Taak Marktonderzoek -

Click here to load reader

  • date post

    06-Nov-2021
  • Category

    Documents

  • view

    1
  • download

    0

Embed Size (px)

Transcript of Taak Marktonderzoek -

Wat motiveert iemand met een zittende levensstijl om meer te
bewegen?
Economische en Sociale Wetenschappen
2.1 Onderzoeksvraag en deelvragen ............................................................................................. 7
3. Informatie uit secundaire bronnen ................................................................................. 8
3.1 Motivatie om te sporten .......................................................................................................... 8
3.2 Geen motivatie om te sporten ................................................................................................. 9
3.3 Exercise Motivation Inventory (EMI) .................................................................................. 10
3.4 Sporter versus niet-sporter .................................................................................................... 10
4. Methodologie en onderzoeksplan .................................................................................. 11
4.1 Keuze van gegevensverzamelingsmethode .......................................................................... 11
4.2 Steekproefstrategie ............................................................................................................... 12
4.4 Enquête-protocol ................................................................................................................... 15
4.5 Analyseplan .......................................................................................................................... 17
5. Resultaten ........................................................................................................................ 19
5.1.1 Resultaten van de sporters .............................................................................................................. 20
5.1.2 Resultaten van de niet-sporters ...................................................................................................... 22
5.1.3 Resultaten van de kennis van het sportaanbod van de VUB .......................................................... 25
5.1.4 Kruistabellen .................................................................................................................................. 27
5.2.2 Resultaten voor vergelijking van motivatiefactoren tussen sporters en niet- sporters ................... 29
5.2.3 Resultaten voor de vergelijking in de kennis en het bezit van de sportmix kaart tussen sporters en
niet-sporters .................................................................................................................................................. 30
6.1 Concrete aanbevelingen voor de opdrachtgever ................................................................... 33
6.2 Beperkingen van het onderzoek en suggesties voor verder onderzoek ................................ 34
7. Referenties ....................................................................................................................... 36
8.1 Aantal studenten per faculteit op de Campus Etterbeek ....................................................... 38
8.2 Steekproefgrootte berekening ............................................................................................... 38
8.5 Beschrijvende statistiek – Frequentietabellen ...................................................................... 54
8.6 Beschrijvende statistiek – Kruistabellen en Chi-kwadraat/Fisher exact test ........................ 57
8.7 Statistische toetsen – SPSS-output ....................................................................................... 59
4
1. Inleiding
In dit eindrapport van de taak Marktonderzoek overlopen we de verschillende stappen die
we hebben ondernomen om een antwoord te verkrijgen op onze onderzoeksvraag. We starten
dit werk met een concrete beschrijving van het onderzoeksprobleem en een kadering van de
context waarin het zich afspeelt. Daarna volgt een opsomming van de onderzoeksvraag en
specifieke deelvragen om een antwoord te verkrijgen op het beleidsprobleem. Vervolgens
bespreken we enkele relevante secundaire bronnen in verband met dit topic. Dit wordt vervolgd
door de formulering van het onderzoeksplan en de methodologie. Hier wordt onder andere de
populatie en de steekproefstrategie besproken, als ook de methode die men zal hanteren tijdens
het uitvoeren van het marktonderzoek. Nadien volgt het analyseplan waarin grondig wordt
uitgelegd hoe men de verkregen data zal verwerken. We bespreken in dit deel ook de resultaten
van het onderzoek. Het rapport wordt afgesloten met een conclusie, aangevuld met concrete
aanbevelingen voor de opdrachtgever Dirk Van De Wiele, beperkingen van het onderzoek en
aanbevelingen voor eventueel verder onderzoek.
2. Probleemstelling en kadering van de context
Uit onderzoek van Hollmann et al. (2003) blijkt dat fysieke activiteit leidt tot een forse
toename van de doorbloeding in verschillende gebieden van de hersenen. Dit heeft dan weer
een betere leerbereidheid tot gevolg waardoor studenten beter kunnen opletten en hun
concentratieniveau toeneemt. Dit heeft een positieve impact op hun studieresultaten. Nochtans
sport een groot deel van de VUB studenten niet of onvoldoende regelmatig. Bij de
concentrische methode wordt er gekeken naar eerder intern onderzoek om zo meer inzicht te
krijgen in de probleemstelling en mogelijke oorzaken (De Pelsmacker & Van Kenhove, 2019).
