Opbrengsten studiesucces onderzoek door vijf ... docume… · Monitoring Prestatieafspraken 2013...

of 74/74
1 Studiesucces in de G5 Opbrengsten studiesucces onderzoek door vijf Randstadhogescholen
  • date post

    18-Oct-2020
  • Category

    Documents

  • view

    1
  • download

    0

Embed Size (px)

Transcript of Opbrengsten studiesucces onderzoek door vijf ... docume… · Monitoring Prestatieafspraken 2013...

  • 1

    Studiesucces in de G5Opbrengsten studiesucces onderzoek door vijf Randstadhogescholen

  • 2

    G5-onderzoeksgroepJuli 2014

    De G5-onderzoeksgroep bestaat uit:• Rutger Kappe (Hogeschool Inholland, voorzitter)• Marjon Molenkamp (Hogeschool Rotterdam)• Domien Wijsbroek (De Haagse Hogeschool)• Olof Wiegert (Hogeschool van Amsterdam)• Gerwin Hendriks (Hogeschool Utrecht)• Zuke van Ingen (Hogeschool Inholland)

    Colofon

    Titel Studiesucces in de G5 Opbrengsten studiesucces onderzoek door vijf Randstadhogescholen

    Auteurs Rutger Kappe, Marjon Molenkamp, Domien Wijsbroek, Olof Wiegert en Gerwin

    Hendriks, Zuke van Ingen (In samenwerking met Risbo/EUR).

    Uitgavedatum juli 2014

    Overname van teksten, ideeën, en resultaten uit deze publicatie is vrij toegestaan, mits met bronvermelding. Kappe, F.R., Molenkamp, M.J.D., Wijsbroek, D.H.J., Wiegert, O., Hendriks, G., van Ingen, J.A. (2014).

  • 3

    Woord vooraf

    In 2013 hebben de bestuurders van de vijf grote Randstandhogescholen (G5) besloten samen te werken op (onder meer ) het gebied van onderzoek naar studiesucces. Het zogenaamde G5 Onder-zoeksteam heeft in 2013 een aantal studies verricht waarvan de belangrijkste in dit boek gebundeld zijn. De eerste studie betreft de Prestatieafspraken waarbij de Randstadhogescholen vergeleken zijn qua studiesucces en studentpopulatie met andere grote en kleine hogescholen. Gekeken is naar switch, uitval en rendement. Deze studie brengt een interessant fenomeen aan het licht dat door de onder-zoekers het Randstad-effect is genoemd.De tweede studie is uniek in de zin dat voor het eerst het switchgedrag van studenten, zowel met als zonder BSA, grondig is onderzocht. Het biedt inzicht in de slaagkansen van studenten met een andere studie beginnen.De derde studie betreft de verkenning van de (on)mogelijkheden van het gebruik van experimentele onderzoekdesigns om hardere bewijzen te verkrijgen omtrent de effecten van interventies.

    Voor 2104 staan op de agenda van het G5 Onderzoeksteam een aantal studies naar het effect van de Studiekeuzecheck en vervolgstudies op het gebied van de Prestatieafspraken en switchgedrag. Met enige regelmaat zal het G5 Onderzoeksteam daarover publiceren.

    Ik beveel de studies in dit boek van harte bij u aan!

    Namens de besturen van de G5 hogescholen,

    Drs. Huug de DeugdLid College van Bestuur Hogeschool Inholland

    Opbrengsten studiesucces onderzoek door vijf Randstadhogescholen

  • 4

    Inhoud

    Monitoring Prestatieafspraken 2013

    Managementsamenvatting

    1. Inleiding 1.1 Vraagstelling 1.2 Toelichting op de data en gevolgde analysemethode 1.3 Opbouw rapportage

    2. Uitval 2.1 Landelijke risico- en succesgroepen: G5 vergeleken met het landelijke beeld 2.2 Risicogroepen uitval: G5 vergeleken met andere hbo-clusters 2.3 Succesgroepen uitval: G5 vergeleken met andere hbo-clusters 2.4 Bevindingen uitval

    3. Switch 3.1 Landelijke risico- en succesgroepen: G5 vergeleken met het landelijke beeld 3.2 Risicogroepen switch: G5 vergeleken met andere hbo-clusters 3.3 Succesgroepen switch: G5 vergeleken met andere hbo-cluster 3.4 Bevindingen switch

    4. Rendement 4.1 Landelijke risico- en succesgroepen: G5 vergeleken met het landelijke beeld 4.2 Risicogroepen rendement: G5 vergeleken met andere hbo-clusters 4.3 Succesgroepen rendement: G5 vergeleken met andere hbo-clusters 4.4 Bevindingen rendement

    5. Bevindingen 5.1 Antwoorden op de onderzoeksvragen

    Bijlage 1: Landelijke rangorde 60 subgroepen voor uitval, switch en rendement

    “Zicht op een 2e start”

    Managementsamenvatting

    1. Inleiding 1.1 Vraagstelling 1.2 Gehanteerdedefinities 1.3 Opbouw rapportage

    2. Externe switch in kaart 2.1 Inleiding en vraagstelling 2.2 Cohorten na 1 studiejaar: het aandeel externe switch

    6

    7

    991011

    1212151617

    1818202223

    2324262728

    2930

    32

    36

    37

    39394040

    414141

  • 5

    3. NBSA-switch in kaart 3.1 Inleiding en vraagstelling 3.2 Het aandeel NBSA-switch in G5-cohorten na 1 jaar 3.3 Externe NBSA-switch nader bekeken

    4. Het aandeel switchers in de G5-instroom

    5. NBSA-switch en studiesucces 5.1 Inleiding en vraagstelling 5.2 Uitval en propedeuserendementen van cohort 2010 5.3 Uitval: 1 jaar na de NBSA-switch (vanaf cohort 2008) 5.4 Propedeuserendement: 1 en 2 jaar na de NBSA-switch (vanaf cohort 2008)

    6. Samenvatting 6.1 Samenvatting naar switch-onderwerp 6.2 Tot slot

    Bijlage 1: Switch in kaart

    Bijlage 2: NBSA-switch in kaart

    Bijlage 3: Aandeel switchers in de G5-instroom

    Bijlage 4: BSA-regelementen G5-hogescholen

    Themanotitie: experimenteel design

    1. Inleiding

    2. Inventarisatie van onderzoek bij de G5 hogescholen 2.1 Het ontwerp van interventies 2.2 Onderzoek van (effecten van) veranderingen en interventies.

