WANDELINGEN - Historische Vereniging Noordoost- · PDF file WANDELINGEN VAN MIJNEN OUD-OOM DEN...

Click here to load reader

  • date post

    05-Aug-2020
  • Category

    Documents

  • view

    0
  • download

    0

Embed Size (px)

Transcript of WANDELINGEN - Historische Vereniging Noordoost- · PDF file WANDELINGEN VAN MIJNEN OUD-OOM DEN...

  • WANDELINGEN

    VAN MIJNEN

    OUD-OOM DEN OPZICHTER

    DOOR EEN GEDEELTE VAN DE

    PROVINCIE FRIESLAND

    BIJEENVERZAMELD DOOR

    H. VAN ROLLEMA

  • INHOUD.

    I. Inleiding: Toebereidselen tot de voetreis. Kennismaking met den wandelaar. Aanvang van de wandeling langs den Zwarteweg. Ontmoeting met een visscher. Verhaal van zijne krijgsbedrijven onder Prins Jan Willem Friso, en van diens onverwacht omkomen. blz. 1-15.

    II. Verdere wandeling naar Tietjerk. Bezoek bij den Predikant VITRINGA te Suawoude; diens verhaal van de merkwaardigheden dezer dorpen, en van de levensbijzonderheden van GEORG SCHENCK VAN TOUTENBURG, Spaansche Stadhouder in Friesland. Opschriften in de kerk van Tietjerk en Suawoude. blz. 15-30.

    III. Voortzetting van de wandeling over de Langemeer naar Garijp. Bezoek bij een kennis, met wien WIEKSTRA de plaats van het voorm. klooster Sigerswolde bezoekt. Geschiedenis van dit klooster. Togtje naar Eernewoude. Beschrijving van Garijp en deszelfs merkwaardigheden.

    blz. 30-44.

    IV. Komst te Suameer in de herberg. Mededeeling van de daar gehoorde bijgeloovige volksverhalen. Beschrijving van dit dorp. Ontmoeting op de wandeling naar Oostermeer.

    blz. 44-50.

    V. Bezoek bij den Staats-secretaris JETSE VAN SMINIA, die hem de bijzonderheden van het dorp verhaalt, en hem eene beschrijving geeft van den oorsprong en de pligten van een Grietman, zoowel als van de andere leden van het plattelands bestuur in Friesland. Lijst der Grietmannen en Secretarissen van Tietjerksteradeel. Bezoek van de kerk. Verdere wandeling over Schuilenburg naar Eestrum. Verhaal van de opkomst van dit dorp deszelfs kerk, en beschrijving van een boeren-binnen-huis aldaar en van de levenswijze der landbewoners. Verdere wandeling over de Essen. Schoonheid van dit landschap. Huisterheide. blz-59-80.

    VI. Komst te Bergum en bezoek bij den Grietman HECTOR WILLEM VAN GLINSTRA op het Hooghuis, die WIEKSTRA zijn huis, hof en beplantingen laat zien. Voorlezing over de geschiedenis van het Bergklooster. blz. 80-98.

    VII. Verdere voorlezing over de geschiedenis van het dorp Bergum, deszelfs stinzen en vermaarde mannen, inzonderheid over MENNO Baron VAN COEHOORN. blz. 98-115.

    VIII. Gesprek over de voor- en nadelen van den vroegeren en tegenwoordigen toestand en levenswijze der ingezetenen, en beschrijvende vergelijking tusschen deze beide. Avondwandeling naar Bergum terug. Beschrijving van dit dorp, deszelfs kerk en grafzerken, van Bergumerdam, van den Poppesteen en van de voormalige Hillema-state. blz. 115-131.

    IX. Uitvoerige beschrijving van de antieke Grovestins onder Gaastmaburen. Wandeling naar Hardegarijp, Rijperkerk en Giekerk. Beschrijving van deze dorpen, derzelver kerken en grafschriften. blz. 131-147.

