen en daarom wil ik in het bijzonder Ellen en Davina bedanken. Els wil ik

    bedanken voor het helpen bij de lay-out van deze masterproef. Tot slot wil ik mijn

    vrienden bedanken voor de steun, de vriendschap en de kritische raad.

  • Kindbeelden en hedendaagse fotografie: een

    onderzoek naar het werk van Veerle Scheppers

    Lore Meganck

    2e Master Pedagogiek en Onderwijskunde

    Academiejaar 2014-2015

    Promotor Prof. Dr. Kris Rutten

    Abstract:

    De beeldcultuur wordt steeds belangrijker in de samenleving, ook binnen de artistieke

    wereld. Veel fotografen klagen de manier aan waarop er naar kinderen gekeken wordt.

    Een van hen is Veerle Scheppers. In deze studie wordt er verder ingezoomd op haar

    werk. Binnen het onderzoek staan volgende vragen centraal: “(1) Hoe kunnen

    kinderportretten gebruikt worden als medium in de pedagogische context om

    (toekomstige) pedagogen aan te zetten tot reflectie over de mythes die er bestaan over

    kinderen? en (2) hoe worden kinderen verbeeld in de kinderportretten van Veerle

    Scheppers?”. Om een antwoord te vinden op deze vragen werden er verschillende

    onderzoeksinstrumenten gehanteerd: een interview met de fotografe, een analyse aan de

    hand van het analysemodel van Smelik (Smelik, 1999) en een focusgroep met

    (toekomstige) pedagogen. De voornaamste conclusie van dit onderzoek is dat

    kinderportretten een belangrijk medium kunnen vormen voor reflectie over kindbeelden.

    Het is belangrijk dat dit proces plaatsvindt in groep, zodat er een pluriforme

    beeldvorming kan ontstaan. Zowel de fotografe als de (toekomstige) pedagogen

    vertrekken vanuit een onheilspellend idee over kinderen bij hun visie op het werk van

    Veerle Scheppers. Centraal in het werk van de fotografe staan volgens Scheppers de

    kindbeelden van “het onschuldige kind” en “het kind in gevaar”. Toch zagen de

    (toekomstige) pedagogen ook het beeld van “het kind als volwassene” terugkeren in het

    werk van Veerle Scheppers. Het onderzoek vormt een pleidooi om meer aandacht te

    besteden aan reflectie over de mythes die er bestaan rond kinderen binnen de

    lerarenopleiding en pedagogische opleidingen en hierbij gebruik te maken van

    kinderportretten.

    Kernwoorden: kindbeelden, kinderportretten, beeldvorming, pedagogen

  • Figure 1. Reprinted from The Untouchables (2013), by E. Ravelo. Copyright

    2012 by Erik Ravelo. Retrieved from http://erikravelo.info/los-intocables/#more

  • Inhoudsopgave

    1. Inleiding .................................................................................................................. 10

    2. Theoretisch kader .................................................................................................... 11

    2.1 Identiteit ........................................................................................................... 11

    2.2 Identiteitsontwikkeling bij kinderen ................................................................ 11

    2.3 Kindbeelden in de pedagogiek ......................................................................... 12

    2.3.1 Het ongetemde kind of het evangelische kind .......................................... 13

    2.3.2 Het goddelijke kind of het onschuldige kind ............................................ 15

    2.3.3 Het onvoltooide kind ................................................................................ 17

    2.3.4 Het mondige kind ..................................................................................... 18

    2.4 Fotografie ......................................................................................................... 19

    2.4.1 Taal binnen fotografie .............................................................................. 19

    2.4.2 Fotografie als middel om identiteit vorm te geven ................................... 19

    2.4.3 Kinderportretten in de 21e eeuw ............................................................... 21

    2.4.3.1. Het kind als volwassene in zakformaat ............................................. 21

    2.4.3.1.1. Susan Anderson ............................................................................. 22

    2.4.3.1.2. Edith Maybin ................................................................................. 23

    2.4.3.2. Het kind als natuurlijk afgebeeld ...................................................... 23

    2.4.3.2.1. Sally Mann .................................................................................... 23

    2.4.3.2.2. Rineke Dijkstra .............................................................................. 24

    2.4.3.3. Het geconstrueerde kind .................................................................... 25

    2.4.3.3.1. Loretta Lux .................................................................................... 25

    2.4.3.3.2. Oleg Dou ....................................................................................... 26

    2.5 Reflectie in het onderwijs ................................................................................ 26

    3. Methodologisch kader ............................................................................................. 28

    3.1 Probleemstelling en onderzoeksvragen ........................................................... 28

  • 3.2 Onderzoeksbenadering ..................................................................................... 29

    3.2.1 Kwalitatief en explorerend onderzoek ...................................................... 29

    3.3 Onderzoeksopzet .............................................................................................. 30

    3.3.1 Dataverzameling ....................................................................................... 30

    3.3.1.1. Instrumenten ...................................................................................... 30

    3.3.1.1.1. Kwalitatief interview ..................................................................... 30

    3.3.1.1.2. Analyse aan de hand van het analysemodel van Smelik (1999) ... 30

    3.3.1.1.3. Focusgroep .................................................................................... 31

    3.3.2 Data-analyse ............................................................................................. 32

    3.3.2.1. Transcriptie van de data .................................................................... 32

    3.3.2.2. Thematische analyse ......................................................................... 32

    4. Resultaten ................................................................................................................ 33

    4.1 Bibliografie Veerle Scheppers ......................................................................... 33

    4.2 Interview Veerle Scheppers ............................................................................. 35

    4.2.1 Onderzoeksvraag 1A ................................................................................ 35

    4.2.2 Onderzoeksvraag 2A ................................................................................ 36

    4.3 Analyse foto’s aan de hand van het analysemodel van Anneke Smelik .......... 37

    4.3.1 Onderzoeksvraag 2B................................................................................. 37

    4.4 Focusgroep ....................................................................................................... 38

    4.4.1 Onderzoeksvraag 2B................................................................................. 38

    4.4.1.1. Omschrijving begrip kind van deze tijd ............................................ 38

    4.4.1.2. Bespreking fotomateriaal .................................................................. 40

    4.4.2 Onderzoeksvraag 1A ................................................................................ 46

    4.4.2.1. Beeld over huidige opvoeding........................................................... 46

    4.4.2.2. Centraal kindbeeld in de maatschappij.............................................. 47

    4.4.2.3. De invloed van beelden in de media, kunst op de manier van denken

    over kinderen ....................................................................................................... 48

  • 4.4.3 Onderzoeksvraag 1B................................................................................. 48

    4.4.3.1. De relatie tussen beeldvorming en gedrag ........................................ 48

    4.4.3.2. Veranderende beeldvorming ............................................................. 49

    4.4.3.3. Gebruik fotomateriaal om te reflecteren ........................................... 49

    5. Discussie.................................................................................................................. 51

    5.1 Antwoorden op de onderzoeksvragen .............................................................. 51

    5.1.1 Onderzoeksvraag 1 ................................................................................... 51

    5.1.1.1. Onderzoeksvraag 1A ......................................................................... 51

    5.1.1.2. Onderzoeksvraag 1B ......................................................................... 53

    5.1.2 Onderzoeksvraag 2 ................................................................................... 54

    5.1.2.1. Onderzoeksvraag 2A ......................................................................... 54

    5.1.2.2. Onderzoeksvraag 2B ......................................................................... 54

    6. Conclusie ................................................................................................................. 57

    6.1 Besluit .............................................................................................................. 57

    6.2 Beperkingen van het huidig onderzoek en aanbevelingen voor verder

    onderzoek .................................................................................................................... 57

    6.3 Aanbevelingen voor de praktijk ....................................................................... 58

    7. Literatuurlijst ........................................................................................................... 59

    8. Bijlages .................................................................................................................... 67

    8.1 Bijlage 1: Analyse foto’s ................................................................................. 67

    8.2 Bijlage 2 Interview Veerle Scheppers.............................................................. 92

    8.3 Bijlage 3: Transcriptie Focusgroep ................................................................ 102

    8.4 Bijlage 4: kinderportretten in de 21ste eeuw ................................................... 117

    8.4.1 “High Glitz” van Susan Anderson .......................................................... 117

    8.4.2 “The Tenby Document” van Edith Maybin ............................................ 118

    8.4.3 “Family Pictures” van Sally Mann ......................................................... 119

    8.4.4 “Strandportretten” van Rineke Dijkstra .................................................. 120

  • 8.4.5 “Works V” van Loretta Lux ................................................................... 121

    8.4.6 “Toy Story” van Oleg Dou ..................................................................... 122

    8.5 Bijlage 5: Informed consent ........................................................................... 123

  • Figurenlijst

    Figure 1 ....................................................................................................................................... 4

    Figure 2 ..................................................................................................................................... 27

    Figure 3 ..................................................................................................................................... 40

    Figure 4 ..................................................................................................................................... 41

    Figure 5 ..................................................................................................................................... 42

    Figure 6 ..................................................................................................................................... 43

    Figure 7 ..................................................................................................................................... 44

    Figure 8 ..................................................................................................................................... 45

    Figure 9 ..................................................................................................................................... 46

    Figure 10 ................................................................................................................................... 67

    Figure 11 ................................................................................................................................... 70

    Figure 12 ................................................................................................................................... 74

    Figure 13 ................................................................................................................................... 77

    Figure 14 ................................................................................................................................... 81

    Figure 15 ................................................................................................................................... 84

    Figure 16 ................................................................................................................................... 88

    Figure 17 ................................................................................................................................. 117

    Figure 18 ................................................................................................................................. 118

    Figure 19 ................................................................................................................................. 119

    Figure 20 ................................................................................................................................. 120

    Figure 21 ................................................................................................................................. 121

    Figure 22 ................................................................................................................................. 122

  • 10

    1. INLEIDING

    Veel fotografen hechten belang aan kindbeelden. Ook in de media is er aandacht voor

    deze thematiek. In 2014 verscheen er in “De Morgen” een artikel over een Cubaanse

    fotograaf die met zijn beeldenreeks “The Untouchables” de gevaren waaraan kinderen

    in de huidige samenleving blootgesteld worden, aanklaagt (De Morgen, 2014, mei 15).

    De reeks bestaat uit portretten van kinderen die gekruisigd worden waarbij het kruis de

    verschillende gevaren uitbeeldt waar kinderen aan blootgesteld worden zoals onder

    andere pedofilie, fastfood, enzovoort. (De Morgen, 2014, mei 15). Toen deze beelden

    op Facebook geplaatst werden, werden deze na veel boze reacties van Facebook

    verwijderd, aangezien ze te choquerend waren. De laatste decennia komt er een sterke

    beeldcultuur opzetten die de tekstcultuur voor een deel tracht te vervangen (Smelik,

    1999). Dagelijks worden we overspoeld door beelden. Deze beelden komen voor in alle

    aspecten van het alledaagse leven en men kan zich hier niet aan onttrekken.

