Opname van de emissierechten van de scheepvaart in de EU

Click here to load reader

  • date post

    23-Feb-2022
  • Category

    Documents

  • view

    0
  • download

    0

Embed Size (px)

Transcript of Opname van de emissierechten van de scheepvaart in de EU

Opname van de emissierechten van de scheepvaart in de EU ETS: feit of fictie?INTERNATIONALE SCHEEPVAART IN HET
EUROPESE EMISSIEHANDELSSYSTEEM: FICTIE OF
Commissaris: Mevr. Lin VanPoucke
Frederik Devos UGent: faculteit Rechtsgeleerdheid 20052439
2 Opname van de broeikasgasemissies van de internationale scheepvaart in het Europese
emissiehandelssysteem: fictie of werkelijkheid?
WOORD VOORAF
Ik heb het genoegen gehad begeleid te worden door Prof. Dr. Frank Maes en Mevr. Lin
Vanpoucke. Zij zijn dankzij hun raadgevingen en het doorspelen van talloze documenten, een
onmisbare hulp geweest bij de totstandkoming van deze masterproef. Bovendien hebben zij
mij de kans geboden om mij te verdiepen in een zeer boeiend, actueel onderwerp met een
grote maatschappelijke relevantie.
Ik zou mijn vrienden willen bedanken voor de ontelbare uren die zij samen met mij in de
bibliotheek hebben doorgebracht. Hierdoor is het schrijfproces een stuk aangenamer verlopen.
Tot slot een speciaal dankwoord aan mijn ouders en familie voor de onvoorwaardelijke steun
die zij mij doorheen mijn volledige studentencarrière hebben geboden.
Frederik Devos UGent: faculteit Rechtsgeleerdheid 20052439
3 Opname van de broeikasgasemissies van de internationale scheepvaart in het Europese
emissiehandelssysteem: fictie of werkelijkheid?
HOOFDSTUK 1.1. HET INTERNATIONAALRECHTELIJK KLIMAATBELEID.................................... 9
1.1.2. Het prille begin en de Stockholm Conferentie ......................................................... 9
1.1.3. International Panel on Climate Change en de world conference on the changing
atmosphere ....................................................................................................................... 10
1.1.4. United Nations Framework Convention on the Climate Change .......................... 11
1.1.4.1. Algemeen ........................................................................................................ 11
1.1.4.3. Inhoud .............................................................................................................. 13
1.1.4.5. De verplichtingen ............................................................................................ 14
1.1.5. Kyoto Protocol ....................................................................................................... 16
1.1.5.1. De totstandkoming .......................................................................................... 16
1.1.5.3. Artikel 2.2 Kyoto Protocol .............................................................................. 18
1.1.5.4. De burden sharing agreement en artikel 4 Kyoto Protocol .......................... 18
1.1.5.5. De flexibele marktmechanismen ..................................................................... 19
A De emissiehandel (artikel 17 Kyoto Protocol) ..................................................... 20
B Clean Development Mechanisms (artikel 12 Kyoto Protocol) ............................. 21
C Joint Implementation (artikel 6 Kyoto Protocol) .................................................. 22
1.1.6. Post-Kyoto; het Bali actieplan en de COP 15........................................................ 23
HOOFDSTUK 1.2. HET EUROPEESRECHTELIJK KLIMAATBELEID ............................................. 24
1.2.1. Juridische grondslag .............................................................................................. 24
1.2.3. Het EU klimaatbeleid ............................................................................................. 25
1.2.4. ETS-richtlijn ........................................................................................................... 26
1.2.4.2. Linking directive ............................................................................................. 28
B De richtlijn 2004/101/EC...................................................................................... 29
1.2.4.4. Omzetting ETS-richtlijn in de Belgische rechtsorde. ...................................... 30
HOOFDSTUK 1.3. EEN KRITISCHE NOOT BIJ HET HUIDIG KLIMAATBELEID. ............................. 31
DEEL 2. HET SECTOREEL KLIMAATBELEID; DE INTERNATIONALE
SCHEEPVAART .................................................................................................................... 33
Frederik Devos UGent: faculteit Rechtsgeleerdheid 20052439
4 Opname van de broeikasgasemissies van de internationale scheepvaart in het Europese
emissiehandelssysteem: fictie of werkelijkheid?
