SMAAK special

Click here to load reader

  • date post

    29-Mar-2016
  • Category

    Documents

  • view

    235
  • download

    2

Embed Size (px)

description

SMAAK special Rijksdienst voor het cultureel erfgoed

Transcript of SMAAK special

  • Dit is een publicatie van: Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer Los nummer 5,-Rijksgebouwendienst > Rijnstraat 8 > 2515 XP Den Haag >www.vrom.nl9017

    Ik ben sinds maart 2007 betrokken bij de nieuwbouw. We wilden een betere projectorganisatie rondom nieuwbouw en daarover sparren met de Rijksgebouwendienst. Er moes-ten in het nieuwe pand steeds meer functionaliteiten beschreven worden over de inrichting, en dan ging het over uiteenlopende zaken zoals de beveiliging, de inrichting van de werkplekken, het tapijt, het klimaat-beheersingssysteem. In die periode was ik interim hoofd Facilitaire Zaken, dus het was logisch dat die vraag bij mij terechtkwam.

    Bij de start van het traject was er veel weerstand tegen de verhuizing naar de nieuwbouw. Dat hing ook samen met de fusie van de twee diensten. Onze nieuwe naam is gelanceerd op de eerste dag van ingebruikname, 11 mei 2009. In de periode van de voorbereiding op de verhuizing heeft de organisatie een heftige tijd gehad.

    De medewerkers hadden ook wel andere zaken aan hun hoofd. Het heeft veel tijd en energie gekost om mensen mee te krijgen.

    Er zijn informatierondes op alle afdelingen georganiseerd om ieder-een warm te krijgen voor het nieuwe pand en de verhuizing. Tot vier weken voor de verhuizing stond ik presentaties te geven. Ik sta gemak-kelijk voor een groep mensen, dat heeft wel geholpen. Ik kan mensen wel enthousiast krijgen. Mijn erva-ring met dit soort projecten heeft mij ook geholpen; ik zit al veertien jaar in dit vak. Op de dag van de inhui-zing hebben de directeur en ik alle medewerkers ontvangen en welkom geheten in hun nieuwe huis. Ook de buren, de gemeente Amersfoort, waren uitgenodigd. De burgemees-ter nam driehonderd koekjes mee. Medewerkers hadden zelf bloemen meegebracht. Die eerste werk-

    dag hebben we ook gezamenlijk geluncht, en er was een borrel na afloop.

    Of de scepsis nu weg is? Voor een groot deel wel. Veel mensen moeten nog wel hun loopje vinden. Het gebouw is heel transparant, dat vindt niet iedereen even makkelijk. Je bent zichtbaar en dichtbij. Hier werken veel hoogwaardige professionals met een universitaire opleiding, gewend om op een eigen kamer te zitten. Dat is dus wennen. Maar ik zag de sfeer wel veranderen. Dat de organisatie nu bij elkaar zit, is een groot voordeel. Heerlijk om op n locatie te zitten. Het gebouw is een goed gelukte combinatie geworden tussen functie en esthetiek, vind ik. Alles klopt het werkplekconcept, de inrichting van de hal, de prachtige bibliotheek met collecties.

    farid azarkanprojectleider bij de rijksdienst voor het cultureel erfgoed

    Tekst: Marianne Schijf

    stedenbouw monumenten architectuur architectuurbeleid kunst

    specialrijksdienst voor het cultureel erfgoed

    smaak 05 architectuur is nieuw voor nederland12 een uitvinding in amersfoort16 een nieuw kenniscentrum is geboren20 specialisten over hun cultureel- maatschappelijk werk26 keramische beeldengroep siert entree

    smaak special

    rijksdien

    st voo

    r het cu

    ltureel erfg

    oed

  • smaakspecial n8rijksdienst voor het cultureel erfgoed03 Een uitvinding in Amersfoort05 Er zij licht, oordeelde de architect10 Van twee diensten naar een Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed12 Rubberen klossen en een klimaatgestuurde gevel: techniek 15 boek: Erfgoedbalans eerste in een reeks 16 Directeur Van t Veen streeft naar een kenniscentrum20 Medewerkers weten alles van oude bomen, glas, tuinen en wrakken26 Laocoon-groep inspireerde kunstenaar Guido Geelen29 Alledaags Nederland is terug te vinden in de collectie 32 Interieur gaat door op de lichtheid van de architectuur39 Een grand projet dat na acht jaar de finish heeft bereikt36 De gemeente Amersfoort heeft er een aanwinst bij42 Bibliotheek is plaats voor contemplatie en onderzoek46 Rijksgebouwendienst slalomde langs obstakels naar klinkend resultaat49 Kunstcentrum KAdE wil tegendraads en eigenzinnig zijn52 nasmaak: Farid Azarkhan, projectleider bij storm en bij mooi weer

    smaak, blad voor de rijkshuisvesting, is een uitgave van de Rijksgebouwen-

    dienst. smaak verschijnt vijf maal per jaar. Het aanvragen van nummers kan

    schriftelijk via de Rgd-Infofoon (IPC 465), Postbus 20952, 2500 EZ Den Haag of

    per email [email protected] Via deze adressen zijn ook vorige num-

    mers van smaak te bestellen. Meer info bij de Rgd-Infofoon 0800-899 11 03 of op

    www.rijksgebouwendienst.nl.

    abonnementen smaak: Het is mogelijk een abonnement te nemen op smaak.

    De prijs voor vijf nummers (een jaargang) bedraagt 25, een los nummer kost 5,00. U krijgt hiervoor een acceptgirokaart toegestuurd. Abonnementen kunnen op ieder gewenst moment ingaan.

    hoofdredacteur/eindredactie: Jaap Huisman

    medewerkers aan dit nummer: Xandra de Jongh, Gerard Kerkvliet, Olof

    Koekebakker, Agnes Koerts, Egbert Koster, Anne Luyten, Carien Overdijk, Anne Versloot.

    fotografen: Peter Cox, Rob Hoekstra, Michiel van Nieuwkerk, Janine Schrijver en

    Levien Willemse

    vormgeving: Barlock, Den Haag / druk: DeltaHage, Den Haag

    verspreiding: Pondres, Tilburg

    51 stedenbouw monumenten architectuur kunst architectuurbeleid

    van een kunstinstelling. Roos geeft antwoord: Van kwartiermaker ben ik gevraagd om hoofdcurator te worden. Die optie was er vanaf het begin, maar ik moest eerst bij mezelf nagaan: wil ik dit ook. Ik zit al 20 jaar in het schrij-versvak, in die kunstkritiek. Na al die jaren leek het me leuk om aan die andere kant van de lijn te kijken: van beschouwen naar maken.

    recensie Roos, als journalist opgeleid, heeft behalve over beeldende kunst ook veel over architectuur geschreven. Wat vind hijzelf eigenlijk van het gebouw waarin KAdE is terecht gekomen? Roos formuleert een korte recensie. Ik vind het heel knap hoe Juan Navarro Baldeweg dat enorme volume van 16.000 vierkante meters heeft genuanceerd. De naastgelegen Koppelpoort, dat middeleeuwse stadspoortje, die had je enorm weg kunnen laten donderen. Dat heeft ie niet gedaan, door dat hellen van die grote glazen voorgevel, waardoor de lucht wordt gereflecteerd in zijn visie de wolkenlucht. Soms lukt dat, maar vaker ook niet. Desondanks wordt dat

    vlak wel verzacht. Het is knap dat hij dat voor elkaar heeft gekregen. Helemaal tevreden is Roos niet. De ruimte van KAdE in het gebouw is wel-iswaar door de architect als tentoon-stellingsruimte ontworpen, maar een aantal zaken had de kersverse hoofd-curator graag anders gezien. Het is een mooie ruimte, maar complex om in te richten. Navarro Baldeweg houdt erg van zichtlijnen, dat heeft ie op zich mooi gedaan, maar het is wel lastig met een tentoonstelling: het licht komt overal vandaan. Het is daardoor moeilijk om een beslotenheid te cre-eren. Ook logistiek is het een lastige ruimte. Er gaat bijvoorbeeld maar een klein liftje naar de verdiepingen. Kunstwerken kunnen er moeilijk

    komen, het moet allemaal moeizaam met optakelen gebeuren. Nogmaals het zijn prachtige ruimtes, maar ze zijn niet makkelijk te bespelen.

    alle decor weg De ruimtes naar zijn hand zetten door het inzetten van speciale tentoonstel-lingsarchitectuur ziet hij, afgezien van de kosten, niet echt zitten. Ik wil geen tentoonstellingsrimram hebben rond-om de kunst. Alle decor weg, laat de kunst maar spreken. Bij Wonderland heb ik beneden bij de tekeningen van Henry Darger voor de glazen voorge-vel gordijnen opgehangen, voor de rest heb ik geen toegevoegde mid-delen gebruikt. Dat zal in de toekomst

    niet veel anders zijn. Ik ben iemand die de kunst centraal stelt. Als je bij KAdE binnenkomt dan zie je de kunst, de kunst spreekt en de kunstwerken gaan relaties met elkaar aan. De kunst doet al het beeldende werk, en niet de decorbouw. In die zin heb ik niet zon behoefte om de kijker lekker te maken. Als de kijker lekker gemaakt moet worden om kunst te kijken, gaat er eigenlijk al iets mis.

    Terug naar de kunstbeschouwing als fulltime job ziet Roos niet snel gebeu-ren. Het curatorschap voelt goed. Het schrijven van een boek staat nog wel op zijn lijstje. Om een reflectie te geven op die 20 jaar van duizenden tentoonstellingen zien.

    Tot aan zijn pensioen blijft hij bij KAdE waarschijnlijk niet. Hij heeft nu nog weinig tentoonstellingservaring, maar over een aantal jaar zou hij er niet voor terugdeinzen om bij een gro-ter museum aan de slag te gaan. Het Stedelijk Museum in Amsterdam? Roos lacht.

    Pagina 50 rechts: Rina Banerjee, Sweet chesse and harvest flowers

    draped the meats head with blessings, weddings, (2008).

    Pagina 51 met de klok mee: Liz Craft, The Pony (2004).

    Nathalie Djurberg, I found Myself Alone, (2008).

    Jake & Dinos Chapman, My Giant Colouring Book (2004)

    Rina Banerjee, For the Love of Falling Fearless upon flowers

    burning orange and prickly too as are Empires and Rajas,

    Queens fail (2008).

  • 3 stedenbouw monumenten architectuur kunst architectuurbeleid 3 stedenbouw monumenten architectuur kunst architectuurbeleid

    De idylle van het Nederlandse landschap, zoals in het de 17e eeuw door Jacob van Ruisdael geschilderd kon worden, bestaat uit een silhouet van Haarlem, met duidelijk zichtbaar aan de horizon de toren van de Sint Bavokathedraal. Daarvoor strekken zich bleekvelden uit en wat kleine boerderijtjes, tegen het duin geplakt. Het zonlicht breekt door en strooit vlekken over de lan-derijen. Wat op het schilderij vooral imponeert, zijn de typisch Hollandse luchten, blauwe spots afgewisseld met dreigende wolken, beurtelings in grijs en wit.

    Het is dit schilderij, in bezit van het Rijksmuseum, dat de Spaanse architect Juan Navarro Baldeweg, inspi-reerde bij zijn ontwerp voor het hoofdkantoor van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in Amersfoort. De wolkenluchten dienden zich in zijn fantasie te weerspiegelen in een onweerstaanbaar schuine glazen gevel, zodat het glas niet alleen transparantie brengt in het gebouw maar zich tegelijk laat beschouwen als een projectiedoek. Amersfoort en het 18e eeuwse schilderij keren terug in een volledig nieuw gebouw. Omdat het silhouet dat Ruisdael schilderde in het moderne Neder-land niet meer vatbaar is voor herhaling, is dit vermoe-delijk de beste oplossing: een architect dient in deze tijd nederig te zijn. De skyline van Amersfoort wordt nu eenmaal al eeuwen beheerst door de Sint Jan, waar de afgelopen jaren kantoortorens rondom het station zijn bijgekomen. Een nieuwe toren was in dit stedelijk geweld niet op zijn plaats geweest.