    Beeldvorming ontstaat door de wisselwerking tussen teksten en beelden enerzijds en

    denkbeelden, ideeën en gedachten anderzijds. De denkbeelden die mensen hebben,

    ontlenen zij voor een groot deel aan wat ze zien en lezen in de kunst, media, onderwijs,

    enzovoort. Beeldvorming bepaalt onze kijk op de wereld en hoe wij die wereld

    vervolgens materieel vormgeven (Smelik, 1999). Binnen de samenleving heerst een

    discours waarin kinderen een centrale rol spelen. Enerzijds worden ze gezien als een

    risico, een gevaar, maar anderzijds worden kinderen ook gezien als in gevaar

    (Vanobbergen, 2014). Ook in de wereld van de fotografie wordt steeds meer aandacht

    besteed aan deze kindbeelden. Aangezien de beeldcultuur zo belangrijk is geworden,

    werd er gekozen om te werken met beelden van kinderen en de beeldvorming die rond

    deze beelden gecreëerd wordt.

    De masterproef start met een theoretisch kader dat bestaat uit twee grote delen:

    kindbeelden en fotografie. In het tweede hoofdstuk komt de methodologie van het

    onderzoek aan bod. In dit deel worden de probleemstelling en de onderzoeksvragen

    geformuleerd en wordt de keuze van de onderzoeksbenadering en onderzoeksopzet

    toegelicht. Vervolgens worden de resultaten van het onderzoek besproken. Tot slot

    wordt er in een vierde hoofdstuk de discussie weergegeven waarbinnen een antwoord

    geformuleerd wordt op de onderzoeksvragen. De masterproef eindigt met een conclusie.

    In dit deel worden ook de beperkingen van het huidige onderzoek en aanbevelingen

    voor verder onderzoek en de praktijk besproken.

  • 11

    2. THEORETISCH KADER

    “Thinking and feeling our selves as they make sense is more than merely the

    sensation of knowledge in the making. It is a sensing of our selves in the making,

    and is that not the root of what we call learning” (Ellsworth, zoals geciteerd in

    Charman, 2013, p. 1069).

    2.1 IDENTITEIT

    Het postmoderne “zelf” is samengesteld uit verschillende en soms tegengestelde

    identiteiten. Individuen construeren tot op zekere hoogte hun identiteiten zelf, maar

    deze identiteiten worden eveneens sterk bepaald en gecreëerd door structuren, discours

    en historische omstandigheden die buiten het individu liggen. Identiteitsvorming

    gebeurt dus niet enkel door het individu zelf, maar ook door de buitenwereld. Wie men

    is, is altijd een onderhandeling tussen hoe men naar zichzelf kijkt en hoe anderen naar

    ons kijken (Verdoodt, 2004). De definitie die Hall geeft aan identiteiten is zeer

    interessant voor deze masterproef. Hij stelt dat identiteiten steeds een combinatie zijn

    van twee zaken. Enerzijds heeft hij het over “subject positions” en anderzijds over

    “subjectivities”. Onze identiteiten worden enerzijds gedefinieerd door waartoe we

    uitgenodigd worden door bepaalde culturele praktijken en discours, van waaruit we

    kunnen spreken. Anderzijds worden onze identiteiten ook bepaald door de

    representaties die anderen over ons hebben, waartoe we herleid worden en waarover er

    gesproken wordt (Hall, zoals geciteerd in Verdoodt, 2004).

    2.2 IDENTITEITSONTWIKKELING BIJ KINDEREN

    Een mens wordt geboren zonder zelfbesef. Het zelfconcept, een aanvaardende en

    behoorlijke objectieve inschatting van de eigen persoonlijke aard, van wie men is,

    ontwikkelt zich geleidelijk aan (Brysbaert, 2006). Eerst ontwikkelt het kind een

    subjectieve zelf. Dit is het besef van bestaan. Het besef ontstaat door de acties en de

    interacties die de baby onderneemt. Er ontstaat een gevoel van “ik” in de eerste drie

    levensmaanden. Het subjectieve zelf is pas volledig ontwikkeld wanneer het kind aan

    objectpermanentie kan doen. Het kind beseft dan dat het een continuïteit heeft

    (Brysbaert, 2006).

  • 12

    In een tweede fase ontwikkelt het kind het objectieve zelf. Dit is wanneer het kind

    beseft dat het zelf stabiele eigenschappen heeft, zoals een geslacht, een naam en

    karaktertrekken. Wanneer kinderen zich in dit stadium bevinden, dan zullen ze zichzelf

    herkennen in een spiegel en op foto’s. Wanneer kinderen de leeftijd van drie tot vijf jaar

    bereikt hebben, kunnen kinderen zich ook beschrijven in concrete termen. Pas tijdens de

    lagere school en de adolescentie wordt het zelfconcept aangevuld met gedachten en

    gevoelens (Brysbaert, 2006).

    2.3 KINDBEELDEN IN DE PEDAGOGIEK

    Kindbeelden vormen een centraal thema binnen de pedagogiek. Bruno Vanobbergen is

    binnen onderzoek naar kindbeelden een centrale figuur. Hij schreef in 2003 een

    doctoraat over de commercialisering van de leefwereld van kinderen waarin ook de

    visie op kinderen in de maatschappij uitgebreid aan bod komt (Vanobbergen, 2003). Hij

    is kinderrechtencommissaris en legt vaak de link tussen de manier waarop er naar

    kinderen gekeken wordt en hun rechten (Vanobbergen, 2014; Vanobbergen, 2009;

    Vanobbergen, 2011). Hij pleit ervoor om het kind te zien als een “hier en nu” met

    rechten en plichten (Vanobbergen, 2014). Willem Koops, Bas Levering en Micha de

    Winter (2007) geven ook aandacht aan kindbeelden binnen hun boek “Het kind als

    spiegel van de beschaving”. De auteurs willen de lezer verder doen kijken dan ze

    gewoon zijn. Ze willen het kind vanuit verschillende perspectieven belichten, zo komt

    onder meer het angstaanjagende kindbeeld aan bod in het boek (Koops, Levering & De

    Winter, 2007). Bovenstaande auteurs zullen aan bod komen in dit deel.

    Kind-zijn krijgt een andere invulling doorheen de geschiedenis. De betekenissen die aan

    het concept “kind” gegeven worden, veranderen met de tijd (Allegaert & Calliau, 2011).

    Kinderen werden in de twaalfde en dertiende eeuw binnen de kunstwereld

    gerepresenteerd als volwassenen in zakformaat. Vanaf de vijftiende en zestiende eeuw

    wordt het kind stilaan afgebeeld omwille van zijn bevallige en pittoreske kwaliteiten

    (Ariès, zoals geciteerd in Koops, Levering & De Winter, 2007).

    “Op welke manier wordt tegen ‘kind-zijn’ aangekeken? Voor de pedagogiek is een

    dergelijke vraag zeer interessant, omdat de manier waarop men tegen ‘kind-zijn’

    aankijkt (mede)bepalend is voor de wijze waarop men opvoedkundige handelingen zal

    vormgeven” (Hemrica, 2004, p. 10).

  • 13

    De beeldvorming die men heeft over kinderen en jongeren heeft een belangrijke impact

    op deze groep binnen verschillende leefdomeinen. Een negatieve beeldvorming over

    kinderen en jongeren heeft verstrekkende gevolgen op de sociale en culturele rechten,

    hun burgerrechten en de rechten van deze groep in administratieve en gerechtelijke

    procedures (De kinderrechtencoalitie Vlaanderen vzw, 2009).

    Er zijn heel wat condities die ervoor zorgen dat volwassen worden tegenwoordig een

    zware opgave is. Binnen dit proces kunnen er slachtoffers vallen. Naast de meest

    empathische kijk is er ook een andere kijk op kinderen aanwezig. Er zijn mensen die

    erop wijzen dat jongeren, meer dan voorheen, een gebrek vertonen aan essentiële

    waarden en normen. Ze worden gezien als “total loss”. Ze vormen als het ware een

    bedreiging voor de toekomst (Allegaert & Calliau, 2011).Vooral de angstbeelden over

    kinderen als onbeheerste en onbeheersbare wezens zijn sterk toegenomen (Brinkgreve,

    2005). De visie op opvoeden als een proces waarin gevaarlijke driften getemd moeten

    worden, komt opnieuw sterker naar de voorgrond (Brinkgreve, 2005).

    In de loop van de geschiedenis staan er drie denkmodellen centraal in het denken over

    kinderen: het ongetemde of evangelische kind, het goddelijke kind en het onvoltooide

    kind. Binnen deze drie kindbeelden wordt het vermogen tot handelen van kinderen

    ofwel totaal genegeerd ofwel verheerlijkt (Vanobbergen, 2014).

    2.3.1 HET ONGETEMDE KIND OF HET EVANGELISCHE KIND

    Binnen dit model wordt er over kinderen gedacht als moreel minderwaardige wezens.

    Het kind wordt gezien als een kleine demoon die in de juiste vorm dient gegoten te

    worden. Indien de mens erin wilt slagen om het kind in te tomen en om te vormen tot

    een burger die zich houdt aan de morele code die er geldt binnen de samenleving, moet

    er een proces van disciplinering en moralisering plaatsvinden (Vanobbergen, 2011).

    Dit is een model dat vandaag de dag terug aan kracht wint. Dit wijst erop dat een groot

    deel van de volwassenen nog altijd uitgaat van het feit dat kinderen moreel

    tekortschieten. (Vanobbergen, 2011).

    Wapenbezit, extreem geweld, horror en racisme, het kind wordt gezien als een

    ontspoorde, bedreigende en angstaanjagende jongere, als een moordenaar en

    kindermoordenaar. Er heerst morele paniek in de maatschappij door de komst van

    videogames (Wydooghe, 2011).

  • 14

    “Morele paniek is een buitenproportionele, vijandige en gemediatiseerde reactie op een

    technologie die waarden en normen lijkt te bedreigen” (Wydooghe, 2011, p. 90).

    Enkele voorbeelden van andere paniekgolven waren onder andere de komst van de

    televisie, films,… (Wydooghe, 2011).

    Deze evoluties leiden ertoe dat er een ouderlijke, pedagogische angst voor het kweken

    van een boosaardig kind gecreëerd wordt. Het debat rond de pedagogische paradox

    tussen enerzijds het klein houden en beschermen en anderzijds het kind voorbereiden op

    de volwassenheid, wordt opnieuw op de kaart gezet. Zorgen games ervoor dat kinderen

    opnieuw uit hun kinderwereld gehaald worden en geconfronteerd worden met de

    ongeciviliseerde, monsterachtige volwassenwereld of moeten we games beschouwen als

    een verlenging van de kindertijd en puberteit? De angst voor het kind als gevaar

    verwijst naar het verlangen naar bescherming, leiding en moraal en naar wat er mis kan

    gaan binnen de opvoeding (Wydooghe, 2011).