    X. Aankomst te Oenkerk en onthaal bij den Predikant, die WIEKSTRA de kerk met derzelver grafschriften laat zien, en hem een verhaal geeft van de bijzonderheden van het dorp, en van de staten en derzelver bewoners. Verdere wandeling naar Oudkerk, waar hij ook de kerk met hare grafschriften opneemt, waar hij bij de overblijfsels van het klooster Bethlehem deszelfs geschiedenis leest. Terugtogt van Oudkerk over Oenkerk naar Wijns, waar WIEKSTRA in de trekschuit naar Leeuwarden gaat, en onderwijl nog verschillende bijzonderheden van de Grietenij Tietjerksteradeel verneemt. blz. 147-171.

  • WANDELINGEN

    VAN MIJNEN

    OUD-OOM DEN OPZIGTER

    DOOR EEN GEDEELTE VAN FRIESLAND

    Uit de nagelaten Papieren van eenen Dorpspredikant.

    I.

    „ Zult gij zorgen dat morgenochtend te vijf uur mijn ontbijt gereed is? Geeske!” zeide mijn Oudoom, de gewezen Opzigter HOTZE PIEBES WIEKSTRA, op Pinkster-zondag den 17 Mei 1750, tegen zijne zuster, toen zij ‘s avonds naar bed wilden gaan. „Zoo gij bij het plan blijft, het reisje te ondernemen, zal ik zorgdragen, dat er niets ontbreekt; ik heb reeds onzen buurman, den bakker, gewaarschuwd, mij te half vijf op te kloppen: want, of het van den toenemenden ouderdom komt, weet ik niet, maar ik kan zoo goed geen wacht meer houden, als voor vijf-en-twintig jaren.” was het antwoord.

    „Voorzeker blijf ik bij mijn plan; de heldere lucht belooft ons eenige dagen mooi weder, en mijne bezigheden beletten mij waarlijk niet van huis te gaan; bovendien zal eene gezonde beweging mij goed doen.”

    „Gij zult toch niet lang uitblijven? en mij niet weder zoo ongerust maken als voor twee jaren, toen gij drie dagen over den bepaalden tijd eerst te huis kwaamt?” vroeg de bezorgde zuster.

    „Dit zal van het weder, van de omstandigheden en bovenal van het merkwaardige, dat ik te zien te hooren zal krijgen, afhangen,” antwoorden Hotze; doch gij behoeft u niet ongerust te maken; te voet loopt men weinig gevaar een ongeluk te krijgen; maar nu, goeden nacht, Geeske! wij moeten morgen weder vroeg bij de hand zijn.” En hiermede gingen zij te bed.

    Terwijl zij zich aan de armen van Morpheus overgeven, zal het niet ondienstig zijn, mijne lezers met een paar woorden te berigten, wat voor een man mijn Oudoom was, en hoe ik aan deze narigten ben gekomen. Verscheidene jaren lang was Hotze Piebes Opzigter, bij een der molens in den omtrek van Leeuwarden geweest, in den tijd toen het gemaal met de overige landslasten verpacht werd; doch in 1748 met zijne ambtgenooten afgezet, had hij tot nu toe geene andere betrekking kunnen bekomen, ofschoon het, van zijnen kant, aan geene moeite, om weder een postje te verkrijgeb, had ontbroken. Om nu niet geheel ledig te zijn, en vooral de lange winteravonden nuttig en aangenaam door te brengen, begaf hij zich aan het lezen. Spoedig werd de studie van de Friesche Geschiedenis zijne hoofdliefhebberij, en zocht hij alle boeken, welke over de provincie Friesland handelden, zich aan te schaffen; hij las en herlas dezelve totdat hij ze bijna van buiten kende. De kronijk van Occo van Scarl, het Verhaal van