    En zo kan het zijn dat het nieuwe gebouw zich pas in tweede instantie aan de passant openbaart, of die nu in de trein zit of toevallig door het Zocherplantsoen kuiert. Maar dan staat hij oog in oog met een spektakel-stuk, een symbool van het moderne Amersfoort bijna, dat al eens is vergeleken met het Guggenheimmuseum van Frank Gehry in Bilbao. Omdat bovendien Kunsthal KAdE in het complex is gevestigd is er alle reden toe het gebouw binnen te gaan, en anders lokt wel de verblin-dende bibliotheek. Dat de straatklinkers van het plein doorlopen in de hal, helpt mee bij de toegankelijkheid. Het heeft een tijd geduurd, maar dan heb je ook wat, is een clich-uitspraak die op het gebouw van Navarro Baldeweg van toepassing is. Het kwam al voor in de architectuurnota van 2000 toen er werd gerept van een groot project waarin twee rijksdiensten onderdak zouden moeten krijgen, diensten die zich bezig hielden met Monumentenzorg en Bodemonderzoek. Van een fusie was nog geen sprake, wel van living apart toge-Tekst: Jaap Huisman

    Een uitvinding in Amersfoort

    Jacob van Ruisdael, uit de collectie van

    het Rijksmuseum.

  • 4 stedenbouw monumenten kunst architectuur architectuurbeleid

    ther. Jaren van rekenen, tekenen, onderhandelen en innovatief onderzoek hebben geleid tot een gebouw dat met recht een uitvinding genoemd kan worden. De Rijksgebouwendienst als opdrachtgever heeft de laatste snufjes toegepast, niet uit vormwil maar uit noodzaak. Het moest een duurzaam gebouw worden met een lage energieprestatienorm en het moest bestand zijn tegen de schokken van het voorbijrazende treinverkeer (vandaar een fundering op rubberen klos-sen). Bovendien moest het twee verschillende diensten aan elkaar koppelen die tot dusver vanuit twee vestigin-gen opereerden. De schuine gevel, tenslotte, was een constructie waarmee de aannemer geen ervaring had, sterker zelfs zon pui was in Nederland of in Europa nog niet vertoond.

    Architectuur is in het geval van het Rijksdienstgebouw niet alleen een synergie van esthetiek en constructie maar ook van functie, symboliek en betekenis. Navarros ontwerp voegt een substantieel gebouw toe aan de historische stad en zou daarom een voorbeeld van de vooruitgang genoemd kunnen worden. De architect mag dan terugkijken naar een schilderij van Ruisdael, hij geeft er een driedimensionale interpretatie aan. Hij zet met een meesterwerk uit de Gouden Eeuw een stap vooruit in de 21e eeuw. Zo kunnen geschiedenis en tra-ditie ook worden opgevat, niet als een blok aan het been maar als bron van inspiratie.

    Dat de totstandkoming langer heeft geduurd dan menigeen heeft verwacht, is nu niet meer zo bezwaar-lijk. Het is het eindresultaat dat telt, wordt vaak gezegd, en dat is in Amersfoort zeker het geval. Liever een gebouw dat blijft intrigeren en dat functioneert, dan een gril die door de waan van de dag is getekend. Als iets een blijk van duurzaamheid is, is het wel dit complex.

    Bovendien symboliseert het gebouw de modernise-ring van de monumentenzorg en de archeologie die in 2009 gestalte krijgt. De accenten liggen daarbij op herbestemming van complexen, op de context en dus op het gebruik, meer dan op conservering en behoud. Zon nieuwe koers wordt zichtbaar in Amersfoort in een gebouw dat terugkijkt en vooruitblikt, typisch het aspect waar het cultureel erfgoed bij gebaat is.

  • De Spaanse schilder, beeldhouwer en architect Juan Navarro Baldeweg heeft een uiterst potische kijk op architectuur. Centraal in zijn ontwerpen staat de zintuiglijke ervaring van licht, ruimte en materiaal. Inspiratie voor het ensceneren van de wijze waarop zijn gebouwen door de gebruikers worden ervaren put Navarro Baldeweg vaak uit schilderijen van anderen. In het geval van de nieuwbouw voor de Rijksdienst voor het Cultureel Erf-goed was het 17de eeuwse Gezicht op Haarlem van Jacob van Ruisdael voor hem een belangrijke inspiratiebron.

    Tekst: Egbert Koster Fotografie: Rob Hoekstra

    rijksdienst voor het cultureel erfgoed

    de architect

    Architect Juan Navarro Baldeweg wil tactuele en visuele kwaliteiten uitbuiten:

    Je moet ideen scherp aanzetten om een gebouw karakter te geven

    architectuur 5

    Het nieuwe onderkomen van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed ligt aan de rand van het historische centrum van Amersfoort, vlak naast de Eem en de monumentale Koppel poort. De entreezijde van het gebouw, aan een klein parkje op het voormalige bolwerk, oogt als een glinsterende waterval van golvend glas. De andere kant heeft een veel harder en rechtlijniger karakter. Dit heeft te maken met het feit dat hier pal langs het gebouw een van de drukst bereden spoorlijnen van Nederland loopt.

    De expressieve architectuur van het gebouw onttrekt zich aan het bekende vormenrepertoire van de belangrijkste hedendaagse archi-tectuurstijlen. Juan Navarro Balde-weg (1939) is geen ster-architect die bekendheid geniet bij het grote publiek. In vakkringen ondervindt zijn ongebruikelijke, potische manier van werken daarentegen steeds meer erkenning. Al draagt het feit dat de weinige gebouwen die Navarro Baldeweg heeft gerealiseerd vrijwel allemaal in Spanje staan, niet

    >>

    Juan Navarro Baldeweg

  • 6 stedenbouw monumenten kunst architectuurbeleid

    echt bij aan zijn bekendheid in het buitenland.Kenmerkend voor zijn architectuur is de grote aandacht voor de wijze waarop de gebruikers licht, ruimte en materiaal ervaren. Hoe het dag-licht binnenvalt, wordt gefilterd, en tot leven komt door schaduwen en reflecties. Hoe men de zorgvuldig gensceneerde opeenvolgingen van verschillende ruimten beleeft. En hoe de verschillende materialen van constructie en afwerking letterlijk en figuurlijk aanvoelen. Daarbij is Navarro Baldeweg een perfectionist. De ruimtelijke, visuele en tactiele kwaliteiten van een gebouw komen naar zijn mening pas goed tot hun recht als het oog van de

    beschouwer nergens blijft hangen aan een slecht uitgevoerd detail. Van monumentaliteit en symmetrie moet hij niets hebben. Geboren en getogen in het Spanje van Franco heeft hij duidelijk meer affiniteit met de pro-gressieve architectuuropvattingen van Nederlandse generatiegenoten als Herman Hertzberger en Aldo van Eyck (menselijke maat, openheid en transparantie, continuteit tussen binnen en buiten) dan met de regres-sieve, formele vormtaal van het post-modernisme.

    bostonBehalve architect is Navarro Balde weg ook professioneel en succesvol schilder en beeldhouwer. Eerst volgde

    hij een opleiding aan de kunst-academie. Daarna studeerde hij architectuur in Madrid en was hij als onderzoeker verbonden aan het befaamde Center for Advanced Visual Studies van het MIT in Boston. Naast zijn werkzaamheden als architect is hij altijd blijven schilderen en beeld-houwen. De overeenkomst tussen architectuur en beeldende kunst is naar zijn mening dat in beide disi-plines de perceptie van vorm, licht, kleur en ruimte door de gebruiker cq. beschouwer een sleutelrol speelt. Het voordeel van schilderen ten opzichte van bouwen is dat je veel minder afhankelijk van anderen bent, verklaart hij tijdens een rondleiding door de bijna voltooide nieuwbouw

    in Amersfoort. Architectuur is altijd een compromis tussen pozie en pragmatisme. En er zijn veel partijen bij betrokken die allemaal hun eigen inbreng hebben. Schilderen is veel directer. De totstandkoming van de nieuw-bouw voor de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed voelde voor Navarro Baldeweg niettemin toch een beetje als schilderen. In dit geval had ik persoonlijk weinig last van de bemoeienis van anderen doordat de Nederlandse co-architecten van ADP die sores voor hun rekening namen. Ik heb mij bij dit project alleen met het echte ontwerpwerk bezig hoeven te houden en dat was heel erg prettig. Wij hebben gedurende het hele pro-

    architectuur

    De Rijksdienst gezien vanaf de nu nog kale vlakte aan de noordkant van het spoor waar het

    Eemkwartier moet komen.

  • stedenbouw

    de glasgevel hier in Amersfoort. Dat was het begin van het ontwerp.Woensdregt: Doordat de gevel achterover helt lijkt het gebouw bovendien veel lager dan het in werkelijkheid is. In geval van een verticale gevel zou de daklijn immers een stuk verder naar voren hebben gelegen en had het gebouw vanuit de omgeving gezien aanmerkelijk hoger hebben geleken.

    Welke invloed hebben de locatie en omgeving op het ontwerp gehad? Navarro Baldeweg: De grote luifel aan de voorgevel pakt de bouw-hoogte van de Koppelpoort en de historische bebouwing aan de Eemhaven op. Het water van de Eemhaven komt terug in de vijver die

    bood mij gelijk ook de oplossing waar ik voor het project in Amers-foort naar op zoek was. Mijn pro-bleem was om het gevraagde grote nieuwe bouwvolume op een goede manier in te passen in de historische omgeving. Door het fantastische schilderij van Ruisdael kwam ik op het idee om het bouwvolume te dematerialiseren door het een schuine glazen gevel te geven die op fragmentarische wijze de lucht weer-spiegelt. Zodat een soort hybride beeld van gebouw en wolken ont-staat, alsof het gebouw oplost in de lucht. Op het Gezicht op Haarlem staat op de voorgrond, in de deels door de wolken beschaduwde bleek-velden, een huis waarvan het grote dak dezelfde hellingshoek heeft als

    typische Hollandse wolkenlucht dan landschap laat zien en een van de topstukken van het Rijksmuseum is.

    bouwvolumeU bent zowel schilder als architect. Laat u zich voor uw gebouwontwerpen altijd inspireren door schilderijen van anderen? Navarro Baldeweg: Niet altijd maar wel vaak. Schilderijen kunnen voor mij werken als een trigger om de gedachtevorming op gang te bren-gen. Ruisdaels Gezicht op Haarlem toont een archetypisch Hollands landschap met duinen, bleekvelden en een kerk aan de horizon. Toen ik het zag had ik niet alleen het idee dat het iets uitdrukt van het collectief onderbewuste van Nederland maar

    ces van ontwerp en uitvoering, bijna negen jaar lang, als een soort waak-hond van Baldeweg gefungeerd, vult co-architect Wim Woensdregt van ADP Architecten aan. In alle stadia van uitwerking en uitvoering heb ik alle betrokken partijen er voortdu-rend van proberen te doordringen wat Navarro Baldeweg voor ogen stond. Ik heb mij altijd opgesteld als tolk-vertaler van Juan. Voor het ontwerp van de nieuwbouw voor de Rijksdienst voor het Cultu-reel Erfgoed liet de Spanjaard zich inspireren door het 17de eeuwse landschapsschilderij Gezicht op Haarlem van Jacob van Ruisdael*. Een vergezicht op Haarlem vanaf de duinen dat aanmerkelijk meer

    Als schilder ben je veel minder afhankelijk van anderen

    De westelijke punt van het gebouw: hieronder bevinden zich de toegang tot de parkeergarage en op de begane grond het bedrijfsrestaurant.