    Wanneer een kind vreemd of storend gedrag vertoont, is dit niet iets wat voor zich

    spreekt. Gedragingen zijn maar storend of vreemd omdat we bepaalde verwachtingen

    voorop stellen. Wanneer mensen het hebben over storend gedrag bij kinderen, dan

    vertelt dat ook iets over hun eigen verwachtingen (Vanheule, 2011).

    “Om angsten tot voorwerp van reflectie te maken, is het interessant om niet de reële

    angsten maar de sublimatie ervan als vertrekpunt te nemen. Beelden zijn geschikt om

    clichés te doorprikken, om wat je ziet in perspectief te plaatsen, te decoreren, te

    ontmijnen” (Wydooghe, 2011, p. 96).

    Het beeld van het ongetemde kind komt duidelijk naar voren in het werk van An-Sofie

    Kesteleyn, een Belgische fotografe. Zij trok naar aanleiding van het tragische verhaal

    van een vijfjarige jongen die zijn zus neerschoot met een geweer, naar Amerika. Ze

    maakte er een reeks over kinderen met hun eerste geweer. Ze ging op zoek naar families

    die toestemming gaven om hun kind te fotograferen met zijn of haar geweer. Slechts

    vijftien gezinnen gaven toestemming. Op de beelden worden de kinderen met hun eerste

    geweer getoond in hun slaapkamer. Deze plaats herinnert ons volgens Kesteleyn aan

    hun jeugd. De geweren zijn gemaakt op maat van het kind en hebben vaak een

    opvallende kleur. De fotografe vroeg de kinderen om hun grootste angst op te schrijven,

    waarvoor ze het geweer zouden gebruiken om zich te beschermen (Starr, 2014). Ouders

  • 15

    geven een geweer aan hun kinderen om zich te beschermen tegen het gevaar, maar

    zorgen er op die manier voor dat hun kinderen zelf een gevaar worden voor de

    maatschappij.

    2.3.2 HET GODDELIJKE KIND OF HET ONSCHULDIGE KIND

    “Kunnen we spreken over ‘gevaarlijke kinderen’ zonder ook ‘kinderen in gevaar’ te

    belichten? En wat is het verband tussen beiden?” (Steverlynck, 2011, p. 49).

    Het zelfbeeld van kinderen kan haaks staan op hun gedrag. Zo toont een onderzoek in

    het OC Sint-Idesbald in Roeselare aan. De jongeren gaven aan gedragsproblemen te

    vertonen omdat zij angstig zijn voor de samenleving. De hulpverleners zagen de

    jongeren echter als agressief, een gevaar (De Rycke, 2011).

    Dit kindbeeld gaat terug op de ideeën van Rousseau. Hij zag het kind als zuiver en

    onschuldig. De volwassene moet het kind beschermen tegen de volwassenwereld vol

    corruptie. Volgens hem moet de volwassene een voorbeeld nemen aan het kind, om zo

    een deel van zijn onschuld terug te winnen. Kinderen worden gezien als een rolmodel,

    een ideaal. Doordat het kind zodanig opgehemeld wordt, wordt de verantwoordelijkheid

    van de opvoeder ondermijnd. Dit ligt aan de basis van de laissez-faire-opvoeding

    (Vanobbergen, 2014). Bij dit type opvoeding is de betrokkenheid van de ouders laag en

    is er een laag disciplineringsniveau (Wouters, 1998). Van een kind wordt geen arbeid of

    geld verwacht, maar liefde, een lach en emotionele voldoening.

    Deze beeldvorming over het kind vormt de basis voor de achtergrond van de

    kindercultuur. Dit verklaart het succes van Disney (Vanobbergen, 2011). Volwassenen

    moeten ervoor zorgen dat kinderen een gelukkige kindertijd kunnen beleven

    (Vanobbergen, 2014). Disney heeft zijn succes te danken aan de manier waarop het de

    kinderwereld vorm geeft. Het is een wereld waar er vrede heerst, vol vreugde en

    fantasie. Ook het verschijnen van het kindsterretje “Shirley Temple” op het witte doek

    draagt ertoe bij dat ouders zich anders gaan gedragen ten opzichte van hun kinderen.

    Kinderen mogen kinderen zijn, maar moeten wel voldoen aan hoge eisen (Vanobbergen,

    2014).

    Er is een stijgende trend in de zorgvragen bij kinderen en jongeren. Deze stijging kan in

    verband gebracht worden met het aantal gedrags- en emotionele problemen waarmee

    kinderen en jongeren kampen. Deze zorgvragen kunnen bekeken worden vanuit een

  • 16

    existentieel perspectief, een psycho-pedagogisch perspectief, een medisch-biologisch

    perspectief en een sociologisch perspectief (De Rycke, 2011).

    Het existentieel perspectief stelt dat het belangrijk is dat kinderen en jongeren veel meer

    begeleid moeten worden in het zoeken naar zingeving en waarden en normen, zonder

    hierbij ideologieën op te dringen. Waarden en normen kunnen gezien worden als de

    basis van een warme en humane samenleving. De toenemende welvaart zorgt ervoor dat

    het aantal bevredigingsmiddelen stijgt en hierdoor stijgt de kans op geluk. Hoe meer

    bevredigingsmiddelen mensen echter ter beschikking krijgen, hoe meer behoeften er

    ontstaan. Hierdoor worden jongeren net als volwassenen meegesleurd in een trend van

    behoeftevermenigvuldiging en het scheppen van behoeftes (De Rycke, 2011).

    Vanuit het psycho-pedagogisch perspectief lijkt een belangrijke oorzaak van het

    stijgend aantal zorgvragen te maken te hebben met de gevolgen van ontwrichte

    gezinnen. Dit zorgt ervoor dat er een stijgende vraag is naar psychosociale

    hulpverlening. Ook zou er te weinig aandacht besteed worden aan het aanleren van

    sociale vaardigheden in het onderwijs. Een derde mogelijke oorzaak ligt in het stellen

    van hoge verwachtingen van ouders ten opzichte van hun kinderen. De maatschappij

    evolueert ook zeer snel, waardoor het voor veel ouders geen sinecure is om met alle

    ontwikkelingen mee te zijn en in staat te zijn om voldoende controle en toezicht uit te

    oefenen. Tot slot geven ouders hun kind vaak een (ziekte)label met als mogelijk doel de

    eigen opvoedkundige tekortkomingen te camoufleren (De Rycke, 2011).

    Volgens het medisch-biologisch perspectief heeft het stijgend aantal zorgvragen bij

    kinderen en jongeren te maken met het ontwikkelende brein dat wordt overvraagd en

    overprikkeld. Men verwacht perfectie van het kind. Er worden hoge verwachtingen

    gesteld aan het kind. Het heeft moeite met al deze stressreacties en er ontstaat

    kortsluiting. Dit uit zich in moeilijk gedrag (De Rycke, 2011).

    Het sociologisch perspectief stelt dat het stijgend aantal zorgvragen veroorzaakt wordt

    door een verruwing van de maatschappij. Er wordt ook wel gesproken over een

    verzuring van de maatschappij. Mensen zijn minder vriendelijk voor elkaar en kinderen

    en jongeren voelen dit aan. Sommige kinderen sluiten zich hier voor af en ontwikkelen

    daardoor problematisch gedrag. Er vindt ook een individualiseringproces plaats, waarbij

    individuen zich onderscheiden van allerlei traditionele verbanden zoals het gezin,

    politieke partijen, enzovoort. Er ontstaat een verscheidenheid aan gezinsvormen.

  • 17

    Hierdoor ervaren zowel volwassenen als kinderen een grotere nood aan ondersteuning

    (De Rycke, 2011).

    Het bovenstaande maakt duidelijk dat het aantal kinderen in gevaar vandaag nog steeds

    niet onbeduidend is. Zo geeft ook volgend citaat aan:

    “Het is gevaarlijker in dit land om kind en vrouw te zijn dan soldaat” (Adriaenssens,

    2011, p. 24).

    Kinderen worden met een gebrek aan zorg, liefde en respect opgevoed (Steverlynck,

    2011). Het aantal jongeren met gedrags- en emotionele problemen stijgt. Zou het

    kunnen dat zij ons doen nadenken over deze tijd, over de context waarin zij moeten

    leven (Adriaenssens, 2011).

    2.3.3 HET ONVOLTOOIDE KIND

    Binnen dit kindbeeld wordt er uitgegaan van een soort ontwikkelingsgedachte. De

    kindertijd wordt gezien als een aparte fase in het leven van de mens. Kind-zijn wordt

    beschouwd als een onderdeel van het leven, met een eigen logica, eigen dynamiek en

    eigen kenmerken. Het kind wordt gezien als onaf en vertoont een gebrek aan

    rationaliteit. Het doel van opvoeding is te komen tot een goede volwassene. Inspiratie

    voor dit kindbeeld kan teruggevonden worden bij de ideeën van John Locke, Erasmus

    en Aristoteles. Zij gaan ervan uit dat een kind bij de geboorte een tabula rasa is, een

    onbeschreven blad dat niet goed en niet slecht is, maar wel begeleid moet worden op de

    weg naar de volwassenheid (Vanobbergen, 2014).

    Binnen deze visie is er geen aandacht voor de diversiteit tussen kinderen. Ze worden

    beschouwd als uniforme wezens en er is veel te weinig aandacht voor verschillen in de

    ontwikkeling. Er is onvoldoende aandacht voor de context waarin een kind opgroeit

    (Vanobbergen, 2014). De manier waarop naar kinderen gekeken wordt, hangt samen

    met de culturele context. Kindbeelden zijn dus sociaal geconstrueerd (Hemrica, 2004).

    Er bestaat een verband tussen veranderingen die plaatsvinden in de samenleving en hoe

    volwassenen naar kinderen kijken (Ten Brinke & Kanters, 2010).

    Binnen de sociaal constructionistische visie wordt het kind gezien als een onbegrensd

    en niet eenduidig concept. Ook binnen eenzelfde cultuur kunnen er verschillen zijn in de

    visie op kinderen. Er bestaat ook variatie in het denken over kinderen in de

  • 18

    verschillende sociale structuren (Hemrica, 2004). Binnen elk discours staat een eigen

    kindbeeld centraal (Jenks, zoals geciteerd in Hemrica, 2004). Binnen de geneeskunde

    bijvoorbeeld heerst er een ander beeld over kinderen dan in het onderwijs. Het feit dat er

    wisselende kindbeelden zijn, geeft aan dat er diverse manieren mogelijk zijn om met

    kinderen om te gaan. De verwachtingspatronen die men heeft ten opzichte van kinderen

    spelen een cruciale rol in hoe er wordt omgegaan met kinderen (De

    kinderrechtencoalitie Vlaanderen vzw, 2009).

