Wouter & Wiesje

download Wouter & Wiesje

of 37

  • date post

    25-Jul-2016
  • Category

    Documents

  • view

    219
  • download

    0

Embed Size (px)

description

Een spannend verhaal over Wouter en Wiesje die ons leren dat schoon drinkwater eigenlijk heel bijzonder is.

Transcript of Wouter & Wiesje

  • ColofonProductie Branding Topics, Helmond

    Vormgeving en opmaak Anita Smits

    Tekst Joost van Sluijters

    Illustraties Saskia van Gerven

    Drukker Drukkerij Claessens

    Branding Topics

  • AWaar zal ik mijn verhaal beginnen? Bij die stoere middeleeuwse stad met zijn sterke muren? Bij de dappere ridder Willem die deze stad altijd verdedigt? In het prachtige groene bos bij de bron van een beekje? Of bij Kobus, de keizer die nooit genoeg land lijkt te hebben en die steeds meer steden en landen verovert? Nee, laten we dit wonderlijke verhaal beginnen bij twee kinderen, die uit kunnen groeien tot helden: Wouter en Wiesje.

    Als Wouter en Wiesje zich zorgen maakten, liepen ze meestal de stad uit. Vandaag maakten ze zich zorgen. Dus liepen ze in het fraaie groene bos net buiten de stad, waar je altijd vogels hoort fluiten en vaak mooie bloemen en vlinders ziet. Daar, tussen die grote bomen in de frisse lucht dachten ze altijd vanzelf aan andere dingen. En dat was fijn. Want thuis was hun vader veel aan het mopperen

    dat hij te weinig werk had. Hij is pottenbakker en hier in de stad gaan er maar weinig potten stuk.

    Viel er maar eens een vreemd leger de stad binnen. Met paarden, woest zwaaiende zwaarden en een hoop paniek. Dan gaan er veel dingen kapot en heb ik weer werk zuchtte vader vanochtend. En zo was het. Maar in deze stad vielen nooit legers binnen, wisten broer en zus. Want deze stad heeft heel erg dikke muren. Als er ooit een ander leger bij de stad aankwam, en dat gebeurde nog wel eens, dan vluchtten de boeren met hun koeien, varkens en kippen de stad in en gingen de dikke deuren in de stadspoort stevig op slot. Daarna konden ze dan rustig wachten tot de vijand verdwenen was.

    Een open poort

  • In de stad was ook op die momenten eten genoeg. Veel mensen hadden een tuintje met groenten, de kippen leverden dan eieren, de koeien melk en de varkens zorgden voor vlees. Een helder klaterend

    beekje, dat hier in dit mooie bos zijn bron had, liep dwars door de stad en zorgde voor fris water. Het leven was goed in de stad. Zelfs als de dikke poort op slot moest.

    Als er hier weer een vijand bij de stad komt, moeten we s nachts de deuren stiekem open zetten zei Wouter. Voor papa. Wiesje keek hem verschrikt aan Nee, dat mag niet! Jij moet gewoon een stoere broer zijn en de stad helpen beschermen. Dan ben ik trots op je. En papa, papa... Wiesje was even stil omdat ze het ook niet wist, Ehh, papa moet gewoon geduld hebben.

    Ze liepen nog wat verder door het bos en kwamen bij de heldere waterbron. Daar dronken ze wat voor ze verder drentelden. Het was mooi, schoon en stil hier. Hoewel... stil nu even niet. Want Wiesje kletste veel en Wouter deed of hij luisterde maar was met zijn gedachten heel ergens anders. In gedachten zag hij hoe in de straten gevochten werd en hoe daarbij marktkramen vol met kruiken gevuld met olie zouden sneuvelen. Vind je ook niet? hoorde hij Wiesje ineens zeggen en hij zei van schrik maar Ja.

    Ok, dan lopen we naar huis en gaan we mama helpen met koken zei Wiesje opgewekt. Daar had hij dus ja tegen gezegd. Hij liep met Wiesje mee, stak voor zijn moeder het vuur aan, at mee van de stoofschotel en ging al vroeg slapen op zijn strozak. Hij droomde verder waar zijn gedachten gestopt waren en brak in gedachten heel wat potten en kruiken die nacht.

  • Wouter had slecht geslapen en was nog heel erg moe toen hij de volgende ochtend wakker werd van het geloei van koeien. Koeien? Koeien! Dat kon maar n ding betekenen. Er was afgelopen nacht een ander leger bij de stad aangekomen en de boeren waren de stad in ge-vlucht. Wouter gooide de luiken op zijn kamertje open en keek de straat in. Hij zag vrolijke

    varkens, scharrelende kippen, heel veel mensen en koeien. Iedereen was opgewonden en sprak over Kobus. Wouter kende geen Kobus.

    Papa, papa, de stad zit op slot. De vijand staat voor de poort we moeten de stad verdedigen riep Wouter terwijl hij opgewonden naar beneden rende.

    Ik ben een pottenbakker, geen soldaat zei zijn vader, maar dat vond Wouter maar een rare gedachte. We moesten nu immers met elkaar de stad gaan verdedigen. Wiesje! Mama! We moeten de stad verdedigen riep Wouter in de woonkamer, maar ook Wiesje en zijn moeder wilden gewoon thuis blijven.

    Gisteren wilde je de poort nog open gaan zetten voor papa en nu moeten we ineens allemaal gaan vechten van jou zei Wiesje terecht. Maar Wouter leek het al niet meer te horen en hij was door alle drukte op straat op weg naar het plein waar ook het stadhuis met de grote vierkante toren stond. Daar hoopte hij Willem te vinden, ridder Willem, de baas van de soldaten. Het was druk op het plein en op de trap van het stadhuis stond Willem inderdaad. Hij was de taken aan het verdelen. Sommige mannen moesten wachtlopen.

