Praktijkdag: De tuchtprocedure bij de politie

of 180 /180
Brussel 5 mei 2015 Alain Liners Georges Pyl 1

Embed Size (px)

Transcript of Praktijkdag: De tuchtprocedure bij de politie

  • Brussel

    5 mei 2015

    Alain LinersGeorges Pyl*

  • De tuchtprocedure Vragen en antwoorden

    *

  • Volgens een informatieverslag van 8 juni 2012 werd een proces-verbaal wegens actieve corruptie opgesteld en verzonden naar het Parket te Antwerpen. Het verslag vermeldt eveneens, dat uit het beschikbaar niet-strafrechtelijk onderzoek blijkt dat het betrokken PL, gelijktijdig naast zijn beroep van politieambtenaar, een nevenberoep uitoefent zonder daarvoor een voorafgaande toelating te hebben gekregen, te weten het uitbaten van een public relations bedrijf. *

  • Tijdens een hoorzitting in het raam van een voorstel tot voorlopige schorsing, verklaart het PL onder meer het volgende: Ik ontken formeel alles dat mij ten laste wordt gelegd, behoudens het feit dat ik tot 1 juni 2012 zaakvoerder was van de bvba J. *

  • Op 20 december 2012 deelt het Parket mee dat het dossier ten laste van het PL zonder gevolg wordt geklasseerd wegens onvoldoende bewijs van strafrechtelijke feiten. Op 22 maart 2013 stelt de directeur-generaal het IV op waarin hij stelt:

    *

  • Ik heb kennis genomen van de feiten op 8 juni 2012. Gelet ik bij kennisname van de feiten onvoldoende concrete informatie had, heb ik op basis van artikel 56, tweede lid TW, het eventueel opstarten van een tuchtprocedure uitgesteld in afwachting van een gerechtelijke eindbeslissing.*

  • Na analyse van het tuchtdossier ben ik van oordeel dat het uitvoeren van een bijberoep, zonder toestemming tot individuele afwijking, door een lid van het operationeel kader van de politiediensten, een tuchtinbreuk uitmaakt die u ten laste moet worden gelegd.

    *

  • Artikel 56, tweede lid, van de TW biedt de tuchtoverheid de mogelijkheid - maar niet de verplichting - om de tuchtrechtelijke vervolging uit te stellen tot de gerechtelijke overheden hun onderzoek hebben beindigd. Het maakt het mogelijk om, wanneer er twijfels bestaan over de wezenlijke elementen die in een tuchtzaak aan de orde zijn, het bewijs van de feiten die de betrokkene gepleegd heeft, de ernst van de feiten en de schuld van de betrokkene, de tuchtrechtelijke kwalificatie en de weerslag van de feiten op de werking van de dienst, de uitspraak van de strafrechter af te wachten.*

  • De verwijzing naar artikel 56, tweede lid, TW kan evenwel slechts deugdelijk het uitstel van de tuchtvordering verantwoorden wanneer de tuchtoverheid op grond van een eigen onderzoek geen voldoende klaarheid in de zaak heeft kunnen brengen.*

  • Artikel 56, eerste lid, TW verplicht het bestuur om binnen een bepaalde termijn de tuchtprocedure op te starten, hetgeen gebeurt met de kennisgeving van het IV aan de betrokkene. Het gaat om een vervaltermijn waarna geen tuchtvordering meer kan worden ingesteld. Deze bepaling garandeert het PL dat hij korte tijd nadat de TO op de in de wet bepaalde wijze kennis heeft van de feiten, uitsluitsel krijgt over zijn onzekere situatie.

    *

  • Van een kennisneming of vaststelling van tuchtfeiten in de zin van artikel 56, eerste lid, TW is slechts sprake op het moment dat de tuchtoverheid met betrekking tot die feiten over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikt. Het is ook pas dan dat deze verjaringstermijn ingaat.

    *

  • De tuchtoverheid heeft de verplichting om een tuchtzaak binnen een redelijke termijn af te handelen en het bestaan van een strafonderzoek is op zich geen deugdelijke reden om de tuchtvordering niet op te starten. Er is slechts reden om de tuchtvordering uit te stellen wanneer de tuchtoverheid er niet in slaagt om met een eigen onderzoek een duidelijk zicht te krijgen op het bestaan en de ernst van de feiten en om zich aldus een beeld te vormen van de noodzaak van een tuchtrechtelijke vervolging.

    *

  • Bij de beoordeling van de vraag wanneer de gegevens waarover de TO beschikt volstaan om de tuchtvordering op te starten en daartoe een IV op te stellen, m.a.w. wanneer de TO zich een duidelijk beeld kan vormen omtrent het bestaan en de ernst van de feiten en de toerekening ervan aan het PL, beschikt deze overheid over een ruime beoordelingsbevoegdheid. De RvS is bij de beoordeling hiervan, enkel bevoegd om na te gaan of de TO is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.*

  • Artikel 7 TW bevat een regeling voor de samenloop van tuchtvergrijpen: wanneer meerdere tuchtvergrijpen aan een PL worden toegerekend, wordt slechts n tuchtprocedure opgestart. Het gebruik van de term toerekening verwijst naar de daadwerkelijke tenlastelegging, hetgeen gebeurt in het IV. *

  • De toepassing van artikel 7 TW is beperkt tot de gevallen waarin de TO een PL meerdere tuchtfeiten daadwerkelijk kan toerekenen. Heeft het PL meerdere tuchtfeiten gepleegd dan belet artikel 7 niet dat de TO de tuchtvordering enkel en alleen inleidt voor de feiten die zij op dat moment aan het PL kan toerekenen. Integendeel zal zij deze handelwijze moeten toepassen wil zij een gebeurlijke verjaring van de toerekenbare tuchtfeiten voorkomen.*

  • Artikel 7 TW zegt niets over de verjaringstermijn voor het opstarten van de tuchtvordering en doet derhalve niets af aan hetgeen is bepaald in artikel 56 TW, dat de verjaring strikt regelt in functie van de kennisneming van de verschillende feiten. Daaruit volgt dat de TO in de omstandigheid dat andere aangeklaagde feiten niet zonder nader onderzoek konden uitlopen op een IV, geen deugdelijke grondslag kan vinden om het opstellen van dat IV, beperkt tot het feit waarvoor het PL uiteindelijk is gesanctioneerd, uit te stellen.

    *

  • Uit het administratief dossier blijkt dat het opsporingsonderzoek werd gevoerd wegens feiten die kunnen gekwalificeerd worden als omkoping en afpersing, terwijl het aan het PL toegerekende tuchtvergrijp het uitoefenen van een bijberoep betrof in strijd met de deontologie en dat overigens op zich geen misdrijf blijkt te zijn. Het lijdt geen twijfel dat de feiten in de onderscheiden procedures niet dezelfde betreffen.

    *

  • De feiten zijn niet dermate onlosmakelijk met elkaar verbonden derwijze dat het bewijs van het ene noodzakelijkerwijze afhangt van het bewijs van het andere. Of nog dat het precies uit dit opsporingsonderzoek is dat de gegevens moeten worden geput die de TO in staat moeten stellen het bestaan van het tuchtvergrijp te bewijzen.

    *

  • De opschorting van de verplichting om binnen de zes maanden na de kennisgeving van de feiten het IV te betekenen, stelt de TO immers niet vrij van de verplichting om de zaak zelf ter hand te nemen en een onderzoek te voeren op grond van de gegevens die haar worden bezorgd en op grond van het onderzoek dat zij zelf kan voeren.

    *

  • Het argument van de TO dat het OM, tenminste impliciet, haar standpunt bijtrad dat de tuchtprocedure best werd uitgesteld tot op het ogenblik dat het strafdossier werd afgesloten, doet niet ter zake. Los van de vraag of het door de TO aangehouden standpunt feitelijk juist is, heeft het OM ter zake geen enkele (advies)bevoegdheid, zodat de tuchtoverheid er niet door gebonden kan zijn.

    *

  • Tot slot is het argument dat ook de TR haar standpunt bijtrad evenmin dienend: de uitspraak van een orgaan van het actief bestuur zoals de TR heeft slechts de waarde van een voorlopig standpunt van het bestuur ten aanzien van de toepassing van de in het geding zijnde regels, waardoor de tuchtrechter uiteraard niet is gebonden.

    *

  • Op 28 april 2014, beslist de KC, in afwachting van de resultaten van een tuchtonderzoek, een PL te detacheren naar de Regio Noord, met standplaats in het district Sint-Pieters, waar hij zal ingezet worden als teamcoach Regio.*

  • De bestreden beslissing is een detachering bij ordemaatregel. Een detachering in het belang van de dienst, waarvan niet wordt aangevoerd noch blijkt dat zij geschiedt met weddeverlies, veroorzaakt in beginsel vanwege zijn voorlopige, tijdelijke en niet- tuchtrechtelijke aard, aan het PL geen schadelijke gevolgen of nadelen die van dien aard zijn dat hij het resultaat van de procedure ten gronde hierdoor niet kan afwachten.

    *

  • Het komt aan het PL toe aan te tonen dat in zijn geval bijzondere omstandigheden ertoe nopen anders te oordelen en dat hij de tijdelijke detachering onmogelijk kan ondergaan in afwachting van de uitspraak ten gronde.

    *

  • De enkele omstandigheid dat het PL van een gespecialiseerde functie wordt gedetacheerd naar een algemene politionele functie toont op zich niet aan dat hij in omstandigheden verkeert dat hij het resultaat van de procedure ten gronde hierdoor niet kan afwachten. Evenmin wordt zulks aangetoond door de enkele bewering dat hij zich zorgen maakt over de professionele weerslag van zijn afwezigheid op de werking van de dienst.*

  • Waar het PL stelt dat niet is bepaald hoe lang de KC de detachering zal handhaven, antwoordt de RvS dat het dossier aantoont dat de detachering gebeurt in afwachting van de resultaten van de lopende onderzoeken en dat ze reglementair geldt voor maximum zes maanden. De RvS stelt vast dat het PL niet aantoont dat zijn aangevoerd verlies aan dienstige ervaring en praktijkvoeling van dien aard is dat hij hierdoor het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten.

    *

  • De verwijzingen naar de arresten van de RvS die het MHEN hebben geanalyseerd zijn niet meer pertinent. Thans staat ter beoordeling van de RvS een andere wettelijke voorwaarde - de spoedeisendheid - waarvan de wettelijke draagwijdte niet gelijk is aan die van het MHEN. Waar het PL wat betreft het ondraaglijk karakter van het ondergaan van de ordemaatregel, verwijst naar de schending van de hoorplicht, is de ernst van een middel geen element van spoedeisendheid. De ernst van de middelen en de spoedeisendheid zijn twee afzonderlijke voorwaarden.

