VBO Statistisch Zakboekje 2011 ©: duurzaam loonbeleid, structurele indicatoren, lonen, werk,...

download VBO Statistisch Zakboekje 2011 ©: duurzaam loonbeleid, structurele indicatoren, lonen, werk, werkloosheid, arbeidsorganisatie en sociale zekerheid

of 32

  • date post

    06-Apr-2018
  • Category

    Documents

  • view

    219
  • download

    0

Embed Size (px)

Transcript of VBO Statistisch Zakboekje 2011 ©: duurzaam loonbeleid, structurele indicatoren, lonen, werk,...

  • 8/3/2019 VBO Statistisch Zakboekje 2011 : duurzaam loonbeleid, structurele indicatoren, lonen, werk, werkloosheid, arbeidsorganisatie en sociale zekerheid

    1/32

    Sociaal departement

    Denkkader 1: Van loonkostenontsporing naar jobintensieve groeiDenkkader 2: Van knelpunt- naar participatie-economieDenkkader 3: Van verlofstelsels naar flexibele arbeidstijdenDenkkader 4: Van vervroegde uittrede naar langer werkenKerncijfers voor het sociaaleconomisch overleg

    STATISTISCHZAKBOEKJE2011

  • 8/3/2019 VBO Statistisch Zakboekje 2011 : duurzaam loonbeleid, structurele indicatoren, lonen, werk, werkloosheid, arbeidsorganisatie en sociale zekerheid

    2/32

    VBO vzwRavensteinstraat 4, 1000 BrusselT + 32 2 515 08 11F + 32 2 515 09 [email protected]

    REDACTIE: Klaas SoensVORMGEVING: The Mailshop, Patrick FierensDRUK: Geers Offset VERANTWOORDELIJKE UITGEVER:Charles Gheur

    Ravensteinstraat 4, 1000 BrusselWETTELIJK DEPOT: D/0140/2011/5

    De inhoud van deze publicatie vindt u op www.vbo.beCette brochure est galement disponible en franais.

  • 8/3/2019 VBO Statistisch Zakboekje 2011 : duurzaam loonbeleid, structurele indicatoren, lonen, werk, werkloosheid, arbeidsorganisatie en sociale zekerheid

    3/32

    Brussel, juni 2011

    Beste lezer,

    De regering heeft een ambitieus, maar noodzakelijk meerjarentraject voor de begroting bij Europa ingediend. Het doel is duidelijk:een begrotingsevenwicht of een sanering van ongeveer 17 miljard euro tegen 2015. De weg is ook duidelijk: via structurele ingrepenin de overheids- en socialezekerheidsdomeinen. Nu moeten er knopen doorgehakt worden in concrete dossiers.

    Met dit statistisch zakboekje, dat voor het vijfde opeenvolgende jaar de structurele problemen op sociaaleconomisch gebied trachtte duiden, willen wij alvast de aandacht vestigen op vier belangrijke denkkaders:

    1 Onze loonkosten blijven verder ontsporen tegenover de buurlanden. Is het dan wel sociaal een debat over de index uit de wegte gaan, o.a. wegens het verdere concurrentie- en jobverlies dat we daarmee opbouwen?

    2 Zou de huidige knelpunteconomie via doortastende maatregelen op het vlak van onderwijs, begeleiding en activering vanwerklozen niet de weg moeten banen voor een participatie-economie, waar iedereen die kan werken, effectief aan het werk is?

    3 Moet er op het vlak van de combinatie arbeid en gezin geen rem gezet worden op de vele verlofstelsels, die ons andermaal

    uniek in Europa maken, ten voordele van andere maatregelen zoals glijdende werkuren en toegankelijke kinderopvang?4 Ten slotte, kunnen we, om de vergrijzingsuitdaging aan te gaan, anders dan de logica van alle andere EU-lidstaten volgen?

    Langer leven moet ook bij ons, beter laat dan nooit, aanleiding geven tot langer werken.

    De themas zijn bekend, de analyses worden in dit zakboekje andermaal geduid, en de mogelijke beleidskeuzes worden ditmaalsamengevat in vier denkkaders voor de toekomst. Zonder daarbij concrete maatregelen aan te reiken, wensen wij positieve en duur-zame keuzes voor te leggen in plaats van de kop in het zand te steken. Dit om het debat over de te maken beleidskeuzes te voedenen aan te zwengelen.

    Het statistisch zakboekje is een werkstuk van het Sociaal departement en werd voorbereid door een expertswerkgroep

    1

    . Voor verde-re vragen en suggesties tot verbetering kunt u terecht bij Klaas Soens ([email protected]), cordinator van dit zakboekje.

    Het zakboekje is gratis te verkrijgen in gedrukte versie (zie colofon), alsook terug te vinden op onze website www.vbo.be, onder derubriek Publicaties / Cijfers en feiten. Wij wensen u veel leesplezier.

    Met vriendelijke groeten,

    Pieter Timmermans, bestuurder-directeur-generaal van het VBO

    1 Naast het Sociaal departement van het VBO zijn dit: Marc Blomme (Fedustria), Manou Doutrepont (FEVIA), Sbastien Procureur (Communicatiedepartement VBO) en Geert Vancronenburg(Economisch departement VBO).

    3

    STATISTISCH

    ZAKBOEKJE

    VBO

  • 8/3/2019 VBO Statistisch Zakboekje 2011 : duurzaam loonbeleid, structurele indicatoren, lonen, werk, werkloosheid, arbeidsorganisatie en sociale zekerheid

    4/32

    DENKKADER 1: VAN LOONKOSTENONTSPORING NAAR JOBINTENSIEVE GROEI ........................................................ 6 - 7 Lste stie selle ble ......................................................................................................... 8

    Lstetsi lt vee ............................................................................................................... 9

    Lstetsi veietit bs ............................................................................................................... 10

    DENKKADER 2: VAN KNELPUNT- NAAR PARTICIPATIE-ECONOMIE .............................................................................. 12 - 13

    Teise sties sil we ......................................................................................................... 14

    Belise welseisiteie weii eessief .................................................................................... 15 Stee li lie welsei sis vli welze ................................................................. 16

    DENKKADER 3: VAN VERLOFSTELSELS NAAR FLEXIBELE ARBEIDSTIJDEN ................................................................ 18 - 19

    Velfete v ezie l zee itebei ................................................................................................ 20

    Velve besteie lssiee lte ..................................................................................................... 21

    900 ile e sbsiies v eeltise bs ................................................................................................ 22

    DENKKADER 4: VAN VERVROEGDE UITTREDE NAAR LANGER WERKEN .................................................................... 24 - 25

    Ist besie eet vee te ......................................................................................................... 26

    Tiseiet bve besie .................................................................................................................. 27

    Le leve, le wee .............................................................................................................................. 28

    KERNCIJFERS VOOR HET SOCIAALECONOMISCH OVERLEG

    Beli .......................................................................................................................................................... 29 - 30

    Eze ............................................................................................................................................................ 31

    Inhoud

    STATISTISCH

    ZAKBOEKJE

    VBO

    4

  • 8/3/2019 VBO Statistisch Zakboekje 2011 : duurzaam loonbeleid, structurele indicatoren, lonen, werk, werkloosheid, arbeidsorganisatie en sociale zekerheid

    5/32

    Denkkader 1: Van loonkostenontsporing naar jobintensieve groeiDenkkader 2: Van knelpunt- naar participatie-economieDenkkader 3: Van verlofstelsels naar flexibele arbeidstijdenDenkkader 4: Van vervroegde uittrede naar langer werken

    Kerncijfers voor het sociaaleconomisch overleg

    5

    STATISTISCH

    ZAKBOEKJE

    VBO

  • 8/3/2019 VBO Statistisch Zakboekje 2011 : duurzaam loonbeleid, structurele indicatoren, lonen, werk, werkloosheid, arbeidsorganisatie en sociale zekerheid

    6/32

    6

    Een stijging van de olieprijs doet de infla-tie in Belgi, net als in anderelanden, versnellen. Dit betekent dat het leven duurder wordt, wat

    de vraag naar compensatie via hogere lonen doet ontstaan.

    Deze loonaanpassing aan de levensduurte gebeurt in Belgi auto-

    matisch en direct, via het systeem van automatische loonindexe-

    ring. Dit leidt tot onzekerheid bij de werkgevers de loonevolu-

    tie in het komende jaar kunnen zij maar bij benadering inschatten ,

    maar ook tot ontsporende loonkosten, wanneer de inflatie hoger

    uitvalt dan voorzien. In andere landen wordt de loonkostenevo-lutie immers op voorhand voor een bepaalde periode onder-

    handeld en is deze evolutie zeker, los van lagere of hogere infla-

    tie dan voorzien. In een volgende onderhandelingsronde wordt

    er mogelijk verder rekening gehouden met de inflatie van de voor-

    bije periode. In Belgi wordt er daarentegen onderhandeld op

    basis van de verwachte inflatie voor de komende periode, die sterk

    kan afwijken van de uiteindelijke, feitelijke inflatie.