    3. Experimenteel design als methode voor het meten van effect 3.1 Experimenteel design in het onderwijs

    4. Dilemma’s bij en pleidooi voor experimenteel design

    5. Gevolgen voor de organisatie

    6. Literatuur

    43434347

    49

    5050505152

    545456

    57

    59

    60

    61

    64

    65

    666666

    6768

    68

    70

    70

  • 6

    Monitoring Prestatieafspraken 2013

    Het Randstad-effectVergelijkende analyse i.h.k.v. de prestatieafspraken op het gebied van uitval, switch en rendement brengt contouren van een Randstad-specifiek effect aan het licht

    November, 2013

  • 7

    Managementsamenvatting

    De prestatieafspraken die de G5-hogescholen eind 2011 met het ministerie hebben gemaakt zijn inzet voor de G5-onderzoeksgroep om het Randstedelijke patroon van studiesucces nader te analyseren. Het gaat dan in eerste plaats om inzicht in studie-uitval, switch tussen opleidingen en het rendement bij de betrokken instellingen. Uit deze indicatoren blijkt dat het studiesucces afneemt zowel landelijk als ook bij de Randstad hogescholen. De vraag is of de verschillen in studiesucces verder kunnen worden ontrafeld door te kijken naar de prestatiesvanspecifiekesubgroepenindestudentenpopulatieendoordezeprestatiesoplandelijk-en Randstadniveau te vergelijken. Daartoe zijn vier onderzoeksvragen geformuleerd:

    1. Welkerisico-ensuccesgroepenkunnenwordengeïdentificeerdindehbo-studentenpopulatieopbasis van hun prestaties op de indicatoren uitval, switch en rendement?

    2. Hoe zijn deze risico- en succesgroepen vertegenwoordigd binnen de G5 in vergelijking met andere hbo-clusters?

    3. Hoe presteren deze risico- en succesgroepen binnen de G5 in vergelijking met andere hbo-clusters?

    4. Hoe kunnen eventuele prestatieverschillen worden geduid en hoe hangen uitkomsten op prestatie-indicatoren (mogelijk) met elkaar samen?

    Om deze vragen te kunnen beantwoorden is op basis van het 1cijferHO- bestand gekeken naar de prestaties van zestig subgroepen in de populatie voltijdstudenten, die voor het eerst actief zijn in het hoger onderwijs. Deze subgroepen zijn tot stand gekomen door bekende studiesucces beïn-vloedende achtergrondkenmerken van studenten te combineren. Het betreft etniciteit, vooropleiding, geslacht en opleidingssector. Op basis van hun studiesucces zijn deze zestig subgroepen vervolgens gerankt in vijftien risicogroepen, een middenmoot en vijftien succesgroepen. Vergelijking van de studieprestaties van de landelijke subgroepen met dezelfde subgroepen in de Randstad heeft per onderzoeksvraag geleid tot de volgende antwoorden:

    1. Traditionele verdeling van risico- en succesgroepen ten aanzien van studiesuccesindicatoren.• Binnen de risicogroepen zijn veelal de mannen en niet-westers allochtone studenten te vinden.

    In de succesgroepen zitten vooral vrouwen, vwo’ers en autochtone studenten. Naar studiesuc-cesindicator verschilt het of vooral mbo’ers of havisten tot risico- of succesgroepen behoren.

    • De sector die het meest terugkomt in de succesgroepen is Techniek (bij switch samen met Gezondheidszorg). Sectoren die bij relatief veel risicogroepen terugkomen zijn voor: uitval: Gedrag & Maatschappij en Onderwijs; switch: Economie en Gedrag & Maatschappij; rendement: Economie, Onderwijs en Techniek.

    2. Risicogroepen zijn sterker vertegenwoordigd in de Randstad en groeien • Landelijke en G5 risico- en succesgroepen komen grotendeels overeen.• Bij alle clusters van hogescholen groeit de instroom van risicogroepen waarbij gelijktijdig het

    studiesucces van deze risicogroepen daalt.• Hoewel de dalende trend van studiesucces een landelijk beeld is, zijn de risicogroepen sterker

    vertegenwoordigd en succesgroepen zijn minder sterk vertegenwoordigd bij G5-instellingen. Daarnaast geven instroomcijfers ook aan dat het aandeel risicogroepen bij de G5-instellingen even hard of zelfs harder groeit dan bij andere hogescholen.

  • 8

    3. Het niveau van uitval en switch in de Randstad wijkt af van het landelijke niveau.• De veronderstelling dat dezelfde risico- en succesgroepen over het land vergelijkbaar presteren

    blijkt niet te kloppen, hoewel dit een uitgangspunt is voor het hanteren van de normalisatiescore. Dat geldt met name voor uitval en switch.

    • Het niveau van uitval na een jaar studie ligt bij alle subgroepen in de Randstadpopulatie hoger dan bij de subgroepen in de landelijke populatie, terwijl het niveau van switchen tussen opleidin-gen binnen de instelling voor alle subgroepen in de Randstadpopulatie juist lager ligt.

