The General Theory of Crime voor het grote en kleine verschil. 2013. 12. 20.¢  The General...

download The General Theory of Crime voor het grote en kleine verschil. 2013. 12. 20.¢  The General Theory of

of 121

  • date post

    04-Aug-2021
  • Category

    Documents

  • view

    0
  • download

    0

Embed Size (px)

Transcript of The General Theory of Crime voor het grote en kleine verschil. 2013. 12. 20.¢  The General...

FACULTEIT
RECHTSGELEERDHEID
The General Theory of Crime voor het grote en kleine verschil.
Hoe stabiel is de relatie zelfcontrole en zelfgerapporteerde criminaliteit?
Masterproef neergelegd tot het behalen van
de graad van Master in de criminologische wetenschappen
door (00903005) Neirynck Elias
Verklaring inzake toegankelijkheid van de
masterproef criminologische wetenschappen
zijnde andere personen dan de promotor (en eventuele co-promotor), de commissarissen of leden van de
examencommissie van de master in de criminologische wetenschappen,
[de toelating] [geen toelating] (schrappen wat niet past)
om deze masterproef in te zien, deze geheel of gedeeltelijk te kopiëren of er, indien beschikbaar, een
elektronische kopie van te bekomen, waarbij deze derden er uiteraard slechts zullen kunnen naar verwijzen
of uit citeren mits zij correct en volledig de bron vermelden.
Deze verklaring wordt in zoveel exemplaren opgemaakt als het aantal exemplaren waarin de masterproef
moet worden ingediend, en dient in elk van die exemplaren ingebonden onmiddellijk na het titelblad.
Datum: 8 augustus 2013……………………………………..
Deze masterproef is geschreven vanuit een bijzondere interesse voor etiologische
criminologie en theorievorming in combinatie met een voorliefde voor kwantitatief
onderzoek. Het is dan ook dat mijn oprechte wens dat dit werk een zinvolle aanvulling vormt
op het bestaand empirisch onderzoek naar de oorzaken van criminaliteit. Deze studie is
mede het resultaat van enkele personen die ik in dit deel wil bedanken.
In de eerste plaats gaat mijn dank uit naar mijn promotor, prof. dr. Lieven Pauwels, voor zijn
zeer menselijke ondersteuning gedurende het afgelopen academiejaar, om mij aan te
moedigen om voor een onderwerp te kiezen dat aansluit bij mijn interesses, en voor het ter
beschikking stellen van de data waarop de analyses in deze masterproef zijn gebaseerd.
Verder wil ik zowel Christophe Vandeviver als Ben Heylen bedanken omdat zij bereid werden
gevonden om deze masterproef te lezen en mee te beoordelen.
Daarnaast ben ik zeer dankbaar voor mijn familie en vrienden, zowel binnen als buiten de
criminologische opleiding, omdat ik steeds bij hen terecht kon met mijn frustraties en
bekommernissen. Ten laatste, maar zeker niet ten minste, wil ik mijn vriendin Daphne
bedanken voor haar niet aflatende steun, begrip en relativeringszin.