    Voor diegenen met een sterke positie op de arbeidsmarkt, zij die

    een job hebben of goede competenties kunnen aanbieden op de

    arbeidsmarkt, zorgt de automatische indexering voor hogere

    lonen. Hierdoor wordt de koopkracht ondanks de aantrekken-

    de inflatie gevrijwaard.

    Een behoud van koopkracht voor diegenen met een sterke posi-

    tie op de arbeidsmarkt ondersteunt de consumptie. Een loon-kostenontsporing daarentegen, bijvoorbeeld wanneer de

    Belgische loonkosten sterker toenemen dan in de buurlanden,

    geeft ook aanleiding tot een verslechtering van onze concur-

    rentiepositie en een verlies aan jobs voor de outsiders op de

    arbeidsmarkt.

    STATISTISCH

    ZAKBOEKJE

    VBO

    Van LoonkoSTEnonTSporIng

  • 8/3/2019 VBO Statistisch Zakboekje 2011 : duurzaam loonbeleid, structurele indicatoren, lonen, werk, werkloosheid, arbeidsorganisatie en sociale zekerheid

    7/32

    7

    STATISTISCH

    ZAKBOEKJE

    VBO

    Ook in 2011 hebben de aantrekkende wereldeconomie en de poli-

    tieke onrust in het Midden-Oosten reeds voor een snellere stij-

    ging van de olieprijzen gezorgd dan op voorhand was verwacht.

    Er valt te vrezen dat onze concurrentiepositie hierdoor verder zal

    verslechteren.

    Via een studie en op basis hiervan een hervorming van ons hui-

    dig systeem van automatische loonindexering, moet het nochtans

    mogelijk zijn om de impact van een olieprijsschok op de Belgische

    loonkostenontwikkeling te beheersen en de aanpassingen aan dit

    systeem onder sociale partners vorm te geven.

    Hierdoor zou een meer evenwichtige loonkostenontwikkeling

    ontstaan, waardoor onze concurrentiepositie o.m. tegenover de

    buurlanden verbetert. Dit heeft een directe positieve impact op

    het aantrekken van investeringen en het behouden en winnen van

    marktaandelen.

    Een evenwichtige loonkostenontwikkeling is een belangrijke ver-

    eiste indien we tegen 2020 inderdaad 73,2% van de bevolking tus-

    sen 20 en 64 jaar aan het werk willen krijgen.2 Deze doelstelling,

    zon 570.000 bijkomende jobs, is om verschillende redenen van

    cruciaal belang. Niet alleen is ze broodnodig om de vergrijzings-

    uitdaging succesvol aan te gaan. Meer mensen aan het werk zal

    zich eveneens vertalen in een lagere armoedegraad.

    REACTIE OP DIT DENKKADER? Geert Vancronenburg, adviseur Economisch departement [email protected]

    2 Belgische doelstelling in het kader van

    de EU 2020-strategie. Bron: minister

    Milquet (15/04/2011), Een ambitieus

    Nationaal Hervormingsprogramma

    (NHP) met voorrang voor de werk-

    gelegenheid.

    naar joBInTEnSIEVE groEI

  • 8/3/2019 VBO Statistisch Zakboekje 2011 : duurzaam loonbeleid, structurele indicatoren, lonen, werk, werkloosheid, arbeidsorganisatie en sociale zekerheid

    8/32

    8

    STATISTISCH

    ZAKBOEKJE

    VBO

    LOONKOSTEN STIJGEN SNELLER DAN BUURLANDEN

    In zijn laatste rapport stelde de CentraleRaad voor het Bedrijfsleven (CRB) dat de

    Belgische loonkosten in de periode

    2009-2010 voor de derde keer op rij snel-

    ler waren gestegen dan in onze drie buur-

    landen.3 Over de periode 1996-2010 is

    onze loonkostenhandicap nu al opge-

    lopen tot maar liefst 3,9%. Dit komt

    bovenop de handicap van 8% die al vr1996 was opgebouwd.

    Wegens deze vaststelling bereikten de

    sociale partners, na lang en intensief

    onderhandelen, in januari 2011 een ont-

    werpakkoord over een gematigde loon-

    kostenontwikkeling voor de periode

    2011-2012: in 2011 zou er geen marge

    bovenop de index zijn en in 2012 moch-

    ten de rele loonsverhogingen maximaal

    0,3% bedragen. Omdat de inflatie als

    gevolg van de stijging van de olieprijs aan

    het oplopen was (cf. infra), kwam deGroep van Tien eveneens overeen om

    een studie rond ons systeem van auto-

    matische indexering te maken. Meer

    bepaald zou er onderzocht worden hoe

    de impact van een olieprijsschok op de

    loonkostenontwikkeling gematigd zou

    kunnen worden.

    Daar het ontwerp van interprofessioneelakkoord (IPA) verworpen werd door de

    socialistische en liberale vakbonden,

    heeft de federale regering conform dewet van 1996 op het concurrentiever-

    mogen het dossier naar zich toe

    getrokken. De regering bevestigde in

    haar bemiddelingsvoorstel dat er in

    2011 geen enkele marge bovenop de

    index bestaat en dat deze in 2012 maxi-

    maal 0,3% van de loonkosten bedraagt.

    3 Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (09/11/2010), TechnischVerslag november 2010.

    Loonkostenhandicap van Belgi

    t.o.v. onze drie buurlanden(1996 = 100)(Bron: CRB, Technisch Verslag 2010)

    103,9

    99

    100

    101

    102

    103

    104

    105

    1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010e

    LoonkoSTEnonTSporIng

  • 8/3/2019 VBO Statistisch Zakboekje 2011 : duurzaam loonbeleid, structurele indicatoren, lonen, werk, werkloosheid, arbeidsorganisatie en sociale zekerheid

    9/32

    Wat eind 2010 gevreesd werd, lijkt in2011 uit te komen. Als gevolg van de

    forse stijging van de olieprijs ligt de fei-

    telijke inflatie aanzienlijk hoger dan ver-

    wacht ten tijde van de publicatie van het

    CRB-rapport in november 2010. Terwijl

    het Federaal Planbureau toen nog uitging

    van een gezondheidsindex van 1,9% in

    2011, heeft het in mei 2011 zijn voor-spelling opgetrokken naar 3%.

    De verwachte indexering in de privsec-tor bedraagt hierdoor niet langer 3,9%

    voor de periode 2011-2012 (zoals in het

    CRB-rapport), maar is opgelopen tot

    maar liefst 5,5%. Rekening houdend

    met de in het CRB-rapport verwachte

    loonkostenevolutie in onze drie buurlan-

    den, is de kans dan ook reel dat we van-

    daag aan de vooravond staan van eenvierde loonkostenontsporing op rij.

    In tegenstelling tot het ontwerp van IPAen de aanbeveling van de Nationale Bank

    van Belgi blijft het evenwel nog steeds

    wachten op de broodnodige studie

    over de automatische loonindexering

    en haar perverse neveneffecten.

    Verwachte indexering in de

    privsector in de periode2011-2012(Bron: CRB, FPB, OESO)

    1,9%

    3,0%

    1,8%

    2,0%0,2%

    0,5%

    3,9%

    5,5%

    0%

    1%

    2%

    3%

    4%

    5%

    6%

    Technisch verslag november 2010 Mei 2011

    OverloopeffectGezondheidsindex 2012Gezondheidsindex 2011

    9

    STATISTISCH

    ZAKBOEKJE

    VBO

    LOONKOSTENONTSPORING LOOPT VERDER OP

    LoonkoSTEnonTSporIng

  • 8/3/2019 VBO Statistisch Zakboekje 2011 : duurzaam loonbeleid, structurele indicatoren, lonen, werk, werkloosheid, arbeidsorganisatie en sociale zekerheid

    10/32

    10

    STATISTISCH

    ZAKBOEKJE

    VBO

    LOONKOSTENONTSPORING VERNIETIGT JOBS

    De automatische indexering wordt doorvelen verdedigd als zeer sociaal en met

    niets dan voordelen. Voor diegenen die

    een sterke positie op de arbeidsmarkt

    hebben (de insiders), zal de automatische

    indexering er inderdaad voor zorgen dat

    hun koopkracht intact blijft. Indien dit ech-

    ter gepaard gaat met een zoveelste loon-

    kostenontsporing, dan zullen er echterook jobs sneuvelen. Op basis van recen-

    te studies van het Federaal Planbureau4

    en van de hoogleraren Abraham en

    Konings (K.U.Leuven)5 kunnen we stellen

    dat met elke 1% loonkostenontsporing,

    er zon 15.000 jobs verloren zullen

    gaan. Diegenen die hier het slachtoffer

    van zijn, zullen hun koopkracht dus niet

    gevrijwaard zien! Integendeel, zij zullen

    geconfronteerd worden met een forsekoopkrachtvermindering.

    Daarnaast heeft ons systeem van auto-

    matische indexering nog andere nadelen.