    *

  • Er is in deze niet voldaan aan ten minste n van de voorwaarden gesteld in artikel 17, 1, GWRvS die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen:1 indien de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring; 2 en indien minstens n ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden.

    *

  • Op 2 januari 2013 richt de Dienst Intern Toezicht een informatieverslag aan de KC, met betrekking tot de Geestesgesteldheid van Inp Vander Biest Onbeleefdheid als gevolg aan een schrijven dat deze laatste aan commissaris S. heeft gericht. *

  • Op die datum heeft het PL, via interne mail, een schrijven gericht aan commissaris S. met als titel GENOEG. In dat schrijven zet hij zijn genoeg uiteen met betrekking tot een aantal punten ( wijziging van te nemen pauzes sportpraktijk de printer in het lokaal voor onthaal de apparaten in de cafetaria) en preciseert dat hij geen plaats in het paleis verwacht om zijn carrire te beindigen. Hij is ook van oordeel dat hem een verlofdag is gestolen omdat men zijn vervangingsverlofdagen niet heeft berekend.

    *

  • De feiten die hem worden verweten kunnen worden samengevat tot de kritieken die hij heeft geuit met betrekking tot de dienstuitoefening en zijn werkomstandigheden. De overheid heeft dus zijn geestesgesteldheid beoordeeld, eerder dan zijn feitelijk gedrag, zonder zelfs de gegrondheid van zijn kritieken na te gaan, en op die wijze heeft zij de aangevoerde principes miskend, en meer bepaald de vrijheid van meningsuiting, die alle PL van het openbaar ambt genieten.*

  • In deze is het PL gestraft om beweerd te hebben dat een CP hem een verlofdag heeft gestolen, dat hij nooit de gelegenheid heeft gehad zijn Dirops te ontmoeten en om te hebben gensinueerd dat de directie hem wilde straffen. De TO heeft de waarachtigheid van deze beweringen niet betwist, maar heeft geoordeeld dat het gaat om strafbaar taalgebruik. De lezing van het AD leert, dat het PL de diefstal van een verlofdag uitlegt als het verlies van een verlofdag als gevolg van een laattijdige berekening van zijn verloven, een element dat door de TO niet wordt betwist. *

  • In het omstreden schrijven, maakt hij gewag van de vrees dat dit zich zal herhalen. Dergelijke uitlatingen kunnen stellig niet beschouwd worden als zijnde een aantasting van de eer en goede naam van wie dan ook, als zijnde misplaatst of blijken van een gebrek aan loyauteit. Het PL heeft niet gensinueerd dat de directie hem wilde straffen, maar heeft zijn hirarchische overste ondervraagd om te weten of het een straf was, dat hij bij terugkeer uit ziekte een nachtdienst moest verrichten, in de week dat hij de hoede heeft over zijn kinderen. *

  • Te meer daar de maand ervoor, dezelfde overste hem gezegd had dat hij teveel nachten deed. De aldus gestelde vraag lijkt volkomen terecht.Bovendien heeft het PL het gebruik van het bekritiseerde woord diefstal uitgelegd in zijn antwoord op de vragen van de voorafgaande onderzoeker: de verlofdagen zijn een statutair recht van de personeelsleden. Door diefstal gelijk te stellen met het niet geoorloofd toekennen van een verlofdag, als gevolg van een vertraging bij de diensten van zijn werkgever ()*

  • () heeft het PL niets anders gedaan dan uitleggen dat hij verkeerdelijk beroofd werd van een verlofdag, zonder dat zijn uitlatingen konden genterpreteerd worden als een beschuldiging van diefstal in de strafrechtelijke zin van het woord. Bijgevolg kan men hem het niet kwalijk nemen dat hij zijn ontevredenheid heeft geuit met betrekking tot het verlies van een verlofdag, evenmin dat hij zijn overheid heeft uitgenodigd tot een beter beheer met het oog op het vermijden van dergelijke incidenten in de toekomst. Het middel is gegrond.*

  • Een PL beweert dat als gevolg aan zijn verhoor, de TO zich heeft verbonden hem voorafgaandelijk aan de beslissing, een kopie van het op te stellen PV over te maken, met de bedoeling hem toe te laten zijn standpunt naar voor te brengen. Hij stelt evenwel vast, dat de bestreden beslissing aangenomen werd op 4 september 2013, dus dezelfde dag waarop een schrijven aan hem werd gericht om hem een kopie van het PV mee te delen, dat hem echter, de facto, belet om zijn standpunt naar voor te brengen voorafgaande aan de beslissing.*

  • Hij leidt daaruit af dat de TO niet heeft kunnen beslissen met kennis van zaken, bij gebrek aan een PV van een tegensprekelijk verhoor, van die aard dat het principe audi alteram partem dat elke administratieve overheid verplicht de burger de gelegenheid te geven zijn standpunt naar voor te brengen, voorafgaandelijk aan elke ernstige maatregel, geschonden is. Hetzelfde geldt voor het adagium patere legem quam ipse fecisti en het principe van het legitiem vertrouwen. *

  • Overwegende dat geen enkele rechtsregel de TO verplicht een PV van verhoor op te stellen. Hoewel het algemeen rechtsprincipe audi alteram partemde overheid verplicht het standpunt van de betrokkene in overweging te nemen, wanneer zij tegen hem overweegt een ernstige maatregel te nemen, is deze verplichting niet vergelijkbaar met de eisen eigen aan de rechten van de verdediging of met het principe van de tegenspraak, die impliceren dat de betrokkene de aard van zijn verweer kan controleren zoals opgenomen in het PV van zijn verhoor. *

  • Vanaf het moment dat de bestreden akte niet tot het tuchtrecht behoort, kan aan het principe van de tegenspraak niet dezelfde draagwijdte worden toegekend. Er zijn tenslotte nog redenen om vast te stellen dat op geen enkel moment, zelfs niet voor de RvS, het PL kritiek heeft geformuleerd met betrekking tot onjuistheden die het PV zouden aantasten, noch getracht heeft aan te tonen op welke wijze die onjuistheden de regelmatigheid van de bestreden akte zouden hebben aangetast. *

  • In deze omstandigheden toont het PL niet concreet aan op welke wijze het ontbreken van de tegenspraak hem zouden toelaten een bezwaar te formuleren.

    In het licht van het geheel van de elementen, is het middel niet gegrond.*

  • Bezwaar: De overheid rechtvaardigt de maatregel van voorlopige schorsing van 2 september 2013 met feiten waarvan zij kennis heeft genomen op 19 mei 2013; dat het PL over deze feiten werd verhoord op 24 juni 2013 zodanig de overheid sinds deze datum volledig op de hoogte was van zijn versie van de feiten. Nochtans is hij in functie gebleven tot en met 2 september 2013, hetgeen voor de verdediging een onredelijke termijn betekent. *

  • De redelijke termijn in tuchtzaken is bedoeld om de betrokkene te beschermen tegen het opleggen van een sanctie na verloop van een bepaalde termijn. Het verlopen van de redelijke termijn kan de TO de bevoegdheid ontnemen om nog een straf op te leggen. Maar een maatregel van voorlopige schorsing is geen straf in de zin van de TW. *

  • Zelfs wanneer de schorsing kan beschouwd worden als een ernstige maatregel die de betrokkene schade toebrengt, kan de sanctionering nooit de doelstelling zijn, maar alleen de vrijwaring van de belangen van de dienst. Het is dus een bezorgdheid van algemeen belang die primeert op het individueel belang die een dergelijke maatregel rechtvaardigt, en waarvan de effecten noodzakelijkerwijze beperkt zijn in de tijd. *

  • Het verlopen van de redelijke termijn waarvoor een nalatige overheid verantwoordelijk zou zijn om het hoofd te bieden aan een situatie die haar verplicht een maatregel te nemen in het belang van de dienst, is niet van aard om haar de bevoegdheid te ontnemen een dergelijke maatregel op te leggen, maar zou daarentegen kunnen dienen om te weerleggen dat de voorwaarden die de maatregel van voorlopige schorsing rechtvaardigen, verenigd zijn.*

  • In deze, en in tegenstelling tot wat het PL beweert, rechtvaardigt de bestreden akte de maatregel van voorlopige schorsing niet uitsluitend met de feiten aangegeven in het schrijven van 19 mei 2013, maar eveneens op basis van meer recente feiten aangegeven in het verslag van 30 juni 2013 en in het verslag van de gemeentesecretaris van 1 juli 2013. *

  • De stelling dat de overheid meer dan drie maanden heeft getalmd vooraleer een beslissing tot voorlopige schorsing ten aanzien van het PL te nemen, op basis van de feiten aangegeven in de bestreden akte, kan niet worden aangehouden, vermits een aantal feiten van meer recente aard zijn.*

  • Er moet ook rekening worden gehouden met het feit dat vanaf 29 mei 2013, de overheid het PL heeft ontboden voor een eerste tuchtrechtelijk verhoor, en dat dit verhoor werd uitgesteld tot 24 juni 2013 ingevolge de gezondheidstoestand van het PL. *

  • Rekening houdende met deze werkonbekwaamheid, met het naderen van het einde van het schooljaar en het onnodig karakter van de preventieve schorsing van een leerkracht, die in elk geval geen kontakt zou kunnen hebben met de leerlingen tijdens de schoolvakantie, is het vanaf dat moment voor een normaal voorzichtige en toegewijde overheid niet noodzakelijk de betrokkene preventief te schorsen vr 30 juni 2013. *

  • Een maatregel van preventieve schorsing kan niet, op straffe van een manifeste onregelmatigheid te begaan, gemotiveerd worden met een tuchtrechtelijke kwalificatie maar enkel en alleen in het belang van de dienst. *

  • Een PL is verwikkeld in een zaak van zwaar geweld tegenover personen in de uitoefening van zijn ambt en is om die reden verwezen naar het vonnisgerecht. Om de schorsing te rechtvaardigen, is de overheid van oordeel dat het imago van de politie zwaar zou worden geschaad, indien op een dag zou blijken dat een PL schuldig wordt bevonden aan dergelijke misdrijven, en al die tijd in functie is kunnen blijven.