I Inleiding 1
2. Nood aan longitudinaal onderzoek 2
3. Nood aan rechtstreekse concurrentie en integratie 2
4. Aandacht voor de oorzaken van de oorzaken 3
5. Probleemstelling en centrale onderzoeksvragen 4
II Gottfredson en Hirschis algemene criminaliteitstheorie 7
1. Inleiding 7
2.1 Crime versus criminality 9
3. De centrale rol van zelfcontrole in de GtoC 9
3.1 Zelfcontrole als dé factor in het verklaren van criminaliteit 9
3.2 Zelfcontrole en criminaliteit: een tautologische relatie? 12
3.3 De oorsprong van lage zelfcontrole 13
3.4 Zelfcontrole doorheen de levensloop: het vraagstuk van stabiliteit 15
4. De rol van opportuniteit 17
5. De rol van moraliteit: de Situationele Actietheorie van Wikström 18
6. Achtergrondkenmerken 20
7. Besluit 21
1. Data 22
2 Methode 23
3. Steekproef 26
IV Operationalisering van de centrale begrippen 29
1. Zelfcontrole 29
1.1 De verdeling van ouderlijke hechting over beide waves 35
1.2 De verdeling van ouderlijke hechting naar achtergrondkenmerken 35
1.3 De verdeling van negatieve interacties met de ouders over beide waves 38
1.4 De verdeling van negatieve interacties met de ouders naar
achtergrondkenmerken
39
1.5 De verdeling van ouderlijk toezicht over beide waves 41
1.6 De verdeling van ouderlijk toezicht naar achtergrondkenmerken 41
1.7 De verdeling van ouderlijke betrokkenheid over beide waves 43
1.8 De verdeling van ouderlijke betrokkenheid naar achtergrondkenmerken 44
2. Zelfcontrole 46
2.2 De verdeling van temperament naar achtergrondkenmerken 46
2.3 De verdeling van risicovol gedrag over beide waves 48
2.4 De verdeling van risicovol gedrag naar achtergrondkenmerken 49
2.5 De verdeling van impulsiviteit over beide waves 51
2.6 De verdeling van impulsiviteit naar achtergrondkenmerken 51
3. Moraliteit 53
3.2 De verdeling van moraliteit naar achtergrondkenmerken 54
4. Jeugddelinquent gedrag 56
4.1 De verdeling van jeugddelinquent gedrag over beide waves 56
4.2 De verdeling van jeugddelinquent gedrag naar achtergrondkenmerken 56
5. Besluit 58
VI Verklarende analyses 61
1. De oorzaken van de oorzaken: de invloed van ouderlijke opvoedingspatronen
op zelfcontrole en moraliteit
moraliteit
64
i. De invloed van ouderlijke opvoedingspatronen op temperament 64
ii. De invloed van ouderlijke opvoedingspatronen op het nemen van risico’s 65
iii. De invloed van ouderlijke opvoedingspatronen op impulsiviteit 67
iv. De invloed van ouderlijke opvoedingspatronen op moraliteit 69
1.2 De invloed van verschuivingen in ouderlijke opvoedingspatronen op
veranderingen in zelfcontrole en moraliteit
70
veranderingen in temperament
veranderingen in het nemen van risico’s
72
veranderingen in impulsiviteit
veranderingen in moraliteit
74
2. De oorzaken: de invloed van opvoeding, zelfcontrole en moraliteit op
jeugddelinquentie
75
2.1 De invloed van opvoeding, zelfcontrole en moraliteit op jeugddelinquentie 78
2.2 De invloed van verschuivingen in opvoeding, zelfcontrole en moraliteit op
veranderingen in jeugddelinquentie
3.2 Samenvatting verklarende analyses oorzaken 86
VII Conclusie en discussie 88
1. Beschrijvende onderzoeksvragen 88
2. Verklarende onderzoeksvragen 90
CS: Change-score.
GtoC: General Theory of Crime.
LDV: Lagged Dependent Variable.
PADS+: Peterborough Adolescent and Young Adult Development Study
SAT: Situationele Actietheorie.