Volgens Dirk Van De Wiele, afdelingshoofd van de sportdienst van de VUB, bleek uit
eerder onderzoek dat 10% van de studentenpopulatie helemaal niet sport. 10% van de studenten
denkt eraan om te gaan sporten, de volgende 10% informeert zich over hoe en waar men kan
sporten. De overige 10% doet wel aan sport maar op een onregelmatige basis. Dit wil zeggen
dat slechts 60% van de VUB-studenten effectief aan het sporten is. Dit is gebaseerd op eerder
intern onderzoek aan de VUB en komt natuurlijk lang niet in de buurt van de 100% die de VUB-
sportdienst graag aan het sporten zou willen zien. Nochtans heeft de VUB een erg uitgebreid
aanbod aan sportfaciliteiten voor een relatief lage prijs. Ze organiseren ook jaarlijks tal van
sportactiviteiten voor studenten zoals de container cup, competities, university world cups,
enzovoort. De participatie van studenten bij deze evenementen schommelt rond de 10 à 15%
van de totale studentenpopulatie en dat percentage wil de afdeling graag omhoog zien gaan. Uit
5
vorige ondervragingen bleek dat studenten vaak niet genoeg tijd hebben om te sporten. Geen
tijd vertaalt zich vaak in geen prioriteit. Dit getuigt van een gebrek aan motivatie bij studenten
en laat dat nu net het marktonderzoek zijn dat wij gaan voeren. De VUB-sportdienst zou graag
willen weten hoe ze hun studenten kunnen motiveren tot een actievere levensstijl en wat iemand
met een zittende levensstijl motiveert om meer te bewegen. Zodat sporten wél een prioriteit
wordt. Eerder onderzoek aan de VUB, door een masterstudent genaamd Deliens, toonde aan
dat er een gewichtstoename is aan het begin van de studies. Dit kan toegeschreven worden aan
het feit dat de overgang naar het hoger onderwijs vaak gepaard gaat met lagere fruit- en groenten
consumptie, minder sport en minder lichaamsbeweging in het algemeen, en tevens meer
alcoholinname voor zowel studenten op kot als studenten die pendelen (Deliens, 2019).
Figuur 1: Sporten op maat van de student (bron: intern beleidsrapport VUB)
Om het onderzoeksprobleem nog beter te schetsen nemen we bovenstaande figuur 1 er even
bij. Er zijn vijf mogelijke fasen waar een student zich in kan bevinden. In de
precontemplatiefase vinden we studenten terug die helemaal niet sporten en hier ook niet aan
denken. Ze beseffen vaak nog niet dat sporten een positieve invloed kan hebben op de
gezondheid. Om dit besef te creëren heeft de sportdienst in het verleden al talloze
sensibiliseringscampagnes gehouden zoals “studeer je niet vet” en “sport je slim”. Hierop volgt
de contemplatiefase waarin studenten wel overwegen om te sporten maar het nog niet doen. De
derde fase is de preparatiefase waarin studenten zich gaan informeren over de mogelijkheden
en faciliteiten om aan sport te doen. In de actiefase doen studenten wel aan sport maar nog niet
6
op een voldoende regelmatige basis. Studenten in deze fase proberen ook vaak nog heel wat
verschillende sporten uit, maar hebben de sport die ze voor de rest van hun leven zouden willen
blijven doen nog niet gevonden. In de laatste fase, de onderhoudsfase vinden we alle studenten
die op of buiten de VUB op regelmatige basis sporten of aan competitiesporten doen en hier op
lange termijn ook de vruchten van plukken. Dit onderzoek zal zich vooral focussen op de eerste
drie fasen. Hoe kunnen we studenten die nog niet sporten bereiken? Met welke boodschap,
welke media, op welk moment van het jaar? En hoe kunnen we de studenten die nog niet met
regelmaat bewegen aanmoedigen om vaker te gaan sporten?