    De drie voorgaande kindbeelden leggen sterk de nadruk op de noodzaak aan een aparte

    kindertijd. Er wordt gesproken over kinderen vanuit een moratoriumstatus. Hierdoor

    ontstaat er een kloof tussen het kind en de volwassene. Binnen deze drie beelden wordt

    de vaardigheid van kinderen om zelf moreel goede beslissingen te nemen, ontkend

    (Vanobbergen, 2014).

    2.3.4 HET MONDIGE KIND

    “Het kind is niet alleen de toekomst, het kind is ook nu” (Vanobbergen, 2009, p. 30).

    Geleidelijk aan is men zich gaan realiseren dat kinderen ‘actieve betekenisgevers’ zijn

    (Vanobbergen, 2014). Het kind wordt binnen deze visie gezien als competent. Het kan

    mee vorm geven aan zijn biografie. Er moet geluisterd worden naar de stem van het

    kind. Het moet alle kansen krijgen om deel te nemen aan de samenleving. Door

    aandacht voor het mondige kind, worden er deuren geopend: een andere visie op het

    leefwereld- en belevingsonderzoek bij kinderen, het idee dat kunst en cultuur voor

    kinderen niet enkel een moraliserende en belerende functie hoeven te hebben, het feit

    dat het kind recht heeft op entertainment (Vanobbergen, 2009).

    Er moet echter uitgekeken worden voor twee belangrijke valkuilen. Er dreigt namelijk

    het gevaar dat de stem van het kind geromantiseerd wordt. Daarnaast wordt met het

    beeld van het mondige kind, de nadruk gelegd op de participatie van het kind aan de

    maatschappij. Er worden plaatsen gecreëerd waar kinderen de kans krijgen om hun stem

    te laten horen. Het probleem hierbij is dat we vaak niet goed weten waar we de stem van

    kinderen moeten plaatsen. Het beeld van het mondige kind kan ook het beeld opwekken

    van het kind als koning. Hierdoor lijkt de volwassene geen inbreng meer te hebben.

    Deze gedachte van de volwassene die verdwijnt van het toneel, wordt niet aanvaard

    (Vanobbergen, 2009).

  • 19

    Indien we kinderen als “active agents” kunnen bekijken, moeten we hen niet enkel een

    stem verlenen, maar ook onze totale kijk op “kind-zijn” en “mens-zijn” herdenken. Het

    vermogen tot handelen wordt toegeschreven aan volwassenen en kinderen worden

    gezien als kwetsbaar. Kwetsbaarheid lijkt niet te lijmen met het vermogen tot handelen.

    Wanneer men kwetsbaarheid definieert als openheid en verbondenheid met de wereld,

    zijn volwassenen ook kwetsbaar (Vanobbergen, 2014). Kinderen leven niet in een

    gescheiden wereld van volwassenen. Ze delen dezelfde wereld en moeten daarom een

    aantal vaardigheden verwerven om zich te verbinden met en zich aan te passen aan deze

    wereld. De volwassene vervult binnen dit perspectief niet langer de rol van de

    autoritaire figuur, maar wordt een metgezel van het kind (Ten Brinke & Kanters, 2011).

    2.4 FOTOGRAFIE

    2.4.1 TAAL BINNEN FOTOGRAFIE

    In de hedendaagse samenleving vormt cultuur een belangrijke bron van zingeving

    (Soetaert, Schram & Coussens, 2006). Cultuur wordt gekenmerkt door gedeelde

    betekenissen (Hall, zoals geciteerd in Soetaert, Mottart & Verdoodt, 2002). Mensen zijn

    dan ook voortdurend bezig met het creëren, uitwisselen en interpreteren van betekenis.

    Taal is hiervoor een uiterst geschikt middel. Taal moet hier gezien worden als een breed

    omvattend begrip dat naast woorden ook beelden, klanken en gebaren omvat (Soetaert,

    Mottart & Verdoodt, 2002). We gebruiken taal om bepaalde concepten, ideeën en

    gevoelens voor te stellen. Dit betekent dat wanneer iets weergegeven wordt, dit niet

    neutraal is. De representatie heeft namelijk steeds vanuit een bepaald perspectief vorm

    gekregen. Representaties moeten dus gezien worden als constructies (Soetaert, Mottart

    & Verdoodt, 2002). Het is onze relatie met beelden die foto’s een emotionele waarde

    geeft (Charman, 2013).

    2.4.2 FOTOGRAFIE ALS MIDDEL OM IDENTITEIT VORM TE GEVEN

    Foto’s kunnen gezien worden als culturele artefacten (Ruby, 1981). Er bestaat geen

    universele taal voor fotografie, geen universeel betekenissysteem. Er ligt echter telkens

    een veelheid aan codes aan de basis van een foto. Het aantal en het type variëren van

    foto tot foto. De vermeende autonome taal van fotografie staat nooit los van taal in het

    algemeen. Zelden zien we een foto waar er geen bijschrift bij hoort of een titel, maar

    zelfs al hoort er geen tekst bij de foto dan nog staat deze niet los van taal op zich. De

  • 20

    foto wordt namelijk doorhaald door taal wanneer deze ‘gelezen’ wordt door de

    toeschouwer (Burgin, 1977).

    Milgram (1977) stelt dat fotografie gedefinieerd kan worden als een technologie die

    over twee psychologische functies beschikt, namelijk perceptie en herinnering. Het kan

    ons iets leren over hoe we kijken en hoe we herinneren (in Ruby, 1981). Fotografie is

    het enige visuele domein waar mensen zowel vervaardigers, gebruikers, consumenten

    als subjecten kunnen zijn (Ruby, 1981). Het begrijpen van een foto is geen eenvoudig

    gegeven. Foto’s kunnen gezien worden als teksten die beschreven kunnen worden in

    termen van het fotografisch discours. Dit discours beslaat ook andere discoursen. De

    fotografische tekst wordt gekenmerkt door een complexe intertekstualiteit (Burgin,

    1977). Eens men echter ontdekt heeft wat het afgebeelde object voorstelt , is de foto niet

    langer een verwarrende samenvoeging van lichte en donkere tonen, van onzekere

    randen en ambivalente volumes, maar nu toont het een ‘ding’ waarin we investeren met

    onze volledige identiteit (Burgin, 1977).

    Van Dijck (2008) gaat er vanuit dat fotograferen niet langer herinnering als eerste

    functie heeft, maar steeds meer een middel wordt voor de vorming van en communicatie

    van de individuele identiteit. Deze verandering in de functie van het fototoestel is te

    situeren binnen een meer algemene culturele toestand die gekarakteriseerd wordt door

    manipulatie, individualiteit, communiceerbaarheid, veelzijdigheid en verspreiding. Het

    fotograferen van een individu is een gesloten veld waar 4 beeldrepertoires elkaar

    kruisen: het mentale zelfbeeld (de persoon die men denkt te zijn), het geïdealiseerde

    zelfbeeld (de persoon dat ik wil dat de anderen denken dat ik ben), het gefotografeerde

    zelfbeeld (diegene die de fotograaf denkt dat ik ben) en het openbare zelfbeeld of imago

    (het beeld waar de fotograaf gebruik van maakt wanneer hij of zij zijn kunst

    tentoonstelt) (Van Dijck, 2008). Foto’s die geprint worden door de fotograaf zelf,

    worden als echter ervaren dan dezelfde negatieven geprint door iemand anders (Gurian,

    1999).

    Door de komst van de digitale camera zijn er veel meer mogelijkheden. Digitale

    fotografie heeft een eindeloos potentieel om bijvoorbeeld herinneringen uit de kindertijd

    te reconstrueren en bij te werken (Van Dijck, 2008). Met digitale fotografie krijgt men

    meer toegang tot het proces dat plaatsvindt tussen het nemen van een foto en het

    geprinte resultaat. Het potentieel van digitale fotografie om een eigen foto aan te passen

  • 21

    blijkt de ultieme tool te zijn voor identiteitsvorming. Digitale foto’s laten de

    gefotografeerde toe om controle te verkrijgen over de uiteindelijke foto, wat het subject

    uitnodigt om onze publieke en private identiteit te wijzigen. Foto’s kunnen nu

    geïdealiseerd worden. Het verband tussen herinnering en fotografie verandert en past

    zich aan aan de hedendaagse verwachtingen en de heersende normen. Hedendaagse

    foto’s vertellen ons wie we wensen te zijn en hoe we onszelf willen herinneren. Het is

    echter ook dit manipulatief potentieel dat anderen kunnen gebruiken om een foto aan te

    passen. De consequentie van digitale technologie is dan dat persoonlijke foto’s

    geretoucheerd kunnen worden zonder sporen achter te laten, ongeacht wat het doel was

    van de originele foto. Hierdoor treedt de fotografie het publieke domein binnen (Van

    Dijck, 2008).

    2.4.3 KINDERPORTRETTEN IN DE 21E EEUW

    Heel wat fotografen richten zich op het fotograferen van kinderen. Er zijn drie

    belangrijke tendensen in het fotograferen van kinderen in de 21ste

    eeuw. Sommige

    fotografen kiezen ervoor om kinderen af te beelden als volwassenen. Kinderen worden

    dan afgebeeld met make-up, schoenen met hakken en dergelijke. Anderzijds zijn er ook

    fotografen die het kind als natuurlijk wensen af te beelden en geen photoshop hanteren.

    Tot slot zijn er ook fotografen die het kind willen construeren en hiervoor het medium

    photoshop gebruiken. De drie tendensen worden hieronder aan de hand van enkele

    fotografen besproken. Er werd gekozen voor onderstaande fotografen aangezien het

    werk van deze fotografen een inspiratiebron waren voor het werk van Veerle Scheppers.

    Bij gebrek aan wetenschappelijke artikels, werd er gebruik gemaakt van interviews die

    verschenen in tijdschriften, kranten of op het internet. Een voorbeeld van het werk van

    de fotografen is terug te vinden in de bijlage.

    2.4.3.1. Het kind als volwassene in zakformaat

    Tot de twaalfde en dertiende eeuw werden kinderen als volwassenen in zakformaat

    afgebeeld. Nadien veranderde het beeld dat men had van kinderen. Er wordt gesproken

    over de ontdekking van het kind (Koops, Levering & De Winter, 2007). Vandaag zijn er

    nog steeds heel wat fotografen die het kind als een soort van volwassene afbeelden.