    *

  • Voor de RvS is die redenering niet aangetast door een appreciatiefout. De overheid heeft immers niet alle tenlasteleggingen als bewezen weerhouden en heeft de moeite gedaan om in de motivering van de bestreden akte, het vermoeden van onschuld aan te voeren. Tenslotte, het behoud van het PL in de schoot van de dienst en het feit dat hij de goede werking van de dienst niet in het gedrang heeft gebracht, zoals zijn hirarchische overste het onderstreept,*

  • is niet van aard om de juistheid van de beslissing om hem, na zijn verwijzing naar het vonnisgerecht, uit de dienst te verwijderen in twijfel te trekken, temeer daar een dergelijke verwijzing aan de TO de gelegenheid heeft gegeven de opportuniteit van de verwijdering opnieuw te evalueren.

    Dus, verwijzing naar het vonnisgerecht = nieuw element, nieuwe beslissing door een andere rechter, dus mogelijkheid te schorsen vanaf dan?

    *

  • Overwegende dat met betrekking tot de artikelen 128 en 130 Wsv., de raadkamer bevoegd is om een IVG naar de correctionele rechtbank te verwijzen wanneer zij vaststelt dat er voldoende bezwaren zijn tegen de betrokkene , of in het tegenovergestelde geval, een buitenvervolgingstelling uit te spreken, wanneer dergelijke bezwaren niet voorhanden zijn. Een verwijzing naar het vonnisgerecht veronderstelt dat een veroordeling van het PL mogelijk is, omdat voldoende aanwijzingen bestaan dat het betrokken is bij het plegen van misdrijven.

    *

  • In tegenstelling tot een aantal van zijn collegas, heeft het PL in dit stadium van de procedure, niet kunnen genieten van een buitenvervolgingstelling of van een opschorting van de uitspraak. Als gevolg van de verwijzing naar het vonnisgerecht , kan de TO de mening zijn toegedaan, zonder een manifeste beoordelingsfout te maken, dat de aanwezigheid van het PL in de schoot van de politie problematisch wordt, met name met betrekking tot het imago van waardigheid en respect dat een politiekorps naar de bevolking moet uitstralen, rekening houdende met de ernst van de feiten van geweld tegen personen.*

  • Tussen het moment van de inbeschuldigingstelling en de verwijzing naar het vonnisgerecht is het perfect mogelijk dat de TO besluit niet op te treden op administratief vlak met het oog op het bekomen van meer precieze elementen wat betreft de betrokkenheid van de politieman in de vervolgde feiten, in het bijzonder wanneer hij de feiten die hem strafrechtelijk worden ten laste gelegd, ontkent. Trouwens, een maatregel van schorsing in het belang van de dienst heeft geen tuchtrechtelijk karakter. *

  • Wanneer de overheid zich steunt op het bestaan van een strafvervolging, dan moet zij rekening houden met de aard van de ten laste gelegde feiten, en ook met het bestaan van aanwijzingen van betrokkenheid bij het plegen van de strafbare feiten. In deze context kan de beslissing tot verwijzing naar de correctionele rechtbank beslissend zijn, wat betreft de vraag of de aanwezigheid van het PL in zijn dienst al dan niet nog wenselijk is, zelfs wanneer hij in dit stadium van de procedure nog geniet van het vermoeden van onschuld.. *

  • Overigens toont de bestreden akte op gedetailleerde en omstandige wijze de redenen aan waarom de overheid heeft geoordeeld dat het behoud van het PL in functie, onverenigbaar is het belang van de dienst. De akte getuigt van een ernstig onderzoek van de argumenten van het PL. De overheid heeft de voorlopige schorsing gerechtvaardigd omdat, indien de door de gerechtelijke overheid weerhouden bezwaren zouden worden aangetoond, die van aard zijn om het vertrouwen van de overheid in het PL te verbreken. De overheid heeft ook rekening gehouden met het imago van de federale politie en het risico op recidive. *

  • De volgende beslissingen worden aangevochten bij de RvS: 1 het bevel van de burgemeester voorzitter van het politiecollege PZ Noordoost Limburg tot voortzetting/hervatting van het werk naar aanleiding van een stakingsaanzegging 2 de nominatieve aanwijzing van de PL door de korpschef 3 de dienstplanning opgesteld door de dienst Operaties.

    *

  • Op 22 augustus 2014 dienen een aantal syndicale organisaties van het politiepersoneel een stakingsaanzegging in voor de periode van 8 september 2014 tot en met 5 januari 2015.Op 5 november 2014 brengt de burgemeester - voorzitter van het Politiecollege het volgende ter kennis van de betrokken PL.

    *

  • De burgemeester voorzitter van het Politiecollege heeft het bevel gegeven, wat betreft de uitvoering van de volgende opdrachten, het werk te hervatten, in voorkomend geval voort te zetten, gedurende de periode van 8 september 2014 vanaf 00.01 uur tot 5 januari 2015 om 23.59 uur. Uit de overgelegde dienstplanning blijkt dat het PL is ingepland voor diverse diensten in de periode 1 november 2014 - 4 januari 2015.*

  • Het PL roept de beperking in tot het uitoefenen van zijn stakingsrecht, terwijl de overheid aanvoert dat op 15 december, dag van de nationale staking, de betrokkene geen dienst heeft, wat hem de mogelijkheid geeft die dag te staken of te manifesteren.

    *

  • Volgens de RvS, lijkt de overheid niet te beseffen dat, vermits de stakingsaanzegging loopt tot 5 januari 2015, het PL wegens het gegeven bevel waarvan hij het voorwerp uitmaakt, in de periode van de stakingsaanzegging zijn recht op staken niet zal kunnen uitoefenen op het ogenblik dat hij besluit om daadwerkelijk te staken.

    *

  • De RvS stelt vast dat geen enkele beslissing van het politiecollege voorligt. Voorts wordt door de overheid erkend dat er evenmin notulen zijn van een vergadering van het politiecollege waaruit de (eerste) bestreden beslissing zou blijken, noch dat er een agenda of oproeping bestaat waaruit blijkt dat dit punt werd geagendeerd.

    *

  • Er is dus sprake van een schending van het artikel 126, 2, WGP. *

  • *Artikel 126 WGP onderwerpt de uitoefening van het stakingsrecht van politieambtenaren aan bepaalde voorwaarden en laat het politiecollege toe maatregelen te nemen om de continuteit te verzekeren van de dienstverlening waartoe het politieapparaat, dat instaat voor het verzekeren van de naleving van de wetten en de handhaving van de openbare orde en veiligheid, verplicht is. Het uitvaardigen van die maatregelen, die voor de politieambtenaren neerkomen op een beperkt - stakingsverbod, is afhankelijk gesteld van de naleving van bepaalde vormvoorschriften die erop gericht zijn de beperkingen aan het stakingsrecht organisatorisch precies te regelen.

  • Zo moeten de voorgenomen maatregelen vooraf onder meer aan de syndicale organisaties worden medegedeeld. Dit vormvoorschrift kadert in de opgezette overlegstructuur waarbij de syndicale organisaties de mogelijkheid moeten krijgen om te beoordelen of de geplande maatregelen het nodige evenwicht houden tussen het stakingsrecht van het personeel en het belang van de openbare dienstverlening, die een grote beschikbaarheid van de politieambtenaren vereist (Parl. St. Kamer, 1997-1998, nr. 1676/1, 76) . Aldus begrepen gaat het om een substantieel voorschrift.

    *

  • Het belang van het woord vooraf was door de wetgever terdege gekend, aangezien die, ingaand op een bemerking van de Raad van State, de Franse tekst expliciet heeft aangevuld (Parl. St. Kamer, 1997-1998, nr. 1676/5, 36 en nr. 1676/8, 93). De inhoud ervan is ook duidelijk: de mededeling moet gebeuren alvorens het voornemen in een beslissing wordt omgezet.

    *

  • Op welke wijze en hoelang op voorhand de mededeling van het voornemen moet gebeuren, wordt door de wetgever niet bepaald. Het is evenwel evident dat, om nut te kunnen hebben, deze mededeling de syndicale organisaties moet toelaten hun aanmerkingen te bezorgen binnen het tijdsbestek dat het politiecollege hen, rekening houdend met de spoed waarbinnen het zelf moet handelen, geeft.

    *

  • De bestreden beslissing verwijst naar de vaststelling van een minimale bezetting in geval van staking, zoals besloten na overleg in het basisoverleg comit BOCPol 132 van 17 maart 2003.

    *

  • Deze vroegere, voorafgaande bespreking in een basisoverleg comit, los van de aangezegde staking en de naar aanleiding van die staking noodzakelijke geachte maatregelen, voldoet niet aan de vereisten van artikel 126 WGP. Daaruit volgt dat er geen rechtsgeldige, voorafgaande mededeling in de zin van artikel 126 WGP is gebeurd.

    *

  • Zie ook:

    RvS, 5 november 2014, n229.080, DESMIDT*

  • Een PL is afwezig, onder dekking van een medisch attest, tot 31 juli. Een ander medisch attest van 3 juli, vermeldt zijn opname in het UZ Gent op die datum, maar zonder einddatum noch melding van de aard van de opname. Op 5 augustus stuurt de CP H. het PL een aangetekende brief met de melding dat er geen verlenging van de afwezigheid na 31 juli voorligt. Noch de medische dient in Brussel, noch die in Brugge zijn op de hoogte van een eventuele verlenging.*

  • Op 10 augustus informeert de zoon van het PL de dienst dat zijn vader nog steeds gehospitaliseerd is sedert 3 juli. Het is slechts op 12 augustus dat een brief uitgaande van het UZ Gent de politiezone bereikt, vergezeld van het administratief luik van het medisch attest. De brief maakt melding van een afwezigheid van 1 augustus tot 31 oktober. De behandelende arts heeft het administratief luik vervolledigd en gedateerd op 12 augustus. *

  • *Tuchtmaatregelen zijn erop gericht een ambtenaar te bestraffen voor een schuldige gedraging of tekortkoming. Het element schuld is bijgevolg een wezenlijk gegeven van elke tuchtvordering, zonder hetwelk geen tuchtstraf opgelegd kan worden. Feiten die in beginsel aanleiding kunnen geven tot een tuchtrechtelijk optreden, kunnen verschoond worden. De gezondheidstoestand van de betrokkene op het ogenblik van de ten laste gelegde feiten kan een verschoningsgrond opleveren.

  • Indien blijkt dat de feiten te verklaren zijn door de gezondheidstoestand van de betrokkene, of met andere woorden dat de betrokkene omwille van zijn gezondheidstoestand niet verantwoordelijk gesteld kan worden voor de feiten, kan de tuchtoverheid hem daarvoor geen tuchtstraf opleggen.