    • Opvallend is dat vooral de autochtone studenten vaker uitvallen bij de G5-hogescholen. • Tussen de G5-hogescholen varieert het studiesucces van de onderscheiden groepen niet zo

    sterk als de variatie met de andere clusters van hogescholen

    4. Constatering van een ‘Randstad-effect’ behoeft verder onderzoekDe kern van de afwijkende prestaties tussen de G5 en grote niet-G5 zit vooral in uitval en switch. De prestaties van de herinschrijvers wijken voor deze clusters niet af. Bij de G5 is uitval overigens hoger en switch lager dan bij vergelijkbare landelijke groepen (excl. G5) en ten opzichte van de andere hbo-clusters. Waarom deze twee uitkomsten naast elkaar bestaan, is niet eenduidig aan te geven. Wellicht zijn studenten uit de Randstad minder verbonden aan hun hogeschool en/of maakt de aanwezigheid van meerdere hogescholen binnen reisafstand de keuze voor een andere hogeschool makkelijker (en daarmee uitval hoger) dan bij bijvoorbeeld de grote niet-G5-hogescholen. Het zou interessant zijn om het verband tussen uitval en switch te onderzoeken onder met name autochtone mannen: dit is immers een groep waar verschillen in uitval en switch tussen de G5-hogescholen en het cluster grote niet-G5-hogescholen opvallend groot zijn.

    Achter iedere prestatie-indicator lijkt een eigen dynamiek schuil te gaan. Zo is de top 15 risico-groepen voor uitval (op onderdelen) anders samengesteld dan de top 15 risicogroepen voor switch en rendement. Het lijkt er met andere woorden op dat iedere indicator andere ‘target’-groepen kent, die wellicht ook verschillende soorten interventies vragen om hun studiesucces te verhogen.

    Uitkomsten tonen dat dezelfde groepen verschillend presteren op verschillende (clusters van) hbo-instellingen.Mogelijkzijnerspecifieke(leer)omgevingskenmerkendiedezeverschilleninpresta-ties veroorzaken. Is er in het geval van de G5 sprake van een ‘Randstad-effect’: mogelijk hebben G5-hogescholen te maken met factoren (samenstelling studentenpopulatie, (leer)omgevingsfactoren) diezichversterktvoordoenbinnen,specifiekzijnvoor,en/ofandersopelkaarinwerkenbinneneengrootstedelijke context, waardoor zich prestatieverschillen met andere hbo-clusters voordoen.

    De samenstelling van de studentpopulatie bepaalt dus in belangrijke mate het studiesucces van een hogeschool. Bij de beoordeling van de voortgang op de prestatieindicatoren verdient het aanbeveling om naast de samenstelling van de studentpopulatie ook het ‘Randstad-effect’ mee te laten wegen in de beoordeling. Dit aangezien vergelijkbare (risico en succes) groepen sterker vertegenwoordigd zijn in de Randstad maar bovendien slechter presteren. Het ‘Randstad-effect’ behoeft wel nader onder-zoek.

    In een vervolgstudie zal nader onderzocht worden of uitval bij G5-hogescholen leidt tot uitval uit het systeem van hoger onderwijs of tot switch van studenten tussen G5-instellingen. Daarbij zal het ook duidelijk worden in hoeverre de studenten die uitvallen (met of zonder negatief BSA) bij een andere hogeschool verder gaan met een andere of dezelfde opleiding en of zij in die nieuwe opleiding suc-cesvol zijn.

  • 9

    1. Inleiding

    VraagstukkenrondstudiesucceshebbenvoorG5-hogescholeneenspecifiekkarakter.Zijverzorgenonderwijs binnen een grootstedelijke omgeving en hebben te maken met een grote diversiteit van de studentenpopulatie, bijvoorbeeld naar etnische herkomst. Gezien de context is het denkbaar dat het voor G5-hogescholen een meer complexe aangelegenheid is om studenten succesvol te begeleiden richting het diploma dan voor (grote) hogescholen buiten de Randstad.

    Eind 2011 hebben hogescholen met het ministerie van OCW Prestatieafspraken gemaakt waarin doelstellingen zijn opgenomen op diverse terreinen waaronder doelstellingen op het gebied van stu-diesucces. Om te monitoren of instellingen op koers liggen om de doelstellingen per december 2015 te realiseren, ontvangen instellingen jaarlijks gegevens uit het 1cijferHO-bestand van DUO. Deze gegevens van individuele instellingen leveren relevante informatie op over ontwikkelingen binnen de diverse instellingen op het gebied van studiesucces. Eén van de aangeleverde gegevens is het per-centage normalisatie. Dit percentage, bijvoorbeeld voor de indicator uitval, is een gewogen landelijk gemiddelde gebaseerd op vooropleiding, geslacht en etniciteit. Opvallend is dat deze percentages voor alle indicatoren (te weten uitval, switch en rendement verslechteren (zie hiervoor bijlage 1)). Dit was de aanleiding om deze landelijke trends nader te onderzoeken.

    Deze rapportage, die het resultaat is van het samenwerkingsverband van onderzoekers van de grote Randstadhogescholen (G5-onderzoeksgroep¹), is bedoeld als verdere verdieping op bestaande gegevens met betrekking tot de Prestatieafspraken. Zo worden ontwikkelingen binnen de individuele instellingen bijeen gebracht zodat grotere trends zichtbaar worden en vergelijkingen met andere hogeschoolclusters, zoals niet-Randstadhogescholen, mogelijk zijn. Deze rapportage vormt een eerste stap in het verder ontrafelen van het geheel aan factoren dat een rol speelt bij het studiesuc-ces van studenten binnen de grootstedelijke omgeving.

    1.1 Vraagstelling

    Zoals uit het onderzoek zal blijken wijkt de samenstelling van de studentenpopulatie binnen de G5 af van die op het landelijke niveau. Zo heeft de G5 te maken met een oververtegenwoordiging van bepaalde groepen die minder presteren. Maar om welke groepen gaat het precies? En wat zijn ken-merken van groepen die minder (of juist meer) dan gemiddeld studiesucces behalen? De vragen die wij in deze rapportage beogen te beantwoorden zijn:• Welkerisico-ensuccesgroepenkunnenwordengeïdentificeerdindehbo-studentenpopulatieop

    basis van hun prestaties op de indicatoren uitval, switch en rendement?• Hoe zijn deze risico- en succesgroepen vertegenwoordigd binnen de G5 in vergelijking met

    andere hbo-clusters?• Hoe presteren deze risico- en succesgroepen binnen de G5 in vergelijking met andere hbo-

    clusters? • En hoe kunnen eventuele prestatieverschillen worden geduid en hoe hangen uitkomsten op

    prestatie-indicatoren (mogelijk) met elkaar samen?