S-W: Shapiro-Wilktoets
5.1 : De verdeling van ouderlijke hechting over beide waves. 35
5.2 : De verdeling van negatieve interacties met ouders over beide waves. 38
5.3 : De verdeling van ouderlijk toezicht over beide waves. 41
5.4 : De verdeling van ouderlijke betrokkenheid over beide waves. 43
5.5 : De verdeling van temperament over beide waves. 46
5.6 : De verdeling van risicovol gedrag over beide waves. 48
5.7 : De verdeling van impulsiviteit over beide waves. 51
5.8 : De verdeling van moraliteit over beide waves. 53
5.9 : De verdeling van jeugddelinquent gedrag over beide waves. 56
6.1 : Toetsbaar conceptueel model causes of the causes. 62
6.2 : Toetsbaar conceptueel model causes. 77
LIJST VAN TABELLEN
5.3 : Variantie-analyse negatieve interacties met ouders (t1). 39
5.4 : Variantie-analyse negatieve interacties met ouders (t2). 40
5.5 : Variantie-analyse ouderlijk toezicht (t1). 42
5.6 : Variantie-analyse ouderlijk toezicht (t2). 42
5.7 : Variantie-analyse ouderlijke betrokkenheid (t1). 44
5.8. : Variantie-analyse ouderlijke betrokkenheid (t2). 45
5.9 : Variantie-analyse temperament (t1). 47
5.10 : Variantie-analyse temperament (t2). 47
5.11 : Variantie-analyse risicovol gedrag (t1). 49
5.12 : Variantie-analyse risicovol gedrag (t2). 50
5.13 : Variantie-analyse impulsiviteit (t1). 52
5.14 : Variantie-analyse impulsiviteit (t2). 53
5.15 : Variantie-analyse moraliteit (t1). 54
5.16 : Variantie-analyse moraliteit (t2). 55
5.17 : Variantie-analyse delinquentie (t1). 57
5.18 : Variantie-analyse delinquentie (t2). 57
6.1 : OLS-regressieanalyse temperament t1 en t2. 65
6.2 : OLS-regressieanalyse risicovol gedrag t1 en t2. 66
6.3 : OLS-regressieanalyse impulsiviteit t1 en t2. 68
6.4 : OLS-regressieanalyse moraliteit t1 en t2. 69
6.5 : OLS-regressieanalyse veranderingen in temperament. 71
6.6 : OLS-regressieanalyse veranderingen in risicovol gedrag. 72
6.7 : OLS-regressieanalyse veranderingen in impulsiviteit. 73
6.8 : OLS-regressieanalyse veranderingen in moraliteit. 74
6.9 : Negatief binomiaalregressieanalyse jeugddelinquent gedrag t1 en t2. 79
6.10 : OLS-regressieanalyse veranderingen in jeugddelinquent gedrag. 82
6.11 : Samenvatting OLS-regressieanalyses causes of the causes. 84
6.12 : Samenvatting OLS-regressieanalyses veranderingen in causes of the
causes.
86
6.14 : Samenvatting OLS-regressieanalyse veranderingen in jeugddelinquentie. 87
1
I INLEIDING
Drieëntwintig jaar na de publicatie van A General Theory of Crime (Gottfredson & Hirschi,
1990) is nog steeds het laatste woord over de theorie niet gevallen. Verschillende
proposities zijn inmiddels al uitvoerig getoetst, terwijl andere juist op minder belangstelling
kunnen rekenen. Deze masterproef is geschreven als een poging om tegemoet te komen aan
enkele hiaten en lacunes binnen hedendaags criminologisch onderzoek naar de
zelfcontroletheorie. Deze tekortkomingen worden hieronder besproken, en bestaan uit een
gebrek aan onderzoek in niet-Angelsaksische context, het uitvoeren van toetsen die vooral
berusten op cross-sectionele data, een zekere weerstand tegen het rechtstreeks vergelijken
en tegen elkaar uitspelen van concepten uit concurrerende verklaringen en een
onderbelichting van de oorzaken van de oorzaken van criminaliteit (causes of the causes).
1. Nood aan onderzoek buiten de Angelsaksische context
Hoewel de General Theory of Crime op een inmiddels omvangrijke hoeveelheid empirisch
onderzoek kan rekenen, is de proportie aan onderzoek in niet-Angelsaksische (en in het
bijzonder niet-Westerse) contexten eerder beperkt (Rebellon, Straus & Medeiros, 2008).