De Universitaire Associatie Brussel (UAB), waaronder onder andere de VUB valt, rolt
binnenkort haar sport beleidsplan uit voor 2021-2024. In functie daarvan zal dit
marktonderzoek trachten na te gaan waarom VUB-studenten niet gemotiveerd zijn om te
sporten en hoe we ze wél kunnen aanzetten om te gaan sporten. Tijdens de lockdown in het
voorjaar van 2020 zijn heel wat mensen, inclusief studenten, meer beginnen wandelen en fietsen
en dit momentum wil men graag aanhouden.
Het is ook belangrijk dat we inzicht krijgen in het probleem. Er zijn namelijk elementen die
niet rechtstreeks verbonden zijn met de beleidsvraag, maar het onderzoek ervan wel kunnen
beïnvloeden. Zo is er de mogelijkheid dat studenten wel sporten maar dit bijvoorbeeld doen in
hun eigen sportclub of bij een lokaal fitnesscentrum. Ook zullen Covid-19 en de bijhorende
maatregelen een invloed uitoefenen op de gebruiksgewoontes van de sportinfrastructuur door
de studenten. Gebruik makende van de concentrische methode gaan we aan de hand van een
interne analyse na wat de mogelijke oorzaken kunnen zijn van het gebrek aan motivatie. Een
mogelijke verklaring is dat studenten effectief gebruik maken van andere sportfaciliteiten
waardoor de VUB-sportdienst hier geen zicht op heeft. Een andere mogelijkheid is dat de VUB
te weinig of op een minder efficiënte manier reclame maakt bij studenten waardoor ze zich niet
bewust zijn van het sportaanbod en de aangepaste studentenprijzen die hiermee gepaard gaan.
Dirk Van De Wiele benadrukte tijdens de meeting dat communicatie van het sportaanbod naar
de VUB-studenten een struikelpunt vormt. Dit werd gevonden uit eerder onderzoek, uitgevoerd
door de VUB-sportdienst. Momenteel loopt een onderzoek van een masterstudent
communicatiewetenschappen over hoe deze communicatie geoptimaliseerd kan worden. Nog
een andere oorzaak zou kunnen zijn dat de sportfaciliteiten en/of de openingsuren van de VUB-
sportdienst te weinig divers zijn of gewoonweg niet alle studenten aanspreken.
Om op deze vraag een antwoord te bieden bespreken we kritisch in wat volgt de
belangrijkste literatuur rond dit onderwerp, het onderzoeksplan en de onderzoeksmethodologie
die we zullen toepassen.
2.1 Onderzoeksvraag en deelvragen
In dit deel van het werk zullen we het beleidsprobleem om zetten in een
onderzoeksprobleem dat we trachten op te lossen aan de hand van een onderzoeksvraag. De
algemene onderzoeksvraag waar we een antwoord op trachten te bieden is: “Hoe kan de VUB-
sportdienst de VUB-studenten motiveren tot een actievere levensstijl?” Met onderstaande
specifieke onderzoeksvragen of deelvragen proberen we meer inzicht te krijgen in onze
hoofdonderzoeksvraag en hier een beter en vollediger antwoord op te verkrijgen.
Hoofdonderzoeksvraag: Hoe kan de VUB-sportdienst de VUB-studenten motiveren tot
een actievere levensstijl?
1. Deelvraag 1: Welke factoren motiveren studenten die al sporten om te blijven
bewegen? Door de studenten die al vaak aan sport doen te vragen naar hun motivatie
kunnen we hier meer inzichten krijgen. Deze inzichten zouden kunnen helpen om studenten
die nog niet sporten of nog niet op regelmatige basis sporten in beweging te krijgen.
2. Deelvraag 2: Welke factoren motiveren studenten met een zittende levensstijl om meer
te bewegen? Met deze vraag trachten we na te gaan welke factoren een student die niet veel
beweegt kunnen motiveren om toch te gaan sporten. Zo kunnen we nagaan of de VUB-
sportdienst hier zelf een rol in kan spelen of wat zij concreet kan ondernemen om dit te
veranderen of te verbeteren. We kunnen ook leren uit de motivatiefactoren die studenten
gaven die wel op regelmatige basis sporten (deelvraag 1) en deze factoren meenemen als
aanbeveling aan de externe opdrachtgever.