    Zo leidt het tot een verslechtering van

    onze concurrentiepositie, wat weegt op

    onze exportprestatie. Het zorgt ook voor

    belangrijke tweede ronde-effecten,

    namelijk de inflatie stijgt, waardoor hoge-re loonkosten, waardoor hogere bedrijfs-

    kosten, waardoor hogere afzetprijzen,

    waardoor opnieuw een hogere inflatie.

    Ten slotte zetten loonkostenontsporingen

    de winstmarges van de ondernemingen

    onder druk, wat een negatieve impact

    heeft op de investeringen, ook deze invorming en innovatie.

    Dus hoewel het systeem van automati-

    sche indexering individueel door de

    meeste werknemers als positief geperci-

    pieerd zal worden, brengt het anderzijds

    de concurrentiekracht van de onder-

    nemingen en de jobs van andere

    werknemers in gevaar.4 Federaal Planbureau (mei 2010), Economische vooruitzichten

    2010-2015.

    5 F. Abraham & J. Konings (2010), Loonkosten, productiviteit en

    werkgelegenheid in een concurrentile internationale omgeving:

    een analyse met Belgische bedrijfsgegevens.

    Verband tussen de evolutie vande loonkostenhandicap en detewerkstelling wanneer men deloonkostenhandicap sinds 1996

    afbouwt (in vgl. met wanneermen dit niet zou doen)(Bron: Federaal Planbureau)

    2.000

    8.940

    18.385

    27.830

    41.730

    0,0%

    0,5%

    1,0%

    1,5%

    2,0%

    2,5%

    3,0%

    2012 2013 2014 2015 20200

    5.000

    10.000

    15.000

    20.000

    25.000

    30.000

    35.000

    40.000

    45.00050.000

    Totale werkgelegenheid (rechterschaal)

    Loonkostenhandicap/uur, t.o.v. 3 buurlanden (linkerschaal)

    LoonkoSTEnonTSporIng

  • 8/3/2019 VBO Statistisch Zakboekje 2011 : duurzaam loonbeleid, structurele indicatoren, lonen, werk, werkloosheid, arbeidsorganisatie en sociale zekerheid

    11/32

    Denkkader 1: Van loonkostenontsporing naar jobintensieve groeiDenkkader 2: Van knelpunt- naar participatie-economieDenkkader 3: Van verlofstelsels naar flexibele arbeidstijdenDenkkader 4: Van vervroegde uittrede naar langer werken

    Kerncijfers voor het sociaaleconomisch overleg

    11

    STATISTISCH

    ZAKBOEKJE

    VBO

  • 8/3/2019 VBO Statistisch Zakboekje 2011 : duurzaam loonbeleid, structurele indicatoren, lonen, werk, werkloosheid, arbeidsorganisatie en sociale zekerheid

    12/32

    12

    STATISTISCH

    ZAKBOEKJE

    VBO

    Sinds een aantal jaren kampt de Belgische economiemet een toenemend aantal knelpuntvacatures. Devoornaamste redenen hiervoor zijn: (1) een gebrek aan uitstroom

    uit het onderwijs van technisch geschoolden (zowel op secun-dair, bachelor als master niveau), terwijl deze competenties juist

    zeer gegeerd zijn in de huidige kenniseconomie; (2) de combinatie

    van vergrijzing en ontgroening, wat ertoe leidt dat er vandaag heel

    veel werknemers de arbeidsmarkt verlaten, terwijl het aantal jonge

    intreders beperkter is. Dit leidt tot krapte op de arbeidsmarkt;

    (3) daarnaast zijn er ook heel wat knelpuntvacatures voor onge-

    schoolden, waar de loon- en arbeidsvoorwaarden blijkbaar te wei-

    nig verschillen van een vervangingsinkomen, wat leidt tot de zoge-naamde werkloosheidsval.

    Het gevolg is een toenemend aantal knelpuntvacatures. Zelfs in

    het crisisjaar 2010 blijkt dat 1 op 4 bedrijven in de privsector vaca-

    tures heeft moeten stopzetten bij een gebrek aan kandidaten.6

    Gezien de activering van werklozen vrij beperkt is in Belgi (wei-

    nig degressiviteit van de werkloosheidsuitkeringen + opvolging

    werklozen slechts na 15 of 21 maanden werkloosheid en beperkt

    tot de leeftijd van 50 jaar), is er van daaruit onvoldoende druk ombijvoorbeeld de vacatures waarvoor er geen of slechts een korte

    scholing vereist is, in te vullen. Veel van deze jobs worden in de

    praktijk ingevuld door buitenlanders (bv. uitvoerende arbeiders,

    bouw, dienstencheques,).

    Het gevolg is een opwaartse druk op de lonen n vacatures die

    niet ingevuld kunnen worden. Dit leidt zowel op micro- als op

    macroniveau tot een vertraging van de economische groei enminder jobs en welvaart. Na de hoge loonkosten in Belgi zijn de

    knelpuntvacatures de bezorgdheid nummer 2 van veel bedrijfs-

    leiders geworden.

    Van knELpunTEconomIE

    6 Bron: VBO, bevraging bij 563 werkgevers in februari 2011.

  • 8/3/2019 VBO Statistisch Zakboekje 2011 : duurzaam loonbeleid, structurele indicatoren, lonen, werk, werkloosheid, arbeidsorganisatie en sociale zekerheid

    13/32

    STATISTISCH

    ZAKBOEKJE

    VBO

    13

    Het probleem van de knelpunteconomie dient dus aan de basis en

    via een meersporenbeleid aangepakt te worden. Eerst en vooral

    moeten technische beroepen populairder gemaakt worden bij jon-

    geren. Bedrijfsfederaties, maar ook onderwijs en studieadviescen-

    tra, hebben hier een belangrijke taak te vervullen. Daarnaast moet

    de arbeidsmarkt voor heel wat profielen (bv. uitvoerende arbeiders,

    bouw, onderzoekers, ingenieurs,) nog meer opengesteld worden

    voor buitenlanders. Arbeidsmigratie is geen bedreiging voor de

    eigen welvaart of de eigen werklozen. Beroepsactieve migranten zijn

    geen kosten, maar een opbrengst voor de sociale zekerheid en inge-

    vulde jobs leiden tot groei en de creatie van nieuwe jobs.

    Gezien heel wat knelpuntvacatures geen diploma of ervaring ver-

    eisen, is arbeidsmarktgerichte scholing onvoldoende. Een acti-

    verend werkloosheidsbeleid, met degressieve en in de tijd

    beperkte werkloosheidsuitkeringen zoals in alle ons omringende

    landen (!), is essentieel om de arbeidsmarkt dynamischer en mobie-

    ler te maken. Landen met een hoge werkzaamheidsgraad kennen

    een hoge mobiliteit op de arbeidsmarkt.

    Meer technische scholing, arbeidsmigratie en activering van werk-lozen zullen leiden tot meer ingevulde vacatures. Alleen al de

    activering van langdurig werklozen heeft op 6 jaar tijd geleid tot

    70.000 langdurige werklozen minder in de groep die aan de opvol-

    ging van het zoekgedrag van werklozen door de RVA onderwor-

    pen is (langdurige werklozen tot 50 jaar).

    Het gevolg is meer economische groei en een hoge arbeids-

    participatie. Belgi bevindt zich met een werkzaamheidsgraad van

    67,6% (20-64 jaar) nog ruim onder de EU 2020-doelstelling van

    75% werkenden.

    REACTIE OP DIT DENKKADER? Bart Buysse, adjunct-directeur Sociaal departement [email protected]

    naar parTIcIpaTIE-EconomIE

  • 8/3/2019 VBO Statistisch Zakboekje 2011 : duurzaam loonbeleid, structurele indicatoren, lonen, werk, werkloosheid, arbeidsorganisatie en sociale zekerheid

    14/32

    1414

    In de grafieken staan de knelpuntvaca-tures weergegeven die het meest voor-

    komen in respectievelijk het Vlaams (gra-

    fiek links) en het Waals Gewest (grafiek

    rechts). Zoals eerder gesteld, komen

    technische functies daarin vaak voor en

    dit op alle niveaus: zowel technici en

    monteurs uit technische en beroepsop-

    leidingen als ingenieurs en informatici op

    hogeschool- en universitair niveau.

    Daarnaast zijn er ook heel wat vacante

    betrekkingen voor kortgeschoolden

    (schoonmaker7, callcenter operator,),

    commercile functies (vertegenwoordi-

    ger) en beroepen in de zorgsector.

    Uit een VBO-bevraging blijkt dat in hetcrisisjaar 2010 maar liefst 1 op 4 bedrijven

    uit de privsector vacatures heeft moeten

    stopzetten bij een gebrek aan kandida-

    ten. De grootste problemen stellen zich

    in de bouwsector (1 op 2 bedrijven

    moest vacatures stopzetten), de groot-

    handel (29%) en de productie (23%).