HOOFDSTUK 2.1. ALGEMEEN ................................................................................................ 33
2.1.1. De internationale politieke context: Artikel 2.2 Kyoto Protocol ........................... 34
2.1.2. Algemeen institutioneel overzicht ........................................................................... 35
2.1.2.1. Het verdragrechtelijke spoor: UNCLOS ......................................................... 35
2.1.2.2. Het institutionele spoor: het IMO.................................................................... 36
2.1.2.3. De verhouding van het IMO en UNCLOS; ..................................................... 38
2.1.3. Reeds genomen milieumaatregelen in de maritieme sector ................................... 39
2.1.3.1. Emissiereductiemaatregelen binnen het IMO-kader. ...................................... 39
A Annex VI MARPOL verdrag ............................................................................... 40
B De IMO-studies betreffende de broeikaseffecten van de scheepvaart ................. 41
C Resolutie A.963(23) en haar gevolgen ................................................................. 42
D MEPC 59: een nieuwe wind? ............................................................................... 43
2.1.3.2. EU-maatregelen ............................................................................................... 45
2.1.4. Specifieke uitdagingen en struikelblokken van de maritieme sector ...................... 46
2.1.4.1. Het jurisdictieprobleem ................................................................................... 46
A De vlagstaat .......................................................................................................... 46
B De havenstaat ........................................................................................................ 47
C De kuststaat ........................................................................................................... 48
2.1.4.3. Het tweesporenbeleid ...................................................................................... 52
2.1.4.5. Overige problemen .......................................................................................... 53
BROEIKASGASEMISSIES .......................................................................................................... 54
2.2.1.1. International Maritime Organization ............................................................... 55
A Nieuw verdrag ...................................................................................................... 56
C Amenderen annex VI Marpol ............................................................................... 57
2.2.1.2. UNFCCC, Kyoto of een nieuw protocol ......................................................... 58
A Amenderen of annexeren van de UNFCCC ......................................................... 59
B Amenderen van het Kyoto Protocol ..................................................................... 60
C Opstellen van een nieuw protocol ........................................................................ 61
2.2.1.3. Allocatiemogelijkheden .................................................................................. 62
2.2.3. Conclusie ................................................................................................................ 64
2.3.1. De rechtssubjecten ................................................................................................. 65
2.3.3.1. De indexering van emissies van de scheepvaart ............................................. 69
A De Energy Efficiency Design Index (EEDI) ........................................................ 70
Frederik Devos UGent: faculteit Rechtsgeleerdheid 20052439
5 Opname van de broeikasgasemissies van de internationale scheepvaart in het Europese
emissiehandelssysteem: fictie of werkelijkheid?