    Hieronder wordt het werk van Susan Anderson en Edith Maybin besproken.

  • 22

    2.4.3.1.1. Susan Anderson

    Susan Anderson is een fotografe die zich voornamelijk specialiseert in mode- en

    portretfotografie Ze bezocht drie jaar lang schoonheidswedstrijden voor kinderen in de

    Verenigde Staten. Binnen de reeks “High Glitz” (zie figuur 17 p. 117) laat ze meisjes

    tussen de twee en tien jaar poseren, maar hierbij geeft zij noch instructies voor de poses

    die de kinderen moeten aannemen, noch de make-up of kleding worden geregisseerd

    (Danckaerts, 2011). Volgens haar voelen heel wat mensen zich aangetrokken door deze

    foto’s omdat er iets gecommuniceerd wordt, iets wat hen vertrouwd is, maar ze kunnen

    niet zeggen wat het is (Kinny, 2009). Wanneer volwassenen kijken naar de foto’s

    ontstaat er een shockreactie. Er is iets wat niet klopt. Er ontstaat een illusie van een

    ouder persoon in een kleiner lichaam. Voor de fotografe draait het niet om de kinderen

    die ze fotografeert. Ze ziet ze enkel als subject. Volgens de fotografe is de

    persoonlijkheid van de meisjes toch nog zichtbaar doorheen de foto’s, ondanks alle

    glitter en glamour (Kinny, 2009).

    Wonderlich, Ackard & Henderson (2005) onderzochten het effect van deelname aan

    schoonheidswedstrijden voor kinderen op het ontwikkelen van een eetstoornis als

    volwassene, ontevredenheid met het lichaam, depressie en zelfvertrouwen. Uit de studie

    kwam naar voor dat participanten die deelnamen aan schoonheidswedstrijden als kind

    een grotere ontevredenheid vertoonden met hun lichaam, een groter interpersoonlijk

    wantrouwen ontwikkelden en meer impulsieve stemmingswisselingen hadden dan

    vrouwen die niet deelnamen aan dergelijke schoonheidswedstrijden. Ze vertoonden ook

    meer gevoelens van onbekwaamheid dan niet-participanten. Er was geen significant

    verschil tussen vrouwen die deelnamen aan schoonheidswedstrijden als kind en

    vrouwen die niet deelnamen, wat betreft het ontwikkelen van boulemie, een depressie,

    zelfvertrouwen en de manier waarop zij hun lichaam percipiëren. Dit staat in contrast

    met de visie van Pinsof die stelt dat het deelnemen aan schoonheidswedstrijden voor

    kinderen kan leiden tot het ontwikkelen van eetstoornissen. De kinderen ervaren

    dagelijks aspecten die behoren tot het leven van een volwassene, zoals stress, reizen en

    competitie. Dit zijn volgens Pinsof geen zaken die deel uit zouden mogen maken van

    het leven van een kind (Pinsof, zoals geciteerd in Nussbaum, n.d.). foto’s die genomen

    worden op dergelijke schoonheidswedstrijden geven het kind weer als volwassene. Het

    onderzoek van Wonderlich, Ackard & Henderson (2005) toont aan dat deelnemen aan

  • 23

    dergelijke schoonheidswedstrijden mogelijke gevaren met zich meebrengt. Hier treedt

    het beeld van kind in gevaar op de voorgrond.

    2.4.3.1.2. Edith Maybin

    Edith Maybin is een Canadese fotografe (Smithson, 2008). In haar fotoreeks “The

    Tenby Document” (zie figuur 18 p. 118) speelt zij met de mogelijkheid van de kijker

    om een beeld te interpreteren. Ze onderzoekt de ruimte tussen moeder en dochter. De

    fotografe plaatst het hoofd van haar vijfjarige dochter op haar eigen lichaam. De

    beelden laten ruimte toe voor fantasie, identiteitsomkering , enzovoort. Er is een

    discrepantie waar te nemen tussen het gezicht en het lichaam. De kloof tussen de eerste

    indruk van het realisme en de desoriëntatie is elementair. Centraal in vele foto’s van

    Maybin staat de balans tussen de innerlijke staat en de uiterlijke omstandigheden, de

    verkenning van de grenzen van het zelf, de echo’s van het onbekende, het vreemde van

    vertrouwde landschappen, zowel fysiek als psychisch.(Skagert, n.d.).

    2.4.3.2. Het kind als natuurlijk afgebeeld

    Er zijn ook fotografen die het kind willen afbeelden zoals het werkelijk is. Hieronder

    worden Sally Mann en Rineke Dijkstra besproken. Sally Mann wil met haar werk de

    woede, de ontgoocheling, de onzekerheid en de schaamte dat bij elk kind aanwezig is

    tijdens het opgroeien, documenteren (Malcolm, 1994). Rineke Dijkstra wil met haar

    werk de essentiële natuur en de complexiteit van het proces van opgroeien vastleggen

    (“Curator Lisa Sutcliffe on Rineke Dijkstra’s Beach Portraits,”2012).

    2.4.3.2.1. Sally Mann

    Sally Mann werd geboren in Virginia. Ze maakte reeds verschillende fotoreeksen met

    thema’s als architectuur, landschappen, stillevens en portretten. Ze is waarschijnlijk het

    meest bekend voor haar reeks “Immediate Family” (zie figuur 19 p. 119) waarbij ze

    haar eigen familie, kinderen en man fotografeert. De foto’s behandelen momenten uit de

    kindertijd, zoals spelen, slapen, eten, enzovoort. Toch handelen de foto’s ook over

    zwaardere thema’s zoals de dood en de culturele percepties over de dood (“Sally Mann

    Biography,” n.d.). Ze maakt beelden van haar kinderen wanneer deze ziek, woedend of

    vuil zijn. Dit staat in contrast met de momenten die moeders normaal proberen vast te

    leggen op beeld, de momenten waarop hun kinderen gelukkig zijn (Malcolm, 1994). In

    de meeste werken verschijnen de kinderen naakt of gedeeltelijk naakt. Sommigen zien

    het werk van Sally Mann dan ook als kinderpornografie en zien de fotografe als een

  • 24

    onverantwoorde moeder. De reeks vertelt het verhaal van de echte kindertijd en wat een

    kind maakt tot wie hij of zij is (Osbourn, 2006).

    In een artikel van Isaacs & Isaacs (2010) wordt de vraag gesteld waarom naaktheid in

    het openbaar verboden is. De reden die hier meestal voor gegeven wordt, is het

    beschermen van de publieke moraal en het niet overtreden van de wet. Toch is het niet

    offensief om kinderen naakt te laten rondlopen. Het is zonder twijfel waar dat kinderen

    beschermd moeten worden tegen het afgebeeld worden als participerend aan seksuele

    activiteiten. Het is echter niet helemaal duidelijk of ze beschermd moeten worden tegen

    het geportretteerd worden in poses die als seksueel getint kunnen worden

    geïnterpreteerd. Zijn we het onschuldige aan het beschermen of zijn we ons van het

    onschuldige aan het ontdoen (Isaacs& Isaacs,2010) Worden kinderen binnen deze

    portretten als seksueel voorgesteld of is dit slechts een perceptie van volwassenen?

    2.4.3.2.2. Rineke Dijkstra

    Rineke Dijkstra is een portretfotografe. Ze fotografeert mensen die op een keerpunt

    staan in hun leven. De achtergronden die ze gebruikt zijn zeer simplistisch. Hierdoor

    staat het subject centraal en wordt de aandacht van de kijker op het subject gevestigd.

    Ze probeert te wachten op het moment waarop het subject vergeet om zelf controle uit

    te oefenen op het beeld. Ze ziet fotografie als een medium om te onderzoeken hoe een

    persoon verandert (Jaeger, 2008).

    “Strandportretten” (zie figuur 20 p. 120) is een reeks waarin portretten van jonge

    mensen van verschillende landen worden getoond. Het zijn geen glamoureuze beelden,

    maar beelden van gehavende lichamen. De subjecten ervaren een hoge spanning en

    staan op de rand van een onzekere toekomst (“Curator Lisa Sutcliffe on Rineke

    Dijkstra’s Beach Portraits,”2012). Het doel van haar werk is dat de mensen op een

    andere, nieuwe manier gaan kijken naar het leven, maar het moet realistisch blijven

    (Jaeger, 2008).

    Bij beide fotografen staat het proces van opgroeien centraal, maar roepen de foto’s een

    andere emotie op bij de kijker. Bij de portretten van Sally Mann worden de beelden

    soms als seksueel getint gezien. De beelden van Rineke Dijkstra stralen eerder een

    onzekerheid uit. In beide reeksen staat het kindbeeld van het onschuldige kind en het

    onvoltooide kind centraal.

  • 25

    2.4.3.3. Het geconstrueerde kind

    Photoshop geeft fotografen de mogelijkheid om beelden te manipuleren op heel wat

    mogelijke manieren (Baring, 2005). Hieronder worden twee fotografen besproken die

    portretten bewerken met behulp van photoshop. Loretta Lux vindt het leuk om elk

    aspect van haar werk te controleren (Baring, 2005). Oleg Dou zijn werk is een

    combinatie van fotografie en grafisch computergebruik. Dit fascineert hem aangezien de

    kijker dan een mix waarneemt van de werkelijkheid die interfereert met de

    fantasiewereld (Lamono, 2012).

    2.4.3.3.1. Loretta Lux

    Loretta Lux is een Duitse fotografe. Voor ze startte met fotografie, was ze kunstschilder.

    Voor haar werk combineert ze beide technieken (Aletti, 2004). De kinderen op de

    kinderportretten (zie figuur 21 p. 121) zijn telkens dochters of zonen van vrienden. De

    fotografe bepaalt welke kleren de kinderen moeten dragen. Dit is vintage kledij,

    waaronder ook kledij die ze vroeger zelf als kind droeg . Het is dan ook niet haar

    bedoeling om portretten te maken van kinderen (Sayre, 2008). Haar werken handelen

    meer over de kindertijd in het algemeen en welke effecten dit heeft op het zijn van deze

    persoon (Rijlaardsdam, 2011). Ze wil de kinderen slechts gebruiken als een metafoor

    voor het verloren paradijs (Sayre, 2008). Ze probeert met haar werk om haar eigen

    jeugd waarin ze gedwongen werd om een kleine communist te zijn, te verdringen

    (Baring, 2005). Kinderen zijn volgens haar perfect om te fotograferen, aangezien zij de

    meest eerlijke modellen zijn (Sayre, 2008). Bij het manipuleren van haar werk, neemt

    zij graag de tijd. Ze wil niet dat haar werk er fake uitziet, maar prefereert subtiele en

    doordachte werken. De achtergronden in haar werken worden gefotografeerd doorheen

    haar reizen in Europa en nadien toegevoegd aan het portret. Zo wil ze een perfecte

    realiteit creëren (Aletti, 2004). Ze hecht veel belang aan de vorm en de kleur van haar

    werken (Sayre, 2008).