    Uit diverse studies blijkt dat een diploma

    nog steeds loont op de arbeidsmarkt:

    van de schoolverlaters met een bachelor-

    of masterdiploma heeft 70% tot 90%

    binnen het jaar werk gevonden. Van degeschoolden secundair onderwijs 60% tot

    80% en van de ongekwalificeerde uit-

    stroom 60% of minder.8

    7 Wellicht speelt hier een duidelijk effect van het dienstenche-questelsel: in 2009 waren er bij de VDAB 13.759 vacaturesvoor particuliere schoonmakers, 5.299 voor professioneleschoonmakers en 402 voor industrile schoonmakers. In hetWaals Gewest is deze functie niet opgenomen in de lijst vanmeest voorkomende knelpuntvacatures.

    8 VDAB (2010), Werkzoekende schoolverlaters in Vlaanderen,2008-2009. Le Forem (2010), Linsertion au travail des jeunesdemandeurs demploi wallons sortis de lenseignement en2009.

    0 500 1.000 1.500 2.000 2.500

    Technisch monteur

    Kok

    Vertegenwoordiger(goederen)

    Vertegenwoordiger(diensten)

    Onderhoudstechnicus

    Technisch installateur

    Technicus bouwThuisverkoper

    Callcenter operator

    Verpleegkundige

    0 4.000 8.000 12.000 16.000 20.000

    Kelner

    Vrachtwagenbestuurder

    Boekhouder

    Verpleegkundige

    Ingenieur

    Informaticus

    Leerkracht secundaironderwijs

    Vertegenwoordiger

    Technicus

    Schoonmaker

    [LInkS] Meest voorkomendeknelpuntvacatures bij deVDAB in het Vlaams Gewest(Bron: VDAB, Analyse Vacatures 2009,Knelpuntberoepen)

    [rEchTS] Meest voorkomendeknelpuntvacatures bij de

    Forem in het Waals Gewest(Bron: Forem, Dtection des mtiers etfonctions critiques en 2009)ST

    ATISTISCH

    ZAKBOEKJE

    VBO

    TECHNISCHE STUDIES SPRINGPLANK NAAR WERK

    knELpunTEconomIE

  • 8/3/2019 VBO Statistisch Zakboekje 2011 : duurzaam loonbeleid, structurele indicatoren, lonen, werk, werkloosheid, arbeidsorganisatie en sociale zekerheid

    15/32

    De degressiviteit van de Belgische werk-loosheidsuitkeringen d.i. het verschil tus-

    sen het hoogste uitkeringsniveau bij de

    aanvang van de werkloosheid en het laag-

    ste na een zekere werkloosheidsduur is

    vrij beperkt in Europees perspectief. De

    Europese Commissie en de OESO heb-

    ben voor 2 loonniveaus en 4 gezinstypes

    deze degressiviteit onderzocht. Hieruit

    blijkt dat de Belgische werklozen

    gemiddeld bij aanvang 71% van hun

    vroegere nettoloon ontvangen en tussen

    het tweede en vijfde jaar werkloosheid

    65%. Dit is een degressiviteit van

    gemiddeld ongeveer 10% tegenover

    40% in de EU-15! Andere landen com-

    penseren deze sterkere degressiviteit

    die leidt tot meer activering vaak met

    bijstandsuitkeringen, huisvestingstoesla-

    gen, enz., maar deze zijn gekoppeld aan

    een bestaansmiddelentoets en dus ge-richt naar de behartenswaardige gevallen.

    De hoge lasten op arbeid in Belgi ver-

    klaren waarom de vervangingsratio in

    netto termen (bv. initieel 71% van het

    laatste nettoloon) hoger uitvalt dan deze

    in bruto termen (bv. initieel 60% van het

    laatste brutoloon, met een maximum van

    1.350 euro). Werkloosheidsuitkeringen

    worden immers voor maximaal 10,09%

    fiscaal belast, terwij l er van een

    gemiddeld brutoloon ongeveer 40% aan

    fiscale en parafiscale werknemerslastenafgehouden wordt.9

    Meer degressiviteit is dus absoluut geen

    kwestie van mr middelen, maar van

    een betere besteding van de midde-

    len!10 In geval van een beperking in de

    tijd en een sterkere degressiviteit zouden

    er eventueel meer middelen naar de ini-

    tile werkloosheidsperiode kunnen gaan.9 Bron: OESO, Taxing Wages 2009.

    10 Belgi besteedt 3,3% van zijn bbp aan het werkloosheidsbe-leid in ruime zin, dit is het hoogste percentage van alleOESO-landen (Bron: OESO, Employment Outlook 2010).

    Evolutie van de netto vervan-gingsratio van de werkloos-heidsuitkeringen, op 5 jaar

    tijd, gemiddelde voor 2 loon-niveaus en 4 gezinstypes(Bron: EC en OESO, 2011)

    71%

    6

    3%

    65%

    35%

    0%

    10%

    20%

    30%

    40%

    50%

    60%

    70%

    80%

    90%

    BE AT DK IE PT DE FR FI SE EU-15 UK ES NL LU EL IT

    Netto

    werkloosheidsuitkeringt.o.v.

    hetvroegerenettoloon

    Jaar 1 Jaar 2-5

    15

    STATISTISCH

    ZAKBOEKJE

    VBO

    BELGISCHE WERKLOOSHEIDSUITKERINGEN WEINIG DEGRESSIEF

    knELpunTEconomIE

  • 8/3/2019 VBO Statistisch Zakboekje 2011 : duurzaam loonbeleid, structurele indicatoren, lonen, werk, werkloosheid, arbeidsorganisatie en sociale zekerheid

    16/32

    De actieve begeleiding en opvolgingvan werklozen is een evidentie gewor-

    den in de Europese sociale modellen. De

    Europese Commissie beveelt een opvol-

    ging van de werklozen binnen het eerste

    jaar werkloosheid aan en binnen de 6

    maanden voor jongeren. In Belgi is in

    2004 een opvolgingsmaatregel inge-

    voerd, waarbij langdurige werklozen na

    15 maanden (-25 jaar) of 21 maanden

    werkloosheid (+25 jaar) door de RVA wor-

    den opgeroepen om hun zoekinspan-

    ningen naar werk te evalueren.

    Dit beleid, dat voorlopig enkel geldt voor

    de werklozen tot 50 jaar, werpt duidelijk

    vruchten af. Over de economische cylci

    heen zijn er vandaag structureel 70.000

    langdurige werklozen tot 50 jaar min-

    der in de RVA-statistieken dan voor de

    maatregel in 2004.

    Door de sterke toename bij de 50-plus-sers, die niet aan deze maatregel onder-

    worpen zijn, is de daling van de globale

    werkloosheid niet zo opvallend: vandaag

    zijn er 469.628 beschikbare werkzoeken-

    den op de arbeidsmarkt (8,4% werkloos-

    heidsgraad) tegenover 486.489 in 2004

    (eveneens 8,4%). Wat tevens zorgen

    baart, zijn de nog steeds bestaande stel-

    sels van vrijgestelde werklozen: 9.861

    vrijgestelden om sociale en familiale rede-nen, 89.193 vrijgestelde oudere werklo-

    zen en 117.509 vrijgestelde bruggepen-

    sioneerden dienen niet beschikbaar te zijn

    voor een job. Zij vertegenwoordigen een

    kost aan de sociale zekerheid van 2,6 mil-

    jard euro, tegenover 4,3 miljard euro voor

    de beschikbare werkzoekenden.11

    11 Bron: RVA(2011), Jaarverslag2010.

    STATISTISCH

    ZAKBOEKJE

    VBO

    16

    43.

    584

    90.

    880

    194.3

    96

    124.2

    16

    0

    25.000

    50.000

    75.000

    100.000

    125.000

    150.000

    175.000

    200.000

    225.000

    2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010

    Ouder dan 50 jaar, werkloos 2 jaar Jonger dan 50 jaar, werkloos 2 jaar

    Evolutie van de langdurige

    werkloosheid, in de groep-50 jaar en de groep +50 jaar(Bron: RVA)

    STERKE DALING LANGDURIGE WERKLOOSHEID SINDSOPVOLGING WERKLOZEN

    knELpunTEconomIE

  • 8/3/2019 VBO Statistisch Zakboekje 2011 : duurzaam loonbeleid, structurele indicatoren, lonen, werk, werkloosheid, arbeidsorganisatie en sociale zekerheid

    17/32

    STATISTISCH

    ZAKBOEKJE

    VBO

    17

    Denkkader 1: Van loonkostenontsporing naar jobintensieve groeiDenkkader 2: Van knelpunt- naar participatie-economieDenkkader 3: Van verlofstelsels naar flexibele arbeidstijdenDenkkader 4: Van vervroegde uittrede naar langer werken

    Kerncijfers voor het sociaaleconomisch overleg

  • 8/3/2019 VBO Statistisch Zakboekje 2011 : duurzaam loonbeleid, structurele indicatoren, lonen, werk, werkloosheid, arbeidsorganisatie en sociale zekerheid

    18/32

    STATISTISCH

    ZAKBOEKJE

    VBO

    18

    In de 20ste eeuw is de toetreding van devrouwen tot de arbeidsmarktn van de opvallendste maatschappelijke transities gebleken.