Enkele zeldzame voorbeelden zijn de onderzoeken uitgevoerd door Atonaccio en Tittle
(2008) in Oekraïne; door Chueng en Chueng (2008) in Hong Kong; door Svensson, Pauwels en
Weerman (2010) in Zweden, België en Nederland; en tenslotte door Rebellon, Straus &
Medeiros in maar liefst 32 landen verdeeld over alle bewoonde continenten. Niettemin is
het aandeel Angelsaksiche studies betrekkelijk groter. Dit valt echter te betreuren. Hirschi en
Gottfredsons algemene criminaliteitstheorie stelt namelijk expliciet dat ze alle mogelijke
delinquentie kan verklaren, ongeacht de culturele context (Gottfredson & Hirschi, 1990: 149-
153). Deze propositie is echter nog maar in beperkte mate getoetst. Deze studie tracht dan
ook bij te dragen aan de beperkte verzameling van onderzoek naar de geldigheid van enkele
proposities geformuleerd in de zelfcontroletheorie in een niet-Angelsaksische context. Zoals
in deel III zal worden besproken is de steekproef afkomstig uit een populatie van Haagse
studenten (Nederland).
2. Nood aan longitudinaal onderzoek
Een groot aandeel van het etiologisch onderzoek is gebaseerd op cross-sectionele
onderzoeksdesigns. Echter, er heerst een sterke consensus dat cross-sectioneel onderzoek
zich minder goed leent om causale sequenties te toetsen (Allison, 2005; Berrington, Smith &
Sturgis, 2006; Crosswhite & Kerpelman, 2009b: 148). Longitudinale data daarentegen laten
immers toe om oorzaak en gevolg in tijdssequenties te plaatsen (m.a.w. om na te gaan welk
kenmerk een ander kenmerk in de tijd vooraf gaat; een noodzakelijke voorwaarde om van
causaliteit te kunnen spreken). Bovendien kan men niet zomaar aannemen dat cross-
sectioneel onderzoek gelijkaardige resultaten genereert zoals bij een longitudinaal
onderzoeksdesign (Menard & Elliot, 1990). Menard en Elliot stellen dan ook dat “cross-
sectional data [...] are inadequate substitutes for prospectively collected longitudinal data in
the study of crime and delinquency” (1990: 11). In het bijzonder voor het
zelfcontroleperspectief geldt dat cross-sectionele studies omzichtig moeten worden
geïnterpreteerd. Er zijn immers indicaties dat cross-sectionele toetsen kunstmatig positieve
resultaten genereren ten voordele van de GtoC (Pratt & Cullen, 2000; Cretacci, 2008; zie
III.2.2). Longitudinaal onderzoek nuanceert deze resultaten.
3. Nood aan rechtstreekse concurrentie en integratie
Uit diverse empirische toetsen van de zelfcontroletheorie blijkt dat zelfcontrole niet in staat
is om de directe effecten van variabelen uit concurrerende theorieën weg te verklaren (zie
Tittle, Ward & Grasmick, 2004: 146). Hierdoor rijst de overtuiging dat zelfcontrole slechts
één van de vele concepten is die een rol spelen in het veroorzaken van criminaliteit.
Niettemin resteert de vraag naar het relatieve belang van zelfcontrole ten aanzien van
concurrerende factoren, en op welke manier deze concepten onderling verweven zijn. Om
de theorie van Hirschi en Gottfredson naar behoren te kunnen testen zullen elementen uit
concurrerende theorieën moeten worden opgenomen in toetsend onderzoek. Op die manier
kunnen verklaringen uit diverse theorieën tegen elkaar worden uitgespeeld (Gibbs, Giever &
Higgins, 2003) en kan een vollediger model ter verklaring van criminaliteit worden bekomen.
Dit motiveert dan ook voor deze masterproef zowel elementen uit de General Theory of
3
Crime als de Situationele Actietheorie in één conceptueel model op te nemen en met elkaar
te vergelijken op hun verklarende kracht. Zoals later zal worden besproken (zie infra, II.5),
hielp de ontwikkeling van de Situationele Actietheorie door Wikström (2006; Wikström &
Treiber, 2007) om academische interesse aan te wakkeren voor de integratie van moraliteit
als verklarende factor (Antonaccio & Tittle, 2008). Deze studie volgt in deze lijn door
eveneens de invloed van zelfcontrole te toetsen onder controle van moraliteit.