  • 8 stedenbouw monumenten kunst architectuur architectuurbeleid

    Navarro Baldeweg: Aan de spoor-zijde heeft het gebouw een veel ingetogener karakter dan aan de entreezijde. Dat heeft te maken met de treinen die er vlak langs rijden. Ik denk dat het een mooie oplossing is om daar een vrijwel raamloze, intro-verte ruimte met sacraal bovenlicht te hebben die de treinen letterlijk en figuurlijk op afstand houdt. Vanaf de tweede verdieping hebben de kanto-ren direct zicht naar buiten, over de spoorlijn heen. Woensdregt: Om te voorkomen dat je in het gebouw trillingen van voorbijrijdende treinen voelt staat het hele gebouw op rubberen veren. Je ziet vanuit de kantoren de treinen wel maar je hoort en voelt ze niet.

    hoek. Die reeks van opeenvolgende horizontale ruimten krijgt in het interieur twee keer een verticale dimensie. In de publiekshal door de open roltrappen naar het boven-gelegen atrium. En ter plaatse van de achtergevel in de vorm van een hoge vide met sacraal bovenlicht. Het is de bedoeling dat dit gebouw een veel opener en openbaarder karakter krijgt dan de vorige huisvesting van de twee Rijksdiensten. Dat de biblio-theek op de eerste verdieping als een soort semi-openbaar stadsbalkon met uitzicht op de stad gaat functio-neren. Navarro Baldeweg heeft die openheid heel knap weten te ensceneren.

    binnen heb je vanuit het atrium, over de luifel heen, een veel bredere hori-zon. Als schilder ben ik mij heel sterk bewust van de rol van de horizon in de waarneming. De manier waarop verschillen in hoogte en afstand worden waargenomen.

    schuine hoekWoensdregt: En van de hoofd-themas van het ontwerp is de manier waarop je achtereenvolgens de ruimten van parkje, vijver, luifel, entrees, publiekshal en vergader-ruimten ervaart. Je wordt als bezoe-ker als het ware een beetje naar binnen gezogen. Niet frontaal door een monumentaal entreeportaal maar informeel, onder een schuine

    voor de luifel wordt aangelegd, op de plek waar ooit de singel rondom de stadswallen liep. Op het grijze transformatorgebouw van Ben van Berkel wordt gereageerd met een inspringing in de voorgevel en rode borstweringen van gefigureerd glas waardoor een aparte plek, een soort poort naar het parkje ontstaat. In feite heb ik geprobeerd het gebouw een zodanige gelaagdheid te geven dat het, afhankelijk van de afstand waarop je het waarneemt, een ande-re schaal laat zien. Er is een gebouw voor op afstand en een gebouw voor dichtbij. Hierin speelt de grote luifel een belangrijke rol. Onder de luifel ervaar je de omgeving op de maat en schaal van de Koppelpoort. Eenmaal

    De westkant: de rode stroken werden

    tijdens de bouw vervangen door milieu-

    vriendelijker materiaal.

  • 9 stedenbouw monumenten architectuur kunst architectuurbeleid

    detailniveau begrepen zou worden. ADP was meer georinteerd op de ambachtelijke kwalititeit van details dan de anderen. Beantwoordt het resultaat aan uw verwachtingen? Navarro Baldeweg: Op het gebied van de ambachtelijke kwaliteit van details wordt er door bouwers in Spanje beter werk geleverd maar in grote lijnen ben ik tevreden.Woensdregt: Persoonlijk ben ik op een aantal punten ernstig teleurge-steld. In de afwerking is timmerwerk niet goed of helemaal niet uitge-voerd. Daar lijkt de aannemer tot mijn stomme verbazing mee te kun-nen wegkomen. In de trappenhuizen heeft hij in plaats van esdoornfineer kunststof laminaat toegepast. Dat is erg pijnlijk voor een gebruiker als die bij restauraties van rijksmonumen-ten de kwaliteit en authenticiteit van de toegepaste materialen moeten bewaken. Qua sfeer en uitstraling lag het ambitieniveau hoger dan uiteindelijk is waargemaakt. Dat het niettemin een fantastisch gebouw is pleit voor de vakbekwaamheid en de ontwerpkracht van Navarro Baldeweg.

    zijde zit was het hoogst haalbare.

    Wat was de taakverdeling tussen Baldeweg en ADP Architecten in het ontwerpproces? Woensdregt: Navarro is de ont-werpend architect en ADP is de uitvoerend co-architect. De Rijks-gebouwendienst is onze opdracht-gever, niet Navarro Baldeweg. Dat is voor ons ongebruikelijk. Bij de Nederlandse projecten van Alvaro Siza, Cruz y Ortiz en Lluis Mateo waar wij als co-architect bij betrok-ken zijn of waren, werken wij altijd in opdracht van de desbetreffende architecten. Vanuit onze ervaringen met Siza en Cruz y Ortiz die ADP bij Navarro hebben aanbevolen kostte het geen enkel moeite om hem ervan te overtuigen dat wij zoveel respect voor zijn werk hebben dat hij volledig grip op zijn ontwerp zou houden. Daar heeft geen van de partijen ooit spijt van gehad. Er is nooit een moment van frictie geweest of een onvertogen woord gevallen. Echt heel bijzonder. Wij hebben van begin af aan meegete-kend aan het voorlopig ontwerp om Navarros concept volledig in onze vingers te krijgen. Daarna hebben wij het definitief ontwerp gemaakt waarbij Navarro Baldeweg uiteraard van al onze tekeningen op de hoogte werd gehouden. Bij de overgang van voorlopig ontwerp naar definitief ontwerp speelde ook de fusie van de twee Rijksdiensten. Die zouden aan-vankelijk alleen gaan samenwonen onder n dak maar werden opeens n organisatie. Daardoor werd het programma van eisen opeens een stuk kleiner en kromp het bouw-volume van zon 18.000 m2 naar 14.000 m2. Dat was een leuke maar spannende periode. Even zag het er zelfs naar uit dat het hele project zou worden afgeblazen. Tijdens een gezamenlijke vliegreis naar de ope-ning van de grote Koolhaas-expositie in Berlijn hebben Jo Coenen en toenmalig staatssecretaris Medy van der Laan elkaar toen beloofd dat het gebouw er zou komen.Navarro Baldeweg: Ik heb indertijd zelf gekozen voor samenwerking met ADP Architecten. De Rijks-gebouwendienst had meerdere bureaus geselecteerd die in aanmer-king kwamen voor de samenwerking. Ik wilde dat mijn ontwerp ook op

    Die gestucte plafonds in combinatie met indirecte verlichting door mid-del van uplighters hebben het helaas niet gehaald. Er moesten uiteindelijk zoveel technische installaties in de verlaagde plafonds dat stucwerk niet viel vol te houden.

    kassenVerwijst het verticale golfpatroon in de glasgevel naar de sterk op water en golven genspireerde bouwstijl van de Amsterdamse School?Navarro Baldeweg: Persoonlijk moet ik eerder denken aan Holland-se tuinbouwkassen. De golven in het glas creren een spel van reflecties en laten de weerspiegelingen op een zachte manier vervormen. Ook de reflecties van het zonlicht in het rim-pelende wateroppervlak van de nog aan te leggen vijver zullen bijdragen aan een levendig beeld van licht en schaduw. Architectuur bestaat bij gratie van licht en schaduwen bren-gen licht tot leven. Het idee achter de schuine glasgevel is om het gebouw te dematerialiseren. Om het glas op een bepaalde manier op te laten gaan in de lucht en zelf een beetje hemel te laten worden.Woensdregt: Ook in klimaattech-nisch opzicht is de schuine glasgevel bijzonder. Het is een zogeheten dubbelehuid-gevel met aan de buiten zijde enkelglas en daaronder een brede geventileerde spouw. s Zomers werkt die spouw als een schoorsteen waarin de door de zon opgewarmde lucht vanzelf opstijgt en wordt afgevoerd door ventilatie-kleppen op het dak. s Winters gaan die kleppen dicht en wordt de warme lucht gebruikt voor de verwarming van het gebouw. Overigens was het de bedoeling dat voor de dichte borstweringen die aan de uiteinden van de glasgevel ter hoogte van de verdiepingsvloeren zijn aange-bracht, gefigureerd glas met een laag(je) reflecterend zilver zou worden toegepast. Een soort semi-doorzichtige panelen die een enorme hoeveelheid licht terugkaatsen zon-der dat het irritant spiegelend wordt. Navarro heeft dit type glas ook gebruikt in het onlangs opgeleverde Teatro del Canal in Madrid. Maar bij ons heeft gevelbouwer Permasteelisa de toepassing doelbewust getrai-neerd. Het pyrolitische glas dat nu ook in borstweringen aan de spoor-

    Zijn de keramische leien op de zij- en achtergevels bedoeld als verwijzing naar de stadsmuren die in de nabijheid van het gebouw hebben gestaan? Navarro Baldeweg: Nee, die intentie heb ik nooit gehad. Je kunt in het gebouw wel veel verwijzingen vinden naar traditionele en hedendaagse Nederlandse architectuur en bouw-techniek. Het lijkt misschien gek maar in het begin heb ik erover gedacht om de zij- en achtergevels te bekleden met riet, een mooi tradi-tioneel Nederlands bouwmateriaal. Dat stuitte uiteraard op problemen met onderhoud en brandveiligheid. Op voorstel van Wim Woensdregt hebben we in plaats van riet daarom keramische leien toegepast. Een heel goed alternatief. Die gevelbekleding van leien hangt als een soort jas over het gebouw.

    contrastenU bouwt modern en u schildert abstract. Een rieten gevel zou een wel heel letterlijke en pittoreske verwijzing naar de tijd van Ruisdael zijn. Vanwaar die voorkeur voor zon traditioneel bouwmateriaal?Navarro Baldeweg: Ik hou van scherpe contrasten tussen materia-len, zoals bijvoorbeeld tussen een moderne glasconstructie en een ouderwetse rieten dak- of gevelbe-kleding. Je moet als architect je idee-en scherp aanzetten om een gebouw karakter te geven. Vergelijk het met het maken van een karikatuur van een persoon. Een goede karikatuur geeft de essentie van iemands uiterlijk en karakter weer. Scherpe contrasten maken dat je beter begrijpt waar je naar kijkt. Ik deins er niet voor terug om op het gebied van materiaalgebruik uitersten met elkaar te combineren. Woensdregt: De met hout betim-merde stalen spanten die de glas-gevel dragen verwijzen naar de traditionele sporenkappen van de huizen op het schilderij van Ruis-dael. Niet op een pittoreske manier maar in een sterk geabstraheerde gedaante. Het was de bedoeling om overal in het interieur klassieke materialen toe te passen in een moderne vormgeving. Plafonds van glad stucwerk, strakke houten wand-betimmeringen van esdoornfineer rondom het atrium, en rode bak-steen op de vloer van de publiekshal.

    * Ruisdael met een i De familie van Jacob van Ruisdael heette eigenlijk De Goyer, totdat zijn oom Salomon en zijn vader Isaack hun naam veranderden in Ruysdael. Zij vernoemden zich naar een kasteel in de buurt van hun vaders geboorteplaats Blaricum. Hun neefje Jacob schreef als enige de nieuwe familienaam met een i: Ruisdael. (Bron: Rijksmuseum, Amsterdam)

  • architectuurbeleid

    Met de opening van het nieuwe gebouw wordt ook een nieuwe rol voor de Rijksdienst van het Cultureel Erfgoed onderstreept. Dat is niet langer een betuttelende, wat introverte organisatie maar een dynamisch kennisinstituut dat het verkeer tussen allerlei instellingen, particulieren en overheden gaat stroomlijnen. Uitwisseling van kennis staat voorop. Een profiel van de RCE, voorheen RACM.

    Tekst: Jaap Huisman Fotografie: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en Michiel van Nieuwkerk

    rijksdienst voor het cultureel erfgoed

    profiel

    10 monumenten

    Een nieuwe Rijksdienst, een nieuwe koers

    Pagina 10, van boven naar onder:

    Landgoed Zuylestein

    Dwingelo Radiotelescoop

    Rotterdam Groothandelsgebouw

    Arnhem provinciehuis

    Bloemendaal Erebegraafplaats

  • worden. En dan is er nog het innova-tieprogramma Mooi Nederland dat een kennisnetwerk opbouwt waarbij van de Communities gebruik zal wor-den gemaakt. Het is duidelijk dat de Rijksdienst op deze manier toewerkt naar de rol van medium, waar orga-nisaties en lagere overheden met hun vragen terecht kunnen. De tijd dat Monumentenzorg betrekkelijk dwingend voorschrijft wat wel en niet kan, is voorbij er wordt in de nieuwe organisatie meer vertrouwd op de goede wil en expertise bij gemeenten en provincies. Het gaat er nu om faciliteiten te verstrekken, en adviezen in te dienen op momen-ten en over objecten, zoals dat uit-komt.