    Waar er in 1960 slechts 29% van de vrouwen op arbeidsleeftijdaan het werk was, was dat in 1985 al 37% en vandaag 56%. Van

    een kostwinnersmodel zijn we gevolueerd naar een tweever-

    dienersmodel, met vaak een moeilijke combinatie tussen arbeid

    en gezin tot gevolg.

    De wetgever en ook de sociale partners hebben oplossingen voor

    deze uitdaging gezocht via de invoering van talrijke verlofrech-

    ten, zoals het ouderschapsverlof (1998), het tijdskrediet (2002),

    de landingsbanen (2005), enz. Dit heeft geleid tot een opeen-

    stapeling van verlofstelsels: wie het goed aanpakt, kan vanaf zijn

    40ste ononderbroken in voltijdse of deeltijdse verlofsystemen

    stappen tot aan zijn pensioen. Vooral de 1/5de onderbrekingen

    zijn daarbij populair. Deze eenzijdige verlofbenadering in com-

    binatie met het feit dat we in Belgi een relatief lage werkzaam-

    heidsgraad kennen 68% van de 20-64-jarigen is aan het werk,

    tegenover 71% gemiddeld in Europa en 75% EU-doelstelling ,

    geeft de nodige problemen.

    Er ontstaat een hogere werkdruk bij de collegas en in de knel-punteconomie van vandaag kan er niet zomaar een vervanger

    gevonden worden. Voor hogere profielen is het onbegonnen werk

    om voor 1 dag per week een vervanger te zoeken. Ook voor kritieke

    functies (bv. de kraanman op een bouwwerf) is dit verre van evident.

    Het gevolg zijn organisatorische problemen op de werkvloer, die

    jaar na jaar toenemen. Volgens een enqute van de Dublin

    Foundation wordt 61% van de Belgische ondernemingen gecon-

    fronteerd met personeelsleden op familiaal verlof over een peri-

    ode van 3 jaar, tegenover 51% gemiddeld in Europa.12 Daarnaast

    zijn er de toenemende directe kosten voor de sociale zekerheid

    (1,3 miljard euro aan verlof in 2010)13 en zijn het vaak vrouwen die

    deze verlofrechten opnemen. Dit geeft aanleiding tot de besten-

    diging van de klassieke rolpatronen.

    12 European Foundation for the Improvement ofLiving and Working Conditions (2007),Parental leave in European companies.

    13 Indirect zijn de kosten voor de sociale zeker-heid veel groter, omdat periodes van tijdskre-diet in ruime mate gelijkgesteld worden metgewerkte periodes, voor de toegang tot enberekening van pensioen en brugpensioen.

    Van VErLoFSTELSELS

  • 8/3/2019 VBO Statistisch Zakboekje 2011 : duurzaam loonbeleid, structurele indicatoren, lonen, werk, werkloosheid, arbeidsorganisatie en sociale zekerheid

    19/32

    STATISTISCH

    ZAKBOEKJE

    VBO

    19

    Het zou ook anders kunnen. Door de verlofrechten korter te

    maken (bv. een loopbaankrediet met een maximum) en flexibele

    arbeidstijden meer ingang te doen vinden op de werkvloer, zou

    er een moderne arbeidsorganisatie kunnen ontstaan met meer gelij-ke loopbaankansen voor mannen en vrouwen. Een goede omka-

    dering door de overheid, via de uitbouw van beschikbare en betaal-

    bare kinder- en naschoolse opvang, is daarbij van essentieel belang.

    De werkgever zou kunnen rekenen op werknemers die meer uren

    presteren, maar die tegelijk tevreden zijn over het evenwicht tus-

    sen arbeid en gezin. De werknemer zou flexibel kunnen inspelen

    op onverwachte problemen (bv. ziekte van een kind) en meer ge-

    evalueerd worden op basis van prestaties dan op basis van een9-to-5 aanwezigheid op de werkvloer.

    Een bijkomend gevolg is een betere verdeling van de gezinslast.

    Kortere verloven met een hogere uitkering zullen meer vaders sti-

    muleren om ervan gebruik te maken. Een meer genderneutrale

    opname van de diverse verlofstelsels is zeker een aandachtspunt,

    maar overstijgt evenwel de relatie werknemer-werkgever. Een meer

    evenwichtige verdeling van gezins- en huishoudelijke taken moet

    kaderen binnen een ruimer maatschappelijk debat.

    Kortere verloven zullen leiden tot een hogere arbeidsparticipatie

    dan vandaag het geval is en een moderne welvaartsstaat.

    Iedereen die kan werken, draagt zijn steentje bij aan de gemeen-

    schap, zodat een hoog niveau van sociale bescherming kan gebo-

    den worden aan wie vrijwillig of onvrijwillig een tijdje of voor lan-

    gere tijd aan de kant moet blijven.

    REACTIE OP DIT DENKKADER? Monica De Jonghe, adviseur Sociaal departement [email protected]

    naar FLEXIBELE arBEIdSTIjdEn

  • 8/3/2019 VBO Statistisch Zakboekje 2011 : duurzaam loonbeleid, structurele indicatoren, lonen, werk, werkloosheid, arbeidsorganisatie en sociale zekerheid

    20/32

    STATISTISCH

    ZAKBOEKJE

    VBO

    20

    Het VBO heeft de verschillende familia-

    le verlofstelsels zoals moeder- en ouder-

    schapsverlof, betaalde loopbaanonder-

    breking om familiale redenen,

    bestudeerd voor 6 EU-lidstaten, namelijk

    Belgi en de buurlanden en de vaak geci-

    teerde voorbeeldlanden op dit vlak

    Denemarken en Zweden. Uit deze studie

    blijkt dat Belgi de meest uitgebreide

    familiale verlofrechten in de tijd kent

    van heel Europa.

    Een Belgisch koppel met 2 kinderen heeft

    maximaal recht op 30 weken moeder-

    schapsverlof, 20 dagen vaderschapsver-

    lof, 12 maanden ouderschapsverlof (vol-

    tijds of pro rata deeltijds), 2 jaar voltijds

    tijdskrediet (excl. sectorale uitbreidingen)

    en 10 jaar 1/5 tijdskrediet (2 jaar in vol-

    tijdse equivalenten, excl. het recht op 1/2

    of 1/5 tijdskrediet vanaf 50 jaar). Dit is

    samen bijna 6 jaar dat de beide part-

    ners samen niet beschikbaar zijn voor

    hun werkgevers. Zweden doet bijna

    even goed, maar daar is het recht op

    betaalde loopbaanonderbreking veel

    beperkter dan in Belgi.

    Er blijkt een trade off te bestaan tussen de

    duur en de uitkering van de verlofstelsels.

    Zo maakte Duitsland bijvoorbeeld de

    overgang van een lang moederschaps-

    verlof met een forfaitaire basisuitkering

    (tot 2 jaar) naar een korter ouderschaps-

    verlof, maar met een hogere, loongere-

    lateerde uitkering. Belgi en Frankrijk

    behoren tot de klassieke landen, met

    lange verloven met een relatief lage uit-

    kering. Nederland, Duitsland en

    Denemarken kennen kortere verloven,

    wat de loopbaankansen van vrouwen

    zou bevorderen (cf. infra).

    Geheel van mogelijke familialeverlofstelsels in Europa, voor

    een koppel met 2 kinderen,excl. stelsels voor 50+(Bron: VBO-analyse)

    0

    10

    20

    30

    40

    50

    60

    70

    Belgi Zweden Frankrijk Denemarken Duitsland Nederland EU(min. duur)

    Vergoede loopbaanonderbreking om familiale redenen, excl. 50+ (in VTE)

    Ouderschapsverlof

    Moeder-/vaderschapsverlof

    5j 8m5j 3m

    4j 8m

    3j 3m2j 10m

    2j 8m

    1j 6m

    Aantalmaanden

    VERLOFRECHTEN VOOR GEZINNEN AL ZEER UITGEBREID

    VErLoFSTELSELS

  • 8/3/2019 VBO Statistisch Zakboekje 2011 : duurzaam loonbeleid, structurele indicatoren, lonen, werk, werkloosheid, arbeidsorganisatie en sociale zekerheid

    21/32

    21

    Heel wat verlofstelsels werden inge-

    voerd en uitgebreid met het oog op een

    hogere arbeidsparticipatie van vrouwen.

    In de voorbije 10 jaar is de werkzaam-

    heidsgraad van vrouwen met 5,6 pro-

    centpunten toegenomen tot 61,6%,

    tegenover met 6,9 procentpunten tot

    61,7% in de eurozone. We doen het hier

    dus niet beter dan gemiddeld in Europa.

    De vele verlofstelsels in Belgi besten-

    digen de klassieke rolpatronen (2/3

    opname door vrouwen en 1/3 door man-

    nen) en zorgen op die manier dus niet

    voor genderneutrale arbeids- en loop-

    baankansen. In een studie van de ULB

    over verlofstelsels in Europa wordt onder

    meer geconcludeerd dat het essentieel is

    dat het zwangerschaps- en ouder-

    schapsverlof geen te lange duur hebben,

    om de nadelen die vrouwen hierdoor op

    de arbeidsmarkt ondergaan zo klein

    mogelijk te maken.14

    De onderzoekers stellen ook nog dat de

    overheden hun inspanningen niet

    alleen moeten toespitsen op de

    beroeps-, maar ook op de gezinssfeer.