    ¹ De G5 onderzoeksgroep beoogt gemeenschappelijk inzichten op te bouwen over de samenstelling van haar studentenpopulatie en de ontwikkeling van haar studiesucces. Deze vormen de basis voor het formuleren en onderbouwen van (gemeenschappelijk) beleid rond studiesucces.

  • 10

    Doorinkaarttebrengenwelkespecifiekegroepenalsrisico-enalssuccesgroepbeschouwdkun-nen worden en hoe deze groepen presteren op de indicatoren uitval, switch en rendement, is de verwachting dat beleidsinspanningen meer gericht plaats kunnen vinden.

    Inspanningen die zich richten op risicogroepen (de zogenaamde groep van ‘underachievers’, waar uitval en switch hoog en rendementen laag zijn) kunnen leiden tot de grootste winst als het gaat om het terugdringen van uitval en switch en verhogen van rendementen. De aandacht voor succes-groepen (de zogenaamde groep van ‘overachievers, waar uitval en switch laag zijn, en rendementen hoog) is ingegeven door de verwachting dat uit het succes van deze groepen lering kan worden getrokken zodat prestaties van risicogroepen kunnen worden verbeterd. Als succesgroepen zijn geïdentificeerd,dankandevraagwordengesteldwelkefactorendezegroepentoteensuccesma-ken en of deze factoren een rol kunnen spelen bij het verhogen van studiesucces van risicogroepen.

    In deze studie wordt gerapporteerd over de uitval-, switch- en rendementsontwikkelingen op het G5-brede niveau. Er wordt nagegaan hoe de G5-hogescholen als groep presteren. De G5-brede ontwik-kelingen worden in een breder perspectief geplaatst door een vergelijking te maken met andere hbo-clusters (in paragraaf 1.2 wordt toegelicht om welke hbo-clusters het gaat). In bijlage 3 zijn per G5-hogeschool ontwikkelingen met betrekking tot uitval, switch en rendement terug te vinden.

    1.2 Toelichting op de data en gevolgde analysemethode

    Het databestand waarop de cijfers uit de rapportage zijn gebaseerd, is het landelijke 1CijferHO-be-stand per april 2013. Dit bestand is onder strikte voorwaarden door DUO ter beschikking gesteld voor monitoringenonderzoekdoordeG5-onderzoeksgroep.Bijdedatapreparatiezijndezelfdedefinitiesgebruikt die DUO hanteert bij de berekening van uitval-, switch- en rendementscijfers in het kader van de Prestatieafspraken. Ter controle heeft Risbo de door DUO gegeneerde Prestatieafspraken-gegevens (zie bijlage 1) gereproduceerd met het door DUO beschikbaar gestelde 1CijferHO-bestand. Deze reproductie leverde dezelfde uitkomsten op als de DUO-cijfers. Er is dus uniformiteit tussen de DUO-selecties en de selecties die voor dit rapport gebruikt zijn.

    De volgende stappen zijn toegepast om de gegevens te analyseren:

    Stap 1: Creëren van subgroepen Omrisico-ensuccesgroepenteidentificerenzijn60subgroepengecreëerd,gebaseerdopdestudentkenmerken vooropleiding, etnische herkomst en geslacht (deze gegevens zijn ook gebruikt bij de berekening van het percentage normalisatie van de prestatie-indicatoren voor de G5) en het opleidingskenmerk sector (CROHO). De 60 subgroepen zijn opgebouwd uit een combinatie van de volgende categorieën² :

    Vooropleiding Sector Etnische afkomst GeslachtMboHavoVwo

    GezondheidszorgGedrag & Maatschappij

    EconomieOnderwijsTechniek

    AutochtoonNiet-westers allochtoon

    VrouwMan

    ² Per kenmerk zijn de belangrijkste categorieën geselecteerd. Zo is bij vooropleiding de categorie ‘Buitenlands’ buiten beschouwing gelaten omdat deze bij de G5-hogescholen, met uitzondering van De Haagse Hogeschool, een klein percentage van de instroom bedraagt. Ook zijn de sectoren ‘Landbouw & natuurlijke omgeving’ en ‘Taal & cultuur’ niet in de analyses betrokken omdat een meerderheid van de G5-hogescholen voor deze sectoren geen opleidingen aanbiedt.

  • 11

    Voorbeelden van subgroepen zijn: studenten met mbo-vooropleiding, studerend in de sector Econo-mie, van autochtone herkomst en vrouw, of: studenten met een havo-vooropleiding, studerend in de sector Gezondheidszorg, van niet westerse herkomst en man.

    Stap 2: Identificeren risico- en succesgroepenOp landelijk niveau zijn de uitval-, switch- en rendementspercentage van elk van de 60 subgroepen berekend. Vervolgens is gekeken wat de landelijke top 15 risico- en succesgroepen voor deze drie prestatie-indicatoren zijn. Daarbij is rekening gehouden met de grootte van de groepen op instel-lingsniveau: er zijn alleen groepen meegeteld waarbij tenminste drie van de G5-hogescholen een gemiddelde jaarlijkse instroom hadden van 10 studenten of meer over de bestudeerde periodes. Dit selectiecriterium heeft tot gevolg gehad dat voor en uitval en switch 18 subgroepen en voor rende-ment 22 subgroepen buiten de analyses zijn gelaten. In bijlage 2 is de rangorde terug te vinden van subgroepen voor alle prestatie-indicatoren. Voor uitval en switch zijn de cohorten 2008-2011 geanaly-seerd, voor rendement de cohorten 2004-2007. Deze komen overeen met de periodes waarover DUO rapporteert met betrekking tot uitval, switch en rendement.