    Beheer en behoud hebben hun vruchten afgeworpen in de afgelo-pen decennia waardoor er een impo-sante lijst van rijksmonumenten is aangelegd, in de nieuwe eeuw blijven die aspecten wel belangrijk en is er bijvoorbeeld ook nog steeds een rol weggelegd voor ambachtslieden en ambachtelijke expertise. Maar de rol van de Rijksdienst zelf is beslist anders: dat is een kruispunt van ken-nis in een markant complex op een centrale plaats in Nederland.

    beschermen objecten groeit maar belangrijker nog, het besef toe-neemt dat steden slechter af zijn met sloop van markante gebouwen dan met herbestemming. Dat besef gaat samen met het duurzaam-heidsbeleid van de rijksoverheid. Herbestemming staan dan ook niet voor niets genoemd als een van de speerpunten in de nota Een Cultuur van Ontwerpen.

    commercieelDaarnaast is er een andere ontwik-keling. De afgelopen jaren zijn monumentenzorg en archeologie steeds meer in handen gegeven van commerciele partners, zoals ontwik-kelaars en restauratiebureas. Ook zij maken nu deel uit van een kenniske-ten die ontsloten moet worden; het gebeurt allemaal in het epicentrum te Amersfoort. Cruciaal in dat cen-trum zijn dan ook een auditorium en documentatiecentrum waar de ken-nis uitgewisseld en opgeslagen ligt. En makkelijk ontsloten kan worden. Een ondersteunende rol is weg-gelegd voor Erfgoed Nederland dat als sectorinstituut, in Amsterdam gevestigd, zorg draagt voor educa-tie, opinievorming en reflectie. Dat instituut legt contacten met musea, archieven en bibliotheken. Samenwerking is het motto van de nieuwe Rijksdienst, met de private organisaties maar ook met rijksdien-sten die monumentale panden bezit-ten zoals de Rijksgebouwendienst en Rijkswaterstaat. Omdat schotjes tussen ministeries in deze kabinets-periode zijn opgeheven, zal de Rijks-dienst voor het Cultureel Erfgoed zich ook meer roeren op de terreinen van Defensie, LNV, VROM, de Dienst Landelijk Gebied en Staatsbosbe-heer. Dat betekent dat de dienst meer naar buiten gericht zal zijn transparant heet dat tegenwoordig en minder op zijn kennis zal zit-ten. Het is juist het werkbaar maken van die kennis die de dynamiek moet gaan opleveren, digitaal met de web-site Kennis Infrastructuur Cultuur Historie. Die moet toegankelijk gaan worden voor professionele en parti-culiere gebruikers. Een bijzondere toepassing in het digitaal verkeer zijn de zogenaamde communities of practice die zich bezig houden met specifieke aspecten van de monumentenzorg, waarvoor themabijeenkomsten gehouden

    het (maatschappelijk en cultureel) verleden. En er wordt nagedacht over herbestemming en herontwikkeling, niet letterlijk in de stijl van een com-plex maar meer in de geest van een complex. Geen detailwerk maar een overall-benadering. Bij die geest past de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed die niet als een kip op een collectie gouderen eieren zit te broe-den maar kennis verzamelt en door-speelt. De zorg voor het cultureel erfgoed is een taak van de overheid in dit geval draagt het ministerie van OCW een overkoepelende ver-antwoordelijheid. Eerder genoemde private instellingen hebben hun nut bewezen als antenne, als actiegroep of als pleitbezorger.

    bloedgroepenUiteenlopende bloedgroepen moesten hun eigen domein prijsge-ven in het kader van een integraal erfgoedbeleid omdat dat de beste garantie zou zijn voor behoud en ontwikkeling in een overvol land als Nederland. Daarvoor werden twee historische behuizingen opgegeven, het klooster van de Broedergemeen-schap in Zeist (onder de rook van het slot Zeist) met zijn eindeloze lichtgroen geschilderde gangen en het structuralistisch complex in het hart van Amersfoort, nog eind jaren tachtig gebouwd naar een ontwerp van Abel Cahen, met een prachtige spinnenwebachtige koepel in het atrium. Het eerste was gehuurd, het tweede was bezit van de Rijksge-bouwendienst die het onlangs heeft afgestoten. Een nieuw leven is begonnen aan het Smallepad in een overrompelend complex van de Spaanse architect Navarro Baldeweg. Dat nieuwe leven wordt niet alleen gevoed door de nieuwbouw maar ook door de modernisering van de monumen-tenzorg die op een andere manier te werk gaat. Kennisuitwisseling, erva-ring en expertise zijn de pijlers onder het beleid, omdat gebleken is dat het terrein versnipperd was, dat vraag en aanbod van kennis slecht op elkaar waren afgestemd en banden met het onderwijs nagenoeg ontbraken. Restauratie bijvoorbeeld was lange tijd geen vak aan de TU Delft; in die lacune is inmiddels voorzien met een leerstoel herontwikkeling. Het zal een steeds belangrijkere opgave gaan worden, omdat het aantal te

    Geen terrein dat zo versnipperd lijkt als de Monumentenzorg in Nederland. Het terrein laat een bont spelersveld zien, van parti-culiere eigenaren die zich inzetten voor hun eigen (rijks)monument tot instellingen en stichtingen die ijveren voor een speciaal object. De Kastelenstichting, Heemschut, de Molenstichting zijn bekende orga-nisaties, waar in de loop der jaren ook allerlei verenigingen of fondsen zijn bijgekomen die aandacht vragen voor industrieel erfgoed, een bij-zonder pand of gewoon historische informatie verzamelen. Het is teke-nend voor de belangstelling waarin de geschiedenis van Nederland zich mag verheugen, dat momenteel culmineert in de discussie over de inhoud en plaats van het Nationaal Historisch Museum.

    In een land waar elke meter ontwor-pen danwel bebouwd wordt, staat die geschiedenis onder druk. Misschien verklaart dat de ijver van al deze instel-lingen en genootschappen. In de afge-lopen jaren zijn speciale objecten in de etalage gezet, met als meest preg-nante voorbeelden de boerderij en de kerk, omdat juist die twee types in een moordend tempo uit het (stedelijk) landschap dreigen te verdwijnen. Per dag sluiten twee boeren hun bedrijf en minstens zo snel gaat het met kerken, kloosters en ander religieus erfgoed omdat de grote fusie in de religieuze wereld gepaard gaat met ontker-kelijking. Er zijn al veel markante kerkgebouwen uit het straatbeeld verdwenen. Anders is het gesteld met voormalige fabrieksgebouwen en terreinen, die alleen al vanwege hun omvang en sociaal-economische betekenis rijp zijn voor herbestem-ming. Wat kunnen we ermee, en hoe behouden we ze?

    Wie deze problematiek bij elkaar ziet, kan niet anders concluderen dan dat de klassieke monumenten-zorg en archeologie geen passende antwoorden geven op hedendaagse vraagstukken. Er is in de afgelopen decennia veel werk gemaakt van restauratie van woonhuismonu-menten en andere belangwek-kende historische gebouwen, bij de moderniseringsslag wordt een andere koers ingeslagen. Objec-ten worden in hun context gezien, waarbij ze een verhaal vertellen over

  • stedenbouw monumenten kunst architectuurbeleid

    Het gebouw staat vervaarlijk dicht langs de spoorbaan. Met 28 reizigers treinen per uur en een flink aantal passerende goederentreinen is het ook nog eens een van de druk-ste trajecten van Nederland. Zon-der extra maatregelen zouden die treinen het gebouw letterlijk op zijn grondvesten doen schudden. Het werken in het gebouw zou dan niet bepaald aangenaam zijn. Almaar rammelende koffiekopjes gaan een mens op den duur op de zenuwen werken. Voor het laboratorium zijn trillingen zelfs funest. Dat geldt zeker voor het dendrochronologisch onderzoek: het dateren van hout aan de hand van jaarringen, met metingen die tot op

    een honderdste millimeter nauw-keurig moeten zijn. Alleen al om die reden moesten de trillingen van de treinen worden teruggebracht, tot dicht bij de ideale waarde van nul.Een combinatie van voorzieningen moet helpen dit doel te bereiken. Het spectaculairst zijn de rubberen blokken waar het gebouw op rust. De blokken onder de gevels en de kolommen bevinden zich vlak onder het plafond van de parkeerkelder. De twee kernen van het gebouw steken door de parkeerkelder heen; zij rus-ten dan ook op lager aangebracht rubberen blokken, ter hoogte van de vloer van de parkeerkelder. Hierdoor bestaat het gebouw eigenlijk uit twee delen, de onder-

    bouw met de parkeerkelder en de bovenbouw, die onafhankelijk van elkaar kunnen bewegen. Trillingen die wel te voelen zijn in de parkeer-kelder, dringen nauwelijks door in de afgeveerde opbouw. Er was enig rekenwerk voor nodig om het aantal benodigde blokken vast te stellen.

    Gedurende de bouw moet immers rekening worden gehouden met het indrukken van de blokken door het toenemende gewicht. Om dit indruk-ken te compenseren is de vloer van de beganegrond in eerste instantie twee centimeter hoger aangebracht. Het zou eenvoudiger zijn geweest

    Het nieuwe gebouw van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed valt vooral op door zijn adem-benemende architectuur. Maar ook in technisch opzicht is het bijzonder. Een team van adviseurs heeft oplossingen gevonden voor een reeks lastige opgaven. Om te beginnen waren maatregelen nodig om de trillingen tegen te gaan die worden veroorzaakt door langsrijdende treinen. Een ander probleem was de warmtebelasting op de golvende glazen gevel, waar een groot deel van de dag de zon op staat. Hoe te voorkomen dat het in het atrium achter die gevel te warm wordt?

    rijksdienst voor het cultureel erfgoed

    technische innovatie

    Locatie vroeg om innovatieve ingrepen

    Tekst: Olof Koekebakker Fotografie: Rob Hoekstra en Janine Schrijver

    Trillingvrij dankzij rubberen blokken en kunststof ballen

    12 architectuur

  • 13 architectuur kunst architectuurbeleid

    als voorgespannen rubberen blokken zouden zijn gebruikt. Die worden tijdens de bouw niet verder ingedrukt en hebben als bijkomend voordeel dat ze eenvoudiger te ver-vangen zijn. Maar deze voordelen wogen niet op tegen de hoge kosten.

    constructieDe tweede maatregel om het tril-lingsgedrag te verbeteren is het stijver maken van de constructie. Dikkere vloeren zijn daartoe een effectieve manier. Alleen heeft zon dikke vloer wel een keerzijde: het benodigde materiaal en daarmee ook het gewicht nemen er flink door toe. Die nadelen konden worden ont-lopen door in de vloeren met lucht

    gevulde kunststof ballen mee te storten. De ballen bevinden zich tussen de prefab wapening die is aangebracht boven de standaard breedplaatvloer die als ondervloer dient. Lucht in plaats van beton: het zorgt voor een aanzienlijke reductie in gewicht en materiaal, terwijl de stijfheid van een dikke vloer er nauwelijks door wordt aangetast. In normale omstandigheden garan-deert de combinatie van rubberen blokken en met luchtballen gevulde extra dikke vloeren een vrijwel tril-lingvrij gebouw. Toch werd voor het laboratorium, waar zoals gezegd met grote nauwkeurigheid wordt gemeten, nog een derde voorziening nodig geacht. De metingen worden

    Trillingvrij dankzij rubberen blokken en kunststof ballen

    De rubberen klossen onder de kolommen in de parkeergarage

    De enorme glazen gevel is een zogeheten

    dubbelehuidgevel die de zonnewarmte

    tempert.