3. Deelvraag 3: Welke factoren ontmoedigen studenten met een zittende levensstijl om
meer te bewegen? Wanneer we weten welke factoren de student juist niet motiveren om
meer te bewegen, dient zich misschien een opportuniteit om deze factoren om te zetten in
motiverendere aspecten. Of is er misschien een mogelijkheid om deze demotiverende
factoren al dan niet partieel te verwijderen of te minimaliseren. Ook hier zou de VUB-
sportdienst een rol in kunnen spelen.
4. Deelvraag 4: Welke perceptie hebben VUB-studenten over de VUB-sportdienst en het
aanbod, alsook over hun initiatieven/activiteiten? Door de perceptie van de studenten na
te gaan, kan men kijken of de VUB-sportdienst nog extra of andere sporten/ infrastructuur
moet aanbieden of de studenten op nog een andere manieren kan ondersteunen.
8
3. Informatie uit secundaire bronnen
Een nodige volgende stap is om secundaire informatiebronnen te raadplegen. Dit zal een
diepgaander inzicht bieden in het onderzoeksdomein en ons de mogelijkheid bieden om een
vollediger marktonderzoek te voeren.
Om een dieper inzicht te krijgen in de motivatie van studenten om al dan niet te sporten, is
het belangrijk om eerst een literatuurstudie uit te voeren naar de motivatiefactoren van mensen
om te sporten, maar ook naar mogelijke redenen waarom mensen niet sporten. Aan de hand van
deze inzichten kan dan een enquête en analyseplan opgesteld worden dat aansluit bij de
onderzoeksvraag, maar ook gegrond is door een sterke literatuurstudie.
3.1 Motivatie om te sporten
Wij zijn zeker niet de eersten die het begrip motivatie in sport onderzoeken. De onderzoeken
omtrent motivatie zijn talrijk, en vooral terug te vinden in de takken van de psychologie. Ook
werden er in het verleden al heel wat onderzoeken, meer specifiek omtrent de motivatie om te
sporten bij studenten uit gevoerd.
Zowat alle onderzoeken betreffende motivatie zijn gebaseerd op de Self-Determination
Theory (SDT) (Deci en Ryan, 2000). Volgens Vallerand (2007) zou deze theorie aan de basis
liggen om motivatie te begrijpen. De theorie verklaart de psychologische noden van mensen en
hoe deze noden omgevormd kunnen worden naar (zelf-)motivatie. Deze theorie geeft aan dat
motivatie iets psychologisch is en afhangt van de persoon. Daarom zijn een goede schaal en
motivatiefactoren nodig om dit te onderzoeken.
Een belangrijk onderscheid dat vaak gemaakt wordt in de motivatiepsychologie is het
verschil tussen intrinsieke en extrinsieke motivatie. Intrinsieke motivatie kan omschreven
worden als “zich engageren in een activiteit, puur en alleen voor het plezier en de voldoening
die volgt uit het uitvoeren van de activiteit.” (Deci, 1975). Pelletier et al. (1995) gebruikt deze
definitie om voorbeelden van intrinsieke motivatie, zoals nieuwsgierigheid of plezier, in de
sport toe te lichten. Enkele aangehaalde voorbeelden van intrinsieke motivatiefactoren om te
sporten zijn nieuwsgierigheid, willen leren, voldoening, plezier en nieuwe ervaringen opdoen.
Extrinsieke motivatie kan dan omschreven worden als “een brede variëteit aan gedragingen met
het oog op een bepaald doel en die niet uitgevoerd worden omwille van de activiteit zelf.” (Deci,
1975). Enkele voorbeelden die Pelletier et al. (1995) hierbij aanhaalt zijn het winnen van
prijzen, externe druk, gezondheidsvoordelen en schuldgevoel.
Diehl et al. (2018) toont aan dat de motivatie om te sporten vaak een combinatie van deze
intrinsieke en extrinsieke factoren zal zijn. Plezier, gezondheid en welzijn zijn volgens dit
9
onderzoek de belangrijkste motivatiefactoren om te sporten. Eén van de resultaten van het
onderzoek van Wang en Biddle (2003) is dat intrinsieke motivatie belangrijk is om te sporten
en door verschillende factoren, zoals competentie, beïnvloed wordt.