B De Energy Efficiency Operational Index (EEOI) ................................................. 71
2.3.3.2. Overzicht van de technische maatregelen ter bevordering van de energie-
efficiëntie van schepen. ................................................................................................ 72
A Energie-efficiëntie door het ontwerp en de operatie van een schip ..................... 72
B Energie-efficiëntie door het gebruik van hernieuwbare energiebronnen. ............ 74
C Emissiereductietechnologieën .............................................................................. 74
D combinatiemogelijkheden? ................................................................................... 74
taksen of het opleggen van toelatingsvoorwaarden. ..................................................... 76
2.3.4.3. Standaarden ..................................................................................................... 77
A Het voorstel van Denemarken .............................................................................. 78
B Het voorstel van Japan. ......................................................................................... 80
2.3.4.5. cap and trade of baseline and credit ......................................................... 80
A Het Maritime Emissions Trading scheme ............................................................ 81
B Kenmerken METS ................................................................................................ 82
C Differentiatiemogelijkheden METS? ................................................................... 83
B IMERS: het International Maritime Emission Reduction Scheme ....................... 85
C De begeleidende principes .................................................................................... 86
D Het belasten; de algemene principes .................................................................... 86
E Het belasten; de technische uitwerking. ............................................................... 87
2.3.5. Effectiviteitsbeoordeling beleidsmaatregelen ........................................................ 88
2.4.1. Verscheidene onderzochte beleidsopties ................................................................ 89
2.4.2. Opname van de broeikasgasemissies van de internationale scheepvaart in het
Europees emissiehandelssysteem ..................................................................................... 91
A Algemene kenmerken van de burgerluchtvaart .................................................... 91
B Europese druk op de International Civil Aviaton Organization ........................... 92
C Richtlijn 2008/101/EG .......................................................................................... 94
D Kritische noot ....................................................................................................... 95
E Vergelijkende conclusie ........................................................................................ 96
toepassingsgebied ......................................................................................................... 97
2.4.2.5. De juridisch-technische benadering .............................................................. 100
A Procedures .......................................................................................................... 100
Frederik Devos UGent: faculteit Rechtsgeleerdheid 20052439
6 Opname van de broeikasgasemissies van de internationale scheepvaart in het Europese
emissiehandelssysteem: fictie of werkelijkheid?
2.4.2.6. Conclusie ....................................................................................................... 102
Frederik Devos UGent: faculteit Rechtsgeleerdheid 20052439
7 Opname van de broeikasgasemissies van de internationale scheepvaart in het Europese
emissiehandelssysteem: fictie of werkelijkheid?
AWG-LCA: Ad Hoc Work Group on Long-Term Cooperative Action
BDN: Bunker Delivery Note
CDM : Clean Development Mechanism
CER: Certified Emission Reductions
DOE: Designated Operational Entity
ERU: Emission Reduction Unit
GEF: Global Environment Facility
GT: Gross Tonnage
IMERS: International Maritime Emission Reduction Scheme
IMO: International Maritime Organization
IPTA: International Parcel Tankers Association
JI: Joint Implementation
MOP: Meeting Of the Parties to the Protocol
OCIMF: Oil Companies International Marine Forum
SBI: Subsidiary Body for Implementation
SBSTA: Subsidiary Body for Scientific and Technological Advice
SECA: SOx Emission Control Area
SEEMP: Ship Energy Efficiency Management Plan
UNEP: United Environment Program
WMO: World Meteorological Organization
Frederik Devos UGent: faculteit Rechtsgeleerdheid 20052439
8 Opname van de broeikasgasemissies van de internationale scheepvaart in het Europese
emissiehandelssysteem: fictie of werkelijkheid?
INLEIDING:
Sinds de industriële revolutie is de hoeveelheid CO2 in de atmosfeer van 280 ppm tot 383
ppm gestegen. Dit is hoofdzakelijk het gevolg van de grootschalige verbranding van fossiele
brandstoffen, zoals ruwe olie. Het verhoogd CO2-gehalte in de atmosfeer heeft, samen met de
andere broeikasgassen( waterdamp, methaan, ozon…), een invloed op de steeds duidelijker
wordende klimaatswijzigingen. Broeikasgassen absorberen de warmte die de aarde uitstraalt
en kaatsen die vervolgens terug naar het aardoppervlak. Bovendien laten ze de warmte die de
zon uitstraalt, ongemoeid de atmosfeer binnendringen. Hierdoor warmt onze aarde op en deze
veranderingen van het klimaat worden over het algemeen onder één noemer geplaatst; het
broeikaseffect.