  • 14 stedenbouw monumenten kunst architectuur architectuurbeleid

    uitgevoerd op speciale tafels met afgeveerde blokken natuursteen, die voor een werkvlak zorgen waar-van de trillingsgevoeligheid tot vrij-wel nul is gereduceerd.

    klimaatEen opgave van een andere orde betrof de klimaatbeheersing. Uit een oogpunt van duurzaamheid werd besloten het gebouw zo veel mogelijk natuurlijk te ventileren. Dat spaart energie en is gunstig voor de luchtkwaliteit. Ook moest een oplossing worden gevonden voor wat zo ongeveer de essentie van het architectonisch concept is: de gol-vende glazen gevel met daarachter het atrium. Die gevel richt zich op de binnenstad, dat wil zeggen op het zuidoosten, wat een flinke warmte-belasting van de zon met zich mee-brengt. De vraag was hoe de warmte uit het gebouw kon worden geweerd, zonder dat dit ten koste zou gaan van de transparantie van de gevel. Uiteindelijk viel de keuze op een con-cept dat kan worden aangeduid als een dubbelehuid-gevel. Het lijkt op het eerste gezicht op een klimaatge-vel, maar er is een wezenlijk verschil. Bij een klimaatgevel wordt de lucht in de spouw actief afgezogen, wat een energieverbruikende installatie vereist. De dubbelehuid-gevel doet zijn werk onder normale omstandig-heden zonder extra installaties. Als aan de bovenzijde van de gevel de kleppen worden opengezet, veroor-zaakt de schoorsteenwerking vol-doende trek om de circulatie van de opgewarmde lucht in stand te hou-den. Zo wordt de overtollige warmte op een natuurlijke manier afgevoerd.Ook de stalen looproosters voor de glazenwassers die tussen de twee huiden zijn aangebracht dragen bij aan de trek. Via het staal van de roosters warmt de zon de lucht op, waardoor een opwaarts gerichte luchtstroom nog eens extra wordt bevorderd.

    ventilatieDe dubbelehuid-gevel is tegelijk een onderdeel van het systeem van lucht-verversing. Nadat was vastgesteld dat de buitenlucht aan de stadszijde van voldoende kwaliteit was, werd een concept ontwikkeld waarbij de buitenlucht die aan de onderzijde van de dubbelehuid-gevel binnen-

    komt, via elektronisch gestuurde kleppen in het atrium kan worden gevoerd. Het atrium functioneert zo als de long van het gebouw. Een aantal kleine ventilatoren voert de verbruikte lucht aan de andere kant van het gebouw weer af. Dit, in com-binatie met de onderdruk die wordt veroorzaakt door de luchtafzuiging in de kantoren, is vervolgens toerei-kend voor een drievoudige ventilatie wat zoveel wil zeggen dat de lucht in het gebouw driemaal per uur wordt ververst. Overigens is dit systeem van natuur-lijke ventilatie alleen effectief als de omstandigheden dat toelaten. Vaak is de buitenlucht te koud of te warm en moet de lucht met een conventi-onele installatie op het dak worden ingelaten en verwarmd of gekoeld. Er is berekend dat deze installatie voor dertig procent van de tijd buiten bedrijf kan blijven. Het is, kortom, een hybride ventilatiesysteem waarmee wordt bespaard op het energieverbruik.

    phase change materialBij de klimaatbeheersing zijn meer geavanceerde technieken toegepast, ook al zijn die ondertussen niet meer zo uniek. Dat geldt onder meer voor de koude- en warmteopslag diep in de bodem die zo langzamerhand standaard lijkt te zijn bij nieuwe rijksgebouwen. Het blijft opzienba-rend dat de warmte van de zomer-maanden kan worden bewaard om s winters het gebouw te helpen ver-warmen en omgekeerd. Daarentegen is een zeldzame toe-passing het Phase Change Material (PCM) dat is aangebracht boven de metalen plafonds van de galerijen die grenzen aan het atrium. De cruciale eigenschap van PCM is dat het smeltpunt in de buurt van de gewenste maximum temperatuur ligt. Omdat smelten energie kost neemt het materiaal bij het bereiken van die temperatuur de overtollige warmte op, waardoor die tempera-tuur in eerste instantie niet verder oploopt. Als het atrium s avonds en s nachts weer afkoelt, stolt het PCM. Zo wordt de energie die overdag is opgenomen, weer als warmte aan de lucht teruggeven en afgevoerd. Bij al deze geavanceerde techni-sche oplossingen speelt integratie een belangrijke rol. Er is dan ook

    intensief samengewerkt tussen de adviseurs van de verschillende dis-ciplines: Frans van Herwijnen (ABT) voor de constructies, Jan Andries Boon (HE Adviseurs) voor de instal-latietechniek en Paul van Bergen (DGMR) voor de bouwfysica. Archi-tect Wim Woensdregt cordineerde het geheel. Woensdregt trad met zijn bureau ADP op als het Nederlandse bruggenhoofd van architect Juan Navarro Baldeweg.

    architectuur

  • 15 stedenbouw monumenten architectuur kunst architectuurbeleid

    De harde cijfers over het Nederlands erfgoed

    rijksdienst voor het cultureel erfgoed

    boek

    Wat is erfgoed? De vraag komt terecht aan de orde in de het Cul-tureel Erfgoed 2009 die de kersverse Rijksdienst voor het Erfgoedbalans heeft uitgebracht. Het begrip is altijd aan verandering onderhevig geweest: het kan opgevat worden als erfgoed in religieuze zin (iets wat God aan de mensen heeft toevertrouwd), maar ook letterlijke, erfrechtelijke zin (de nalatenschap). Tegenwoordig wordt het hoofdzakelijk in de culturele sfeer gehanteerd als dat wat ons is overgeleverd door onze voorou-ders. Het begrip is daarmee breder dan monument, en omvat het ook archeologisch en gebouwd erfgoed (het Engelse begip heritage), alsmede het museale en archivalisch erfgoed. Daarnaast rekent men er tegenwoor-dig ook immaterile zaken onder, zoals instrumenten, artefacten, ruim-tes en voorwerpen. En niet in de laatste plaats landschappen.

    Hoe gaan we met ons erfgoed om? In een tijdperk van globalisering maar ook van lokaliserende tendensen lijkt het belang van erfgoed sterker te worden, dat vraagt om verschillende methodes van conservering. Want erf-goed kan bijdragen aan identiteitsvor-ming en gevoelens van continuiteit in een samenleving. Dat staat vaak op gespannen voet met ontwikkelingen, zeker in een dichtbebouwd land als Nederland. Waar zet je windturbines neer, zonder dat die conflicteren met een eeuwenoud cultuurlandschap? Hoe behoud je boerderijen als de boer zijn bedrijf heeft gesloten? Wanneer

    krijgen archeologen een kans onder-zoek te verrichten als de druk van ont-grondingen voor zand en grind groot is, om maar te zwijgen van de bouw van woonwijken, spoorwegen en snelwegen. In het Verdrag van Malta uit 1992 is vastgelegd dat het stre-ven naar behoud van archeologisch materiaal in de bodem voorop moet staan. Als dat niet mogelijk is, betaalt de verstoorder van de archeologische waarden het onderzoek daarvan.

    De Erfgoedbalans is een prachtboek als het gaat om cijfers en grafieken. Hoeveel archeologische vindplaatsen zijn er in Nederland? Antwoord: er zijn 13 duizend terreinen genven-tariseerd, waarvan veertien procent wettelijk beschermd zijn. Scheeps-wrakken zijn er ook, drie hebben de wettelijk beschermde status. De meeste archeologische vindplaatsen bevinden zich in Noord-Holland, op de voet gevolgd door Friesland en Gelderland. Nog zon interessant gegeven, uit de balans geplukt: de late middeleeuwen en de nieuwe tijd zijn het sterktst vertegenwoordigd, de steentijd (en dan vooral het paleo-lithicum) het minst, en dat is opmer-kelijk als je bedenkt dat deze periode in Nederland 300 duizend jaar heeft geduurd.

    Nederland kent 208 plaatsen met stadsrecht naast 26 plaatsen met een andere vorm van stedelijk recht, ook een leuke wetenswaardigheid. De meeste steden zijn voor 1500 ontstaan, de oudste merendeels in

    het midden van Nederland gesitu-eerd. In 2004 zijn er twintig nationale landschappen aangewezen, waarvan de bekendste de Veluwe, het Groene Hart en Zuidwest-Friesland zijn. De landschappen kenmerken zich door een specifieke samenhang tussen landschap, natuur, grondgebruik, relif en bebouwing. Op de Wereld-erfgoedlijst van de Unesco staan zes monumenten, van de Beemster tot het Woudagemaal bij Lemmer. Op het ogenblik wordt gewerkt aan een uit-breiding van de lijst waarvoor onder andere de Amsterdamse grachtengor-del en Veenhuizen zijn voorgedragen.

    Dan het gebouwde erfgoed. Er zijn de afgelopen dertig jaar 61 duizend rijksmonumenten aangewezen en 40 duizend gemeentelijke monumenten. Veruit het meeste (32.980) zijn woon-huizen, op grote afstand gevolgd door agrarische gebouwen. De meeste rijksmonumenten staan in Noord- en Zuid-Holland, de minste uiteraard in Flevoland. Sommige provincies zijn met een inhaalslag bezig: zo heb-ben Gelderland en Noord-Brabant het aantal gemeentelijke monumen-ten opgeschroefd, hetgeen panden betreft die van belang zijn om hun schoonheid of betekenis voor de loka-le geschiedenis. Hierbij kan gedacht worden aan oude fabriekscomplexen, scholen, kloosters en kerken.

    Actueel is de inventarisatie van de objecten uit de wederopbouwperiode. Er zijn nu 5214 objecten opgenomen in de databank voor die tijd, voor-

    namelijk objecten met als functie cultuur, wetenschap en gezondheid. Religieuze gebouwen zijn een goede tweede. Opvallend is dat het aantal woningen en woningbouwcomplexen laag is, vergeleken met het aantal dat reeds van rijkswege beschermd is. Van de 5214 objecten zijn er honderd toppers geselecteerd om in aanmer-king te komen voor rijksbescherming. Dat gebeurt formeel in de loop van dit jaar. Opnieuw zijn trouwens de pro-vincies Noord- en Zuid-Holland het best vertegenwoordigd, samen met Brabant en Gelderland dit keer.

    Tot slot stelt de Erfgoedbalans vast dat het einde van de groei van het aantal monumenten in zicht komt: er worden daadwerkelijk monumenten van de lijst afgevoerd. Anderzijds wordt invulling gegeven aan de modernisering van de monumen-tenzorg waarbij behoud meer wordt verbonden met vernieuwing. Daarbij let men ook sterk op de relatie met de omgeving.

    Het is een boek dat geen plekje uit het Nederlands cultuurlandschap lijkt over te slaan, van de groene monumenten tot het beschermde stads- of dorpsgezicht, van de nieuwe onderzoekstechnologie tot de staat van de restauratie. In dat opzicht is het de passende verantwoording bij de opening van het nieuwe gebouw. De balans van 2009 zal de eerste van een reeks zijn.

    Tekst: Jaap Huisman

  • stedenbouw monumenten kunst architectuur architectuurbeleid16

  • 17 stedenbouw kunst architectuurbeleid

    Cees van t Veen is sinds 1 januari directeur van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. De dienst betrekt een nieuw spectaculair pand in Amersfoort en heeft een nieuwe naam aangenomen. Het wordt een kennis instituut dat wil meedenken en meedoen om de cultuurhistorische waarden van Nederland te bescher-men en te ontwikkelen.

    Wat stel je jezelf ten doel met dit nieuwe gebouw en een nieuwe naam voor de organisatie? Ik wil de professionals die hier werken, de ruimte, verantwoorde-lijkheid en vertrouwen geven. En de koers uitzetten. Die luidt dat we het kenniscentrum zijn op het gebied van archeologie, monumenten en cultuurlandschap en dat we die kennis inzetten om wetten uit te voeren en regels op deze terreinen toe te passen. De Monumentenwet, ook die voor de archeologische monumentenzorg op basis van het Verdrag van Malta, en de ruimtelijke ordening zijn de belangrijkste kaders waarbinnen we werken. Bij de vorm-geving van Nederland brengen we de cultuurhistorische waarden in als inspiratiebron.