    *

  • Het PL toont aan dat de overheid op de hoogte was en een afdoende kennis had van het ziektebeeld waarvoor hij arbeidsongeschikt is sinds 18 april 2013. Voorts kan hij worden bijgetreden dat in deze tuchtprocedure hij via zijn tuchtverdedigers, zowel schriftelijk als mondeling tijdens de hoorzitting, uitdrukkelijk verwees naar zijn gezondheidstoestand als verschoningsgrond voor het hem ten laste gelegde tuchtvergrijp. De TO had ook kennis van het feit dat het PL een beroep moest doen op zijn kinderen om tegemoet te komen aan de formaliteiten inzake ziektemelding.

    *

  • Uit hetgeen voorafgaat volgt dat de TO rekening had moeten houden met deze elementen bij het nemen van haar beslissing. De formele motivering van de bestreden beslissing noch de stukken van het dossier doen blijken dat de TO de gezondheidstoestand van het PL bij haar beoordeling van de schuldvraag, als wezenlijk onderdeel van het tuchtvergrijp, heeft betrokken.

    *

  • Correctionele rechtbank:De tenlastelegging - op 15 februari 2012 een voertuig te hebben bestuurd in staat van dronkenschap of in een soortgelijke staat o.m. ten gevolge van het gebruik van drugs of van geneesmiddelen - bewezen geacht, wordt de in eerste aanleg opgelegde geldboete bevestigd en wordt verzoeker vervallen verklaard van het recht om motorvoertuigen te besturen voor een termijn van twee maanden.

    *

  • Op 25 februari 2014 beslist de KC in zijn hoedanigheid van GTO, de burgemeester als HTO te adiren met het oog op de eventuele tuchtvervolging inzake vaststellingen op 27 september 2013 en 23 december 2013 dat het PL op het werk onder invloed van alcohol was. Op 10 maart 2014 stelt de HTO het IV op met betrekking tot de voormelde feiten van 15 februari 2012, 27 september 2013 en 23 december 2013. De voorgestelde straf is het ontslag van ambtswege.

    *

  • Het PL voert de schending aan van de artikelen 24 en 31 TW, in die zin dat hij verantwoordelijk is als functioneel beheerder voor het Lokaal Informatiekruispunt en ook alle noodzakelijke opleidingen heeft gevolgd. Nu hij belast was met het beheer van de nationale algemene gegevensbank, waren volgens hem de geschonden geachte bepalingen op hem van toepassing. Geen van de voorziene vereisten werden gerespecteerd.

    *

  • Artikel 24 TW voorziet dat in de volgende gevallen het eensluidend advies van de minister van Justitie vereist is voor een straf van ontslag van ambtswege of van afzetting en zijn advies voor de overige zware tuchtstraffen :1 ()2 ()3 wanneer het de bestraffing betreft van een PL belast met het beheer van de gegevensbank bedoeld in artikel 44/4 WPA.

    *

  • De vraag die hier moet beantwoord worden is te weten of het PL, functioneel beheerder van een Lokaal Informatiekruispunt, de hoedanigheid heeft van beheerder van de ANG.

    *

  • Artikel 44/11, 2 WPA bepaalt dat : De politieambtenaren belast met het beheer van de A.N.G. worden aangewezen door de Koning na advies van het in artikel 44/6 bedoelde Controleorgaan. () Een tuchtrechtelijke procedure ten aanzien van deze politieambtenaren voor feiten gepleegd tijdens de duur van hun aanwijzing kan slechts worden ingesteld met instemming of op bevel van de minister van Binnenlandse Zaken. Het advies van het Controleorgaan wordt ingewonnen voor tuchtprocedures die niet door de minister bevolen worden.

    *

  • Hieruit volgt dat, niet benoemd zijnde door de Koning en vooral geen lid te zijn van de directie belast met de ANG, betrokkene niet kan beschouwd worden als een politieambtenaar belast met het beheer van de ANG.

    Enkel DGR (Directeur-generaal van het middelenbeheer en de ICT) en de directeur DRI en de adjunct-directeur DRI zijn te beschouwen als zijnde belast met het beheer van de ANG. *

  • In dit dossier roept het PL, dat strafrechtelijk veroordeeld is, de schending in van het principe non bis in idem. Volgens de rechtspraak van het EHRM verbiedt het beginsel non bis in idem een persoon te vervolgen of te berechten voor een tweede misdrijf voor zover identieke feiten of feiten die in hoofdzaak dezelfde zijn, eraan ten grondslag liggen (EHRM (Grote kamer) 10 februari 2009, Zolotoukhine t. Rusland, punt 82; EHRM 14 januari 2014, Muslija t. Bosni en Herzegovina, punt 33.

    *

  • Uit wat voorafgaat volgt dat noch het aangehaalde algemene rechtsbeginsel, noch artikel 4 van het Protocol nr. 7 bij het EVRM, beletten dat een persoon voor hetzelfde feit, enerzijds, het voorwerp uitmaakt van een tuchtprocedure, en, anderzijds, strafrechtelijk is vervolgd, wanneer die tuchtprocedure niet de kenmerken van een strafrechtelijke procedure in de zin van het artikel 4, lid 1 van het Protocol nr. 7 vertoont.

    *

  • Volgens de constante rechtspraak van het EHRM, moet het al dan niet bestaan van een strafrechtelijke procedure genterpreteerd worden op basis van drie criteria, gewoonlijk de Engel-criteria genoemd (Engel t. Nederland, 8 juni 1976). Ten eerste wordt de juridische kwalificatie van de inbreuk naar intern recht onderzocht; ten tweede de aard van de inbreuk en ten derde de zwaarte van de sanctie die aan de betrokken kan worden opgelegd.

    *

  • Aan het PL is een tuchtstraf opgelegd zoals bepaald in artikel 5 van de tuchtwet. Aangaande het eerste Engel criterium, moet worden opgemerkt dat, in het licht van de autonomie van het tuchtrecht ten opzichte van het strafrecht, de in de tuchtwet vastgestelde maatregelen internrechtelijk niet worden geacht strafrechtelijk van aard te zijn.

    *

  • Wat de toetsing betreft aan het tweede Engel criterium, dat volgens het EHRM het belangrijkste is blijkt dat de tuchtprocedure niet tot voorwerp heeft het besturen door verzoeker van een voertuig in dronken toestand, zijnde een strafbaar feit. Het PL onderging een tuchtprocedure voor het aannemen van een houding, gedrag of handelingen die de waardigheid van het ambt aantasten, en voor het tekort komen aan zijn beroepsplichten als politieambtenaar.

    *

  • Deze tuchtvergrijpen betreffen niet alle burgers, maar richten zich slechts tot de personeelsleden van het operationeel kader en van het administratief en logistiek kader van de politiediensten en de algemene inspectie zoals bepaald in artikel 2 van de tuchtwet. Het sanctioneren in hoofde van deze personeelsleden van specifieke deontologische waarden en plichten, is duidelijk tuchtrechtelijk van aard.

    Ces transgressions disciplinaires ne concernent pas tous les citoyens mais seulement les membres des services de police et de lAIG viss larticle 2 LD. La sanction de la violation de ces valeurs et devoirs spcifiquement dontologiques est clairement de nature disciplinaire.

    *

  • Wat het derde Engel criterium betreft, zijn de mogelijke tuchtrechtelijke sancties opgesomd in de artikelen 4 en 5 TW. Het ontslag van ambtswege kan niet worden verward met een strafrechtelijke sanctie en maakt dat het niet kan worden beschouwd als een straf in de zin van artikel 6 EVRM. De tuchtstraffen houden geen rechtstreekse of onrechtstreekse mogelijkheid tot vrijheidsberoving in, noch houden ze een verbod in om diverse beroepen gedurende een bijzonder lange periode uit te oefenen.

    *

  • Conclusie: het ontslag van ambtswege is geen sanctie van strafrechtelijke aard in de zin van het principe non bis in idem en in de zin van artikel 4, lid 1 van het Protocol nr. 7 bij het EVRM.*

  • Een PL is ingevolge een onderzoek van de AIG, naar feiten van aanranding van de eerbaarheid en ongewenste intimiteiten, geschorst. Deze beslissing wordt bestreden bij de RvS maar niet geschorst, noch vernietigd. Het PL is gestraft met een schorsing van 3 maanden die door de RvS wordt vernietigd. Zowel in 1 aanleg als in beroep wordt het PL vrijgesproken omdat de feiten naar recht, onvoldoende bewezen zijn. Het Politiecollege maakt een einde aan zijn schorsing en detacheert het PL naar het AIK. Het verzoek tot schorsing van de detachering wordt verworpen, maar zal daarna toch worden vernietigd ()

    Un MP est suspendu suite une enqute de lAIG relative des faits dattentat la pudeur et de harclement sexuel. Attaque devant le CE, cette dcision nest ni suspendue ni annule. Le MP est sanctionn dune suspension de 3 mois, annule par le CE. Le MP est nouveau suspendu. En premire instance et en appel, le MP est acquitt parce que les faits ne sont pas prouvs suffisance de droit. Le collge de police met fin sa suspension et le dtache structurellement au CIA. La demande de suspension de ce dtachement est rejete mais la dcision sera ensuite annule, *

  • () omdat de detachering gemotiveerd is door een verlies van vertrouwen als gevolg van de feiten voor dewelke hij strafrechtelijk is vrijgesproken, hetgeen neerkomt op een miskenning van het strafrechtelijk gezag van gewijsde. Een tweede detachering naar hetzelfde AIK wordt door de RvS vernietigd als volgt: Het PL is herplaatst geworden om de capaciteit van het AIK te versterken. Deze beslissing geeft niet aan waarom juist dat PL het personeelstekort in het AIK moet aanvullen.

    *

  • De reden is ook niet terug te vinden in het advies van de KC. De ruime discretionaire bevoegdheid van het Politiecollege in deze zaak, belet niet dat het PL zich mag verwachten aan een uitleg waarom juist hij is aangeduid om gedetacheerd te worden. Door de beslissing niet voldoende toe te lichten laat de overheid het PL niet toe de impact van zijn verleden te bepalen op de aangevochten beslissing. Men kan het PL dan ook niet verwijten dit te beschouwen als een middel tot vernietiging van de beslissing.