De internationale scheepvaart is, afhankelijk van de gebruikte berekeningswijze,
verantwoordelijk voor 1,8 à 3,5% van de globale CO2-emissie. Bovendien blijft de uitstoot,
zowel in absolute als in relatieve cijfers, stijgen. Jaarlijks wordt er 350 miljoen ton olie door
de internationale scheepvaart verbrandt, wat een totale CO2-emissie van maar liefst 1100
miljoen ton tot gevolg heeft. Tot op heden werden er geen effectieve maatregelen genomen
om een halt toe te roepen aan deze zware vervuiling. De autoriteiten worden zich echter
langzamerhand bewust van het niet te onderschatten effect dat de internationale scheepvaart
op het milieu ressorteert en het is duidelijk dat de huidige situatie onhoudbaar is geworden.
Vooraleer er echter kan worden overgegaan tot het nemen van maatregelen, dienen allerhande
juridische, economische en politieke obstakels te worden overwonnen.
In dit werkstuk wordt er onderzoek verricht naar de mogelijkheden om de emissies van de
internationale scheepvaart op het Europees of internationaal niveau te reduceren. Er wordt
eerst een overzicht geschetst van het bestaande klimaatbeleid, waarna er wordt gefocust op
het klimaatbeleid inzake de scheepvaart. In dat verband worden er enkele cruciale vragen
onderzocht: Waarom blijkt het zo moeilijk te zijn om een internationaal akkoord betreffende
de reducties van de scheepvaart op te stellen? Welke instanties zijn het best geplaatst om dit
complex probleem ter harte te nemen? Over welke beleids- en technisch-juridsche opties
beschikken deze instanties om een degelijk klimaatbeleid op te stellen?
Er zal moeten worden geconcludeerd dat, hoewel het in theorie perfect mogelijk is om een
internationaal, effectief en efficiënt klimaatbeleid voor de internationale scheepvaart op te
stellen, er enkele struikelblokken bestaan die voorlopig niet door een politiek compromis
werden omzeild of opgelost. Ook de EU is zich bewust van dit probleem en heeft daarom het
heft in eigen handen genomen. Zij heeft aan de internationale gemeenschap een ultimatum
opgelegd om voor eind 2011 een oplossing te bereiken. Indien dit niet lukt, zal zij unilateraal
optreden. Gezien de huidige stand van zaken en de omslachtige procedures die op het
internationaal niveau dienen te worden gevolgd, is het zeer waarschijnlijk dat de EU haar
belofte zal moeten nakomen. De beleidsmakers hebben vooral een opname van de emissies
van de internationale scheepvaart in het Europese emissiehandelssyteem, naar analogie met
richtlijn 2008/101/EG betreffende de burgerluchtvaart, op het oog.
In dit geval dringen zich de volgende vragen op: leent de maritieme sector zich wel tot een
regionale regulering? In hoeverre kunnen de bepalingen van richtlijn 2008/101/EG worden
gekopieerd? Bestaan er specifieke elementen waar de instanties rekening mee moeten houden
bij de opname van de internationale scheepvaart in het EU ETS?
Frederik Devos UGent: faculteit Rechtsgeleerdheid 20052439
9 Opname van de broeikasgasemissies van de internationale scheepvaart in het Europese
emissiehandelssysteem: fictie of werkelijkheid?
HOOFDSTUK 1.1. HET INTERNATIONAALRECHTELIJK
1.1.1. ALGEMEEN
In het eerste deel van dit werkstuk wordt een algemeen overzicht van de belangrijkste
mijlpalen inzake de bescherming van het klimaat geschetst. Er zal hierbij nadruk worden
gelegd op de principes, regels en feitelijke omstandigheden die gevolgen hebben voor het
klimaatbeleid dat van toepassing is op de internationale scheepvaart. Technische details zullen
voornamelijk in het tweede deel betreffende de scheepvaart worden uitgediept.