    De gelijkheid tussen mannen en vrouwen

    kan enkel terrein winnen als men werkt

    aan een billijke verdeling van de huis-

    houdelijke en ouderlijke taken terwijl

    vrouwen en mannen tegelijk hetzelfde

    statuut in de tewerkstelling wordt gewaar-

    borgd.

    14 Bron: D. Meulders, G. Amerijckx en L. Maron (2009), Beleidter bevordering van de werkzaamheid van ouders en socialeinsluiting, PEPSI-rapport, ULB, Dulbea.

    Verdeling van de diverse

    verlofstelsels naar geslacht,in 2010(Bron: RVA, FOD Sociale Zekerheid)

    65%

    77%

    72%

    73%

    100%

    60%

    35%

    23%

    28%

    27%

    40%

    0 20.000 40.000 60.000 80.000 100.000 120.000 140.000

    Deeltijdse loopbaanonderbreking/tijdskrediet

    Voltijdse loopbaanonderbreking/tijdskrediet

    Zorg-/palliatief verlof

    Ouderschapsverlof

    Werkverwijdering tijdens zwangerschapen borstvoedingsverlof (2009)

    Moeder-/vaderschapsverlof (2009)

    MannenVrouwen

    VErLoFSTELSELS

    VERLOVEN BESTENDIGEN KLASSIEKE ROLPATRONEN

    STATISTISCH

    ZAKBOEKJE

    VBO

  • 8/3/2019 VBO Statistisch Zakboekje 2011 : duurzaam loonbeleid, structurele indicatoren, lonen, werk, werkloosheid, arbeidsorganisatie en sociale zekerheid

    22/32

    In de grafiek wordt andermaal gellu-

    streerd dat er vandaag reeds heel wat

    middelen uitgaan naar een betere ver-

    zoening tussen arbeids- en gezinsleven

    via de voltijdse en deeltijdse onderbre-

    kingen van de loopbaan: 1,3 miljard

    euro, waarvan 660 mio euro aan voltijd-

    se en 650 mio euro aan deeltijdse uitke-

    ringen.15

    Indien we bij alle deeltijdse familiale ver-

    lofstelsels het budget aan inkomensga-

    rantie-uitkeringen voor deeltijdse werk-

    nemers16 tellen, dan komen we op 885

    mio euro aan RVA-toeslagen om het

    deeltijds werken aan te moedigen.17 Dit

    gaat over bijna 300.000 deeltijdse jobs of

    ongeveer 1/4 van alle deeltijdse jobs in

    Belgi. Wellicht zijn we met deze massa-

    le subsidiring van deeltijds werk ander-

    maal uniek in Europa en de wereld!18

    Vooral de 1/5 onderbrekingen zijn

    populair: voor het tijdskrediet gaat dit

    over 65% van alle onderbrekers. Juist

    daar speelt een duidelijke verlofval: 4/5

    werken is nagenoeg even lonend als vol-

    tijds werken.19

    15 Zonder rekening te houden met de kosten ten gevolge van

    gelijkstellingen voor pensioen en brugpensioen.

    16 Dit zijn werknemers die, bij gebrek aan een voltijdse job inde onderneming, deeltijds aan het werk zijn, met een aanvul-lende uitkering van de RVA.

    17 Daarbij komen nog ca. 36 mio euro aanmoedigingspremiesvoor loopbaanonderbreking en deeltijdarbeid door deVlaamse overheid (bron: www.werk.be).

    18 Zo is Belgi ook wereldkampioen inzake lasten op arbeid eninzake de onbeperkte duur van de werkloosheidsuitkeringenin de tijd.

    19 Zie hiervoor het VBO Statistisch zakboekje 2010, p. 26.

    Uitgaven sociale zekerheidvoor loopbaanonderbreking

    en ondersteuning vandeeltijdse jobs(Bron: RVA, FOD Sociale Zekerheid)

    235 mio

    105 mio

    175 mio

    370 mio

    60 mio

    26 mio

    47mio

    66 mio

    36 mio

    425 mio

    Inkomensgarantie-uitkeringvoor deeltijdse werknemers

    Thematische verloven

    Loopbaanonderbreking

    Tijdskrediet

    Werkverwijdering tijdenszwangerschap/borstvoedingspauzes

    Vaderschapsverlof

    Moederschapsverlof

    Voltijdse uitkering Deeltijdse uitkering

    22

    STATISTISCH

    ZAKBOEKJE

    VBO

    900 MILJOEN EURO SUBSIDIES VOOR DEELTIJDSE JOBS

    VErLoFSTELSELS

  • 8/3/2019 VBO Statistisch Zakboekje 2011 : duurzaam loonbeleid, structurele indicatoren, lonen, werk, werkloosheid, arbeidsorganisatie en sociale zekerheid

    23/32

    23

    STATISTISCH

    ZAKBOEKJE

    VBO

    Denkkader 1: Van loonkostenontsporing naar jobintensieve groeiDenkkader 2: Van knelpunt- naar participatie-economie

    Denkkader 3: Van verlofstelsels naar flexibele arbeidstijdenDenkkader 4: Van vervroegde uittrede naar langer werken

    Kerncijfers voor het sociaaleconomisch overleg

  • 8/3/2019 VBO Statistisch Zakboekje 2011 : duurzaam loonbeleid, structurele indicatoren, lonen, werk, werkloosheid, arbeidsorganisatie en sociale zekerheid

    24/32

    naar LangEr WErkEn

  • 8/3/2019 VBO Statistisch Zakboekje 2011 : duurzaam loonbeleid, structurele indicatoren, lonen, werk, werkloosheid, arbeidsorganisatie en sociale zekerheid

    25/32

    STATISTISC

    H

    ZAKBOEKJE

    VBO

    25

    Langer leven zou dus ook kunnen en moeten gepaard gaan met

    langer werken. Dit is een tendens waaraan geen enkele Europese

    lidstaat ontsnapt. In Belgi is momenteel nog 37% van de 55-plus-

    sers aan het werk, tegenover 46% gemiddeld in Europa, 58% inDuitsland en Denemarken en 71% in Zweden.

    Landen met veel werkenden slagen erin hun model van sociale

    bescherming te vrijwaren, zonder de werkende generatie met

    extra belastingen op te zadelen. De belastingdruk op een alleen-

    staande werknemer is niet toevallig nergens ter wereld hoger

    dan in Belgi: 55% belastingen22 tegenover 45% netto. In

    Duitsland bedraagt dit belastingpercentage 49%, in Denemarken42% en in Zweden 47%.23 Een lagere belastingdruk leidt nochtans

    direct tot lagere loonkosten en meer groei en jobs.

    Het gevolg zou een hoge arbeidsparticipatie zijn, met een effi-

    cinte besteding van socialezekerheidsmiddelen voor zij die het

    echt nodig hebben. In plaats van vandaag soms relatief weinig

    te geven aan velen, zouden we meer moeten geven aan weini-

    gen. Met een hogere werkzaamheidsgraad dan vandaag het geval

    is, wordt de taart groter en kunnen de pensioenen veiliggesteldof zelfs verhoogd worden. Pas dan zal Belgi een voorbeeldi-

    ge leerling zijn in de Europese klas.

    22 Sociale werknemers- en werkgeversbijdragen + personenbelasting, tegenover de totale loon-kosten. Dus exclusief andere sociale lasten als bijdragen aan fondsen voor bestaanszeker-heid,

    23 Bron: OECD (2010), Taxing wages 2009.

    REACTIE OP DIT DENKKADER? BRUGPENSIOEN: Annick Hellebuyck, adviseur Sociaal depar-tement [email protected]

    PENSIOEN: Bernadette Adnet, eerste adviseur Sociaaldepartement [email protected]

    naar LangEr WErkEn

    VErVroEgdE uITTrEdE

  • 8/3/2019 VBO Statistisch Zakboekje 2011 : duurzaam loonbeleid, structurele indicatoren, lonen, werk, werkloosheid, arbeidsorganisatie en sociale zekerheid

    26/32

    26

    STATISTISC

    H

    ZAKBOEKJE

    VBO

    Over het brugpensioen verschijnen de

    laatste tijd nogal wat hoeracijfers die

    zouden moeten aantonen dat het

    Generatiepact van 2005 overtuigende

    resultaten boekt:- zo is het aantal vijftigers in brugpensioen

    tussen 2005 en 2010 gedaald van 49.447

    tot 36.409. Wat hierbij evenwel nietgezegd wordt, is dat er daarnaast in het

    nieuwe statuut van beschikbare brugge-pensioneerden ondertussen 2.812 gerech-tigden zitten, die vaak vijftigers zijn, maar

    nauwelijks geactiveerd worden;- aangezien er 81.477 zestigers in brugpen-

    sioen zijn (incl. beschikbare bruggepen-sioneerden), zullen die de komende 5 jaaruit het stelsel stromen en zouden we naar

    een afname van het brugpensioen gaan.