    *

  • Met betrekking tot de derde poging van het Politiecollege, roept het PL de schending in van het recht op verhoor en van het zorgvuldigheidsbeginsel, omdat het zijn standpunt niet behoorlijk naar voren heeft kunnen brengen. Het werd nochtans uitgenodigd voor een verhoor en heeft de kans gekregen een verweerschrift in te dienen, maar het is van oordeel dat de beslissing tot detachering reeds genomen was vooraleer de overheid kennis had genomen van de elementen van zijn verweer.

    *

  • Het PL voert daaromtrent aan, dat de beslissing genomen is op de dag zelf van zijn verhoor, tijdens dezelfde zitting van het Politiecollege, dat de beslissing in niets afwijkt van het advies van de KC en dat daaruit blijkt dat zijn opmerkingen niet in overweging werden genomen.Voor de RvS is het de taak van de TO om aan te tonen dat zij het verweer van het PL in overweging heeft genomen bij het nemen van de beslissing. Uit de bestreden beslissing blijkt niet dat zij dit heeft gedaan.

    *

  • Uit de notulen en de aangevochten beslissing blijkt dat het Politiecollege het verweerschrift heeft ontvangen en dat het college heeft vastgesteld dat het PL zijn verweer niet heeft toegelicht tijdens het verhoor. Aldus heeft het college de indruk gewekt dat het met het verweerschrift geen rekening diende te houden. Het is de taak van het Politiecollege om door middel van de notulen aan te tonen dat het wel degelijk rekening heeft gehouden met het verweer in de besluitvorming.

    *

  • Om de hoorplicht enige zin te geven moet de TO rekening houden met de argumenten van de betrokken personen in de beslissing. Dat betekent concreet dat het college over die argumenten delibereert en uitlegt waarom zij al dan niet een invloed hebben op de betreffende beslissing.Bij gebreke daaraan wordt de hoorplicht geschonden. Het middel is bijgevolg ernstig.

    *

  • Overwegende dat uit het sociaal onderzoek blijkt dat het PL geplaagd werd door bijzonder pijnlijke familiale problemen, die toelaten het alcoholgebruik waarvoor hij zich in staat van recidive bevond, in de juiste context te plaatsen.Dat de TO, die het PL reeds had gesanctioneerd voor gelijkaardig gedrag, zonder twijfel reeds was ingelicht over de familiale problemen waarmee het PL werd geconfronteerd.

    *

  • Dat inderdaad, de omstandigheid dat het PL bekleed was met een functie met verantwoordelijkheid op het vlak van de veiligheid, de ernst van het tuchtvergrijp versterkt.Dat neemt niet weg dat, in het licht van de situatie van het PL, zoals uiteengezet in het sociaal onderzoek, de TO in de motivering van de bestreden beslissing moet aantonen dat zij wel degelijk rekening heeft gehouden met deze elementen.

    *

  • Overwegende dat de opdracht van de preventieadviseur, volgens de artikelen 4 en 5 van het KB van 27 maart 1998, bestaat uit het bijstaan van de werkgever in de toepassing van de maatregelen voorzien bij de welzijnswet, hetgeen betekent, iemand in de uitoefening van zijn functie helpen, bijstaan en ter beschikking zijn. Het gaat over hulp en medewerking en het aanbieden aan de werkgever van de diensten die hij nodig heeft.

    *

  • In deze verwijt de overheid de PA geen risicoanalyses, betrekking per betrekking te hebben voorbereid; geen rapporten te hebben verzameld; de sociale inspectie niet de gevraagde informatie te hebben gegeven; aan de diensthoofden niet de gevraagde ondersteuning te hebben gegeven door hen de reeds ingevulde evaluatiefiches voor de bestaande betrekkingen niet te hebben bezorgd en blijk te hebben gegeven van een gebrek aan beroepsernst door bij te dragen aan het deelnemen of in stand houden van overtredingen op de welzijnswet.

    *

  • De overheid heeft eveneens aangetoond dat de PA, hoewel hij een vergadering met de diensthoofden had gehouden om hen te informeren over de noodzaak een risicoanalyse te maken betrekking per betrekking, hen geen bijstand heeft verleend door hen de evaluatiefiches voor de werkposten over te maken. De preventieadviseur moet in alle onafhankelijkheid kunnen optreden, zoals voorzien door art. 43 van de wet van 4 augustus 1996 en art. 25 van het KB van 27 maart 1998.

    *

  • De overheid verwijt het PL tekort te zijn geschoten in zijn algemene verplichtingen als ambtenaar, blijk te hebben gegeven van een gebrek aan beroepsernst en te hebben bijgedragen aan de deelname en het in stand houden van inbreuken op de welzijnswet. Als het juist is dat het niet aan de PA toekomt de termijnen te respecteren die door de sociale inspectie zijn vastgesteld, die naar aanleiding van de bezoeken een aantal overtredingen heeft ontdekt, dan is het wel gehouden de overheid bij te staan om haar in staat te stellen de situatie te regulariseren binnen de door de SI vastgestelde termijnen.

    *

  • De wet van 20 december 2002 houdende de bescherming van de preventieadviseurs verzekert de bescherming tegen ontslag of de beindiging van de statutaire betrekking en verwijdering van de preventieadviseurs, maar voorziet geen enkele beperking wat betreft de tuchtmaatregelen die geen aanleiding geven tot hun ontslag of tot hun verwijdering. De motivering van de bestreden akte laat de verzoeker toe de feitelijke elementen en de motieven, die de beslissing ondersteunen, naar recht te begrijpen.

    *

  • Overwegende dat uit een uittreksel van de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Oupeye, afgeleverd op 14 februari 2014, blijkt dat het PL op 30 januari 2014 in Oupeye is overleden.*

  • *Overwegende dat de griffie de rechthebbenden en de TO heeft ingelicht over voornoemd overlijden, over de schorsing van de procedure gedurende een termijn van 3 maanden en 40 dagen vanaf het overlijden, die aan de erfgenamen wordt toegekend om inventaris te maken en te delibereren en de mogelijkheid om het geding te hervatten. Overwegende dat de raadsman van wijlen het PL de RvS heeft ingelicht dat de erfgenamen het geding niet wensen te hervatten, het passend is de zaak van de rol te schrappen.

  • Een PL is het voorwerp van ontslag van ambtswege dat geschorst wordt door de RvS. Het PL wordt terug in dienst genomen en daarna onmiddellijk geschorst.

    Is dat mogelijk gelet op het feit dat de TP is beindigd? *

  • Het PL beweert dat als gevolg aan het arrest van 21 december 2012 houdende de schorsing van de uitvoering van de tuchtstraf ontslag van ambtswege, de TO gehouden is hem terug in de dienst op te nemen en geen nieuwe maatregel tot preventieve schorsing kan opleggen vermits de tuchtprocedure ten einde is.Uit deze redenering zou volgen dat bij de minste schorsing van uitvoering van een tuchtrechtelijke beslissing, de overheid niet meer in staat zou zijn te oordelen over de vraag of de aanwezigheid van het PL in de dienst nog wenselijk is.

    *

  • De overheid zou verplicht worden de voortzetting van de procedure tot vernietiging voor de RvS niet te vragen en over te gaan tot het intrekken van de bestreden sanctie. De schorsing van een tuchtbeslissing verplicht de overheid het PL terug op te nemen maar kan haar niet beletten te blijven waken over het belang van de dienst. Van zodra de tuchtbeslissing geen effect meer heeft, maar de strafprocedure nog loopt, is er reden om te overwegen dat een maatregel van preventieve schorsing mogelijk blijft op voorwaarde dat de eisen van de procedure worden gerespecteerd.

    *

  • Overwegende dat de huidige procedure betrekking heeft op een maatregel van voorlopige schorsing die van nature verschilt van de tuchtmaatregel. Dat in het kader van een procedure van voorlopige schorsing het er op aankomt de gegrondheid van de vermoedens met betrekking tot bepaalde feiten die op de betrokkene wegen, na te gaan en niet het bestaan ervan te bewijzen.Overwegende dat de tenlastelegging waarvan het PL het voorwerp uitmaakt voor feiten van misbruik van vertrouwen, verduistering van fondsen, diefstal

    *

  • als dader, mededader of medeplichtige, ernstige vermoedens doen ontstaan met betrekking tot het opzettelijk plegen van onregelmatigheden in de uitreiking van identiteitsbewijzen met het oog op persoonlijke verrijking.Overwegende dat de ernst van de aard van de feiten in kwestie, en dit los van het aantonen van de materialiteit ervan dat zijn plaats niet heeft in deze procedure, de verwijdering uit de dienst in afwachting van het resultaat van het strafproces, rechtvaardigt.

    *

  • Het is noodzakelijk dat de burger vertrouwen kan hebben in de mensen die werken in de administratie, en dit ongeacht hun aanstelling. Het feit een werknemer in dienst te houden die het voorwerp uitmaakt van tenlasteleggingen van dergelijke aard, berokkent schade aan het vertrouwen dat de burger geacht wordt te verwachten van zijn gemeentebestuur en als gevolg ook aan het imago van de stad.Dat imago zou ernstig worden besmeurd indien zou blijken dat, een werknemer die schuldig wordt bevonden voor de feiten die hem ten laste werden

    Il est indispensable que les citoyens puissent avoir confiance dans les agents qui travaillent au sein de leur administration communale et ce, quelle que soit leur affectation. Le fait de maintenir en service un agent qui fait l'objet d'une inculpation de tels chefs est de nature nuire la confiance que le citoyen est en droit d'attendre de son administration communale et par consquent l'image de la Ville. Cette image serait srieusement mise mal s'il devait s'avrer qu'un agent reconnu coupable des faits pour lesquels il a t inculp a t*

  • gelegd, in dienst is kunnen blijven gedurende het strafproces. Een dergelijke motivering laat toe te begrijpen waarom beslist werd tot de verwijdering uit de dienst. De overheid kan, op basis van de tenlastelegging, er rechtmatig van uitgaan dat op het PL zware vermoedens wegen met betrekking tot het opzettelijk begaan van onregelmatigheden in het uitreiken van identiteitsbewijzen. Zelfs indien de beschuldigde geniet van het vermoeden van onschuld, kan dit de administratieve overheid niet beletten te evalueren in hoeverre deze beschuldigingen een weerslag hebben op de goede werking van de dienst.

    *

  • Tenslotte, indien de beschuldiging van het PL tot dan toe geen voorlopige schorsing kon verantwoorden, is het omdat op het ogenblik van de inbeschuldigingstelling (4 januari 2012) het PL reeds het voorwerp uitmaakte van een schorsing , en nog voor deze tot haar einde kwam, de sanctie van ontslag van ambtswege werd opgelegd. Het middel is niet gegrond.