    In hoeverre moeten jullie zelf het voor-touw nemen bij de modernisering van de monumentenzorg? En hoe ziet die modernisering er dan uit? Er zijn twee belangrijke bewegin-gen aan de gang. We gaan meer van object- naar omgeving gericht, en van behoud naar ontwikkeling. Dat zijn twee dominante gedachtenlij-nen die het uitgangspunt vormen voor het nieuwe monumentenbe-leid. Je kunt stellen dat de meeste monumenten van nationaal belang inmiddels wel zijn aangewezen. Daar komt weinig meer bij, behalve de wederopbouw en de jonge monu-menten. Nu moeten we meer kijken naar de omgeving, hoe objecten in hun omgeving staan, of die ook qua intrinsieke betekenis overeind blijven. Voorkomen dat er geen rare

    ongepaste zaken naast gebouwd worden, zodat ze uit hun context gerukt worden. Bij van behoud naar ontwikkeling moet je denken aan nieuwe gebruiks- en toepassingsmo-gelijkheden voor die monumenten die niet meer hun oorspronkelijke functie hebben. Herbestemming van leegstaande historische gebouwen is binnen de modernisering van de monumentenzorg een speerpunt. Je gaat dan meer richting de ruimte-lijke ordening, naar de stedenbouw-kundige kant. Ja, wij bewegen ons die richting ook op, naar ruimtelijke ordening, archi-tectuur en vormgeving. Dat betekent heel veel voor onze dienst omdat we met een andere attitude in het veld rondlopen. Wat we verlaten is onze

    rijksdienst voor het cultureel erfgoed

    interview

    Cees van t Veen over de nieuwe rol van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed:

    We worden een kenniscentrum

    Tekst: Jaap HuismanFotografie: Levien Willemse

    monumenten architectuur

  • klassieke machtspositie dat we als Bromsnor met de monumentenwet in de hand aangaven wat wel of niet mag. Een aantal verantwoordelijkhe-den op het terrein van de cultuurhis-torie zijn gedelegeerd naar andere overheden. Wij, als Rijksdienst, gaan nu naar een houding dat we vanaf het eerste moment vanuit expertise en ervaring willen meedenken over ontwikkelingsmogelijkheden. We kunnen ook referentiebeelden aan-reiken. De essentie is dat cultuurhis-torische waarden inspireren bij het verder vormgeven van Nederland.

    Betekent dat medewerkers moeten worden omgeschoold? Ja, de beweging van de organisatie is van macht naar gezag, dat we gevraagd en ongevraagd meedenken en participeren. Dat kan alleen door de kennis die je hebt, ruim beschik-baar te stellen aan andere partijen en door inspirerende ideen aan te dra-gen. Dat vraagt van de medewerkers andere competenties.

    mensenhanden

    Jullie hadden archeologie en monu-menten daar is cultuurlandschap bijge-komen, dat is een nieuwe tak aan het terrein. Hoe staat die ervoor? Cultuurlandschap is ook door men-senhanden gevormd en gebouwd. Het is iets dat nog in ontwikkeling is, het is een wijder begrip, meer con-textueel. Samen met de andere part-ners in het veld, zoals de ministeries van VROM en LNV, formuleren wij het beleid om ook deze historische waarden te beschermen.

    Nu jullie een nieuwe naam hebben aangenomen, veranderen daardoor ook de prioriteiten?Dat we een kennisinstituut zijn, komt goed tot uitdrukking in ons nieuwe gebouw. Een kantoorpaleis is het. De begane grond en de eer-

    ste verdieping zijn vrij toegankelijk voor het publiek; die 1e verdieping met een unieke bibliotheek op onze vakgebieden kun je een burgerzaal noemen, vergelijkbaar met ooit het stadhuis op de Dam.

    Trekken de deskundigen daardoor min-der de wijken of het veld in? Je houdt wel dat mensen naar buiten moeten gaan, juist om die commu-nicatie tot stand te brengen, en om vanaf het eerste begin mee te doen met de ontwikkelingsmogelijkheden, maar er wordt tegenwoordig anders gecommuniceerd. Veel kan digitaal.

    Voor wie is dat kennisinstituut bedoeld? Voor alle participanten in erfgoed-land, zoals particuliere organisaties, andere overheden, het sectorinsti-tuut Erfgoed Nederland. Wij zijn de onmisbare schakel in die kennis over het onroerend erfgoed. We maken kennis en importeren de kennis die elders aanwezig is in het land en exporteren die weer naar plekken waar het nodig of wenselijk is.

    Hoe weet je die kennis aan te boren? Bestaat die gevoeligheid al bij al die organisaties? Nee, die is onvoldoende ontwikkeld. Daar wil ik een boost, een impuls aangeven, zodat die kennisover-dracht over het cultureel erfgoed op een hoger niveau komt te liggen.

    budget

    Er bestaan veel organisaties in monumentenland, varirend van Heemschut tot Stadsherstel, soms heel professioneel, soms minder. Klopt. Die hebben belangrijke infor-matie die wij weer als kenniscentrum kunnen verspreiden.

    Heb je genoeg middelen om dit beleid uit te voeren?

    We zijn een Rijksdienst, onderdeel van OCW, dus we hebben een jaar-lijks budget voor het medewerkers-bestand plus de materile uitgaven. Het is jammer dat de rijksoverheid het aantal FTE s wil verminderen, waaraan ook wij moeten meedoen. Maar goed, wij zeggen dat alles wat in de markt kan worden onderge-bracht, dat willen we in de markt houden en brengen, en waar de markt zelf niet toe in staat is, dat moeten we aanvullen.

    Wat kan je aan de markt wel overlaten? Opgravingen, archeologie, alles wat vroeger de Rijksdienst voor het Oud-heidkundig Bodemonderzoek (ROB) deed, dat terrein is ontzettend ver-anderd. Vroeger was het ROB vooral een onderzoeksinstituut. Het opgra-ven kun je uitbesteden. Dat hoeft niet door ambtenaren te gebeuren. Wat wij nu nog doen is de kwaliteit toetsen en de opgravingvergunnin-gen verlenen. We werken meer voor-waardenscheppend.

    En werkt dat ook? Over twee jaar komt de evaluatie van het Verdrag van Malta. Wat je ziet is dat het een rijke markt is geworden met veel opgraving-bedrijfjes.

    Wat voor controlemechanisme heb je om te kijken of die bedrijven het goed doen? Vergunningen om te mogen graven, de resultaten van het onderzoek moeten hiernaar toegestuurd worden.

    opgraven

    Wat moet hier in het land eigenlijk nog worden opgegraven? Je wilt het niet weten. Ik heb hier een medewerker die helemaal thuis is in metaal en dan speciaal van de

    Merovingen. Mijn vraag was wie doet dat nu in de markt? Niemand. Er vallen gaten. Er is altijd iets wat niet door de markt wordt opgepakt, dat houd je. Die Nederlandse bodem is zo rijk en bezit ook nog goede con-serverende eigenschappen. Ik wist dat ook niet toen ik hier kwam. Nu met die Maasvlakte weer. Dan kom je aan het prehistorisch landschap van de Noordzee. Het feit dat je zoveel duizenden jaren geleden nog met droge voeten naar Engeland kon lopen. Dat is een onderzoeksterrein dat de komende decennia nog moet worden ontgonnen.

    Beweegt die commercile markt zich ook in de monumentenzorg? Ja, die is voornamelijk particulier georganiseerd. Het eigendom is veelal in handen van particulieren, net als het onderhouden en restau-reren.

    Wat is jullie relatie met het Restauratiefonds? Het Nationaal Restauratiefonds is onze bankier. Wij zijn uw huisban-kier, in de woorden van de directeur. Als Rijksdienst verstrekken wij subsidies, maar vanaf het moment dat een particulier een subsidiebrief krijgt, meldt hij zich bij het Restaura-tiefonds en kan hij een lagere rente-lening afsluiten. De beleidskeuzes worden bij ons gemaakt.

    Hoe is jullie verhouding met de gemeentelijke monumentendiensten? Het erfgoedbeleid in dit land decen-traal georganiseerd. Niet alleen het onroerende erfgoed maar ook de musea. En dat doen we vanuit de overtuiging dat ook op andere over-heidsniveaus afwegingen met cul-tuurhistorische belangen gemaakt moeten worden. Goed overleg met de gemeentelijke monumentendien-sten is van groot belang, daar zetten we ons voor in.

    We verlaten onze klassieke machtspositie die ons vaak in de verdediging bracht.

    18

  • Maar bij de naoorlogse monumenten waarvan er zoveel zijn, moet je toch wel streng selecteren? Dat vond ik zo interessant aan de wederopbouwlijst. Minister Plas-terk heeft eind 2007 100 topmonu-menten uit de periode 1940-1958 voorgedragen als een waardevol en representatief beeld van die weder-opbouwperiode. Voor het einde van dit jaar zullen ze worden aangewe-zen als rijksmonument. Het vraag-stuk van erfgoed in de samenleving is het selectievraagstuk. We kunnen niet alles meer op de lijst plaatsen, dat kan niet meer en dat moeten we onderkennen. Criteria die dan worden aangehouden zijn uniciteit en ensemblewaarde, maar je kunt je voorstellen dat de afwegingen voor elke periode weer anders zijn.

    Wat stel je je zelf als taak de komende jaren? Stel dat ik hier zeven jaar zit, dan zou ik willen zien dat het een geres-pecteerde dienst is, die inderdaad de unieke positie heeft ingenomen van het nationale kennisinstituut en die inspirerend werkt voor andere partij-en om cultuurhistorische waarden te beschermen en te ontwikkelen. Dat zijn we schatplichtig aan ons rijke culturele verleden. Waar we in Nederland wel eens last van hebben, zijn nostalgie en traditie. Er bestaat een gevaar bij erfgoedinstellingen dat ze daarin blijven hangen. Mijn insteek is meer dat we richting de toekomst werken, en dat een nieuwe generatie bekend wordt gemaakt met erfgoed en erf-laters.

    kennis

    Hoe ziet de organisatie er nu uit? We hebben drie inhoudelijke secto-ren. Advies en Wettelijke Taken waar-onder vier regios, juridische zaken, en monumentenregistratie en subsi-

    dies vallen. De tweede sector Kennis is de afdeling van de onderzoekers en de specialisten, met landschap, stedenbouw, archeologie, scheeps-archeologie en instandhouding. De derde sector is Kennisuitwisseling, die Dirk Houtgraaf, ex-directeur van Naturalis, gaat leiden. Die moet de link leggen tussen de kennis binnen en buiten. Tenslotte hebben we een operationele staf, de sector Bedrijfs-voering. Ik noem het een light-model organisatie, want ik wil dat er geen muren tussen die afdelingen komen te staan, maar heggetjes.

    Je was zeven jaar directeur van de Friese musea, nu ben je weer een supe-rambtenaar. Zoveel anders is het ook niet. Wat hier 300 medewerkers zijn, de pro-fessionals, zijn bij de musea de con-servatoren. Het principe is hetzelfde om hen de ruimte en de verant-woordelijkheden te geven. Je moet duidelijk kaders stellen. De overstap beschouw ik als een lijn, Leeuwarden was daarin een goed vervolg na mijn Haagse departementale ervaring.

    Hoe is de relatie met OCW? Die is goed, maar dat komt ook doordat ik bekend ben met de Haagse werkelijkheid en met plezier elke maandag op het ministerie moet zijn. OCW heeft een redelijk centralistisch besturingsmodel, dus daarom is het goed wekelijks overleg te voeren. Het beleid wordt zowel in Amersfoort als in Den Haag gemaakt. Je kunt zeggen dat in de Hoftoren de nadruk ligt op politiek en bestuur, en dat wij meer kennis en de ervaring in de praktijk bieden. Je vult elkaar aan.

    In welk opzicht heb je te maken met de rijksadviseur van het cultureel erfgoed? Haha, Wim, mijn oude huisbaas van Stadsherstel. We moeten onze gren-zen nog helder bepalen, ook met het

    Sectorinstituut Erfgoed Nederland. De rijksadviseur moet, vind ik, de verbindingen met de andere beleids-velden van de ministeries leggen, de casustiek is voor ons. Hij moet hoog vliegen en wij laag.

    Waarom accepteerde je eigenlijk deze functie? Ik zag dat de organisatie sturing nodig had, dat de medewerkers behoefte hadden aan aandacht en liefde. Dat je ingrijpt, is niet erg, dat geeft alleen maar waardering. Het nieuwe gebouw draagt daar ook aan bij.

    We verlaten onze klassieke machtspositie die ons vaak in de verdediging bracht.

