DE EXECUTIE VAN EEN DOODVONNIS IN SCHIELANDrjb.x-cago.com/GARJB/1941/12/19411231/GARJB-19411231......

Click here to load reader

  • date post

    03-Feb-2021
  • Category

    Documents

  • view

    1
  • download

    0

Embed Size (px)

Transcript of DE EXECUTIE VAN EEN DOODVONNIS IN SCHIELANDrjb.x-cago.com/GARJB/1941/12/19411231/GARJB-19411231......

  • DE EXECUTIE VAN EEN DOODVONNIS IN SCHIELAND

    DOOR DR. E. WIERSUM

    IN het voorjaar van 1763 maakte een jonge vagebonde vannauwelijks 20 jaar, Johanna Catharina Merks, zich inde buurt van Rotterdam aan een aantal min of meer ern- stige misdaden schuldig.

    Van Amsterdam gekomen zijnde, even na Paschen, hield zij zich hier ter stede eenige dagen op en maakte zij van hieruit hare crimineele uitstapjes. Het begon met een diefstal bij een bakker aan de Rotte in de buurt van Krooswijk; de buit bestond uit een vrouwenrok, twee manteltjes, twee vrouwenhemden; de opbrengst bij het vandehand doen was uiterst bescheiden: de twee manteltjes werden aan een Rotterdamsche uitdraagster verkocht voor drie schellingen het stuk, een van de hemden, „twelk zeer oud was", bracht te Amsterdam vijf stuivers op.

    Daarop volgde een inbraak bij een boer te Charlois. Inge- pikt werden een damasten manshemdrok met zilveren knoo- pen, een witte hemdrok eveneens met zilveren knoopen, een roode neusdoek en nog enkele andere kleedingstukken. De opbrengst was zestien gulden.

    Toen was een boer te Lindt bij Dordrecht aan de beurt. Van hem werd een koralen ketting met een gouden slootje gestolen, die voor tien gulden van de hand werd gedaan.

    Van een boer te Gouderak werden een zilveren lepel, ge- merkt F. G. en ook weer een bloedkoralen ketting met een gouden slootje, het gebruikelijke boerinnensieraad, ont- vreemd, waarvoor zij zeven gulden kon maken.

    Tot zoover ging alles naar wensch, maar de 19de Mei d.a.v. werd voor haar de „dies ater". Van Gouda reed zij dien dag met den Goudschewagen naar Rotterdam. Denzelf- den namiddag nog toog zij weer aan het werk. Te St. Elbrecht onder Kralingen werden buit gemaakt: twee vrouwenrokken, een zilveren punthaakje, drie Zeeuwsche rijksdaalders en een zilveren snuifdoos)e. Met haar buit op weg naar Rotterdam werd zij door den veldwachter achterhaald en gevisiteerd.

    Om zich er uit te redden, zegt zij, dat zij deze goederen onderweg gekocht heeft van een persoon, „welke haar had

  • toegeschenen een Jood te zijn". Doch dit praatje hielp haar niet. Zij werd gevangen genomen, overgebracht naar het cachot in de benedenverdieping van het stadhuis op de Hoog- straat en een paar maanden later door het gerecht van Schie- land ter dood veroordeeld.

    Uit het verhoor blijkt, dat zij één of twee-en-twintig jaar oud en geboren was te Best onder Oirschot. „Buiten pijn en banden van ijzer" legde zij een bekentenis af, waarvan de geloofwaardigheid „aan de Edele Agtbare Heren Schepenen en Mannen van den Hove en de Hoge Vier schare van Schie- land bij goede informacien gebleken is".