    De volledigheid van de cijfers (telkensgeheel van vrijgestelde en beschikbare vol-

    tijdse bruggepensioneerden) geeft evenweleen ander beeld:- het aantal bruggepensioneerden ligt in

    2010 met 120.321 gerechtigden 10%

    hoger dan in 2005;- het budget voor brugpensioen ten laste

    van de sociale zekerheid ligt in 2010 met1,6 miljard euro 27% hoger dan in 2005(nominale toename);

    - de instroom op jaarbasis ligt in 2010 met17.310 nieuwe gerechtigden 23% hogerdan in 2005;

    - de netto aangroei (instroom uitstroom)ligt in 2010 met 611 hoger dan in 2005

    (netto afname);- in de komende 5 jaar zullen er 81.477 brug-

    gepensioneerden uitstromen, maar bij

    gelijkblijvend beleid zullen er ook ongeveer81.106 nieuwe gerechtigden instromen.24

    Uit bovenstaande cijfers kunnen we dus

    niet anders dan besluiten dat de talrijke

    maatregelen in het Generatiepact

    slechts voor een beperkte mentaliteits-

    verandering hebben gezorgd (bv. hoge-

    re gemiddelde brugpensioenleeftijd),

    maar dat deze dringend verscherpt eneffectiever gemaakt moeten worden.

    24 Dit was de instroom in de periode 2006-2010.

    2005 2006 2007 2008 2009 2010 (e)

    Instroom 14.055 14.571 15.089 16.695 17.441 17.310

    Uitstroom 14.632 10.790 13.607 15.406 13.150 16.699

    6.000

    8.000

    10.000

    12.000

    14.000

    16.000

    18.000

    Aantalpersone

    n

    INSTROOM BRUGPENSIOEN NEEMT VERDER TOE

    VErVroEgdE uITTrEdE

    Jaarlijkse in- en uitstroom voltijds

    brugpensioenstelsel (incl. brug-pensioen na tewerkstellingscel)(Bron: RVA)

    VErVroEgdE uITTrEdE

  • 8/3/2019 VBO Statistisch Zakboekje 2011 : duurzaam loonbeleid, structurele indicatoren, lonen, werk, werkloosheid, arbeidsorganisatie en sociale zekerheid

    27/32

    27

    De invoering van het tijdskrediet in 2002

    en de zogenaamde landingsbanen (1/2

    of 1/5 arbeidsduurvermindering voor

    50-plussers met een RVA-uitkering) in

    2005 hadden als doelstelling een meer

    ontspannen, maar langere loopbaan.

    Uit de grafiek blijkt het tegendeel:

    - tussen 56 en 60 jaar daalt het aantal

    mensen in een landingsbaan met bijna

    75%. Er wordt nauwelijks na 60 jaardoorgewerkt;

    - na 60 jaar zijn er nog maar 9.270 per-

    sonen in een landingsbaan, tegenover

    81.477 bruggepensioneerden ouder

    dan 60 jaar;

    - het brugpensioen verdrievoudigt tussen

    56 en 60 jaar.

    Na de vaststelling dat het brugpensioen

    is blijven bestaan, moeten we nu vast-

    stellen dat het tijdskrediet er bovenop

    is gekomen met een budget van 461 mio

    euro (RVA-verloven en -arbeidsduurver-

    minderingen voor 50-plussers) of 59% van

    het totale budget van de RVA-verloven.

    Het feit dat de loopbanen nauwelijks lan-

    ger geworden zijn, maakt dat er geen

    sprake is van meer inkomsten voor de

    sociale zekerheid, maar dat er in tegen-

    deel een verdere verhoging van de uit-

    gaven heeft plaatsgevonden. De enige

    manier om dit tegen te gaan, is werkne-

    mers individueel te responsabiliseren

    voor hun loopbaankeuzes: meer onder-

    breken zou dan moeten leiden tot ofwel

    minder opgebouwde pensioenrechten,

    ofwel langer aan de slag blijven.

    50-plussers in tijdskrediet en

    loopbaanonderbreking vs.brugpensioen(Bron: RVA)

    12.

    545

    3.

    425

    4.

    655

    15.

    171

    0

    2.000

    4.000

    6.000

    8.000

    10.000

    12.000

    14.000

    16.000

    18.000

    50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 jaar

    Tijdskrediet/loopbaanonderbreking 50+ (2009) Brugpensioen (2010) STATISTISC

    H

    ZAKBOEKJE

    VBO

    VErVroEgdE uITTrEdE

    TIJDSKREDIET BOVENOP BRUGPENSIOEN

    VErVroEgdE uITTrEdE

  • 8/3/2019 VBO Statistisch Zakboekje 2011 : duurzaam loonbeleid, structurele indicatoren, lonen, werk, werkloosheid, arbeidsorganisatie en sociale zekerheid

    28/32

    28

    STATISTISC

    H

    ZAKBOEKJE

    VBO

    In de voorbije 50 jaar is de levensver-

    wachting op pensioengerechtigde leef-

    tijd in Belgi met 6,6 jaar toegenomen.

    In de komende 40 jaar wordt er een ver-

    dere toename met 3,8 jaar verwacht. In

    de voorbije 50 jaar is de minimale leeftijd

    voor vervroegd pensioen bij de mannen

    evenwel ongewijzigd op 60 jaar en de

    wettelijke pensioenleeftijd op 65 jaar

    gebleven. Dit maakt dat er in Belgi, anno 2010,

    een periode van 22,4 jaar (brug)pen-

    sioen gefinancierd dient te worden,

    tegenover gemiddeld 18,5 jaar in Europa.

    Belgi kent hiermee, samen met Frankrijk,

    Luxemburg en Oostenrijk, de langste

    pensioenen van Europa. Wie pleit voor

    hogere pensioenen zonder tegelijk te

    pleiten voor langere loopbanen, brengt

    de financiering van de pensioenen in

    gevaar.

    De effectieve mannelijke uittredeleef-

    tijd in Belgi bedraagt 59,1 jaar (+0,6

    jaar tegenover 2000) tegenover 62 jaarin Europa. Een verhoging van de effec-

    tieve uittredeleeftijd met 3 jaar in Belgi

    zou de kosten van de vergrijzing kunnen

    beperken van 3,7% tot 2,3% van het bbp

    tegen 2030.25

    25 Bron: Hoge Raad van Financin, Studiecommissie voor devergrijzing (2010), Jaarlijks verslag, juni 2010.

    Effectieve uittredeleeftijd

    mannen en levensverwachtingop 65 jaar, in 2010(Bron: OESO, Pensions at a Glance 2011)

    67

    66

    66

    64

    64

    63

    62

    62

    62

    62

    62

    62

    62

    62

    62

    61

    60

    60

    59

    59

    59

    57

    45

    50

    55

    60

    65

    70

    75

    80

    85

    PT EE SE DK UK IE NL CZ SI EU-21 EL FI DE ES PL IT HU SK BE FR AT LU

    Effectieve uittredeleeftijd, mannen Levensverwachting op 65 jaar, mannen

    LANGER LEVEN, LANGER WERKEN

    VErVroEgdE uITTrEdE

    kErncIjFErS Voor hET SocIaaLEconomISch oVErLEg

  • 8/3/2019 VBO Statistisch Zakboekje 2011 : duurzaam loonbeleid, structurele indicatoren, lonen, werk, werkloosheid, arbeidsorganisatie en sociale zekerheid

    29/32

    STATISTISC

    H

    ZAKBOEKJE

    VBO

    29

    kErncIjFErS Voor hET SocIaaLEconomISch oVErLEg

    BELGILONEN (Be: Estt, crB.)INDICATOR 2000 2005 2006 2007 2008 2009 2010Bb-ei 3,7% 1,7% 2,7% 2,9% 1,0% -2,8% 2,1%

    ptiviteit 1,6% 0,3% 1,5% 1,3% -0,7% -2,4% 2,2%

    nile lsteei e eeei t 0,4% 1,5% 1,8% 2,1% 4,4% 4,3% -0,5%

    nile lsteei le Beli 1,7% 1,6% 3,4% 3,7% 3,2% 2,8% 1,1%

    nile lsteei le - ble 3,4% 1,5% 2,3% 2,2% 2,6% 2,1% 1,3%

    WERK(Be: Estt, rSZ. n.b.: iet besib)INDICATOR 2000 2005 2006 2007 2008 2009 2010Wezeis 20-64 (Eu 2020 = 75%) 65,8% 66,5% 66,5% 67,7% 68,0% 67,1% 67,6%

    Bi e vwe 56,0% 58,6% 58,8% 60,3% 61,3% 61,0% 61,6%

    Bi e e 75,5% 74,3% 74,0% 75,0% 74,7% 73,2% 73,5%

    Wezeis 55-64 26,3% 31,8% 32,0% 34,4% 34,5% 35,3% 37,3%deeltis we 18,9% 22,0% 22,2% 22,1% 22,6% 23,4% 24,0%

    Bi e vwe 37,4% 40,5% 41,1% 40,6% 40,9% 41,5% 42,3%

    Bi e e 5,5% 7,6% 7,4% 7,5% 7,9% 8,6% 9,0%

    ctte bele (il. itei) 9,1% 8,9% 8,7% 8,6% 8,3% 8,2% 8,1%

    Lteee tewestelli ivset (30 i) 2.301.922 2.468.485 2.507.803 2.570.621 2.639.287 2.607.908 2.637.261

    Istie 668.139 620.450 614.290 608.682 599.572 573.995 556.019

    Bw 182.889 190.110 198.330 204.876 211.461 210.572 211.757

    dieste 1.097.303 1.214.933 1.240.062 1.287.992 1.323.684 1.294.112 1.356.858

    Sil fit 353.591 442.992 455.121 469.071 504.570 529.229 512.627

    Lntrekkende tewerkstelling pblieke sectr (30 jni) 725.780 731.185 730.747 721.588 727.941 734.192 736.559

    Zelfstie (Estt) 702.639 694.054 698.058 705.019 718.221 720.090 .b.