    *

  • De strafprocedure en de tuchtprocedure zijn in principe onafhankelijk van elkaar. Behoudens andersluidende bepaling, mag de TO zich op tuchtrechtelijk vlak uitspreken zonder de uitspraak van de strafrechter af te wachten. Maar indien de strafrechter vervolgens van mening is dat de omstreden feiten niet bewezen zijn, is de TO gehouden de tuchtsanctie in te trekken. De TO oordeelt zelfstandig of zij dat risico wil nemen en aldus handelend, schendt zij het zorgvuldigheidsprincipe niet.

    *

  • In deze heeft de correctionele rechtbank, in eerste aanleg geoordeeld dat het PL schuldig is aan de hem (strafrechtelijk) ten laste gelegde feiten. Dit versterkt de analyse van de TO die oordeelde over voldoende bewijskrachtige gegevens te beschikken om over de tuchtvordering uitspraak te doen.

    *

  • Een PL voert de schending aan van de gecordineerde bestuurstaalwetten, in zoverre geen enkel stuk van het tuchtdossier in het Frans werd vertaald, terwijl het recht van verdediging inhoudt dat het dossier in de correcte taal dient te worden vertaald ten einde toe te laten aan alle partijen en in casu vooral het politiecollege, dit voldoende te begrijpen.

    *

  • Hij licht toe dat het politiecollege, als orgaan van een bestuursoverheid die in het tweetalig gebied Brussel werkzaam is, hem de zekerheid moet kunnen verschaffen dat al zijn leden de gegevens van de zaak voldoende konden begrijpen om aldus te kunnen meewerken aan een correcte beslissing. Hij stelt dat hij er recht op heeft door alle leden van het politiecollege begrepen te worden en dat het bestuur de verplichting had om de tuchtprocedure op die wijze te organiseren, door ervoor te zorgen dat de stukken vertaald werden en een tolk te voorzien, om toe te laten dat alle leden van het politiecollege, waarvan de wet niet vereist dat zij tweetalig zijn, op gelijke wijze aan het debat zouden deelnemen.

    *

  • Wanneer het politiecollege optreedt als HTO, rust op hem de verplichting er zorg voor te dragen dat de tuchtprocedure verloopt met respect van het recht van verdediging. Hieruit volgt onder meer dat, indien dit politiecollege een tweetalig collectief orgaan is dat bestaat uit politieke mandatarissen die niet verplicht zijn te doen blijken van de kennis van het Frans en het Nederlands, eentalige stukken uit het tuchtdossier in vertaling in dit dossier moeten voorkomen, opdat deze voor alle leden van het politiecollege begrijpbaar zouden zijn, zodat de beslissing van dat tweetalig collectief orgaan wettig aan dat orgaan zou kunnen worden toegerekend als zijnde met de vereiste kennis van zaken genomen.

    *

  • De verwijzing door de TO naar artikel 23bis, 2, tweede lid, van het Brussels Gemeentelijk Kieswetboek is niet dienend, vermits dit niet aantoont dat alle burgemeesters die in de voorliggende zaak van het politiecollege deel uitmaakten, door een taalaanhorigheidsverklaring hebben bevestigd dat zij tot de Nederlandse taalgroep van de gemeenteraad behoren.De rechten van de verdediging zijn geschonden.

    *

  • Beslissing van de KC van 22 maart 2013 om aan een PL een blaam op te leggen.

    Op 28 juni 2013 beslist de KC het dossier zonder gevolg te klasseren. De partijen verklaren zich akkoord om deze beslissing te beschouwen als een intrekking van de akte. Het beroep bij de RvS is bijgevolg zonder voorwerp en niet meer nuttig

    Wie betaalt de kosten?

    *

  • De overheid.*

  • Betwist wordt de beslissing van de KC van de lokale politie van Antwerpen van 25 januari 2013 om een PL bij hoogdringendheid te ontheffen uit de functie van pelotonmanager bij de directie Operaties, dienst Algemene Reserve en Bijstand, en om hem te herplaatsen naar de afdeling Verkeer in de functie van stafmedewerker Training en Interne Communicatie.

    *

  • Het PL is van oordeel dat de bestreden ordemaatregel niet anders kan gelezen worden dan dat hem tekortkomingen worden verweten in het verlengde van de functioneringsnota van zijn afdelingschef. De KC moest dan ook de procedure van artikel 23 van het reglement op interne mobiliteit volgen, wat inhield dat de maatregel door minstens twee tegensprekelijke functioneringsgesprekken moest worden voorafgegaan. Als de bestreden beslissing slechts gedragingen in aanmerking neemt die de goede werking van de dienst verstoren, dan is artikel 22 van het reglement op interne mobiliteit geschonden.

    *

  • Volgens die bepaling moest het PL worden gehoord door een adviseur van de dienst HR en moest het HR comit het verzoek tot het nemen van een ordemaatregel beoordelen en de korpschef adviseren. Tot slot kan de KC gemotiveerd afwijken van die regels en moet hij, in dat geval, het directiecomit en het basisoverleg comit hiervan in kennis stellen tijdens de eerstvolgende vergadering. Het blijkt evenwel dat hieraan niet is voldaan.

    *

  • En zaak is de aard van de bestreden beslissing zoals die aard zich spontaan laat bepalen aan de hand van de vermeldingen van de beslissing. Een andere zaak is dat, mogelijk, de beslissing niet is wat ze lijkt te zijn, maar dat ze wezenlijk een ander karakter heeft dan normaal op zicht van haar vermeldingen moet worden aangenomen. Het PL meent dat de bestreden beslissing zich als een ordemaatregel presenteert, maar in feite een verkapte tuchtstraf uitmaakt. Vermits dit middel in het auditoraatsverslag niet werd onderzocht, kan de RvS er zich niet over uitspreken.

    *

  • De beslissing zou duidelijk uitwijzen dat ze niet is ingegeven door de gedragingen van het PL op zich, waarbij die gedragingen louter worden beschouwd als een element dat de goede orde verstoort, maar dat ze is opgelegd vanwege de tekortkomingen die werden vastgesteld in het functioneren van het PL. De RvS leest de beslissing anders. De eventuele tekortkomingen, noch de schuldvraag komen ter sprake. Er is wel sprake van een onoverbrugbaar gebleken vertrouwensbreuk tussen het PROA-team en het PL waardoor de werking van het PROA-team in het gedrang komt.

    *

  • In die omstandigheden wordt het nodig geacht om, met het oog op de goede werking van de dienst, de samenwerking tussen het PL en het team te beindigen. Dat daarom het PL wordt herplaatst, wordt hierdoor verantwoord dat het PROA-team een gespecialiseerd team betreft in wiens opleiding en training zwaar genvesteerd is en dat niet gemakkelijk vervangen kan worden. De nieuwe functie maakt deel uit van de cordinatie en leiding van de afdeling, vertoont geen enkel denigrerend karakter en is in overeenstemming met zijn graad.

    Dans ces circonstances, il a t considr ncessaire, pour le bon fonctionnement du service, de mettre fin aux relations de service entre lquipe PROA et le CP concern. Cest le CP qui a t dplac parce que lquipe PROA est une quipe spcialise, dont lquipement et lentrainement ont exig des investissements consquents et qui ne peut pas tre remplace aisment. Ensuite, la nouvelle fonction du MP fait partie de la coordination et de la direction du dpartement, na pas de caractre dnigrant et correspond son grade.*

  • De bestreden beslissing van de KC doet zich voor als een loutere ordemaatregel. Formeel beschouwd, kan er niet uit worden opgemaakt dat de bevolen herplaatsing gebeurde om reden dat het PL tekortkomingen beging die de goede werking van de dienst verstoorden. Als zodanig blijkt dan ook niet dat bij het nemen ervan artikel 23 van het reglement op interne mobiliteit moest zijn nageleefd.

    La dcision du chef de corps se prsente comme une pure mesure dordre. Considre formellement, il ne peut en tre dduit que la raffectation a t induite par des manquements, perturbant le bon fonctionnement du service, commis par le MP. Il ne semble donc pas que larticle 23 du rglement de mobilit interne devait tre respect.*

  • De beslissing vermeldt dat het duidelijk is dat de taakgerichte leidingstijl van het PL mee aan de basis ligt van de verstoorde verstandhouding en vertrouwensbreuk. Bijgevolg was ter zake in principe artikel 22 van het reglement op interne mobiliteit toepasselijk. De vereisten inzake het horen van de betrokkene door een adviseur van HR en het advies van het HR comit strekken ertoe de zorgvuldige totstandkoming van een eventuele ordemaatregel te waarborgen.

    La dcision mentionne quil est clair que le style de leadership du CP, ax sur la tche, est aussi la base de la perturbation de lentente et de la rupture de confiance. Il sen suit que larticle 22 du rglement de mobilit interne tait applicable en lespce. La procdure quil prvoit est garante dimpartialit et danalyse rigoureuse de la ncessit et de ladquation de la mesure dordre. Le CE prend en exemple la composition du comit HR, charg daviser le chef de corps en la matire.*

  • Het HR comit is samengesteld uit de verantwoordelijke rekrutering en loopbaanbeheer van de HRM afdeling, de maatschappelijk assistent van HRM als expert, het diensthoofd Intern Toezicht, een vertegenwoordiger van de korpschef, een vertegenwoordiger van de territoriale afdelingen, een vertegenwoordiger van de centrale afdelingen, en in geval van herplaatsingen bij ordemaatregel een vertegenwoordiger van elke representatieve vakorganisatie.

    *

  • * De overheid was reeds meer dan een maand vr het nemen van de bestreden beslissing van 25 januari 2013 op de hoogte van de definitieve vertrouwensbreuk die de beslissing beoogt te remediren. Dit spreekt de beweerde hoogdringendheid van de beslissing, om de procedure voorzien in het reglement van interne mobiliteit niet te respecteren afdoende tegen. Artikel 22 van het vermelde reglement is dus geschonden en leidt tot de vernietiging van de bestreden beslissing.

  • Op datum van 15 juli 2013 omstreeks 10 uur heeft uw leidinggevende u aangesproken met betrekking tot uw aanwezigheid, vr de verlofperiode, in het kwartier Cathdrale/Souverain-Pont, terwijl u toen en tot tweemaal toe, deed alsof u hem niet zag. Bij die gelegenheid heeft u ontkend daar te zijn geweest, niet zonder de leidinggevende te hebben uitgemaakt voor leugenaar en dit op een agressieve manier. U heeft niet geaarzeld uw stem te verheffen, op een manier dat uw staat van opwinding zichtbaar was vanuit verschillende burelen van uw dienst.