    Het droevig verhaal luidt als volgt: „dat zij gevangene van haar vroege jeugd af aan in plaatze

    van zich op een eerlijke en betamelijke wijze te gedragen om aan de kost te geraken, integendeel een ongebonden levens- wijze heeft gehouden, zoodanig dat zij gevangene reeds op haare zeventiend jare in den Lande van Ravestein in hegtenis is geweest, dat niettegenstaande die zo vroegtijdige correctie zij gevangene is blijve volharden in haare vagebundeerende levenswijze en zelfs zich aan dieverijen en huijsbraaken heeft overgegeven, waarvoor zij gevangene op den 10 November van het laatst gepasseerde jaar (i 762) in den Lande van Vianen aan den lijve is gestraft geworden".

    En verder bekent zij gevangene „tot twee malen toe door onderscheyden perzonen in onecht beswangert te zijn ge- worden". Het eerste kind werd te Leiden, het tweede ge- durende hare detentie te Vianen geboren.

    Dan wordt nog een uitvoerig relaas gegeven van haar laatste reeds bovenvermelde misdaden in Schieland en in de buurt van Gouda en Dordrecht, waarna ten slotte de harde uitspraak luidt als volgt:

    Gecondemneerd, om op het schavot achter het Raadhuis dezer stad aan een paal door den scherprechter met den koorde te worden gestraft, „dat er de doot na volgt en dat haar doot lichaam zal worden gebracht na het Galgeveld*)

    1) Aan de Schie bij de Schans. Reeds tweehonderd jaar vroeger had Schie- land met Rotterdam een akkoord aangegaan, om zijn misdadigers tegen een geldelijke vergoeding te mogen hangen aan de stadsgalg.

    Bronnen voor de geschiedenis van Rotterdam, III blz. 251.

  • en aldaar aan een paal geschut ten spectacle en afschrik van anderen". Verder werd zij veroordeeld in de kosten en misen van justitie.

    Dit vonnis werd 12 Juli 1763 geveld en een week later, 19 Juli, had de executie plaats *).

    Is het niet om van te rillen? Een jonge vrouw, moeder van twee kinderen, die om enkele diefstallen van kleeren en lijfsieraden van zeer bescheiden waarde ter dood wordt ge- bracht. Zonder eenigen schroom van de zijde der rechters. Zonder dat de omgeving, waaruit zij voortkwam, haar ver- waarloosde opvoeding, de mogelijkheid van erfelijk belast- zijn in aanmerking werden genomen. In een tijd, dat de schande en het onderhoud van een onecht kind alleen ten laste van de moeder kwamen en de vader als regel vrij uit kon gaan. In een tijd, dat het vonnis alleen moest dienen om anderen afteschrikken. In dat opzicht zijn we thans toch wel heelwat vooruitgegaan.

    Het harde vonnis werd gewezen door Baljuw, Schepenenen Mannen van den hové en de hooge vierschaar van Schieland.

    In dit College had de Baljuw van Schieland veel te zeggen. Deze hooge ambtenaar, die tevens Dijkgraaf van Schieland was, werd sinds 1576, toen de stad Rotterdam het ambt ge- kocht had, aangesteld door de Rotterdamsche Vroedschap. Zijn mederechters, de Schepenen en Mannen van Schieland, werden gekozen door den Prins van Oranje uit twee nomi- natiën, namelijk één voor Schepenen, opgemaakt door Bur- gemeesteren en één voor Mannen, opgemaakt door Burge- meesteren en den Baljuw elk voor de helft.

    De taak van den Dijkgraaf en Baljuw was, „om binnen syne jurisdictie alle delinquenten en misdadigers te vervolgen, apprehendeeren, te recht te stellen en nae behooren te doen straffen" en het platteland van Schieland te zuiveren van vage- bonden, bedelaars, lichte vrouwen enz. ^). Schepenen en Wel-

    1) Crimineel Sententieboek van Schieland 1759-1791 blz. 40, in het Alge- meen Rijksarchief.

    De bladzijden 189-194 zijn uit dit register gescheurd. De index verraadt echter den naam van den delinquent, namelijk Cornelis Borgman (Borgmans, Bergmans).

    2) Bronnen voor de geschiedenis van Rotterdam, I, XXXV.

    93

  • geboren Mannen waren de eigenlijke rechters, die de von- nissen wezen *).