    Stap 3: Vergelijking G5 met landelijk beeld en andere hbo-clustersOm na te gaan hoe het cluster van G5-hogescholen presteert ten opzichte van andere hogescho-len, zijn de G5-ontwikkelingen op het gebied van uitval-, switch-, en rendement vergeleken met de volgende clusters:1. Hbo-landelijk exclusief de G5.2. ‘Grote niet-G5-hogescholen’. Dit zijn de hogescholen met een 20.000+ studentenpopulatie:

    Hogeschool Windesheim, Avans Hogeschool, Saxion Hogeschool, Hanzehogeschool Groningen, Hogeschool van Arnhem en Nijmegen, Fontys Hogescholen.

    3. ‘Hbo overig’. De kleinere hogescholen, zowel binnen als buiten de Randstad.

    G5 en hbo-landelijk (excl. G5) worden vergeleken naar gemiddelde uitval-, switch en rendements-jaarcijfers over de bestudeerde periodes. Bij de vergelijking tussen G5 en andere hbo-clusters worden cijfers per cohort gepresenteerd.

    1.3 Opbouw rapportage

    In hoofdstuk 2 staat uitval centraal. Ten eerste worden landelijke risico- en succesgroepen voor uitvalgeïdentificeerdenwordenuitvalvandeG5enhbolandelijk(excl.G5)metelkaarvergeleken.Vervolgens komt de instroom van studenten uit risico- en succesgroepen aan bod, waarbij de G5 wordt vergeleken met andere grote niet-G5-hogescholen en het cluster ‘hbo overig’. Zo kan worden nagegaan in hoeverre risicogroepen over-, dan wel ondervertegenwoordigd zijn op de G5. Ten slotte wordt gekeken hoe de G5 presteert ten opzichte van andere hbo-clusters als het gaat om risico- en succesgroepen. In hoofdstuk 3 en 4 komen dezelfde vragen aan de orde, maar dan voor respec-tievelijk switch en rendement. In hoofdstuk 5 worden de bevindingen uit de eerdere hoofdstukken samengebracht en bevindingen geformuleerd die uitkomsten voor uitval, switch en rendement met elkaar verbinden en worden de vier onderzoeksvragen beantwoord.

  • 12

    2. Uitval

    UitvalisgedefinieerdconformdedefinitievandePrestatie-indicatoren.Dezedefinitieluidtalsvolgt:

    Uitval is het aandeel van het totaal aantal voltijd bachelorstudenten (eerstejaars ho) dat na één jaar niet meer bij dezelfde instelling in het hoger onderwijs staat ingeschreven.

    Toelichting:• Studenten tellen alleen mee bij de instelling van hun eerste jaar ho (hun debuut in het hoger

    onderwijs). Voorbeeld: wanneer studenten na hun eerste jaar ho switchen van instelling A naar instelling B, dan tellen zij mee bij het bepalen van uitvalcijfers van instelling A, maar tellen zij niet meer mee bij het bepalen van uitvalcijfers van instelling B.

    • Overeenkomstig de door DUO gehanteerde selectiemethode, die leidend is voor deze rappor-tage, worden onder herinschrijvers alle studenten gerekend die zich in jaar 2 als voltijdstudent inschrijven op dezelfde instelling als in het cohortjaar (eerste jaar ho). Dit betekent dat in deze definitieookstudentendiezichinhuneerstejaarhoinschrijvenalsvoltijdstudentenenzichinjaar 2 op dezelfde hbo-instelling herinschrijven anders dan als voltijdstudent (bijvoorbeeld als deeltijdstudent) uitvallers zijn

    • DUO stelt als extra selectievoorwaarde aan uitval dat een uitvaller in het instroomjaar geen bachelordiploma behaald mag hebben.

    2.1 Landelijke risico- en succesgroepen: G5 vergeleken met het landelijke beeld (excl. G5)

    In tabel 2.1 is de landelijke top 15 van risicogroepen (in oranje) en succesgroepen (in blauw) voor uitval weergegeven op basis van het gemiddelde uitvalpercentage over de periode 2008-2011.

    Tabel 2.1 levert de volgende bevindingen op: • De top 15 landelijke risicogroepen bestaat voor een meerderheid uit mbo’ers, niet-westerse

    allochtonen en mannen. Dit is een bekende uitkomst die ook al in eerdere studies naar voren is gekomen³. Twee sectoren die veelvuldig naar voren komen bij de risicogroepen zijn Gedrag & Maatschappij en Onderwijs.

    • De landelijke succesgroepen (groepen met een lage uitval) vormen een spiegelbeeld van de risicogroepen en bestaan vooral uit vwo’ers en havisten, vrouwen en autochtonen. Geen enkele succesgroep herbergt niet-westerse allochtonen. Techniek is een sector die in relatief veel suc-cesgroepen terugkomt.

    Het is belangrijk om aan te geven dat de risicogroepen – in absolute aantallen- een kleiner aantal uitvallers geeft dan de succesgroepen bij elkaar. In absolute aantallen behoort 1/3 van de uitvallers tot een risicogroep en 2/3 tot een succesgroep (daarbij dient vermeld dat het totaal aantal studenten dat tot een risicogroep behoort ook kleiner is dan het totaal aantal studenten dat tot een succesgroep behoort (respectievelijk 38.321 en 123.523 studenten)).

    ³ Zie bijvoorbeeld: Wartenbergh, F. en Broek, A. van der.(2008). Studieuitval in het hoger onderwijs: Achtergrond en oorzaken. Onderzoek in opdracht van het ministerie van OCW. Nijmegen: ResearchNed; Onzenoort, van, C.H. (2010). Als uitval opvalt. Studie-uitval in het hoger beroepsonderwis. Oisterwijk: Uitgeverij BOXpress

  • 13

    Opbasisvandelandelijkgeïdentificeerdetop15risico-ensuccesgroepenvergelijkenweintabel2.2de uitvalgegevens van de groep niet G5-hogescholen (landelijk, exclusief G5) met de uitvalgegevens van de G5.