Hirschi en Gottfredson (2006: 114) staan overigens eerder skeptisch tegenover theoretische
integratie. Want vaak, zo stellen zij, is integratie slechts mogelijk “by ignoring vital
differences in the assumptions of the constituent theories”. Dit geldt zelfs voor theorieën die
gebruik maken van dezelfde concepten. Zoals verder zal worden uiteengezet maken zowel
de General Theory of Crime als de Situationele Actietheorie gebruik van zelfcontrole ter
verklaring van criminaliteit. Toch geven beide theorieën een zeer verschillende invulling aan
dit concept. Niettemin kan de rechtstreekse vergelijking van concurrerende factoren een
aanzet vormen tot het ontdekken van nieuwe relaties en inzichten, wat het globale
onderzoek naar de etiologie van criminaliteit alleen maar ten goede komt.
4. Nood aan aandacht voor de oorzaken van de oorzaken
Zoals Vaszonyi en Belliston (2007:522) aangeven, “[s]urprisingly few studies have tested
what is perhaps a more complete model of selfcontrol theory, namely one that includes the
effects of family processes on self-control and deviance and the effects of self-control on
deviance”. Onderzoek naar de vermeende invloed van opvoedingspatronen op zelfcontrole
is lange tijd onderbelicht gebleven (Burt, Simons & Simons, 2006). Niettemin is naast de
vraag naar de oorzaken van criminaliteit, de vraag naar de oorzaken van de oorzaken van
criminaliteit even fundamenteel. Dit is niet enkel relevant vanuit theoretisch oogpunt (op
deze manier kan een vollediger begrip van misdaadscausatie bekomen worden), maar
eveneens vanuit praktische hoek. Immers, door in te werken op gekende oorzaken van
oorzaken van criminaliteit kan men vermijden dat een zekere criminele geneigdheid wordt
ontwikkeld, en aldus toekomstige criminaliteit verijdelen.
4
5. Probleemstelling en centrale onderzoeksvragen
Deze masterproef probeert tegemoet te komen aan bovenstaande opmerkingen. In de
eerste plaats berust deze studie op data uit Nederlandstalig onderzoek waardoor de theorie
cross-cultureel kan worden getoetst (i.e. buiten Angelsaksische context). Daarnaast wordt
gebruik gemaakt van longitudinale gegevens om de stabiliteit van de relaties beschreven in A
General Theory of Crime te toetsen doorheen de tijd. Verder wordt niet alleen de invloed
van zelfcontrole op delinquentie nagegaan, maar wordt tevens gecontroleerd voor de rol
van moraliteit, een belangrijk concept op individueel niveau uit de Situationele Actietheorie
(SAT) van Wikström (2006; Wikström & Treiber, 2007). Vervolgens wordt eveneens
nagegaan in hoeverre ouderlijke opvoedingspatronen een verklaring kunnen bieden voor de
mate van individuele zelfcontrole en moraliteit. Tenslotte worden de centrale concepten die
worden gehanteerd voor deze studie beschreven doorheen de tijd, en naargelang
achtergrondkenmerken zoals geslacht, leeftijd en etniciteit. De centrale onderzoeksvragen
worden hieronder uiteengezet.
a. Verschillen deze opvoedingspatronen naar geslacht, leeftijd (cohort) of
etnische origine?
en veelplegers?
a. Verschilt zelfcontrole naar geslacht, leeftijd (cohort) of etnische origine?
b. Verschilt zelfcontrole tussen niet-delinquenten, delinquenten en veelplegers?
3. Hoe varieert moraliteit doorheen de tijd?
a. Verschilt moraliteit naar geslacht, leeftijd (cohort) of etnische origine?
b. Verschilt moraliteit tussen niet-delinquenten, delinquenten en veelplegers?