Tegenwoordig begrijpt elke milieuactivist dat vervuiling inherent is aan economische
productie en dat een verbod op vervuiling een volledige ineenstorting van zowat elke
economie ter wereld tot gevolg zou hebben. Daarom heeft men in de loop van de vorige eeuw
enkele flexibele beleidsinstrumenten uitgewerkt die vervuiling binnen de perken kunnen
houden: licenties en heffingen. Deze hebben beiden echter een ernstig nadeel: licenties
kunnen niet garanderen dat de inspanningen van bedrijven kostenefficiënt zullen verlopen,
terwijl heffingen niet kunnen garanderen dat het nagestreefde resultaat wordt bereikt. 1 Om aan
deze problemen tegemoet te komen werd in de VS in 1990 een nieuw beleidsinstrument
uitgewerkt: de handel in emissierechten, waarbij vervuiling telkens onder een bepaalde grens
blijft, maar de allocatie van de vervuilingsrechten volledig efficiënt gebeurt. Dit maakte deel
uit van het zogenaamde acid rain Program en bleek zo succesvol te zijn, dat het in 1997
voor de tot op heden grootste vooruitgang in het internationaalrechtelijk klimaatbeleid zou
zorgen: de opname van de emissiehandel in het Kyoto Protocol. 2 De weg daarheen is echter
zeer lang gebleken en was niet zonder valkuilen:
1.1.2. HET PRILLE BEGIN EN DE STOCKHOLM CONFERENTIE
De Stockholm Conventie van 1972 luidde een nieuw tijdperk in voor het internationaal
milieubeleid. Voor de eerste maal werd er gestreefd naar een coherent en ambitieus
milieubeleid. 3 Dit project werd opgestart door de Algemene Vergadering van de VN,
4 als
antwoord op het Torrey Canyon incident. Deze World Conference on the Human
Environment resulteerde in de Stockholm Declaration on the Human Environment, een
actieplan dat 109 aanbevelingen aan de lidstaten en een resolutie betreffende voorgestelde
institutionele en financiële verbintenissen in hoofde van de VN, bevat. Hoewel de conventie
hoofdzakelijk sectoraal van aard is, wordt ze algemeen beschouwd als de allereerste
samenhangende, universele verklaring betreffende internationale bekommernis rond de
bescherming van het milieu. Tot op heden spelen veel principes die hier voor het eerst
geformuleerd werden een belangrijke rol in het internationaal milieurecht.
1 De Mulder, J., Maes, F., Verhandelbare emissierechten in het klimaatbeleid : een inventarisatie van de
juridische aspecten., Universiteit Gent, 2006, p. 19. 2 Button, J., carbon; commodity or currency? The case for an international carbon market based on the currency
model, Harvard Environmental Law Review, 2008, vol. 32, p. 580. 3 Kiss, A., Shelton, D., guide to international environmental law, Martinus Nijhoff Publishers, Leiden, 2007, p.
34-37. 4 Resolutie 2398 (XXIII) Algemene Vergadering VN, problems on the human environment, 3 december 1968.
Frederik Devos UGent: faculteit Rechtsgeleerdheid 20052439
10 Opname van de broeikasgasemissies van de internationale scheepvaart in het Europese
emissiehandelssysteem: fictie of werkelijkheid?
Twee principes die vandaag niet weg te denken zijn uit het klimaatbeleid zijn de duurzame
ontwikkeling en de voorloper van de common but differentiated responsibilities
(gemeenschappelijke, maar gedifferentieerde verantwoordelijkheden). Duurzame
ontwikkeling houdt in dat ecologische bescherming en economische ontwikkeling hand in
hand dienen te gaan, dat alle natuurlijke grondstoffen op een adequate wijze dienen te worden
beheerd rekening houdend met de belangen van zowel de levende als de toekomstige
generaties en dat elke staat soeverein over haar natuurlijke grondstoffen kan beschikken. 5 Het
prototype common but differentiated responsibilities-principe is te vinden in principe 23 dat
bepaalt dat iedere staat maatregelen dient te nemen, rekening houdend met haar beperkingen.
Het werd echter wachten tot de milieutop van Rio de Janeiro in 1992, vooraleer ook de
klimaatverandering een prominente stek kreeg op de agenda van het internationaalrechtelijk
milieubeleid.