    Tabel 2.1 Landelijke top 15 risicogroepen uitval (oranje=hoge uitval) en 15 succesgroepen (blauw=lage uitval), gemiddelde uitval na 1 jaar uit de instelling (cohorten 2008-2011)

    In de uiterste rechterkolom staat het verschil in uitvalpercentages tussen de G5 en de landelijke cijfers (excl. G5): hoe roder de cel in deze kolom, hoe hoger de uitval van de G5 ten opzichte van het landelijke beeld (excl. G5).

    In de tabel wordt tevens, om een indicatie van uitvalontwikkeling te krijgen, de trend over de bestu-deerde cohorten (2008-2011) gegeven. Een positieve trend geeft een uitvalstijging aan. Een nega-tieve trend geeft een uitvaldaling aan. In de trendkolommen is dit als volgt aangegeven: hoe groener de cel, hoe sterker de uitvaldaling, hoe roder de cel, hoe sterker de uitvalstijging. De R2 geeft aan hoe dicht uitvalpercentages van een groep bij de trendlijn liggen: hoe dichter de R2 de 1 nadert, hoedichterdepercentagesbijdetrendlijnliggenenhoeminderfluctuatieserronddetrendlijnzijn.In de tabel staat dit als volgt weergegeven: hoe groener de cel in de R2-kolommen, hoe dichter de percentagesbijdetrendlijn,hoeroder,hoesterkerdefluctuatiesinuitvalpercentages.

  • 14

    Als voorbeeld nemen we de landelijke groep 2 uit de tabel ‘MBO - gedrag en maatschappij; NW-allochtoon, M’, die met een R2 van 0,924 een trendlijn heeft (een positieve waarde (0,03), wat een stijging van uitval inhoudt) die een zeer goede weergave is van de ontwikkelingen in uitval voor deze groep.

    Tabel 2.2 Gemiddelde uitval na 1 jaar uit de instelling (cohorten 2008-2011), hbo landelijk (ex. G5) en G5 vergeleken voor de landelijke top 15 risicogroepen (oranje=hoge uitval) en succesgroepen

    (blauw=lage uitval)

    Tabel 2.2 levert de volgende inzichten op.• Voor alle onderscheiden groepen, zowel risico- als succesgroepen, is de gemiddelde uitval

    hoger voor de G5 dan voor dezelfde groepen hbo landelijk (excl. G5). Bij de niet G5-hogescho-len behoort 28% van de uitvallers tot de risicogroepen, bij de G5-hogescholen gaat het om een percentage van 40%.

    • De grootste verschillen tussen G5 en hbo landelijk (excl. G5) zijn te vinden bij de groepen au-tochtone studenten (de meest donkerrode cellen in de rechterkolom). Gemiddeld is het verschil 18 procentpunten onder risicogroepen met autochtone studenten, voor risicogroepen met niet-westerse allochtone studenten is dit verschil 8,5 procentpunten. Bij succesgroepen van autoch-tone studenten is het gemiddelde verschil tussen de G5 en hbo landelijk (excl. G5) 9 procent-punten (er zijn geen succesgroepen met niet-westerse allochtone studenten).4

    • Bestudering van de trendontwikkelingen laat zien dat de G5 een groter aantal groepen met een uitvaldaling heeft dan landelijk (excl. G5) (9 versus 7 groepen). De uitvaldaling is bij de G5 vooral te zien bij de succesgroepen. Echter, de R2 voor deze groepen van beide clusters is (zeer) laag, wateenindicatieisdatdeuitvalpercentagesindezegevallensterkfluctueren.

    4 Het gemiddelde verschil is berekend door voor alle groepen die tot een specifieke categorie behoren, bijvoorbeeld risicogroepen met autochtone studenten, verschillen op te tellen (meest rechter kolom) en te delen door het aantal groepen in deze categorie (5 groepen in het geval van risicogroepen met autochtone studenten).

  • 15

    • De G5 heeft een groter aantal groepen die te maken hebben met een (sterke) uitvalstijging dan landelijk (excl. G5) (18 versus 11). In een meerderheid van deze gevallen is de stijging sterker bij de G5. De R2 voor deze groepen is bij beide clusters is (zeer) hoog, wat betekent dat de trend-lijn een goede weergave is van de ontwikkeling van uitvalpercentages.

    2.2 Risicogroepen uitval: G5 vergeleken met andere hbo-clusters

    In deze paragraaf zijn ontwikkelingen in instroom van risicogroepen en in uitvalpercentages van het cluster G5-hogescholen vergeleken met:

    1. de clusters ‘grote niet-G5-hogescholen’ (Hogeschool Windesheim, Avans Hogeschool, Saxion Hogeschool, Hanzehogeschool Groningen, Hogeschool van Arnhem en Nijmegen, Fontys Hoge-scholen)

    2. ‘hbo overig’ (kleinere hogescholen binnen en buiten de Randstad).

    De data hebben betrekking op de top 15 risicogroepen als geheel (er worden dus geen aparte risico-groepenbesproken).Infiguur2.1wordtperhbo-clusterhetaandeeleerstejaarsstudentenbinnendetotale eerstejaarspopulatie weergegeven dat tot een van de 15 risicogroepen voor uitval behoort.

    Figuur 2.1 Aandeel top 15 risicogroepen uitval van totale instroom naar hbo-cluster (cohorten 2004-2011)

    Uitfiguur2.1blijktdatstudentenuitdelandelijkeTop15risicogroepensterkoververtegenwoordigdzijn binnen de G5-hogescholen. Een meerderheid van deze groepen bestaat uit niet-westerse alloch-tone studenten. Dit zijn studenten die vooral studeren aan grootstedelijke hogescholen.