    19

  • Medewerkers Rijksdienst werken tegenwoordig toekomstgericht

    Het is een kennisinstituut pur sang, de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Men weet er alles van scheepswrakken, oude bomen, Romeinse vondsten, glas-in-lood-ramen en historische monumenten. En die kennis is ook opvraagbaar, of wordt gedeeld met andere instellingen. Wie is wie in het nieuwe gebouw en hoe gaat men te werk? Een profiel van de specialisten.

    Samenwerking specialisten zal in nieuwe gebouw alleen maar verbeteren

    rijksdienst voor het cultureel erfgoed

    de mensen

    Tekst: Anne Versloot Fotografie: Michiel van Nieuwkerk

    Jos Bazelmans, hoofd sector kennis en erfgoed >>

    20

  • 21 stedenbouw monumenten architectuur kunst architectuurbeleid stedenbouw monumenten kunst architectuurbeleid architectuur 21

    Glas, glas en nog meer glas. Het nieuwe pand van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed met zijn hellende, transparante gevel is daar-door een baken van licht. s Nachts met de spaarlampen aan, is het al helemaal betoverend. Net een pas gelande ufo. Inderdaad, een prach-tig open gebouw, constateert Jos Bazelmans, hoofd sector kennis en erfgoed, tevreden. Het heeft even geduurd, maar nu is het dan zo ver. In mei 2009 trokken de medewerkers in het gebouw, dat op 24 juni officieel werd geopend door koningin Beatrix. Het gloednieuwe glazen paleis, naar het ontwerp van de beroemde Spaan-se architect Juan Navarro Baldeweg, staat midden in Amersfoort. Vlak bij het Centraal Station. Aan de ene kant kijken de medewerkers uit op de prachtige vijftiende-eeuwse Koppel-poort, aan de andere kant waar vroe-ger de oude Prodent-fabriek stond wemelt het van de nieuwbouw.

    Een perfecte locatie, volgens Bazel-mans, want deze Rijksdienst, die valt onder het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, gaat niet alleen over monumenten en archeo-logische vindplaatsen. Ze richt zich ook op de toekomst. Wat doen we in Nederland met al onze oude land-huizen, kerken, Romeinse forten, fabrieken, hunebedden, boerderijen, kastelen en gezonken schepen? Er moeten knopen worden doorgehakt over hun behoud, restauratie en eventuele herbestemming. Maar ook: hoe houd je het verleden levend?

    Dat betekent: gevarieerd werk voor alle onderzoekers, beleidsmedewer-kers en (materiaal)experts van de Rijksdienst voor het Cultureel Erf-goed, dat voor 2006 in twee aparte organisaties was ondergebracht. De afgelopen decennia kregen ze steeds vaker met elkaar te maken en kwam het uiteindelijk tot een fusie. En nu dan samen onder n dak.

    Bazelmans verwacht dat de samen-werking er alleen maar beter op zal worden. Niet alleen binnenskamers, maar ook naar buiten toe. Met architecten, projectontwikkelaars, gemeenten, particuliere huiseigena-ren, het grote publiek. Kortom, met iedereen die iets met erfgoed doet. We willen een spin in het web zijn

    voor verschillende belangengroepen. Toegankelijk ook. En door onze gebundelde krachten, hopen we op meer invloed. Het laatste wat wij wil-len, is als een politieagent optreden, en verklaren: dit is een monument, dus handen af.

    bezorgde mensenMet de liefde voor het Nederlandse erfgoed zit het wel goed, vertelt Jacqueline von Santen (1975) die afgestudeerd is in bouwkunst en sinds 2002 bij de Rijksdienst werkt. Elke week komen er mailtjes bij mij binnen van bezorgde mensen uit het land die melden dat er bij hen in de buurt iets vreselijks aan de hand is en of wij er iets aan kunnen doen.

    Von Santen, een vlotte prater met een vrolijke uitstraling, verzorgt de eerstelijnscontacten met de regio Brabant. Al in een vroeg stadium denkt ze mee met gemeenteambte-naren, architecten, ontwerpers en projectontwikkelaars. Zo kunnen haar adviezen over de cultuurhisto-rische waarde van het monument meteen meegenomen worden in een nieuw ontwerp.

    Von Santen: Achteraf meepraten heeft ook niet zoveel zin. Dan ziet iedereen je alleen maar als plannen-verstoorder. Ik wil dat cultuurhisto-rie geen belemmering is, maar juist een inspiratiebron.

    Voor haar werk is ze veel op pad. Onlangs brainstormde ze in Eindhoven mee over een aantal leegstaande Philipsfabrieken. Daarin komen straks woningen en wat kleine designbedrijfjes. Maar ze gaat ook op werkbezoek bij textielfabrieken, kerken en kloosters, vestingwerken, n bierbrouwerij De Drie Hoefijzers in Breda. Von Santen: Er was alleen nog een oude beheerder in het pand, de laatste schatbewaarder. Hij vertel-de zo enthousiast over die prachtige oude koperen brouwketels. Die man wist lles. Dat maakt deze baan ook zo interessant. Al die mensen die ik ontmoet met bijzondere verhalen. En ik kom op de mooiste plekken.

    Jacqueline van Santen, achter dfe laptop in de bibliotheek, bezoekt gewoonlijk het gebouwde erfgoed

  • 22 stedenbouw monumenten kunst architectuur architectuurbeleid

    molenEr is nog veel werk te doen voor de Rijksdienst voor het Cultureel Erf-goed, vertelt Jos Bazelmans (1963). Hij is lid van de directie en als zoda-nig medeverantwoordelijk voor de koers van de hele dienst die werkt op het snijvlak van de praktijk, de wetenschap en politiek & beleid. De gepromoveerde antropoloog geeft leiding aan vijf afdelingshoofden, van gebouwd erfgoed tot instand-houding en scheepsarcheologie. Hij heeft te maken met universiteiten, de Rijksgebouwendienst, de Kaste-lenstichting en verenigingen als De Hollandsche Molen.

    Ik praat veel, zegt hij. Maar wel met een gevarieerde groep mensen. Een op een met afdelingshoofden, grote vergaderingen en speeches voor een omvangrijk publiek. Vroeger was de ROB vooral een verzameling deskundigen, in glas, metaal of botten, die allemaal op hun eigen kamer onderzoek deden. Na de fusie met Monumentenzorg werken we, als generalisten en experts, met gemeenten en instanties samen in een veel breder kader, zoals Monu-mentenzorg altijd deed.

    De dienst heeft daarnaast een voor-trekkersrol. Zet lijnen uit. Zo zijn de panden uit de wederopbouwperiode (1940-1965), die tot voor kort door weinigen oplettend bekeken werden, door de dienst op de agenda gezet. Daardoor staan die (bedreigde) monumenten nu veel meer in de belangstelling. Ook komen er steeds weer nieuwe monumenten bij. Zo was veertig jaar geleden het station van Eindhoven nog gewoon een station. Anno 2009 wordt het gezien als bijzonder erfgoed.

    De grootste opgave op dit moment is de herbestemming van oude gebou-wen en industrieel erfgoed. Neem alleen al de kerken in Nederland. Elke week worden er wel twee uit dienst gehaald. Bazelmans: Dat is heel wat, zeker als je je bedenkt dat Nederlan-ders 1000 tot 1500 jaar naar de kerk zijn gegaan. Met boerderijen is het idem dito. Tot in de twintigste eeuw woonde ongeveer iedere Nederlander in een boerderij, en die traditie gaat tot 7000 jaar geleden terug. Boerderijen nemen nu sterk

    in aantal af. Bazelmans: Wat er deze eeuw plaatsvindt is revolutionair, n alarmerend. Wat gaan we ermee doen? We willen als Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed dat verleden bewaren, zonder over alles een stolp te zetten. Het vraagt juist om creati-viteit. We zijn onder andere met de

    herbestemmingplannen juist toe-komstgericht bezig.

    vijver verplaatsenOok Catharina van Groningen (1946) heeft dagelijks te maken met nieuwe plannen. Maar dan in beschermde tuinen, parken en buitenplaatsen.

    Ze geeft advies aan eigenaren, die een vergunning moeten aanvragen als ze een wezenlijke wijziging willen aanbrengen: een vijver verplaatsen of een compleet nieuwe structuur. Van Groningen, als kunsthistorica gepromoveerd op buitenplaatsen op de Utrechtse Heuvelrug, gaat dan

    Catharina van Groningen, expert op het gebied van tuinen, parken en buitenplaatsen.

  • 23 stedenbouw monumenten architectuur kunst architectuurbeleid

    eerst een dag op bezoek en praat met de mensen over hun ideen en loopt rond. Maakt fotos en aantekeningen. Zo belandt zij in de mooiste kasteel-tuinen, hoven en landschapsparken.

    Van Groningen: Een park kun je niet van een tekening zien, dat moet je ervaren. Je moet zien wat zon tuin-ontwerp met je doet. Groen leeft, beweegt en verandert van kleur door het jaar heen. Wat haar altijd opvalt is hoe weinig het grote publiek weet over landschaps- en tuinontwerpen. Dat een huis en een tuin samen zijn ontworpen.

    Net als Von Santen krijgt ze menig telefoontje van verontruste burgers. In de trant van: ze kappen hier een heel bos. Doe iets! Van Groningen belt zoiets vaak na. Soms blijkt het om het uitdunnen van een bos te gaan, een andere keer is er wel dege-lijk meer aan de hand.

    In de dagelijkse praktijk merkt ze dat eigenaren vaak heel goed weten waar ze mee bezig zijn, wat de effecten

    van hun plannen zijn. Ze doen niet gauw onverantwoorde dingen. Vaak hebben ze er al jaren over nagedacht. Laatst was ze op de buitenplaats Mattenburgh in de provincie Bra-bant. Daar wilde de beheerder een nieuw gebouw om zijn gekweekte planten, citrusbomen en palmen in te laten overwinteren kweken is een traditie op die buitenplaats. Samen met Jacqueline von Santen kwam ze langs om te bespreken waar hij dat gebouw het beste kon neer-zetten. Die man had alles zo fantas-tisch voor elkaar. Hij vertelde dat hij aanvankelijk helemaal geen verstand van tuinen had, maar zich had inge-lezen, en bezeten was geraakt. We hebben zo leuk zitten praten. Een heel prettig bezoek. Van Groningens werk heeft een sterke sociale kant. Ze moet goed naar men-sen kunnen luisteren. Zich kunnen inleven in hun situatie. Bij een haar onbekende eigenaar doet ze vaak enig vooronderzoek. Van Groningen: Maar tijdens mijn bezoek merk ik dan vaak dat diegene ook al naar mij heeft genformeerd. Ze lacht zachtjes.

    ringenIemand die ook iets met de natuur heeft, maar dan op een andere manier is Esther Jansma (1958). Zij is archeoloog en gespecialiseerd in de dendrochronologie. Of zoals ze zelf eenvoudiger formuleert: boom-tijdkunde. Ze bestudeert de groei van bomen door de tijd heen. Sinds 1991 is ze in dienst. Eerst parttime maar inmiddels heeft ze al jaren een volle baan. Daarnaast is ze dichteres en won ze tien jaar geleden de presti-gieuze VSB Pozieprijs.

    In Amersfoort bestudeert ze de jaar-ringen van bomen. Jansma: Een boom krijgt er per jaar n ring erbij, en de breedte van die ring wordt bepaald door omstandigheden als regen en temperatuur. Je ziet dus wis-selende patronen van smalle en brede ringen. Voor bomen in een bepaald gebied is zon ordening uniek voor n periode. Dus met al die groeipa-tronen uit een gebied is het mogelijk om een kalender te bouwen. Als ik de leeftijd van een stuk hout in een Romeins schip of een dakkapel wil

    bepalen, meet ik de jaarringen, verge-lijk ze met de kalender en dan weet ik precies hoe oud het is. We kunnen op dit moment in Nederland al tot 6000 voor Christus terugrekenen.

    Jansma kan ook houtsoorten uit bijvoorbeeld Polen herkennen. Die zijn weer anders dan de Nederlandse omdat ze hier op een andere bodem staan. Of een eik op een vochtige standplaats groeit of op zand, is ook goed zichtbaar.