    Koeien

  • Anderen moesten de poorten beschermen en weer anderen moesten keien uit de straat halen om die straks van boven op de muur naar beneden te gooien.

    We gaan het leger van Kobus buiten de stad houden riep Willem, terwijl hij zijn vuist in de lucht stak en alle mannen riepen Ja. Hij heet dus Kobus, dacht Wouter, en hij wilde Kobus graag buiten zijn stad houden.

    Tussen alle lange benen door schoof Wouter steeds een stukje naar voren tot hij voor Willem stond.

    Zal ik helpen om takken naar boven te slepen, zodat we brandende takkenbossen voor de voeten van Kobus en zijn mannen kunnen gooien? vroeg hij enthousiast en hij bedacht dat hij tijdens dat slepen met takken

    dan misschien wel per ongeluk een paar potten in de straat kon breken.

    Wouter je bent tien zei Willem. Het is heel fijn dat je wilt helpen, maar dit is werk voor chte mannen. Ga jij je vader maar helpen in de pottenbakkerij, wij zorgen er voor dat Kobus buiten de stad blijft.

    Wouter was boos. Heel boos. Alsof hij geen echte man was. Alsof er bij zijn vader iets te helpen viel. Die had zelf al niets te doen. Hij voelde dat hij tranen in zijn ogen kreeg van woede of verdriet. Dat wist hij eigen-

    lijk niet. Gauw liep hij een klein steegje in, zodat niemand hem zag. Echte mannen huilen immers niet. En wat moest hij nu thuis vertellen? Wiesje ging hem waarschijnlijk uitlachen. En dat snapte Wouter ook wel een beetje. Misschien was Willem nog wel stommer dan Kobus.

  • En? riep Wiesje toen ze Wouter aan zag komen lopen. Mag je vanavond wachtlopen op de stadsmuren? Word jij een stoere soldaat broertje van me?Aan de manier waarop ze het vroeg, kon Wouter al horen dat dit geen chte vragen waren. Ze was hem eigenlijk nu al aan het pesten.

    Nou... zei Wouter. Willem heeft andere plannen met mij. Hij wil niet dat ik mijn tijd verspeel met sjouwen of vechten. Hij ziet in mij meer een denker. Een GROOT denker. Iemand die nadenkt over hoe we de vijand verslaan. En dat denken, dat mag ik gewoon hier thuis doen.

    Wouter was trots op wat hij verzonnen had en Wiesje trots op hem: haar broer was de denker van de stad.

    ijsheid

    E

  • Dan denk ik met je mee Wouter. Kom, ik haal er wat fris water bij en dan gaan we samen zitten denken op jouw kamer. Ik heb wel zin in denken.

    Wiesje pakte een kruik uit de werkplaats van haar vader en liep naar het beekje dat dwars door de stad loopt en waar je het water uit de bron buiten de stad kan drinken. Een kwartiertje later was ze terug bij Wouter op de kamer.

    En wijze Wouter; al wat verzonnen? riep ze lachend. Maar Wouter had nog niets verzonnen en toen het die avond donker begon te worden, was dat eigenlijk nog steeds zo. Ja, ze hadden verzonnen dat je ook met ijspegels zou kunnen werpen als het winter was... maar ja, dat was het niet. En ze hadden bedacht dat je vaten bier naar buiten zou moeten gooien, zodat de mannen van Kobus dronken zouden worden... Maar ook over dat plan hadden ze twijfels.

    Ik ga mijn denkhoofd op het kussen leggen zei Wouter al vroeg die avond, maar dat was niet helemaal waar. Want toen zijn zus en ouders ook gingen slapen, glipte Wouter nog even het huis uit. Hij liep naar de stadspoort waar je met een smalle trap tot boven op de muur kan komen. Vanuit de schaduw van de poort keek hij toe hoe zijn stoere stadsgenoten wacht liepen op de stadsmuren. Hij kon nu ook buiten de muren kijken, maar daar waren helemaal geen soldaten van Kobus te zien. Wat raar. Ja heel in de verte, bij de rand van het bos, zag hij een kampvuur en wat mensen. Maar er werd niet gevochten.

  • In het zachte schijnsel van de maan liep Wouter naar huis en sloop richting zijn kamer. In de gang kwam hij Wiesje tegen. Wat doe jij hier Wouter? Je moet slapen! Dan kun je beter nadenken morgen.

    Ik ehh, ehh, ik kan beter denken als ik wat rondloop fluisterde Wouter. Maar kom, we gaan slapen, dan zijn we morgen weer fris.

  • De soldaten van Keizer Kobus waren niet te genieten. Ze stonden nu al tien dagen aan de poort van de stad en nog steeds had Kobus geen enkele poging ondernomen om de stad aan te vallen. De mannen verveelden zich en maakten vooral onderling wat ruzie over verloren kaartspelletjes. Niemand snapte wat ze hier deden en eerlijk gezegd snapte Keizer Kobus dat ook niet zo goed. Direct toen hij was

    aangekomen bij de stad had hij gezien dat het onmogelijk was om deze stad te veroveren. Hij had nu al tien lange dagen nagedacht over een plan, maar nog steeds niets kunnen verzinnen.

    In de elfde nacht kwam er echter een idee: hij zou gaan doen alsof hij wegging. Dan ging de stadpoort weer open en zou hij met zijn snelste paarden terugkeren en gewoon de stad in rijden. Een verrassingsaanval. Dat was de enige kans meende hij. Hij liep in de vroege ochtend zijn tent uit om dat plan aan zijn mannen te vertellen, toen hij daar tegen een zenuwachtige stalmeester opbotste. Aan de kant. Ik moet belangrijke zaken gaan bespreken riep Kobus. Maar zijn stalmeester ging niet