    In de loop der jaren zijn de verschillen tussen de G5 en de andere clusters groter geworden. 10 procent van de G5-studenten van cohort 2004 behoorde tot de top 15 uitvalrisicogroepen, in 2011 is dit percentage opgelopen tot bijna 18%. Bij de grote niet-G5-hogescholen is dit aandeel in dezelfde periode eveneens toegenomen, maar minder sterk (van 8 naar 11%). Het aandeel top 15 risico-groepen is het kleinst bij de groep ‘hbo overig’ (tussen de 6 - 8%). Dit resultaat geeft aan dat de G5- instellingen te maken hebben gehad met een relatief grotere instroom van risicostudenten en dat die groep relatief gezien is de afgelopen jaren is toegenomen.

    Uitfiguur2.2blijktdatuitvaluitdeinstellingna1jaarvoordetop15risicogroepenhethoogstisvoorde G5-hogescholen. Daarbij stijgt bij de G5-instellingen als groep het uitvalpercentage het snelst

  • 16

    (+5%; van 35% voor cohort 2008 naar 40% voor cohort 2011). De uitval van de top 15 risicogroepen is het laagst bij de groep grote niet-G5-hogescholen. Bij die groep blijft het uitvalpercentage vrij stabiel rond de 25%. Opvallend is dat deze grote hogescholen het beter doen dan de groep ove-rige (kleinere) hogescholen, temeer omdat de kleinere hogescholen relatief minder risico studenten binnen krijgen. Dit verschil in uitval wordt mogelijk veroorzaakt doordat kleinere hogescholen vaak monosectoraal zijn of een beperkt aantal sectoren omvatten, zodat studenten die willen switchen ook eerder uitvallen uit de instelling. Hoewel de grote hbo-instellingen te maken hebben gehad met een vergroting van de instroom van risico studenten lijkt het effect daarvan op uitval bij de G5-hogescho-len groter dan bij de overige grote hogescholen. Grootte van de instelling lijkt daarmee, als verkla-ring voor het verschil in uitval(stijging), een minder plausibele verklaring te zijn. Wellicht is er sprake van een ‘Randstad-effect’: mogelijk hebben G5-hogescholen te maken met factoren (samenstelling studentenpopulatie, (leer)omgevingsfactoren) die zich binnen een grootstedelijke context versterkt voordoen,en/ofjuistspecifiekzijnvoordezegrootstedelijkecontext,waardoorzichuitvalverschillenmet andere hbo-clusters voordoen.

    Figuur 2.2 Uitval uit de instelling na 1 jaar van top 15 risicogroepen naar hbo-cluster (cohorten 2008-2011)

    2.3 Succesgroepen uitval: G5 vergeleken met andere hbo-clusters

    In deze paragraaf wordt dezelfde vergelijking gemaakt tussen de drie hbo-clusters/groepen maar dan voor de succesgroepen uitval, dat wil zeggen de groepen met een relatief laag uitvalpercentage.

    Figuur 2.3 Aandeel top 15 succesgroepen uitval van totale instroom naar hbo-cluster (cohorten 2004-2011)

  • 17

    Infiguur2.3wordtperhbo-clusterhetaandeeleerstejaarsstudentenbinnendetotaleeerstejaars-populatieweergegevendattoteensuccesgroepvooruitvalbehoort.Defiguurtoontdatstudentenuitde top 15 succesgroepen voor uitval (lage uitval) oververtegenwoordigd zijn binnen het cluster grote niet-G5-hogescholen (rond 45%). Dit betekent dat het cluster ‘grote niet-G5’ een relatief grote groep studenten heeft die minder kans maakt om uit te vallen. Deze groep is kleiner bij de G5 en het minst sterk vertegenwoordigd bij het cluster ‘hbo overig’ (rond de 36%).

    Figuur 2.4 Uitval uit de instelling na 1 jaar van top 15 succesgroepen naar hbo-cluster (cohorten 2008-2011)

    Uitfiguur2.4blijktdatuitvaluitdeinstellingna1jaarvoordetop15succesgroepenhethoogstisbijde G5-hogescholen. Voor de cohorten 2008-2011 ligt deze rond de 25%. De uitval van de top 15 suc-cesgroepen is het laagst voor het cluster grote niet-G5-hogescholen en ligt met 15% zo’n 10 procent-punten onder de G5-uitval. Dit betekent dat de groep ‘grote niet-G5-hogescholen relatief de meeste succesvolle studenten binnen krijgen en die ook het beste weten te behouden. De G5-hogescholen slagen daar ten opzichte van de twee andere groepen minder goed in.

    2.4 Bevindingen uitval

    Op basis van de landelijke uitvalpercentages bestaat de top 15 landelijke risicogroepen uitval voor een meerderheid uit mbo’ers, niet-westerse allochtonen en mannen. De sector Gedrag & Maatschap-pij en de sector Onderwijs komen veelvuldig voor onder de risicogroepen. De top 15 landelijke succesgroepen uitval bestaan vooral uit vwo’ers en havisten, vrouwen en autochtonen (geen enkele succesgroep herbergt niet-westerse allochtonen). Techniek is een sector die in relatief veel succes-groepen terugkomt.

    In absolute aantallen behoort 1/3 van de uitvallers tot een risicogroep en 2/3 tot een succesgroep. Daarbij dient vermeld dat het totaal aantal studenten dat tot een risicogroep behoort ook kleiner is dan het totaal aantal studenten dat tot een succesgroep behoort.

    Voor alle top 15 risico- en succesgroepen is uitval hoger voor de G5 dan voor hbo landelijk (excl. G5). Opmerkelijk is dat grootste verschillen tussen G5 en hbo landelijk (excl. G5) te vinden zijn bij de groepen autochtone studenten: gemiddeld is het verschil 18 procentpunten onder risicogroepen. Onder risicogroepen met niet-westerse allochtone studenten bedraagt het gemiddelde verschil 8,5 procentpunten.

  • 18

    De G5 heeft te maken met een groter aantal groepen met een (sterke) uitvalstijging dan in landelijk opzicht (excl. G5) (respectievelijk 18 en 11 groepen).