    De kinderen op de portretten van Loretta Lux lijken zo fragiel te zijn als porseleinen

    figuren. Ze worden afgebeeld op een geïsoleerde setting (Rijlaardsdam, 2011). Ze

    kijken weg van de lens of recht in de lens. Dit geeft hen een bijna arrogant

    zelfbewustzijn (Aletti, 2004). Ze lijken even sympathiek als eng. Het lijkt alsof de

    kinderen getransformeerd worden in aliens. Hoe langer men kijkt naar de werken van

  • 26

    Loretta Lux, hoe oncomfortabeler men zich voelt. Het zijn vreemden in een vreemd

    land (Aletti, 2004). De subjecten in Loretta Lux haar werk achtervolgen de kijker vanuit

    het beeld alsof zij een verschrikkelijk geheim verbergen (Sayre, 2008). Welke

    boodschap ze met haar foto’s wil overbrengen laat ze over aan de kijker. Het enige wat

    zij aangeeft, is dat het minder over het subject gaat, namelijk het kind, dan over het idee

    van de kindertijd (Sayre, 2008).

    2.4.3.3.2. Oleg Dou

    Oleg Dou is een Russische fotograaf die foto’s neemt van kinderen en de kinderen laat

    evolueren tot wezens van een andere wereld. Hij wordt niet graag geprofileerd als

    fotograaf, maar ziet zichzelf eerder als een artiest die fotografie gebruikt als medium

    (Adobe Creative Cloud, 2012). Het eerste wat hij doet is het verwijderen van de

    wenkbrauwen en het glad maken van de huid. Op die manier verliezen de kinderen hun

    individualiteit (“Oleg Dou- Cubs,” 2012). Zijn werken vervagen de lijn tussen

    schoonheid en afstoting. Hij creëert artificiële mensen met zijn digitaal penseel. Na een

    werk van maanden ontstaat er een nieuwe identiteit van een puur menselijk wezen

    (“Oleg Dou’s artificial humanity,” n.d.). Hij wil de mensen choqueren en maakt

    hiervoor de huid van zijn subjecten lichter. Hierdoor lijken de personen dood en creëert

    hij angstaanjagende beelden (Adobe Creative Cloud, 2012).

    Zijn reeks “Toy Story” (zie figuur 22 p. 122) sprak mij bijzonder aan, aangezien de

    kinderen zelf worden afgebeeld als speelgoed. De kinderen zijn bijna niet te

    onderscheiden van hun achtergrond. Hun huid is bijna zo bleek als een geest. Het

    attribuut valt wel op. Dit is een kenmerk van een kinderheld zoals het gewei van bambi.

    Daarnaast zijn de ogen van de kinderen ook tot in het detail afgebeeld en is er een

    duidelijke emotionaliteit aanwezig. De ogen zijn rood en het lijkt alsof de kinderen net

    gehuild hebben. De boodschap die volgens Lamot (2011) achter deze reeks verscholen

    ligt, is dat de kinderen in de huid van de held geduwd worden. Ze moeten zich door het

    masker plots sterk en volwassen voelen en mogen niet langer kind zijn (Lamot, 2011).

    2.5 REFLECTIE IN HET ONDERWIJS

    Mezirow (1990) stelt dat reflectie ons in staat stelt om misvattingen in onze

    overtuigingen te corrigeren. Kritische reflectie impliceert een kritiek op de

    vooronderstellingen waarop onze overtuigingen zijn gebouwd (Mezirow, 1990). Dit

    maakt reflectie tot een interessant gegeven in het veranderen van een

  • 27

    beeldvormingsproces. In de lerarenopleiding en bij leraren in het werkveld is het van

    belang om een systematische reflectie door te voeren (Korthagen & Vasalos, 2002).

    Reflectie van leraren richt zich volgens Korthagen & Vasalos (2002) meestal op de

    omgeving, hun gedrag, bekwaamheden en overtuigingen.

    Deze masterproef kan gelinkt worden aan het niveau van de overtuigingen die een leraar

    heeft, meer bepaald overtuigingen over kinderen. Dit niveau bevindt zich op een van de

    buitenste schillen van het model van kernreflectie van Korthagen & Vasalos (2002).

    Overtuigingen zijn echter vaak diep geworteld en moeilijk te veranderen. Kernreflectie

    kan hierop een antwoord bieden. Bij kernreflectie worden er twee niveaus toegevoegd:

    betrokkenheid en identiteit. Reflectie op het niveau van betrokkenheid gaat over de rol

    die men voor zichzelf ziet in relatie tot de andere, identiteit heeft betrekking op de

    persoonlijke eigenheid. Wanneer deze twee niveaus bereikt worden tijdens de reflectie,

    dan is er sprake van kernreflectie (Korthagen & Vasalos, 2002).

    Figure 2. Reprinted from Het Ui-model (2002), by Korthagen & Vasalos. Copyright

    2002 by Korthagen & Vasalos. Retrieved from

    http://hetkind.org/2013/12/29/kwaliteit-van-binnenuit/

  • 28

    3. METHODOLOGISCH KADER

    3.1 PROBLEEMSTELLING EN ONDERZOEKSVRAGEN

    Hoewel er reeds veel onderzoek uitgevoerd is naar de vorming van (nationale) identiteit

    (Weiser, 2013 ; McLean & Cooke, 2003; Weiser, 2009), is er nog maar weinig

    onderzoek gedaan naar de vorming van identiteit in fotografie. Vandaar dat de focus in

    deze masterproef gelegd zal worden op fotografie en meer bepaald op kinderportretten.

    In de geschiedenis werd “Kind-zijn” steeds gelijkgesteld aan het proces van de

    constructie van identiteit. Wanneer dit proces met succes wordt voltooid dan bereikt

    men de volwassenheid (Leichanka, 2012). Het kind kan gezien worden als de motor van

    de culturele ontwikkeling. Het kind imiteert immers niet alleen het gedrag van de

    ouders, maar is ook in staat om mogelijke veranderingen in het gedrag te

    bewerkstelligen (Koops, Levering & De Winter, 2007). Er werd gekozen voor

    portretten, aangezien een foto in de portretfotografie veel onthult van iemand zijn ziel,

    zijn innerlijke persoon. Er zijn veel fotografen die het belang daarvan inzien en ervan

    uitgaan dat zij over de mogelijkheid beschikken om dit ongrijpbare aspect ook vast te

    leggen in een portret (Freeman, 2012).

    Op basis van de bovenstaande probleemstelling, werden onderstaande

    onderzoeksvragen gekozen. De eerste onderzoeksvraag en deelvragen peilen naar de

    algemene beelden over kinderen en de manier waarop kinderportretten gebruikt kunnen

    worden om te reflecteren over deze beelden. De tweede onderzoeksvraag en deelvragen

    gaan dieper in op de kindbeelden die geconstrueerd worden in het werk van Veerle

    Scheppers.

    1. Hoe kunnen kinderportretten gebruikt worden als medium in de

    pedagogische context om (toekomstige) pedagogen aan te zetten tot reflectie

    over de mythes die er bestaan over kinderen?

    - A. Welke kindbeelden komen als dominant naar voren in de

    portretten en sluiten deze beelden aan bij de heersende mythes over

    kinderen in de samenleving?

    - B. Op welke manier kunnen kinderportretten gebruikt worden als

    medium tot reflectie binnen de opleiding Pedagogische

    Wetenschappen?

  • 29

    2. Hoe worden kinderen verbeeld in de kinderportretten van Veerle

    Scheppers?

    - A. Welke betekenis geeft de fotografe aan deze beelden?

    - B. Welke betekenis geven (toekomstige) pedagogen aan deze

    beelden?

    3.2 ONDERZOEKSBENADERING

    3.2.1 KWALITATIEF EN EXPLOREREND ONDERZOEK

    In deze masterproef wordt gekozen voor kwalitatief onderzoek. Boeije (2005) definieert

    kwalitatief onderzoek als volgt:

    “ Kwalitatieve onderzoeksmethoden zijn strategieën voor de systematische verzameling,

    organisatie, en interpretatie van tekstueel materiaal dat is verkregen door gesprekken of

    observaties met het doel concepten te ontwikkelen die ons helpen om sociale verschijnselen

    in hun natuurlijke context te begrijpen met de nadruk op betekenissen, ervaringen, en

    gezichtspunten van alle betrokkenen.” (Boeije, 2005, p. 22).

    Er werd gekozen voor kwalitatief onderzoek omdat de nadruk binnen dit onderzoek gelegd

    wordt op de betekenissen, ervaringen en gezichtspunten van de participanten. Wanneer bij

    de start van een onderzoek een antwoord gezocht wordt op de vraag ‘wat is de vorm van

    sociale structuren en hoe worden deze geconstrueerd, behouden,…?’ of de vraag ‘wat zijn

    individuele belevingen?’ dan is kwalitatief onderzoek geschikt (Winchester, 2005). Deze

    masterproef focust op de belevingen en ervaringen van de participanten en komt daarmee

    tegemoet aan de tweede vraag.

    Het onderzoek binnen deze masterproef is explorerend. Er zijn enkele kenmerken van

    explorerend onderzoek volgens Swanborn (2004):

    - De onderzoeker moet van een brede probleemstelling uitgaan, die pas

    tijdens het onderzoek leidt tot meer precieze probleemstellingen.

    - De onderzoeker laat zich niet expliciet leiden door van tevoren bekende

    theorieën, hypothesen, modellen en interpretatieschema’s.

    - De onderzoeker legt weinig beslissingen over de onderzoeksprocedure van

    tevoren vast, maar laat zich bij de voortgang van het onderzoek in sterke

    mate leiden door zijn/haar ad hoc interpretaties van de verkregen data.

  • 30

    Aangezien er over het onderwerp van deze masterproef nog maar weinig of geen onderzoek

    uitgevoerd is, kan dit onderzoek bestempeld worden als explorerend onderzoek. Er kon

    namelijk niet uitgegaan worden van reeds bestaande theorieën. Er werd vertrokken vanuit

    de onderzoeksvraag “Hoe kunnen kinderportretten gebruikt worden als medium in de

    pedagogische context om toekomstige pedagogen en pedagogen in het werkveld aan te

    zetten tot reflectie over de mythes die er bestaan over kinderen?”. Deze vraag werd

    verder verfijnd naarmate het onderzoek vorderde.

    3.3 ONDERZOEKSOPZET

    3.3.1 DATAVERZAMELING

    Er werd gekozen om een kwalitatief onderzoek uit te voeren aan de hand van drie

    kanalen: een kwalitatief interview, een analyse aan de hand van het analysemodel van

    Smelik (1999) en een focusgroep. Ook uit de bibliografie van Veerle Scheppers werden

    er elementen gehaald voor het onderzoek.