    Weeves ivset et eseel (30 i) - 215.136 216.200 219.218 221.048 220.454 220.857

    WERKLOOSHEID (Be: Estt, rSZ. n.b.: iet besib)INDICATOR 2000 2005 2006 2007 2008 2009 2010Welseis 6,9% 8,5% 8,3% 7,5% 7,0% 7,9% 8,3%

    Lie welseis ( 2) 3,7% 4,4% 4,2% 3,8% 3,3% 3,5% 4,1%

    Wezeee 385.222 500.770 490.175 458.378 432.498 464.031 469.628 n vltise b 250.927 337.450 33.586 312.635 295.443 324.178 328.458

    n sties 107.591 132.269 126.010 116.452 108.403 109.942 109.967

    kErncIjFErS Voor hET SocIaaLEconomISch oVErLEg

  • 8/3/2019 VBO Statistisch Zakboekje 2011 : duurzaam loonbeleid, structurele indicatoren, lonen, werk, werkloosheid, arbeidsorganisatie en sociale zekerheid

    30/32

    STATISTISC

    H

    ZAKBOEKJE

    VBO

    30

    n eeltise b 26.704 31.051 30.579 29.252 27.456 27.935 28.391

    Besibe beesieee - - - 39 1.196 1.976 2.812

    Viestele welze 264.624 241.655 236.488 232.285 226.092 221.093 216.563

    oee welze 140.763 125.683 116.169 107.939 100.844 94.801 89.193

    Sile/filile eee 9.383 6.954 9.250 10.767 11.097 10.740 9.861

    Beesieee 114.478 109.018 111.069 113.579 114.151 115.552 117.509

    ongekwalificeerde schlverlaters (Eu 2020: 10%) 13,8% 12,9% 12,6% 12,1% 12,0% 11,1% .b.

    jee et ee sli (Eu 2020: 40%) 35,2% 39,1% 41,4% 41,5% 42,9% 42,0% .b.

    ARBEIDSORGANISATIE (Be: rVa, oESo, Seex. n.b.: iet besib)INDICATOR 2000 2005 2006 2007 2008 2009 2010rVa-velve 97.295 194.848 210.960 223.319 235.680 252.429 265.575

    Vltis tiseiet - 12.884 12.268 11.452 10.332 9.006 8.397

    deeltis tiseiet - 76.131 89.896 100.216 108.526 118.740 123.922

    Vltise lb.. 21.786 9.014 8.859 8.447 8.028 7.029 6.326 deeltise lb.. 65.968 65.296 63.466 63.334 64.358 65.220 65.882

    Vltise tetise velve 5.926 7.083 7.700 8.171 8.681 9.319 9.962

    deeltise tetise velve 3.615 24.440 28.771 31.699 35.755 43.116 51.086

    jlise beis lteee 1.422 1.450 1.454 1.454 1.469 1.453 .b.

    absetese (0-1 ) - 1,99% 1,99% 2,13% 2,19% 2,26% .b.

    SOCIALE ZEKERHEID (Be: Estt, oESo, Fod Sile zeeei, rVa. n.b.: iet besib)INDICATOR 2000 2005 2006 2007 2008 2009 2010

    aeeisi - 13,9% 14,5% 14,6% 13,9% 14,0% .b.Wi - 3,9% 4,1% 4,3% 4,8% 4,6% .b.

    Itiviteits (20-64) - 30,9% 30,5% 29,7% 28,2% 30,1% 2 7,0%

    Effet. itteeleefti m 58,5 58,7 59,0 59,6 59,8 59,1 .b.

    Effet. itteeleefti V 57,1 57,5 57,8 58,7 58,6 59,1 .b.

    Bet esiee - 24.561 25.668 26.761 28.858 30.463 .b.

    Bet ezeisz - 16.173 17.735 18.873 20.703 22.128 .b.

    Bet besiee - 1.254 1.297 1.374 1.435 1.507 1.591

    Bet rVa-velve - 552 606 645 703 747 782

    Bet welze (exl. besie) - 6.395 6.364 6.088 6.179 7.269 7.259Iste it sile bie - 33.486 34.400 36.322 38.392 39.156 .b.

    Iste it leee iele - 12.369 13.146 13.987 15.042 15.111 .b.

    kErncIjFErS Voor hET SocIaaLEconomISch oVErLEg

  • 8/3/2019 VBO Statistisch Zakboekje 2011 : duurzaam loonbeleid, structurele indicatoren, lonen, werk, werkloosheid, arbeidsorganisatie en sociale zekerheid

    31/32

    STATISTISC

    H

    ZAKBOEKJE

    VBO

    31

    EUROZONELONEN (B: Estt)INDICATOR 2000 2005 2006 2007 2008 2009 2010

    Bb-ei 3,9% 2,0% 3,2% 2,9% 0,7% -4,2% 1,0%

    ptiviteit 2,3% 1,0% 1,5% 1,1% -0,2% -2,4% 2,0%

    nile lsteei e eeei t 3,5% 1,6% 1,1% 2,1% 0,9% 1,2% 0,2%

    WERK(B: Estt)INDICATOR 2000 2005 2006 2007 2008 2009 2010

    Werkzaamheidsgraad 20-64 jaar (Eu 2020 = 75%) 65,5% 68,0% 69,0% 70,0% 70,4% 69,0% 68,4%

    Bi e vwe 54,8% 59,4% 60,5% 61,7% 62,5% 62,1% 61,7%

    Bi e e 76,4% 76,7% 77,5% 78,3% 78,2% 75,9% 75,2%

    Wezeis 55-64 34,0% 40,4% 41,7% 43,2% 44,3% 45,1% 45,8%

    deeltis we 15,7% 18,6% 19,1% 19,3% 19,4% 20,0% 20,4%

    Bi e vwe 30,0% 33,7% 34,3% 34,5% 34,4% 34,8% 35,1% Bi e e 5,4% 6,9% 7,3% 7,4% 7,5% 8,0% 8,4%

    ctte bele (il. itei) 15,0% 16,0% 16,7% 16,6% 16,3% 15,4% 15,6%

    WERKLOOSHEID (B: Estt)INDICATOR 2000 2005 2006 2007 2008 2009 2010

    Welseis 8,5% 9,0% 8,4% 7,5% 7,5% 9,5% 10,0%

    Lie welseis ( 2) 4,1% 4,1% 3,9% 3,3% 3,0% 3,4% 4,3%

    ongekwalificeerde schlverlaters (Eu 2020: 10%) 19,6% 17,6% 17,4% 16,8% 16,5% 15,9% .b.

    jee et ee sli (Eu 2020: 40%) 23,3% 29,0% 29,7% 30,8% 31,5% 32,3% .b.ARBEIDSORGANISATIE (B: oESo)INDICATOR 2000 2005 2006 2007 2008 2009 2010

    jlise beis lteee (EZ-11) 1.559 1.534 1.533 1.525 1.533 1.509 .b.

    SOCIALE ZEKERHEID (Be: Estt, oESo)INDICATOR 2000 2005 2006 2007 2008 2009 2010

    aeeisi - 14,5% 14,8% 15,5% 14,9% 14,9% .b.

    Wi - 7,3% 7,3% 8,0% 8,0% 8,1% .b.

    Itiviteits (20-64) - 23,5% 22,3% 22,4% 22,1% 21,5% 21,6%Effet. itteeleefti m 61,3 61,3 61,5 61,7 61,8 61,8 .b.

    Effet. itteeleefti V 60,1 60,6 60,9 60,7 60,9 60,4 .b.

  • 8/3/2019 VBO Statistisch Zakboekje 2011 : duurzaam loonbeleid, structurele indicatoren, lonen, werk, werkloosheid, arbeidsorganisatie en sociale zekerheid

    32/32

    Veb v Belise oeeie vzw

    rvesteistt 4 1000 Bssel

    T + 32 2 515 08 11F + 32 2 515 09 99

    www.vbo.be