4. Hoe varieert jeugddelinquent gedrag doorheen de tijd?
a. Verschilt jeugddelinquentie naar geslacht, leeftijd (cohort) of etnische
origine?
5
Vooral voor zelfcontrole is het interessant om na te gaan in hoeverre delinquenten zich van
niet-delinquenten onderscheiden. Hoewel de zelfcontroletheorie stelt dat niveau’s in
zelfcontrole binnen een individu kunnen verhogen doorheen de tijd, blijven de verschillen
tussen individuen relatief stabiel. Met andere woorden: we kunnen individuen ranken op
basis van hun zelfcontroleniveau’s, en deze ranking zou relatief stabiel moeten blijven
doorheen de tijd. Anders gezegd, de verschillen tussen delinquenten en niet-delinquenten
zouden significant en stabiel moeten zijn (Gottfredson & Hirschi, 1990; Turner & Piquero,
2002).
Verklarende onderzoeksvragen
Zoals eerder beschreven is het de bedoeling van deze masterproef om na te gaan in
hoeverre de relaties beschreven door Gottfredson en Hirschi (1990) stabiliteit vertonen
doorheen de tijd. Dit wordt gecontroleerd voor zowel de oorzaken van criminaliteit, als de
oorzaken van de oorzaken van delinquent gedrag. Hiervoor wordt nagegaan wat de invloed
is van ouderlijke opvoedingspatronen op zelfcontrole en moraliteit, waarvoor op hun beurt
wordt nagegaan in hoeverre ze delinquent gedrag bij adolescenten kunnen verklaren.
Daarnaast wordt eveneens nagegaan in hoeverre zelfcontrole (en moraliteit) het eventuele
rechtstreekse effect van opvoeding op criminaliteit kunnen wegverklaren. De verklarende
onderzoeksvragen zijn:
1. Kunnen individuele verschillen in zelfcontrole worden verklaard aan de hand van een
rechtstreeks effect van ouderlijke opvoedinspatronen?
a. Is de invloed van ouderlijke opvoedingspatronen op zelfcontrole stabiel
doorheen de tijd (i.e. is deze invloed voor beide meetmomenten gelijk)?
b. In hoeverre kunnen veranderingen in ouderlijke opvoedingspatronen over de
tijd verschuivingen in zelfcontrole verklaren?
2. Kunnen individuele verschillen in moraliteit worden verklaard aan de hand van een
rechtstreeks effect van ouderlijke opvoedingspatronen?
a. Is de invloed van ouderlijke opvoedingspatronen op moraliteit stabiel
doorheen de tijd?
b. In hoeverre kunnen veranderingen in ouderlijke opvoedingspatronen over de
tijd verschuivingen in moraliteit verklaren?
6
3. Kunnen individuele verschillen in jeugddelinquent gedrag worden verklaard aan de
hand van een rechtstreeks effect van ouderlijke opvoedingspatronen, zelfcontrole en
moraliteit?
a. Is de invloed van ouderlijke opvoeding, zelfcontrole en moraliteit op
jeugddelinquent gedrag stabiel doorheen de tijd?
b. In hoeverre kunnen veranderingen in opvoedingspatronen, zelfcontrole en
moraliteit doorheen de tijd verschuivingen in jeugddelinquent gedrag
verklaren?
1. Inleiding
Na een reeks artikelen waarin zij onder andere hun kijk geven op de relatie tussen leeftijd en
criminaliteit (Hirschi & Gottfredson, 1983), enkele kritieken uiten op het criminele
carièreperspectief (Gottfredson & Hirschi, 1986), witteboordencriminaliteit trachten te
verklaren (Hirschi & Gottfredson, 1987) en de longitudinale onderzoeksmethode aan de kaak
stellen (Gottfredson & Hirschi, 1987) bundelden Gottfredson en Hirschi hun tot dan toe
verspreide ideeën in A general Theory of Crime (1990). Hun algemene criminaliteitstheorie
kon (en kan nog steeds) niet alleen op heel wat lof en belangstelling rekenen, maar vormde
eveneens het middelpunt van heel wat kritiek vanuit academische hoek (Pratt & Cullen,
2000; Geis, 2000). Deze controverse heeft ongetwijfeld te maken met het feit dat de theorie
poneert alle criminaliteitsvormen te verklaren, en daarbij het merendeel van de tot dusver
geformuleerde criminologische theorieën als inadequaat bestempelt.