    3.3.1.1. Instrumenten

    3.3.1.1.1. Kwalitatief interview

    Een eerste stap binnen het onderzoek was het afnemen van een kwalitatief interview

    met Veerle Scheppers. Een kwalitatief interview wordt voorbereid door het maken van

    een interviewleidraad. Tijdens het interview moet de onderzoeker de houding aannemen

    van een actieve luisteraar. Hij of zij moet daarnaast ook het onderzoek sturen in de

    richting van de onderzoeksvragen. Het interview wordt voornamelijk gestuurd door de

    antwoorden van de geïnterviewde. Deze antwoorden kunnen diepgaander onderzocht

    worden door de onderzoeker door bijkomende vragen te stellen (Van Hove, 2014).

    Tijdens dit interview werd de fotografe bevraagd over haar visie op haar werk,

    kindbeelden en het opvoedingsproces van kinderen.

    3.3.1.1.2. Analyse aan de hand van het analysemodel van Smelik (1999)

    In een volgende stap werden er zes portretten gekozen uit het portfolio van Veerle

    Scheppers. Deze portretten kunnen teruggevonden worden in de resultaten van de

    focusgroep. Er werden zowel portretten uit de reeks “Forgotten Heroes” als de reeks “

    Expectations” gekozen. Een van de luiken binnen het onderzoek tracht na te gaan tot

    welke beeldvorming over kinderen de foto’s van Veerle Scheppers leiden. Om dit luik

    te onderzoeken werd gebruik gemaakt van het analysemodel van Anneke Smelik

  • 31

    (1999). Dit analysemodel werd gebruikt omdat hierbinnen beeldvorming centraal staat.

    Een Beeld vormt altijd een teken en verwijst dus naar iets anders. Om een beeld te

    begrijpen, maken we in feite een klein verhaal rond het beeld (Smelik, 1999). Uit deze

    geconstrueerde verhalen werd er interessante informatie gehaald voor het onderzoek.

    3.3.1.1.3. Focusgroep

    Tot slot werd er ook een focusgroep georganiseerd waaraan zowel pedagogen als

    pedagogen in opleiding participeerden. Er namen zes vrouwelijke participanten deel aan

    de focusgroep, waarvan het grootste deel nog in opleiding is. De fotografe was ook

    aanwezig tijdens de focusgroep, maar leverde geen inbreng tijdens de discussie. Op

    deze manier werd hun visie op het werk van Veerle Scheppers en de relatie tussen deze

    foto’s en de heersende kindbeelden en opvoeding duidelijk. Zo konden er verschillen en

    gelijkenissen tussen de verschillende visies worden blootgelegd en kon er nagegaan

    worden of de pedagogen de beelden op dezelfde manier interpreteerden zoals de

    fotograaf het vooropgesteld had, met andere woorden of de beelden de boodschap

    overbrengen of niet.

    De focusgroep startte met het reflecteren over de vraag: “ Hoe zou u kinderen van deze

    tijd omschrijven?”. Vervolgens werden er 7 kinderportretten getoond en dienden de

    deelnemers na te denken over de vraag: “Komen de kinderen op de kinderportretten

    tegemoet aan deze definitie?”. Nadien werd het fotomateriaal verder geanalyseerd door

    te reflecteren over het verhaal achter de foto’s en de kindbeelden die aan de foto’s

    gerelateerd kunnen worden. Ook het beeld over opvoeding dat de foto uitbeeldt, werd

    besproken. Na de analyse van het fotomateriaal werd er gereflecteerd over volgende

    vragen: (1)”Vindt u de huidige opvoeding van kinderen goed?” (2)”Welk kindbeeld

    staat volgens u centraal in de samenleving?” (3) “ Hebben beelden in de media, kunst,

    enzovoort een invloed op de manier waarop u over kinderen denkt?” (4) “ Welke

    invloed heeft de beeldvorming die u heeft over kinderen op uw gedrag in de praktijk?

    Kan u hier eventueel een voorbeeld van geven?” (5) Vindt u de huidige beeldvorming

    over kinderen goed of slecht? Waarom?” (6) “Hoe zou u deze beeldvorming kunnen

    veranderen?” (7) “ Zou het gebruik van fotomateriaal in de opleiding Pedagogie hiertoe

    een bijdrage kunnen leveren?”. Tot slot volgde er een bespreking van de portretten door

    Veerle Scheppers.

  • 32

    3.3.2 DATA-ANALYSE

    3.3.2.1. Transcriptie van de data

    Na het verzamelen van de data werden het interview en de focusgroep uitgeschreven

    volgens het Verbatim-principe. Dit houdt in dat de bestanden letterlijk worden uitgetypt

    zoals deze opgenomen werden met de recorder (Mortelmans, 2011). Deze transcripties

    kunnen teruggevonden worden in de bijlage.

    3.3.2.2. Thematische analyse

    Om de verkregen data via het interview en de focusgroep te verwerken werd er gekozen

    voor een vaak gebruikte kwalitatieve analytische methode, namelijk de thematische

    analyse. Dit is een analyse van de grote thema’s die in een interview naar voren komen.

    Het uitvoeren van een thematische analyse vereist een grote kennis van de onderzoeker

    over zijn data. Het is dan ook gunstiger dat de onderzoeker de informatie zelf verzamelt.

    Na het verzamelen van de data moet er een transcriptie gemaakt worden van de data.

    Deze transcriptie moet meerdere keren gelezen worden. Na het lezen, kan de

    onderzoeker de data coderen. De inhoud van de tekst wordt opgesplitst en de

    verschillende delen krijgen een code. Tot slot worden de overkoepelende thema’s

    binnen de data geïdentificeerd op basis van de reeds toegekende codes (Van Hove,

    2014).

    Braun & Clarke (2006) onderscheiden twee manieren om de data thematisch te

    analyseren: een datagestuurde aanpak en een theoriegestuurde aanpak. Een

    datagestuurde aanpak wordt gedomineerd door de karakteristieken van de data en er

    wordt gecodeerd op basis van een zorgvuldige analyse van de inhoud van de data. Een

    theoriegestuurde aanpak gaat uit van reeds bestaande theoretische concepten. In deze

    masterproef werd gebruik gemaakt van een datagestuurde aanpak.

  • 33

    4. RESULTATEN

    De resultaten worden besproken per kanaal en onderzoeksvraag. Afhankelijk van de

    onderzoeksvraag werden verschillende instrumenten gebruikt. Dit impliceert dat enkel

    de relevante instrumenten gebruikt werden bij elke onderzoeksvraag. Bij het lezen van

    de resultaten moet men rekening houden met subjectiviteit. Het gaat hierbij namelijk om

    de betekenissen die gegeven worden door de verschillende participanten. Er mogen

    geen veralgemeningen gemaakt worden bij het lezen van de resultaten en het vormen

    van conclusies. Elke persoon is immers anders en wordt gevormd door zijn of haar

    ervaringen.

    4.1 BIBLIOGRAFIE VEERLE SCHEPPERS

    Veerle Scheppers is een kinderfotografe uit Leuven. Ze behaalde haar master fotografie

    aan de Hogeschool Sint-Lukas in Brussel in 2012 (http://www.veerlescheppers.com/).

    Het fotograferen van kinderen fascineerde haar reeds vanaf haar eerste jaar fotografie

    (Fotofestival Knokke-Heist, 2014). Ze fotografeerde graag kwetsbare meisjes in hun

    slaapkamer. Het ging hierbij om een ingebeelde wereld, die ze zelf in scène zette

    (Peeters, 2014). Ze creëert zelf een fantasiewereld in haar studio met gevonden objecten

    en oud speelgoed. Haar stijl typeert ze als nostalgisch (Muylle, 2014). Aan de hand van

    het decor, het licht en de manier waarop de kinderen gestyled worden, probeert ze het

    kindbeeld van het onschuldige kind weer te geven (Fotofestival Knokke-Heist, 2014).

    Dit beeld staat in contrast met het beeld dat de dag van vandaag meer en meer aan

    kracht wint, namelijk het beeld van het ongetemde kind (Vanobbergen, 2011).

    Veerle Scheppers laat zich voornamelijk inspireren door drie fotografen, namelijk

    Loretta Lux, Vee Speers en Erwin Olaf. Erwin Olaf inspireert haar voornamelijk om

    haar decors op te bouwen. De andere twee fotografen inspireren haar wat betreft de

    styling van de kinderen en de emoties van de kinderen die in beeld worden gebracht.

    Voor haar reeksen liet ze zich verder ook bezielen door de tentoonstelling “Gevaarlijk

    Jong”. Deze tentoonstelling deed haar nadenken over het thema. Tot slot is het

    dagelijkse leven ook een inspiratiebron. De kinderen die ze in haar werken als subjecten

    gebruikt zijn meestal kinderen die niet binnen de stereotypes van schoonheid vallen.

    Meestal kiest ze voor types die een zeer uitgesproken karaktergezicht hebben. Ze geeft

    ook aan dat ze de vreemde verhoudingen die kinderen dikwijls hebben zeer interessant

    vindt. Ze geeft hierbij het voorbeeld van een meisje dat heel sensuele dikke lippen heeft,

  • 34

    maar eigenlijk nog heel jong is (V. Scheppers, persoonlijke communicatie, 16 februari,

    2012).

    Er werd gekozen om met haar samen te werken aangezien zij reeds veel ervaring heeft

    met het onderwerp. Ze schreef in 2011 zelf een scriptie over het kinderportret. In haar

    scriptie schrijft Scheppers (2012) dat het doel dat ze voor ogen houdt met haar werk te

    maken heeft met mensen te laten stilstaan bij zaken die problematisch zijn of kunnen

    worden. Ze wil dat mensen zich ervan bewust worden dat als we blijven verder gaan

    zoals we nu bezig zijn, dat het wel eens slecht zou kunnen aflopen met de kinderen. Ze

    hoopt om de kijker aan te zetten tot reflectie over de toekomst van het kind. Dit doel

    sluit zeer sterk aan bij de onderzoeksvraag van de masterproef (Scheppers, 2012). Het

    doel van dit onderzoek is om toekomstige pedagogen aan te zetten tot reflectie over de

    huidige mythes die er rond kinderen en opvoeding bestaan. Voor Veerle Scheppers is

    het ook verrijkend om mee te participeren aan het onderzoek. Zij kan op die manier

    achterhalen wat haar werk bij mensen teweegbrengt.