  • Leeuwarden door Gabbema, de Oudheden en Gestichten van Friesland, het Aade Friesche Terp, Winsemius en de werken van Schotanus, benevens de beide Geographische Woordenboekjes en de Naamrol der Raden van het Hof van Friesland hadden al hunne voorname plaats in zijne boekenkast; en zelden ging er een avond voorbij, dat hij zich niet met deze tolken van de voortijd bezig hield, wanneer hij, van 't wandelen moede, zich in zijn gemakkelijken leuningstoel in het kleine voorkamertje van zijn net huisje op het Vliet, de oostelijke voorstad van Leeuwarden, nedergevlijd had. Zijne zuster Geeske, die zijne huishouding waarnam, kortte zich intusschen den tijd met spinnen, en was zeer in haar schik, als haar broeder de flianten, zoo als zij die dikke boeken noemde, in de kast sloot, en zoowel om zich zelven te verpoozen van de ernstige studie, als om haar eenig genoegen te doen, de Rijmlarij van Gijsbert Japicx of de Friso van den beroemden Willem van Haren in de hand nam, en met eene heldere stem eenige bladzijden voorlas.

    Een man van de oude zeden zijnde, was hij er lang tegen geweest, eenen toenaam of zoogenaamden van aan te nemen, oordeelende, dat hij bij den tot nu toe gevoerden voornaam genoegzaam bekend was; doch op aanraden van eenige, meer hoovaardige, vrienden, die vroeger zich deftige vannen hadden aangeschaft, mar vooral op aandrang van zijner superieuren, die het lasting vond, telkens den geheelen mondvol Hotze Piebes uit te spreken, liet hij zich eindelijk bepraten, en koos voor zich den naam van Wiekstra, naar een gedeelte van het voorwerp, aan zijn opzigt toevertrouwd, namelijk: den korenmolen.

    Het was zijn grootste genoegen, wanneer het weder zulks maar eenigzins toeliet, grootere of kleinere uitstapjes te voet te doen: eendeels om de schoone natuur te genieten, anderdeels om de plaatsen te bezoeken, welke het toneel geweest waren van de gebeurtenissen, waarvan hij in zijne boeken gelezen had, en om met eigene oogen de oorden te aanschouwen, waar onze voorouders hunne rollen hadden gespeeld; alsmede, om door dikwijls toevallige ontmoetingen met personen van allerlei rang en stand, meer en meer bekend te worden met de zeden en gebruiken zijner landgenooten. Alwat hem op die wandelingen merkwaardig genoeg voorkwam, en aan een zoodanig net geschreven boekje, onder de nagelaten papieren van eenen Dorpspredikant gevonden, is dit reisverhaal deszelfs oorsprong verschuldigd. Gewoonlijk deed hij zoodanige uitstapjes in een jaar; het eerste in de Pinksterweek, om, zoo als hij zeide, het winterstof van zich af te schudden; het tweede in de Leeuwarder kermis, omdat het gewoel in en bij de stad hem alsdan te lastig viel, en het derde in het laatst van September of het begin van October, om zich, voordat hij de winterkwartieren betrok, nog eens regt in de vrije natuur te verlustigen. Ditmaal had hij zich voorgenomen de Grietenij Tietjerksteradeel te bezoeken, en alles aldaar eens nauwkeurig op te nemen. -

    Toen Hotze den volgenden morgen op den bepaalden tijd zijn bed had verlaten, vond hij alles door zijne zorgvuldige zuster in gereedheid gebragt. Zijne beste kleederen hingen over den stoel; nevens het ontbijt op de tafel lag behalve de fraai besneden pijpedoos met het zettertje of zwart berookt pijpje, naast de tonderdoos en den vuurslag, een net octavo schrijfboekje met een perkamenten band, bestemd om de aanteekeningen van onzen reiziger te ontvangen.

    Spoedig was het ontbijt gebruikt, het pijpje aangestoken, de rotting met zwaren zilveren knop opgevat en zuster Geeske vaarwel gezegd; en nu stapte Hotze vrolijk en opgeruimd langs het Vliet naar de Tuinsterpoort, en bevond zich al spoedig op den zoogenaamden Zwarteweg, die echter met meer regt de roode weg konde genoemd worden, wegens de kleur van den kiezel of het puin, waarmede dezelve jaarlijks van stadswege werd opgehoogd en in bruikbaren staat gehouden.