CONFERENCE ON THE CHANGING ATMOSPHERE
Reeds voor de top van Rio werden er een aantal internationaalrechtelijke initiatieven genomen
in de strijd tegen de klimaatswijziging. Het belangrijkste initiatief is de oprichting van het
International Panel on Climate Change (IPCC) in 1988. 6 Het IPCC werd opgericht door de
World Meteorological Organization (WMO) en het United Environment Program (UNEP) in
november 1988. Alle leden van de voornoemde organisaties hebben het recht zich aan te
sluiten bij het IPCC. 7 Veeleer dan een politiek orgaan, vormt het IPCC een wetenschappelijk
panel. Haar voornaamste taak is dan ook het verzamelen en onderzoeken van
wetenschappelijke, technologische en socio-economische informatie. Opvallend is dat het
IPCC zelf geen onderzoek verricht of rechtstreeks data verzameld, maar zich uitsluitend
baseert op uitgegeven publicaties.
Het IPCC bestaat uit honderden wetenschappers en andere autoriteiten op het vlak van
klimaatswijziging 8 en heeft lange tijd gewerkt in een sfeer van wetenschappelijke
onzekerheid. In het begin van de jaren 1990 was er geen sluitend bewijs voorhanden dat het
klimaat aan het veranderen was, laat staan dat de mens hier invloed op heeft. Het is dan ook
verwonderlijk dat de IPCC met haar First Assessment Report van mei 1989, de Algemene
Vergadering ertoe heeft aangezet de onderhandelingen rond het opstellen van het UNFCCC
op te starten. 9 Hiervoor werd, ondanks het pleiten van de geïndustrialiseerde landen om deze
taak toe te wijzen aan het IPCC, een specifiek forum voor onderhandelingen ingericht 10
, het
Het belangrijkste wapenfeit van de IPCC is
echter haar Second Assessment Reportvan 1995. Het is een samenhangend en behoorlijk
5 United Nations Conference on the Human Environment Declaration of the United Nations Conference on the
Human Environment, Stockholm 1972, preambule. 6 Resolutie 43/53 Algemene Vergadering , Protection of global climate for present and future generations of
mankind of 6 December 1988. 7 International panel Climate Change, Structure of the IPCC,
(www.ipcc.ch/organization/organization_structure.htm) 8 Leal Arcas, R., The Kyoto protocol, an adequate agreement? European environmental law review, oktober
2001, pg. 283. 9 UNEP governing council doc. 15/36, "Global Climate Change", 25 mei 1989.
10 Handl, G., Yearbook of international environmental law, Oxford university press, Oxford, 1992, p. 63.
11 Resolutie 45/212 Algemene Vergadering, Protection of global climate for present and future generations of
mankind, 21 december 1990.
Frederik Devos UGent: faculteit Rechtsgeleerdheid 20052439
11 Opname van de broeikasgasemissies van de internationale scheepvaart in het Europese
emissiehandelssysteem: fictie of werkelijkheid?
allesomvattend rapport over het bestaan en de gevolgen van de klimaatwijziging en de
mogelijke beleidsopties. Dit assessment report werd op de COP2 erkend als de belangrijkste
wetenschappelijke basis waarop acties op globaal, regionaal en nationaal niveau moeten
genomen worden. 12
Er werd algemeen aanvaard dat de mens een zichtbare invloed heeft op de
klimaatswijziging en dat indien er niet adequaat gehandeld zou worden een gevaarlijke
verstoring van de atmosfeer onvermijdelijk is.