    Kinderen zijn volgens haar puurder, eerlijker. Ze weten ook nog niet goed hoe ze

    precies gebracht willen worden (Muylle, 2014). Ze wil de blik van het kind vastleggen

    (Peeters, 2014). De blik is de essentie van haar werken. Deze laat namelijk toe om de

    ziel van het kind bloot te leggen. Ze vindt het dan ook zeer belangrijk om de juiste blik

    bij het kind te kunnen vastleggen en gaat steeds op zoek naar een blik die spreekt

    (Muylle, 2014). Het is haar bedoeling om de toeschouwer vast te klampen aan de blik

    van het gefotografeerde kind. Ze maakt gebruik van photoshop om een schilderachtige

    sfeer te creëren, maar niet om de kinderen zelf aan te passen (V. Scheppers,

    persoonlijke communicatie, 16 februari, 2012). In al haar werken staat telkens een

    kritisch aspect over hoe kinderen in de 21ste

    eeuw leven centraal. Ze heeft reeds twee

    reeksen portretten uitgebracht, namelijk “Forgotten Heroes” en “Expectations”. Met de

    eerste reeks tracht ze de verloren fantasiewereld van jonge kinderen aan te kaarten. Ze

    gaat ervan uit dat deze wereld verdwijnt onder invloed van technologie (Fotofestival

    Knokke-Heist, 2014). Door de komst van de technologie moeten ze minder fantasie

    gebruiken dan vroeger (Muylle, 2014). In de tweede reeks ligt de focus op de hoge

    verwachtingen die ouders aan hun kinderen stellen. Haar werken hebben als essentie om

    bij de toeschouwer een denkproces op te starten over hoe het kind in de hedendaagse

    wereld wordt aanschouwd (Fotofestival Knokke-Heist, 2014). Wanneer mensen naar

    haar werk kijken dan kunnen ze volgens haar naast het stilstaan bij maatschappelijke

  • 35

    thema’s ook een terugblik naar hun eigen jeugd of een vooruitblik op de toekomst van

    hun eigen kinderen ervaren (Muylle, 2014).

    Veerle Scheppers wil het kind niet als natuurlijk afbeelden, maar heeft graag controle

    over haar werk. Ze bedoelt hiermee dat ze geënsceneerde portretten wil maken, niet met

    photoshop, maar wel door de verschijning van het kind vorm te geven. Ze wil niet dat

    haar beelden er fake uitzien. Dit tracht ze te vermijden doordat de blik van het kind echt

    is en niet gemanipuleerd wordt (Scheppers, 2012). Het werk van Veerle Scheppers

    bevindt zich ergens tussen het kind dat als natuurlijk afgebeeld wordt en het

    geconstrueerde kind.

    4.2 INTERVIEW VEERLE SCHEPPERS

    Het interview met Veerle Scheppers tracht een beeld te schetsen over haar visie op haar

    werk en hoe dit in relatie staat met de heersende kindbeelden in de maatschappij. Dit

    interview is belangrijk om een antwoord te formuleren op de onderzoeksvragen:

    - 1A.Welke kindbeelden komen als dominant naar voren in de

    portretten en sluiten deze beelden aan bij de dominante mythes over

    kinderen in de samenleving?

    - 2A.Welke betekenis geeft de fotografe aan deze beelden?

    4.2.1 ONDERZOEKSVRAAG 1A

    Wanneer er wordt gevraagd naar het kindbeeld dat volgens haar centraal staat in de

    maatschappij geeft zij onmiddellijk aan dat er heel veel bescherming aanwezig is van

    kinderen. Mensen zijn volgens haar angstig ten opzichte van wat er met hun kinderen

    zou kunnen gebeuren. Volgens haar heeft dit te maken met de problematieken die

    aanwezig zijn in de maatschappij. Hoe je naar beelden kijkt is volgens haar sterk

    afhankelijk van wat er nu in de maatschappij aanwezig is. Ze geeft hierbij het voorbeeld

    van David Hamilton. Een fotograaf die heel jonge meisjes gefotografeerd heeft op een

    heel seksuele manier. Onmiddellijk gaat er bij haar een alarmbelletje af. Volgens haar

    komt dit doordat er nu veel problemen zijn rond kinderpornografie. Ze vindt het goed

    dat kinderen beschermd worden door hun ouders, aangezien ze het een eng idee vindt

    dat jonge meisjes zich heden ten dage als een volwassene gaan gedragen. Er zijn zelfs

    vrienden van haar die geen kinderen willen uit schrik van wat er allemaal met deze

    kinderen zou kunnen gebeuren in deze maatschappij.

  • 36

    “Ja, bescherming dat hoor je wel heel vaak. Ik zeg nu maar iets als een kind een tijdje

    vermist is, dan wordt daar al direct heel veel aandacht aan besteed. Wat zeker goed is,

    maar dat voel je wel dat mensen denk ik ook wel angstig zijn ten opzichte van wat er

    met hun kinderen kan gebeuren. “

    4.2.2 ONDERZOEKSVRAAG 2A

    De boodschap die de fotografe met haar foto’s naar buiten wil brengen, heeft te maken

    met de angst dat kinderen niet meer kind kunnen zijn. Dat de hele onschuld, het kind-

    zijn en de beleving van het kind-zijn verdwijnt.

    “Dat is een beetje persoonlijk, dat is meer een angst dat kinderen meer en meer niet

    meer kind kunnen zijn. De hele onschuld en het kind-zijn en de beleving van het kind-

    zijn, dat dat een beetje verdwijnt.”

    Ze geeft hierbij het voorbeeld van een youtube-film dat als titel heeft “Am I ugly or

    not?”. Een meisje had deze film online geplaatst op zoek naar bevestiging van anderen

    over hoe ze zichzelf moet zien. De fotografe vind het heel vreemd dat kinderen daar op

    die leeftijd reeds mee bezig zijn en niet gewoon buiten spelen en zich amuseren.

    Wat ook eng is volgens haar is dat ouders en de maatschappij zaken opleggen aan de

    kinderen. De reeks “expectations” gaat over de verwachtingen van ouders ten opzichte

    van hun kinderen. De aanleiding om deze reeks te maken was het opzoeken van de

    geschiedenis van de schilderkunst en het kijken naar hoe kinderen in die tijd in beeld

    werden gebracht. Voor de reeks “forgotten heroes” liet de fotografe zich inspireren door

    “the birthday party” van Vee Speers. Ze reflecteerde haar eigen kindertijd op de tijd die

    kinderen nu meemaken en waar kinderen zich nu mee bezig houden. Ze had het gevoel

    dat het spelen met speelgoed wat verdwenen was en wilde deze fantasiewereld

    ensceneren. Op die manier wil ze aan de kijkers aantonen dat waar ze naar kijken iets is

    dat misschien binnen x-aantal jaren zal verdwijnen of vergeten zal zijn.

    “Ja, het is een beetje om aan te tonen dat het jammer zou zijn mocht dat verdwijnen.

    Eigenlijk ook vooral door de druk van de maatschappij, dat kinderen ook bijvoorbeeld

    opkijken naar bepaalde modellen op jonge leeftijd en dat ze daar zich gaan tegenover

    stellen.”

    Het is volgens haar wel een uitdaging om iets met een beeld te vertellen en dat subtiel

    aanwezig te houden. Zodat er nog andere zaken in het beeld te zien zijn. Dit is ook de

  • 37

    reden waarom zij geen afzonderlijke titels toekent aan haar werken. Ze wil de kijker de

    vrijheid geven om het beeld te lezen en te begrijpen. Elk beeld kan volgens haar

    afzonderlijk geïnterpreteerd worden, maar toch hebben de beelden elkaar ook nodig.

    4.3 ANALYSE FOTO’S AAN DE HAND VAN HET ANALYSEMODEL VAN ANNEKE SMELIK

    Binnen het analysemodel van Smelik (1999) tracht men een antwoord te vinden op de

    vraag of de beeldvorming effectief is. Met effectieve beeldvorming wordt het

    doorbreken van stereotiepe beeldvorming en het ontwikkelen van een pluriforme

    beeldvorming bedoelt (Smelik, 1999). De analyse is terug te vinden in de bijlage. Uit de

    eigen analyse van de portretten komen enkele zaken naar voren die hieronder besproken

    worden. Aangezien er niet in alle foto’s stereotypes naar voren worden gebracht, wordt

    dit onderdeel niet altijd besproken bij de analyse. Ook de verhouding tussen de tekst en

    het beeld wordt niet besproken, aangezien de werken van Veerle Scheppers geen

    afzonderlijke titel kregen. De focus wordt voornamelijk gelegd op het verhaal dat het

    portret verbeeldt om een antwoord te vinden op de onderzoeksvraag:

    - 2b. Welke betekenis geven (toekomstige) pedagogen aan deze

    beelden?

    De fotografe kiest ervoor om de kinderen nooit van bovenaf te fotograferen, maar

    meestal fotografeert zij de kinderen op gelijke ooghoogte. Op die manier lijken de

    kinderen groter en volwassener.

    Wanneer de fotografe attributen gebruikt in haar werk zijn deze attributen meestal

    metaforen, zoals blijkt uit de analyse. Bij een van de foto’s heeft er een meisje een

    ketting met een kruisje aan en hangt er een kader aan de muur met daarin

    violetbloemen. Zowel het kruisje als de bloemen zijn metaforen voor maagdelijkheid en

    onschuld. Onschuld is dan ook een thema dat vaak terugkomt in het werk van Veerle

    Scheppers. Het thema komt naar voren door het gebruik van attributen of door de

    gezichtsuitdrukking of de houding van de kinderen.

    4.3.1 ONDERZOEKSVRAAG 2B

    Vooral bij de reeks “Expectations” kiest de fotografe ervoor om met een donkere

    achtergrond te werken. Dit geeft de werken iets onheilspellends. Het is dan ook een

    donkere thematiek. Kinderen kunnen geen kinderen meer zijn doordat de verwachtingen

  • 38

    van hun ouders zo hooggespannen zijn. De boodschap van de fotografe naar

    volwassenen toe bestaat er dan ook uit om na te denken over de toekomst van de

    kinderen en het verdwijnen van de kindertijd. Dit is ook de doelstelling van de fotografe

    met de reeks “Forgotten heroes”. Uit de analyse blijkt dat de kinderen binnen deze reeks

    gezien worden als in gevaar. Een tweede kindbeeld dat naar voren komt binnen de

    analyse is dat van het onschuldige kind.

    In de analyse valt op dat de doelstelling van de fotografe meestal bereikt wordt. Dit

    geeft aan dat de betekenis die de fotografe geeft aan de beelden gelijk is aan het verhaal

    dat er uit de analyse rond deze beelden naar voren komt. Vaak is het zo dat de beelden

    geïnterpreteerd worden zoals de fotografe wenst dat ze geïnterpreteerd worden. Ook valt

    er uit de analyse op te merken dat de meeste beel