Het onderzoek van Kilpartick, Herbert en Batholomew (2010) gaat dieper in op de motivatie
van studenten om te sporten. In deze studie wordt een onderscheid gemaakt tussen twee
manieren om aan sport te doen: ‘sport participation’ en ‘exercise participation’, waarbij de
eerste vorm als bedoeling heeft effectief een sport te beoefenen, en de tweede vorm men eerder
belang hecht aan het in beweging zijn. Sport participation kan sterker gelinkt worden aan
intrinsieke motivatie zoals bijvoorbeeld genot en uitdaging, terwijl exercise participation
sterker kan gelinkt worden aan extrinsieke motivatie zoals bijvoorbeeld gezondheidsredenen.
Een ander belangrijk inzicht in de motivatie om te sporten (Kilpartick, Herbert, &
Batholomew, 2010; Egli et al., 2011) is dat er een verschil blijkt te zijn in motivatie om te
sporten bij mannen en vrouwen. Vrouwen blijken het gezondheidsaspect van sporten veel
belangrijker te vinden, en mannen zijn op hun beurt meer gemotiveerd door prestatie en ego-
gerelateerde factoren zoals kracht en uithouding.
De redenen waarom mensen en meer specifiek studenten aan sport doen is dus reeds
intensief onderzocht, waarbij de belangrijkste bevindingen zijn dat deze motivatie kan
verschillen naargelang intrinsieke of extrinsieke motivatie en dat deze ook kan verschillen
naargelang geslacht. In het volgende deel zal ingegaan worden op redenen waarom mensen en
meer specifiek studenten niet aan sport doen.
3.2 Geen motivatie om te sporten
Er zijn verschillende motieven om te sporten, maar daarnaast ook motieven of redenen
waarom men niet gemotiveerd is om te bewegen. Er werd al eerder vermeld dat onze
opdrachtgever aangaf dat ‘geen tijd’ een voornaamste reden is om niet te sporten. Dit wordt
ook bevestigd in de literatuur (Diehl et al., 2018; Hilger-Kolb, Loerbroks & Diehl, 2020).
Andere redenen die worden aangegeven om te verklaren waarom mensen niet sporten zijn:
overvolle klassen/sportsessies (Diehl et al., 2018), blessures (Memon et al., 2015), het gebrek
aan een vaste routine of de moeilijkheid om een nieuwe sportclub te vinden (Hilger-Kolb,
Loerbroks & Diehl, 2020) of zelfs het gevoel van incompetentie (Vallerand, 2007). In het
volgende deel zal besproken worden aan de hand van welk kader we de motivatie of juist geen
motivatie om te sporten kunnen conceptualiseren.
10
3.3 Exercise Motivation Inventory (EMI)
De meeste onderzoeken die hierboven (3.1 en 3.2) werden genoemd, zijn gevoerd via de
Exercise Motivation Inventory version 2 (EMI-2: Markland en Ingledew, 1997) of een
aangepaste versie ervan. De enquête bestaat uit 51 items, die 14 sub-schalen omvat. Elke schaal
wijst op een andere motivatiefactor om deel te nemen aan sport of andere bewegingsinitiatieven.
Deze enquête zorgt volgens Kilpatrick, Herbert en Batholomew (2010) en Markland (1999)
voor minder limitaties die bijvoorbeeld de EMI en andere enquêtes of tools wel hadden. Omdat
deze minder limitaties bevat, zijn de resultaten die men bekwam uit deze enquête meer betrouw-
en bruikbaar om conclusies uit te trekken. Een voorbeeld van een minder goed meetinstrument
is volgens Markland en Hardy (1993) de PIEQ (opgesteld door Duda en Tappe (1989)).
Problemen waren onder andere; te nauwe motieven, te nauwe definities van bewegen en de
niet-toepasbaarheid van het instrument op de niet-sporters.