    *

  • Bijgevolg, verwijt ik u een agressieve houding tegenover uw leidinggevende te hebben aangenomen en hem op misplaatste wijze te hebben toegesproken. Ik verwijt u ook een ruzie met hem te hebben uitgelokt in de lokalen van uw dienst, zichtbaar voor verschillende collegas maar ook voor andere personen vreemd aan het politiekorps.

    *

  • Het PL stelt dat het informatieverslag van CP D. slechts een verzameling is van waardeoordelen en a priori onverenigbaar met de plicht tot onpartijdigheid. Hij voegt er aan toe dat de CP zelf betrokken is bij het conflict en leidt daaruit af dat de TO weinig of geen gezag kon verlenen aan het informatieverslag. Hij bevestigt dat het feit dat aanleiding heeft gegeven tot de opwinding door de TO niet is bewezen. Hij trekt daaruit het besluit dat het informatieverslag dat aan de basis ligt van de tuchtprocedure en deze schraagt, onregelmatig is en de procedure volledig bederft.

    *

  • Overwegende dat het informatieverslag van CP D. geen akte is van de tuchtprocedure maar een akte die de procedure voorafgaat. Dat het principe van onpartijdigheid niet geldt voor diegene die zich het slachtoffer voelt van een gedraging en ze daarom aangeeft. Uit het verhoor van Inspecteur P. van 25 oktober 2013 blijkt dat CP D. geen enkele druk op hem heeft uitgeoefend om de waarheid te verdraaien. Het middel is niet gegrond.

    *

  • Overwegende dat aan het PL wordt verweten een gebrek aan respect te vertonen en de stem te verheffen ten overstaan van zijn hirarchische meerdere, hem als leugenaar te bejegenen en ruzie te hebben gemaakt in de lokalen van de dienst, hoorbaar voor de andere leden van het personeel en personen vreemd aan de dienst. Deze feiten zijn vastgesteld aan de hand van getuigenissen die aan het dossier werden toegevoegd en niets laat veronderstellen dat deze niet juist zouden zijn. De plicht tot respect voor de hirarchie sluit de mogelijkheid niet uit een andere mening te hebben

    *

  • dan die van de meerdere, maar laat niet toe de stem te verheffen op een weinig vriendelijke toon, in het bijzonder wanneer dit gebeurt in de aanwezigheid van andere leden van het personeel en zelfs van derden. In die omstandigheden heeft de TO, zonder een manifeste appreciatiefout te maken, kunnen oordelen dat de aan het PL verweten houding een tuchtvergrijp uitmaakt.Het middel is in elk onderdeel ongegrond.

    *

  • Het PL voert eveneens een schending aan van de wet van 10 mei 2007 inzake discriminatie in het algemeen en in het bijzonder de discriminatie op basis van syndicale overtuiging. Het Infoverslag is afkomstig van een meerdere waarvan is gebleken dat zijn beslissing, althans gedeeltelijk, gebaseerd is op het lidmaatschap van het PL van een syndicale organisatie, hetgeen zou blijken uit het tweede verhoor van Inp P. Overwegende dat uit niets blijkt dat de bestreden akte gemotiveerd is door het lidmaatschap van een vakbond. Het middel is niet gegrond.

    *

  • Kan de aanwezigheid van 4 gemeenteraadsleden bij de stemming, waaraan zij niet hebben deelgenomen, terwijl zij niet aanwezig waren tijdens het verhoor van het PL of die de zitting tijdens het verhoor hebben verlaten, een aantasting betekenen van de rechten van de verdediging?

    *

  • Overwegende dat, wanneer de 4 afwezige gemeenteraadsleden of zij die de hoorzitting hebben verlaten, niet hebben deelgenomen aan de stemming voor de bestreden tuchtstraf, hun eenvoudige aanwezigheid op het ogenblik van de stemming geen aantasting betekent van de rechten van de verdediging. Trouwens het PL toont niet aan in hoeverre er een zweem van partijdigheid op de gemeenteraadsleden zou kunnen wegen en hun eenvoudige aanwezigheid op het ogenblik van de stemming in zijn nadeel zou kunnen spelen.

    *

  • Temeer daar de stemming geheim was, hetgeen van aard is de onafhankelijkheid van elk lid dat aan de stemming deelneemt te garanderen. De aangevoerde onbevoegdheid die door de aanwezigheid van de gemeenteraadsleden zou zijn ontstaan, berust op een verwarring van de begrippen bevoegdheid en onpartijdigheid van de overlegorganen en vergaderingen en is aldus ontdaan van enige pertinentie.Het middel is niet gegrond.

    *

  • Dit betreft de aangenomen beslissing door het Politiecollege van 16 december 2014, die op datum van 15 december 2014 een PL voorlopig schorst voor de duur van 4 maanden, en die de beslissing van de KC van 10 december 2014 bevestigt (maatregel vergezeld van een inhouding van wedde van 25%).

    *

  • Overwegende dat, in overeenstemming met de bepalingen van art. 61, derde lid TW, de betekening van de uitnodiging u in kennis heeft gesteld van uw recht om onverwijld gehoord te worden, na de uitspraak van de voorlopige schorsing bij hoogdringendheid. Overwegende dat u geen gevolg heeft gegeven aan deze uitnodiging en dat u, tot 16 december 2014 om 17 uur, geen teken van leven heeft gegeven teneinde in overleg met de KC, een ander moment te vinden om gehoord te worden in overeenstemming met uw rechten.

    *

  • Overwegende dat de maatregelen van voorlopige schorsing die ten aanzien van het PL zijn genomen, gebaseerd zijn op feiten die zich einde 2013 hebben afgespeeld. Dat deze feiten zijn opgenomen in een intern informatieverslag van 24 november 2014 en dat ze vanaf dat ogenblik lijken te zijn meegedeeld aan de PdK. Het feit dat de TO op 8 december 2014, als gevolg van de aangifte van de feiten, kennis heeft genomen van de opening van een opsporingsonderzoek, is niet van aard om aan de voorwaarden van hoogdringendheid te voldoen

    *

  • die reeds aanwezig waren vanaf de kennisname van de feiten, waardoor de TO ontegensprekelijk beschikte over de mogelijkheid het PL te horen vooraleer tot een eventuele onmiddellijke verwijdering over te gaan. De termijn die noodzakelijk was voor zijn verhoor was niet van aard om de belangen van de dienst in gevaar te brengen omdat het PL op dat moment in ziekteverlof was onder dekking van een medisch getuigschrift met toelating om uit te gaan. Het middel is bijgevolg gegrond.

    *

  • Overwegende evenwel, dat volgens het AD de aangetekende zending van 11 december 2014 wel degelijk op 12 december 2014 aan de woning van het PL is aangeboden en dat een bericht van bestelling werd achtergelaten om hem toe te laten de zending bij de POST af te halen. Dat zijn medisch getuigschrift dit toeliet. Dat volgens de constante rechtspraak van de RvS het bezorgen van het bericht van bestelling die het afhalen van de zending bij de POST mogelijk maakt, geldt als betekening.

    *

  • Dat in deze omstandigheden het PL de TO niet kan verwijten hem voorafgaandelijk aan de beslissing van zijn schorsing niet te hebben gehoord. Hij toont onvoldoende aan dat hem de toegang tot zijn dossier, voorafgaandelijk aan het verhoor, zou geweigerd zijn temeer daar hij er niet heeft naar gevraagd. Het is van weinig belang dat de uitnodiging niet op formele wijze de mogelijkheid van toegang tot het dossier heeft vermeld, vermits de stukken niet bij de uitnodiging moeten gevoegd worden, maar slechts raadpleegbaar moeten zijn op verzoek van het PL.

    *

  • Een maatregel van voorlopige schorsing veronderstelt geen oordeel over de waarachtigheid van het tuchtvergrijp maar moet gezien worden in functie van de opportuniteit van het behoud van het PL in de dienst, rekening houdende met de intrinsieke ernst van de ten laste gelegde bezwaren en dat zonder de schuldvraag te beantwoorden. Het is onweerlegbaar dat een opsporingsonderzoek, met betrekking tot verduistering of diefstal van in beslag genomen voorwerpen, met intrinsieke ernst is bekleed die een verwijdering uit de dienst rechtvaardigt.

    *

  • Wat betreft de beweringen volgens dewelke de afwezigheden van het PL zouden gedekt zijn door medische getuigschriften, stelt de bestreden beslissing vast dat de niet-betaling van de niet gepresteerde dagen die niet gedekt waren door een medisch attest, op geen enkel ogenblik werden, betwist, hetgeen ook niet door het PL wordt ontkend. Het AD onthult inderdaad een zeker aantal niet gerechtvaardigde afwezigheden met verlies van wedde, hetgeen het bestaan van afwezigheden zonder dekking van een medisch attest, staaft.

    *

  • Wat betreft de staat van depressie waarin het PL zich zou bevinden, wordt deze bewering door geen enkel stuk gestaafd. Hij heeft zich beperkt tot het inroepen van enorme zorgen die hij heeft gekend en een depressie die noopte tot een opname in het ziekenhuis zonder daarvoor enig bewijs aan te voeren. Hij heeft eveneens bevestigd sedert jaren te zijn opgevolgd door een psychiater, zonder evenwel enig pertinent document ter zake te hebben neergelegd. Gelet op deze elementen heeft de TO op geldige wijze kunnen oordelen dat het PL niet medisch begeleid werd.

    *

  • Overwegende dat uit het AD blijkt dat het PL, reeds vr het indienen van zijn verzoekschrift, klachten had over het bureau van de POST waarvan hij afhangt. Dat wanneer hij zich naar de POST begaf, de aangetekende zendingen waarvoor hij een bericht van bestelling had ontvangen, nooit beschikbaar waren.

    *

  • Er zijn redenen op aan te nemen dat, gelet op deze elementen, het PL geconfronteerd is met een geval van overmacht, waarvoor hij niet verantwoordelijk kan worden gesteld. Hij heeft in tempore non suspecto klachten ingediend bij de POST en is dus wat betreft de gebrekkige postbedeling niet inactief gebleven.