Parallel aan voornoemde feiten organiseerden verscheidene wetenschappers vanaf 1985 drie
jaar lang samenkomsten rond de klimaatswijziging. Deze leidden tot een wetenschappelijk
akkoord over de gevolgen van de opwarming van de aarde, dat de rechtstreekse aanleiding
was voor de World Conference on the Changing Atmosphere in Toronto, 1989. Deze
conferentie werd gesteund door de VN en het WMO, waardoor verscheidene beleidsmakers
aanwezig waren. De Toronto-conferentie was dan ook de allereerste internationale
samenkomst die wetenschap aan politiek koppelde. Op de conferentie werd er gekozen voor
een algemene aanpak waarbij alle aspecten van de bescherming van de atmosfeer ter sprake
kwamen; zure regen, de aantasting van de ozonlaag, andere vervuiling, klimaatswijziging,
enz. Wat laatstgenoemd probleem betreft werd het volgende geconcludeerd: Humanity is
conducting an unintended, uncontrolled, globally pervasive experiment whose ultimate
consequences could be second only to a global nuclear war. 13
Er werd op gewezen dat een
CO2-emissiereductie van 20% ten aanzien van 1988, noodzakelijk zou zijn om de gevolgen
van het veranderde klimaat binnen aanvaardbare grenzen te houden. Dit wordt het Toronto
target genoemd. Tot een algemeen luchtrecht, vergelijkbaar met het zeerecht uit 1982,
hebben deze conventie en haar opvolgers helaas nooit geleid.
1.1.4. UNITED NATIONS FRAMEWORK CONVENTION ON THE CLIMATE
CHANGE
1.1.4.1. Algemeen
De United Nations Framework Convention on Climate Change (UNFCCC) is een verdrag
dat op 9 mei 1992 in New York werd opgesteld en goedgekeurd, maar pas op de milieutop
van Rio voor ondertekening werd opengesteld. Het verdrag trad in werking op 21 maart 1994.
De UNFCCC is slechts een van de vijf officiële documenten die het resultaat zijn van de,
volgens velen tot op heden meest succesvolle, klimaattop. Deze documenten zijn; Agenda 21,
the Rio Declaration on Environment and Development, the Convention on Biological
Diversity en the Statement of Forest Principles. Kenmerkend voor de top van Rio nieuwe
geïntegreerde, universele aanpak. Hiervan getuigen vooral het brede toepassingsgebied van
Agenda 21 en de Rio Declaration on Environment and Development. De UNFCCC en de
Convention on Biological Diversity zijn specifiek gericht op de twee grootste milieu-
uitdagingen van onze hedendaagse maatschappij; de gevolgen van energieverbruik en de
grootschalige uitputting van natuurlijke bronnen. Beide verdragen weerspiegelen zeer
duidelijk de moeilijke beleidskeuzes die regeringen moeten maken wanneer ze economische,
ecologische en sociale doelstellingen integreren in hun milieupolitiek 14
.
12
Report of the Conference of the Parties on its second session, held at Geneva from 8 to 19 july 1996
FCCC/CP/1996/15/Add.1, 29 oktober 1996, annex, p. 71. 13
Conference statement, World Conference on the Changing Atmospher, Toronto, 27–30 Juni 1988. 14
Birnie, P., Boyle, A., Redgewell, C., international law and the environment, Oxford university press 2009, p.
51-52.
Frederik Devos UGent: faculteit Rechtsgeleerdheid 20052439
12 Opname van de broeikasgasemissies van de internationale scheepvaart in het Europese
emissiehandelssysteem: fictie of werkelijkheid?
1.1.4.2. De politieke context
De onderhandelingen van de milieutop te Rio zijn niet van een leien dakje gelopen. De hele
top werd overschaduwd door een breuk tussen de geïndustrialiseerde en de
ontwikkelingslanden, de zogenaamde North-South divide. De breuk is een indirect gevolg
van het ineenstorten van de USSR en de hiermee gepaard gaande opgang van het
nationalisme 15
, waardoor veel Staten zich zeer zelfverzekerd en competitief opstelden. Het
gevolg is dat bij de onderhandelingen op de Rio-top het tot voor kort dominante Noorden
voor het eerst in de geschiedenis op een assertief, haast agressief Zuiden 16
stootte. De
terwijl de ontwikkelingslanden onder geen beding hun economische ontwikkeling bedreigd
wouden zien. De grootste verdiensten van de milieutop zijn dan ook niet zozeer de aanvaarde
verdragen, maar wel enerzijds het aanwakkeren van een universele,…