De EMI-2 is toepasbaar op zowel sporters als niet sporters, wat niet het geval was bij de
EMI (Markland D. , 1999) of de andere schalen die hierboven besproken werden. Daarom is
deze enorm interessant om te gaan kijken naar waarom mensen sporten, maar ook waarom
mensen niet sporten. De sub-schalen zijn plaatsbaar binnen het onderscheid tussen extrinsieke
en intrinsieke motivatie en zouden volgens Markland en Ingledew (1997) valide zijn en goede
info verzamelen. Aangezien eerder de opmerking gemaakt werd dat motivatie om (al dan niet)
te sporten kan verschillen naargelang geslacht, is het belangrijk te vermelden dat de schaal kan
toegepast worden op zowel mannen als vrouwen. Van de EMI-2 zijn al verschillende
alternatieve en kortere instrumenten gemaakt, zoals bij Crofts, Dickson, Schofield en Funk
(2012) waarbij minstens de helft van de stellingen verwijderd of samengevoegd werden (in de
appendix (8.4 Subscales aangepaste EMI-2 en items) is te zien welke erover bleven). Ook dit
verkorte instrument werd getest op validiteit zodoende de verkorte versie een even getrouw
beeld geeft als de originele EMI-2.
3.4 Sporter versus niet-sporter
Wie sporter en niet-sporter is, werd bepaald op basis van de secundaire literatuur die
beschikbaar is. In het trendrapport van de auteurs Hildebrandt, Chorus en Stubbe (2010) maken
ze gebruik van een “combinorm”. “De combinorm is een combinatie van de Nederlandse Norm
Gezond Bewegen (NNGB) en de Fitnorm. De NNGB toont aan hoeveel je moet bewegen om
als mens gezonder te worden. Bij de Fitnorm wordt aangegeven wat je moet doen om een
optimale conditie te bereiken. Als je aan één van bovenstaande normen voldoet, heb je de
combinorm bereikt (Hildebrandt, Chorus, & Stubbe, 2010). Deze bestaat uit minstens een half
11
uur matig intensieve lichamelijke activiteit, bijvoorbeeld stevig wandelen (min. 5km/u) of
fietsen (min. 16km/u) beoefenen en dit minimaal 5 dagen per week en/of het beoefenen van een
zwaar intensieve activiteit zoals hardlopen of voetbal voor tenminste 3 keer per week gedurende
minimaal 20 minuten. Op deze manier konden onze respondenten in de enquête zich
identificeren als sporter of niet-sporter. Deze opsplitsing is voor ons een meerwaarde, aangezien
we op deze manier de data van beide groepen (sporters en niet-sporters) tegenover mekaar
kunnen zetten.
In het volgende deel zal op basis van de gevoerde literatuurstudie een methodologie en
onderzoeksplan uitgewerkt worden dat ons toelaat de gestelde onderzoeksvraag te
beantwoorden.
4. Methodologie en onderzoeksplan
In deze sectie van het marktonderzoek wordt de methodologie besproken dat zich toespitst
op de gegevensverzamelingsmethode, steekproefstrategie, validiteit en betrouwbaarheid. Het
onderzoeksplan bestaat uit een enquête-protocol en een analyseplan.
4.1 Keuze van gegevensverzamelingsmethode
In dit marktonderzoek trachten wij te onderzoeken hoe we de VUB-student in Etterbeek
kunnen motiveren om meer te bewegen. De resultaten hebben als doel om hierover specifieke
aanbevelingen te kunnen doen aan de externe opdrachtgever, Dirk Van De Wiele. Dit wordt
een verklarend onderzoek genoemd (De Pelsmacker en Van Kenhove, 2019). Als
gegevensverzamelingsmethode kozen we voor een online-enquête. Door te opteren voor een
kwantitatieve onderzoeksmethode, kunnen we dus proberen een zo groot mogelijke en
representatieve steekproef te verkrijgen. In dit soort onderzoek is het bovenstaande het meest
voornamelijk streefdoel, zodat men daarna de resultaten uit de steekproef kan gaan
veralgemenen naar de populatie. Enquêtes kunnen op verschillende manieren worden verspreid.
Wij kozen voor een online-versie, dit door de heropflakkering van het covid-19 virus. De VUB
koos ervoor in de week van 26 oktober over te gaan naar code rood. Dit betekent dat men
volledig overschakelt naar afstandsonderwijs, waar fysiek contact op de campus…