    *

  • Zelfs indien de TO niet aansprakelijk kan worden gesteld voor het falen van de POST, blijft de overmacht waarmee het PL werd geconfronteerd een aantasting van zijn rechten in het kader van de tuchtprocedure.Het is aldus aangetoond dat hij beroofd is van de mogelijkheid om een verzoek tot heroverweging in te dienen bij de TR. Deze omstandigheid is van aard om de procedure te besmetten. Het middel is ernstig.

    *

  • Overwegende dat het AD doet blijken dat het verzoekschrift onontvankelijk is, vermits het PL de middelen tot intern verhaal voorzien door art. 51bis TW, niet heeft uitgeput.De TR heeft het verzoek tot heroverweging als laattijdig ingediend beschouwd.

    *

  • Het voorafgaandelijk uitputten van de middelen tot intern verhaal, als voorwaarde tot ontvankelijkheid, veronderstelt dat het PL zijn verhaal op reglementaire wijze heeft uitgeoefend. De omstandigheid dat het verhaal de vormvereisten voor wat betreft de akte respecteert, laat niet toe een laattijdig ingediend verzoek als geldig te beschouwen. Het PL ontwikkelt geen middel, ter ondersteuning van zijn verzoek, dat zijn laattijdig verhaal veroorzaakt is door overmacht. Verder heeft hij geen enkele kritiek op de beslissing van de TR betreffende zijn laattijdig verzoek. Het verzoekschrift is bijgevolg onontvankelijk.

    *

  • GWRvS, art. 11bis: Elke partij die de nietigverklaring van een akte, een reglement, of een stilzwijgend afwijzende beslissing vordert, kan aan de afdeling bestuursrechtspraak vragen om haar bij wijze van arrest een schadevergoeding tot herstel toe te kennen ten laste van de steller van de handeling indien zij een nadeel heeft geleden omwille van de onwettigheid van de aangevochte beslissing, met inachtneming van alle omstandigheden van openbaar en particulier belang () .

    LCCE : Art. 11bis. Toute partie requrante ou intervenante qui poursuit l'annulation d'un acte, d'un rglement ou d'une dcision implicite de rejet en application de l'article 14, 1er ou 3, peut demander la section du contentieux administratif de lui allouer par voie d'arrt une indemnit rparatrice charge de l'auteur de l'acte sielle a subi un prjudice du fait de l'illgalit de l'acte, du rglement ou de la dcision implicite de rejet, en tenant compte des intrts publics et privs en prsence. ()*

  • Rekening houdende met deze bepalingen, is de ingediende vraag voor een schadevergoeding tot herstel, van 28 mei 2014, onontvankelijk (de wet is maar in voege getreden op 1 juli 2014).

    Bovendien moet worden vastgesteld dat het verzoek de vermelding vraag voor schadevergoeding tot herstel vereist ingevolge art. 25/2, 1, eerste lid van het algemeen reglement van procedure, ontbreekt.

    *

  • Vermits het de rechter niet toekomt de opportuniteit van het optreden van de administratie te beoordelen, oefent de RvS slechts een marginale toetsing uit op de tuchtstraffen. Het komt hem slechts toe een manifest onevenredige straf te sanctioneren, in die zin dat er redenen zijn om te geloven dat gelijk welke andere overheid die met gelijkaardige feiten wordt geconfronteerd, niet dezelfde zware sanctie zou hebben uitgesproken. In deze heeft de TO kunnen oordelen, zonder een appreciatiefout te maken, dat een poging tot verduistering van materieel dat haar toebehoort

    *

  • de vertrouwensband met haar werknemer definitief verbreekt.De afwezigheid van tuchtrechtelijke voorgaanden kan zeker in rekening worden genomen, maar gelet op de ernst van de feiten en het ontbreken van enige spijt bij het PL, maken deze elementen de sanctie niet onevenredig.Het middel is ongegrond.

    *

  • Een PL doet opmerken dat gerechtelijke stukken, toegevoegd aan het TD, die hebben gediend om te tuchtsanctie te bepalen, in het Nederlands zijn opgesteld maar niet vertaald naar het Frans. Hij verwijst naar de rechtspraak van de RvS, die geen onderscheid maakt tussen een tuchtprocedure of een statutaire procedure en die vereist dat de overheid zich tot het PL richt in de taal van zijn taalrol. Hij herinnert er nog aan dat de taalwetgeving van openbare orde is.

    *

  • De TO heeft een discretionaire disciplinaire beoordelingsbevoegdheid, zowel op het stuk van de bewezenverklaring als op het vlak van de tuchtrechtelijke kwalificatie van de ten laste gelegde feiten. De TO die zich over een bepaald feit moet uitspreken, vermag daarbij niet alleen te steunen op bekentenissen of vaststaande bewijzen, maar ook op getuigenissen, vermoedens, enz. Indien een tuchtregeling geen bijzondere bewijswaardering voorschrijft, beoordeelt de TO op discretionaire wijze de bewijswaarde van de gegevens uit het tuchtdossier om tot een bepaalde overtuiging te komen.

    *

  • Wanneer de voorlopige schorsing is beindigd, kan de vraag gesteld worden of er een belang blijft, eventueel een moreel belang, bij de vernietiging van de bestreden akte.

    *

  • Art.65, eerste lid TW bepaalt wat volgt:indien, in aansluiting op een voorlopige schorsing, de tuchtstraf blaam of waarschuwing wordt opgelegd, dan gaat de tuchtstraf in op de dag dat ze wordt uitgesproken; in dat geval evenals wanneer geen enkele tuchtstraf wordt uitgesproken, wordt de voorlopige schorsing als ingetrokken beschouwd en de eventueel ingetrokken wedde wordt door de overheid aan de betrokkene terugbetaald.

    *

  • Uit deze bepaling volgt dat, wanneer een voorlopige schorsing niet gevolgd wordt door een tuchtsanctie, deze beschouwd wordt als nooit te hebben bestaan en de effecten ervan verdwijnen met terugwerkende kracht. In die bepaling is het Franse woord "rapporter" gelijk aan "retirer", en wordt bevestigd door de Nederlandse tekst waarin het werkwoord intrekkenwordt gebruikt. Een dergelijke intrekking geschiedt naar recht krachtens de wet zelf en berooft het beroep van zijn voorwerp. Een beslissing die met terugwerkende kracht wordt ingetrokken kan niet vernietigd worden.

    *

  • *

  • Sinds 1 maart 2014 voorziet art. 17, 1 GWRvS dat de schorsing van een administratieve beslissing op elk ogenblik kan worden bevolen: Deze schorsing of deze voorlopige maatregelen kunnen op elk moment worden bevolen : 1 indien de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring; 2 en indien minstens n ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden.

    *

  • Daaruit volgt dat, met betrekking tot de vroegere toepasselijke voorwaarden om een schorsing van de uitvoering van een beslissing of van een reglement te bekomen, alleen de voorwaarde inzake een ernstig middel is overeind gebleven en dat die van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel volledig verdwenen is. Deze voorwaarde is vervangen door de eis om aan te tonen dat er een dringende reden bestaat die onverenigbaar is met een behandeling tot vernietiging.

    *

  • Het PL dat refereert naar de bepalingen van art. 17, 2, eerste lid van de oude versie GWRvS, dat het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel rechtvaardigt , zonder rekening te houden met de hervorming van de GWRvS van 20 januari 2014, vervult de voorwaarde van de dringendheid niet. Zijn verzoek tot schorsing van de uitvoering van de maatregel moet bijgevolg worden verworpen.

    *

  • In overeenstemming met art. 17, 2 GWRvS, moet het verzoekschrift tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen een uiteenzetting van de feiten bevatten die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen. *

  • Dezelfde vereiste wordt herhaald in art. 8, 4 van het procedurereglement kortgeding van 5 december 1991. Vervolgens kan een beroep tot schorsing op elk ogenblik worden ingediend en niet zoals vroeger in n enkel verzoekschrift samen met de vraag tot vernietiging.

    *

  • Het indienen van een nieuw verzoek tot schorsing is slechts mogelijk wanneer de RvS een vorig verzoek heeft verworpen omdat de dringendheid niet is aangetoond en omdat nieuwe elementen die de dringendheid kunnen rechtvaardigen, voorhanden zijn.In deze zaak heeft het arrest n229.095 het eerste verzoek niet verworpen omdat de dringendheid niet werd aangetoond, maar omdat geen enkel van de drie aangevoerde middelen als ernstig kon worden, beschouwd. In deze omstandigheden rest alleen nog het verzoek tot vernietiging. *

  • Het tegendeel beweren zou neerkomen op het aanvaarden van een soort beroep tegen de eerst genomen beslissing bij hoogdringendheid, door een tweede maal de RvS te vatten met een nieuw beroep bij hoogdringendheid, hetgeen de wet niet toelaat wanneer het arrest dat zich uitspreekt over het eerste beroep bij hoogdringendheid, deze heeft vastgesteld.

    *

  • Kan een beslissing waarvan alle gevolgen zijn uitgeput, nog het voorwerp uitmaken van een beroep tot vernietiging bij de RvS?

    Behoudt het betrokken PL enig belang bij dergelijke vernietiging? *

  • Een beroep tot vernietiging zoals bedoeld in artikel 14, 1, van de GWRvS kan worden ingediend door elke partij die doet blijken van een benadeling of een belang. Een verzoeker beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: hij dient door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden en de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling moet hem een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook.

    *

  • Het belang dient te bestaan gedurende de gehele procedure. De aard van het belang kan weliswaar evolueren, maar de verzoeker moet minstens aannemelijk maken dat de vernietiging hem een concreet voordeel oplevert. In geval van twijfel komt het verzoeker toe aan de RvS alle gegevens voor te leggen die aantonen dat hij een belang bij de nietigverklaring heeft. In casu is het PL nu herplaatst als poulechef in een andere zone. Deze beslissing is definitief geworden en de bestreden beslissing heeft geen uitwerking meer.

    *

  • Dit heeft tot gevolg dat, gelet op deze gewijzigde feitelijke omstandigheden, de inwilliging van het beroep tegen de wijziging van zijn eerdere tewerkstelling, hem geen voordeel meer kan opleveren, nu hij niet langer is tewerkgesteld binnen de wijkdienst en een nietigverklaring van de bestreden beslissing dan ook niet langer noodzakelijk is om een einde te stellen aan de betwiste tewerkstelling. Het feit dat een administratieve beslissing die geen gevolgen meer heeft, blijft bestaan, rechtvaardigt op zich geen beroep tot vernietiging.

    *

  • Met dank voor uw aandacht

    Met dank voor uw medewerking *