Kort door de bocht gesteld, beweert de General Theory of Crime (GtoC) dat lage zelfcontrole
verantwoordelijk is voor het grootste deel van de variantie in crimineel gedrag en
gedragingen analoog aan criminaliteit. Deze relatie geldt ongeacht geslacht, leeftijd, etnische
origine of culturele context. Lage zelfcontrole is het resultaat van ineffectieve
opvoedingspraktijken in het gezin, en stabiliseert zich bovendien op jonge leeftijd. Hieronder
worden de centrale proposities van de GtoC kritisch besproken. Tevens wordt kort
stilgestaan bij een hedendaagse theorie die de relatie tussen zelfcontrole en criminaliteit
vanuit een andere hoek benadert: de Situationele Actietheorie van Wikström (2006;
Wikström & Treiber, 2007).
2. Definitie van crimineel gedrag
In A General Theory of Crime (1990: 3-14) staan Gottfredson en Hirschi allereerst stil bij het
definiëringsprobleem van criminaliteit, een vraagstuk waar volgens hen vaak wordt
overgekeken in de criminologie. Ze verwerpen de notie dat criminaliteit louter bestaat uit
8
die handelingen die door de wet als illegaal worden gedefinieerd. Deze omschrijving gaat
volgens hen immers voorbij aan heel wat handelingen die eveneens door de samenleving
worden afgekeurd en via dezelfde causale processen worden veroorzaakt. In essentie gaat
het in beide gevallen om gedragingen die aan bepaalde menselijke behoeften voldoen (Pratt
& Cullen, 2000). Hun theorie gaat dan ook uit van een utilitaristisch mensbeeld waarbij
individuen zullen trachten hun gedrag af te stemmen op genotsmaximalisatie, en het
vermijden van kosten.1 Deze vaststelling leidde ertoe dat Gottfredson en Hirschi zich eerder
afvroegen waarom individuen geen criminaliteit plegen dan wel. Om hieraan tegemoet te
komen stellen zij hun eigen misdaadsdefinitie voor, die ze omschrijven als een “moderne
versie van de klassieke opvatting van criminaliteit [eigen vertaling]” (Gottfredson & Hirschi,
1990: 4). In deze definitie wordt criminaliteit omschreven als “acts of force or fraud
undertaken in the pursuit of self-interest” (1990: 15). Hieruit volgt dat criminaliteit in
essentie functioneel is, in die zin dat ze een middel vormt om bepaalde behoeften te
bevredigen en niet per se een doel op zich inhoudt.
De hereniging van wettelijk sanctioneerbare gedragingen en deviantie in een enkele
criminaliteitsdefinitie valt te verklaren vanuit de intentie van de GtoC om alle
misdaadsvormen te verklaren. De algemene criminaliteitstheorie probeert bovendien niet
enkel in de strafwet omschreven criminele gedragingen te verklaren, maar ook analoge
gedragingen (acts analogous to crime) zoals roken, de consumptie van alcohol, of het
betrokken zijn in ongelukken (Gottfredson & Hirschi, 1990).
Deze theorie onderstreept de idee van versality, dit tegenover specialisation, of de idee dat
delinquenten doorgaans slechts een bepaalde vorm van criminaliteit plegen. In hun visie
zullen delinquenten juist zeer uiteenlopende vormen van criminaliteit plegen. Onderzoek
vanuit de levensloopcriminologische traditie daaretegen toont doorgaans dat deliquenten
niet zozeer zich specialiseren in specifieke…