    Het vonnis Merks moest dus nu worden uitgevoerd. Bal- juw, Schepenen en Mannen van Schieland, hoewel de juris- dictie hebbende over Schieland, vormden eigenlijk een Rot- terdamsch college. Zij gebruikten dan ook voor hunne delin- quenten de stadsgevangenis onder het Stadhuis en eventueel het stadsschavot. Ook hunne bijeenkomsten in executiezaken hadden in den regel plaats op het Stadhuis, in de vergader- kamer van Schout en Schepenen van Rotterdam. Dit laatste gaf blijkbaar nogal eens wrijving tusschen de beide colleges. Laatstgenoemden maakten soms moeilijkheden, wat het ont- ruimen van hun kamer betreft. In elk geval wilden ze daartoe beleefd worden uitgenoodigd. Het Schielandsche gerecht placht hun namelijk alleen kennis te geven, dat er een execu- tie zou plaats hebben en hun vergaderkamer dus voor twee dagen beschikbaar zou moeten zijn. Dit was hun niet beleefd genoeg; zij wenschten een vriendelijker redactie van deze aan- kondiging. Doch hiertegen kwam de Baljuw van Schieland weer in verzet. Het zou in strijd zijn, zoo betoogde hij, met de waardigheid van het College, waarvan hij de eer had aan het hoofd te staan.

    Burgemeesteren van Rotterdam maakten ten slotte een eind aan dit kleingeestig gedoe en stelden het College van Schie- land in het gelijk. Het is werkelijk curieus, om de beraad- slagingen over dit zwaarwichtig geval te lezen, waarom ik ze hier in extenso laat volgen. Ze luiden aldus:

    „Vergaderingvan Bailluw, Schepenen en Mannen van den hove )̂ en hoge vier- schare van Schieland op Dingsdag den 12 July 1763.

    Den WelEdeleGest. heer Mr Adriaan Reepmaker, Bailluw van Schieland, rapporteert aan het Collegie, dat zijn WelEd., om volgens gebruijk haar Ed.Groot Agtb. de heren Burge- meesteren te rememoriseeren de aan haar EdG.Agtbare voor- gestelde dagen, ter doen verscheijning onder de blaauwe

    1) Beekman 469 (Dijkschouw). 2) In het manuscript staat hierachter nog: en hove.

    94

  • hemel *) en het executeeren der gevangene Johanna Catharina Marks, zich hadde begeeven in Burgemeesteren haar kamer; en aldaar verzogt hebbende, dat haar Ed.G.agtb. wilden ordre geven tot het stellen van het staketsel op den 16 dezer lopende maand, en vervolgens tot het dresseeren van het schavot op den 19 daaraanvolgende, haar Ed.G.Agtb graat- sieuselijk daarin bewilligt hebbende, zijn WelEd.Gest. had- den onder het oog gebracht, dat haar Ed.G.Agtb van ter zij- den was gebleeken: dat heeren Schepenen der Stad Rotter- dam zouden difficulteeren in het ontruijmen van haar Edele Agtb. ordinaris vergaderkamer, zonder dat alvorens twee heere Commissarissen van wegens het Collegie van Schieland bij form van verzoek zouden worden gedeputeert, het ge- bruijk van gemelde kamer te verkrijgen, dat zijn WelEdGst. dezelve praetensie van wegens Schepenen van de Stad heb- bende gedeclineert, en teffens aan haar Ed.G.Agtb reverente- lijk declareerden, dat zijn WelEd.Gest. van wegens zijn ampt zich verpligt vond, zo veel tot opbouwing van regten en pri- vileegien ten voordeden van het Collegie, waarvan hij de eer had aan het hooft te zitten, te doen als immers in zijn ver- mogen zoude zijn, zijn Ed. vooral niet zoude afstaan en over- geven Jurisdictien die ook in vroeger tijd met zo veel vigeur waren gedefendeert; en dat zo heeren Schepene