    Groeikalenders van bomen zijn in alle Europese landen opgesteld. Zo kun je ook zien waar in Nederland gebruikt hout vandaan komt en is een reconstructie van handelscon-tacten mogelijk. Reuze handig. Onze Hollandse oude meesters uit de Gouden Eeuw zijn vaak op Baltisch eiken geschilderd. De graf-kisten van de Oranjes in de grafkel-der van de Grote Kerk in Breda en huidplanken van het beroemde schip De Batavia dat bij Australi gezon-ken is, komen ook uit het Balticum. Jansma: Prachtig hout uit heel oude

    Esther Jansma, thuis in de boomtijdkunde,

    met een boomring in haar handen.

  • 24 stedenbouw monumenten kunst architectuur architectuurbeleid

    bossen. Relatief goedkoop hout dat makkelijk te bewerken was.

    Naast haar gewone onderzoeks-werk in het lab, veldwerk en colleges over landschappen die ze geeft op de Universiteit Utrecht, is Jansma bezig met het opzetten van een databank

    waarin alle boomtijdkundige gege-vens van bomen uit de Lage Landen heel geordend bij elkaar geharkt worden. Alle informatie zal binnen niet al te lange tijd toegankelijk zijn. Je kunt er dan als onderzoeker vra-gen op loslaten als: zoek alle kapcon-structies in Utrecht tussen 1400 en 1450. Of: zoek al het Scandinavisch hout in Nederlandse schepen. Als je het jaartal 1360 invoert en Neder-land zullen er minder resultaten uit-rollen, voorspelt Jansma. In dat jaar heerste de pest in ons land en waren er minder bouwactiviteiten. Dus ook minder gebruik van hout.

    Inspireren al die bomen nou ook bij het schrijven van haar gedichten? Jansma schiet in de lach: Totally not. Een boom is een ding dat bij mij dood op de snijtafel ligt. Materiaalonder-zoek is detectivewerk, waarbij je heel precies probeert te achterhalen hoe de dingen zijn gebeurd. Dichten is voor mij veel meer maakwerk, dingen verzinnen: de computer aan zetten en schrijven maar. Dat is uiteindelijk ook een precies werkje, maar wel van een andere orde.

    biljartbalWeer een heel andere specialist is Taco Hermans (1955), deskundige op het gebied van glas op de afdeling Instandhoudingstechnologie, sinds 2001. Hij schrijft voorlichtings- brochures en krijgt veel vragen op zijn bureau van aannemers, architec-ten, kerkeigenaren, glazeniers, ambte-naren en particulieren over het restaureren van glas in lood. Want er gaat weleens een biljartbal door de

    ramen van een kerk, zoals een keer in Brabant, zegt Hermans droogjes. Vanuit het caf ernaast.

    Ook weet hij alles over gebrandschil-derd glas, houten vloeren, kastelen en wat je wel en niet moet doen bij het isoleren van monumenten.

    Hermans: Dubbel glas bijvoorbeeld past soms niet bij de monumentale waarde van een pand, of het maakt een fiks vochtprobleem alleen maar erger. Hij volgt daarom de ontwikke-lingen op dat gebied op de voet. Met glas wordt over het algemeen zuinig omgesprongen in Nederland, vertelt hij. Terecht, want het gaat vaak om echte kunstwerkjes. Glas is niet alleen maar een deel van de gevel.Gebrandschilderd glas kom je in Nederland nog tegen in kerken, kastelen en gemeentehuizen. Het oudste glas-in-loodraam, uit begin zestiende eeuw, bevindt zich in de kapel van het Sint Anna Aalmoeshof in Leiden. Voor Hermans hoeft glas niet stokoud te zijn om het mooi te vinden. Hij is dol op bovenlichtjes met gekleurd glas in gewone woon-huizen. De mooiste ontwerpen komt hij soms tegen. Prachtige lelies in water, zag hij laatst. In Nederland zijn ze vooral in het eerste kwart van de twintigste eeuw gemaakt en nog weleens verdwenen toen kamers en suite in de jaren zeventig uit de gra-tie raakten.

    Ook hij trekt eropuit, het land in. De laatste tijd gaat zijn interesse uit naar glazen bouwstenen, uit de negentiende eeuw. Hermans: En dan bedoel ik niet die kubussen van de Gamma waarmee je douchewand-jes kunt bouwen. Maar die bijzon-dere stenen van glas die je bij hoge trappen in portieken nog weleens tegenkomt. In Amsterdam struint hij vaak rond op zoek naar ouder-wetse kelderlichtjes met prismas erin. Al zijn die tot zijn grote verdriet

    vaak geknapt. En oude winkelpuien met ventilatieglas met gaatjes probeert hij in kaart te brengen. Ze zijn bijna verdwenen.

    Zijn mooiste klus tot nu toe was de restauratie van de glaspanelen van de Tsjechische kunstenaar J. Benda

    in het Comenius Mausoleum in Naarden. Eigenlijk was het de bedoe-ling om de buitenramen in de kapel te restaureren, maar door die pane-len kon niemand erbij. Ze moesten gedemonteerd worden. Een helse klus, want die panelen die opge-bouwd zijn uit drie lagen glas, gevat in staal wogen als lood. Om ze op de begane grond te kunnen zetten, is zelfs een speciaal apparaat ontwik-keld. Toen ze eenmaal op de vloer stonden, zijn ze meteen ook maar gereinigd en gerestaureerd. Sommi-ge delen waren aan vervanging toe. Hermans herinnert zich de speur-tocht naar soortgelijk glas nog goed. Dat duurde maanden, maar het lukte. En voelde als een ware triomf.

    onder waterMartijn Manders (1970) heeft in Leiden gestudeerd en wilde eigenlijk paleontoloog worden (Maar ja, daar had ik wiskunde B en natuurkunde voor nodig). Hij werd onderwater-archeoloog, zijn duikbrevet had hij al opzak. Nu is hij bij Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed senior beleidsmede-werker maritiem en projectleider. Een mooi vak, knikt hij instemmend. Aan de ene kant doet hij veel beleidsmatig werk in nationaal en internationaal verband. Ook doet hij onderzoek naar een betere en effectievere bescherming en beheer van het erfgoed onder water. Soms gebeurt dat in Europees verband, want Nederlandse schepen liggen ook buiten onze territoriale wateren, net als er erfgoed van anderen in onze Noordzee ligt. Daarnaast willen Manders en de zijnen informatie over

    al het erfgoed onder water beschik-baar stellen voor het grote publiek, de wetenschap en beleidsmakers.

    In Nederland zelf richt het maritieme onderzoek zich vooral op de Wad-denzee, Noordzee, de rivieren en het Markermeer. Er liggen in totaal

    tienduizenden scheepswrakken op Nederlandse bodem. We kennen daar maar een deel van, zon 1000 exem-plaren, zegt Manders, die inmiddels zelf niet meer zo vaak een duik maakt. En geprobeerd wordt die boten zoveel mogelijk te beschermen tegen erosie en (in zout water) de teredis navalis, de gevreesde paalworm. Dat beestje kan binnen een paar jaar zomaar een heel schip opvreten.

    Het beschermen en beheren van die schepen gebeurt zo veel mogelijk in samenwerking met anderen, zoals met Rijkswaterstaat. Maar ook met sportduikers heeft Manders gere-geld contact. Behalve wettelijk wor-den wrakken ook fysiek beschermd tegen schurend zand, wormen en visnetten. Over de wrakken worden grote stukken gaas gedrapeerd, die heen en weer wapperen als zeewier en tegelijkertijd het zand uit het water filteren. Dat zand belandt zo langzaam onder het gaas, waar een zuurstofarme omgeving ontstaat. Het schip graaft zichzelf als het ware in. En blijft veilig op zn plek.

    sieraden en kunstSpannend is ook het Europese Wreck Protect-project dat dit jaar begint en waarvan hij deel uitmaakt. In de Baltische Zee zijn de afgelopen jaren heel wat mooie scheepswrakken aangetroffen. In die diepe en don-kere waterplas waar het zoutgehalte uitzonderlijk laag is, liggen ook veel Nederlandse schepen. In perfecte conditie. Zo is daar tien jaar terug de Nederlandse snauw De Vrouw Maria teruggevonden. Met aan boord ber-

    Burgers komen vaak met prachtige verhalen

  • 25 stedenbouw monumenten architectuur kunst architectuurbeleid

    gen sieraden, kisten vol porselein en kostbare schilderijen van Hollandse meesters als Gerard Dou en Paulus Potter. De lading was onderweg naar de grootste Russische kunstverzame-laar ooit: tsarina Catharina de Grote. Haar nieuwste aanwinsten gingen met het schip ten onder in 1771.

    Boven het Zweedse eiland Gotland is onlangs op 130 meter diepte een vrij-wel compleet Nederlands fluitschip uit de zeventiende eeuw ontdekt. Twee van de drie masten staan nog kaarsrecht overeind. De paalworm heeft hier duidelijk (nog) geen schijn van kans gehad. Manders:

    Het onderzoek naar Nederlandse scheepsbouwmethoden is er een stuk eenvoudiger op geworden. Je kunt er zelfs nog in om een kijkje te nemen.

    Toch maakt hij zorgen over die ver-maledijde paalworm. Dit monster

    rukt steeds verder op in de Baltische Zee. Past het zich steeds beter aan brak water aan? Wordt de Baltische Zee soms zouter? Hoe hopt het beestje zo makkelijk van het ene naar het andere wrak? Vragen die Manders met de hulp van micro-biologen en geologen probeert op te lossen. Over twee jaar hoopt hij het antwoord gevonden te hebben.

    Een bont gezelschap is het daar bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erf-goed. Dat is meteen duidelijk. En wat weten ze veel. Al die kennis is nu ver-zameld onder n dak in Amersfoort. Maar ook in hun gloednieuwe glazen paleis, hoe mooi en licht het er ook is, zullen de beleidsmakers en speci-alisten hun dagen niet slijten achter hun computers of in hun lab al blijft voor de meesten maandag kan-toordag. Twee drie dagen per week trekken ze het land in. Om erfgoed in kaart te brengen, te onderzoeken en te redden. Alleen Taco Hermans heeft daar op dit moment misschien nog wat moeite mee. Hij heeft nog nooit zoveel glas bij elkaar gezien als in zijn nieuwe onderkomen.

    Martijn Manders buigt zich over een kaart

    met zeestromen en dieptes.

    Lelystad blijft

    Archeologen en monumenten-zorgers zijn samengegaan in het nieuwe gebouw, maar een dienst is gebleven waar het zat: de speciale maritieme afdeling die onderzoek doet naar vonds-ten en wrakken op de zeebodem (Scheepsarcheologie). Dat pand is enkele jaren ingrijpend ver-bouwd in opdracht van de Rijks-gebouwendienst en bevat onder meer een bassin waarin het kwets-bare hout van schepen geanaly-seerd kan worden. Het zou een vorm van kapitaalvernietiging zijn geweest als die afdeling ook naar Amersfoort zou zijn verplaatst.

  • 26 stedenbouw monumenten kunst architectuur architectuurbeleid stedenbouw monumenten

    Tekst: Tanja Karreman Beeld: Guido Geelen en Janine Schrijver

    rijksdienst voor het cultureel erfgoed

    kunst

    Het juiste beeld op de juiste plek, dat mag een eenvoudige vraag zijn, het antwoord is nooit te voorspellen. En eenmaal gegeven is de beleving ervan onderhevig aan smaak en grillen van de tijd. Zie daar de wording en plaat-sing van de beeldengroep van Guido Geelen die hij In opdracht van de Rijksgebouwendienst maakte voor de nieuwe Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. De keuze van de locatie voor de vergulde groep bij de entree blijkt even bescheiden als pontificaal, even voor de hand liggend als onver-mijdelijk, even terloops als ambitieus. Er ging een complexe omweg via opdrachten en/of bijna opdrach-ten aan meerdere kunstenaars aan vooraf. Een omweg die de grilligheid

    illustreert van een proces waarvan je niet op voorhand kunt voorspellen wat je krijgt.

    De RCE-commissieleden stelden vanaf het begin als absolute voor-waarde dat het kunstwerk speciaal voor het gebouw bedacht, ontworpen en gemaakt zou worden. Daar bleek niet aan te tornen. Het kader voor de opdracht werd verder bepaald door de bijzondere en overweldigende architectuur van Navarro Baldeweg, maar vooral ook werd de kerntaak van het instituut v