    De G5-hogescholen hebben een relatief grote groep studenten dat tot de risicogroepen voor uitval behoort, waarbij verschillen met andere clusters (‘grote niet-G5’ en ‘hbo overig’) in de loop der jaren groter zijn geworden. De groep studenten die tot een van de top 15 succesgroepen voor uitval be-hoort, is het sterkst vertegenwoordigd binnen het cluster ‘grote niet-G5-hogescholen’.Uitval uit de instelling na 1 jaar voor de top 15 risico- én succesgroepen is het hoogst voor de G5-hogescholen, het laagst voor het cluster ‘grote niet-G5-hogescholen’. Daarbij stijgt bij de G5 het uitvalpercentage onder risicogroepen het snelst.

    3. Switch

    SwitchisgedefinieerdconformdedefinitievandePrestatie-indicatoreninhetkadervandePresta-tieafspraken.Dezedefinitieluidtalsvolgt:

    Switch is het aandeel van het totaal aantal voltijd bachelorstudenten (eerstejaars ho) dat na 1 jaar studie staat ingeschreven bij een andere studie bij dezelfde instelling.

    Toelichting:• Studenten tellen alleen mee voor de instelling van hun eerste jaar ho (hun debuut in het hoger

    onderwijs). Wanneer studenten na hun eerste jaar ho switchen van instelling A naar instelling B, dan tellen zij niet mee bij de bepaling van de switchcijfers van instelling B (deze studenten zijn wel uitvaller voor instelling A).

    • Overeenkomstig de door DUO gehanteerde selectiemethode, die leidend is voor deze rappor-tage, worden onder switchers alle studenten gerekend die zich in jaar 2 op dezelfde instelling inschrijven als in hun eerste jaar ho en in jaar 2 óf

    a. een andere opleiding volgen, óf b. de opleiding uit jaar 1 vervolgen, maar deze niet als voltijdstudent voorzetten.

    3.1 Landelijke risico- en succesgroepen: G5 vergeleken met het landelijke beeld (excl. G5)

    In tabel 3.1 is de landelijke top 15 van risicogroepen (in oranje) en succesgroepen (in blauw) voor switch weergegeven op basis van het gemiddelde switchpercentage over de periode 2008-2011.

    Tabel 3.1 toont dat de landelijke risicogroepen voor een meerderheid uit havisten, niet-westerse allochtonen en mannen bestaat. Sectoren die in veel risicogroepen terugkomen zijn Economie en Gedrag & Maatschappij. Landelijke succesgroepen (groepen met weinig switch) bestaan vooral uit mbo’ers en vwo’ers, autochtonen (14 van de 15 succesgroepen) en vrouwen. Gezondheidszorg en Techniek zijn sectoren van waaruit weinig geswitcht wordt. Een meerderheid van de switchers (80 procent) behoort tot een van de risicogroepen (onder uitvallers behoorde een meerderheid tot de succesgroepen).

    Opbasisvandelandelijkgeïdentificeerdetop15risico-ensuccesgroepenvergelijkenweintabel3.2 de switchgegevens van de groep niet G5-hogescholen (landelijk, exclusief G5) met de switchge-

  • 19

    gevens van de G5. In de uiterst rechterkolom staat het verschil in switchpercentages tussen de G5 en de landelijke cijfers (excl. G5): hoe groener de cel in deze kolom, hoe lager de switch voor de G5 ten opzichte van het landelijke beeld (excl. G5).

    In de tabel wordt tevens, om een indicatie van switchontwikkeling te krijgen, de trend over de bestu-deerde cohorten (2008-2011) gegeven. Een positieve trend geeft een switchstijging aan. Een nega-tieve trend geeft een switchdaling aan. In de trendkolommen is dit als volgt aangegeven: hoe groener de cel, hoe sterker de switchdaling, hoe roder de cel, hoe sterker de switchstijging. De R2 geeft aan hoe dicht switchpercentages van een groep bij de trendlijn liggen: hoe dichter de R2 de 1 nadert, hoe dichter de percentages bij de trendlijn liggen (hoe groener de cel in de R2-kolommen, hoe dichter de percentages bij de trendlijn, hoe roder, hoe verder de percentages van de trendlijn en hoe sterker defluctuatiesinswitchpercentages).Alsvoorbeeldnemenwelandelijkegroep3,‘HAVO-gedragen maatschappij; NW-allochtoon, M’ die met een R2 van 0,913 een trendlijn heeft (een waarde van 0,06, wat een stijging van switch inhoudt) die een zeer goede weergave is van de ontwikkelingen in switch voor deze groep.

    Tabel 3.1 Landelijke switch top 15 risicogroepen (oranje=veel switch) en 15 succesgroepen (blauw=weinig switch), gemiddeld percentage switch na 1 jaar binnen de instelling (cohorten 2008-2011)

  • 20

    Tabel 3.2 levert de volgende inzichten op.• Over vrijwel de gehele linie komt switch binnen de instelling (veel) minder voor bij de G5 dan

    landelijk (excl. G5) (zie rechterkolom). • Grote verschillen komen vooral voor bij autochtone mannen: van de tien groepen met de groot-

    ste verschillen (de meest donkergroene cellen in de rechterkolom) bestaan er zes uit autochtone mannen. Bij de G5-hogescholen switchen autochtone mannen veel minder vaak binnen de instelling dan landelijk (excl. G5).

    • Een relatief sterke switchdaling (groene cellen in de trendkolommen) komt vaker voor bij de landelijke dan bij de G5 subgroepen (9 versus 3 groepen).

    • Een relatieve switchstijging (rode cellen in de trendkolommen) komt vaker voor bij de G5 dan bij de landelijke subgroepen (8 versus 11 groepen). De R2 voor deze groepen is in een meerder-heid van de gevallen hoog, wat betekent dat de trendlijn een goede weergave is van de ontwik-kelingen(weinigfluctuatiesrondomdetrendlijn).

    Tabel 3.2 Gemiddelde switch na 1 jaar binnen de instelling (cohorten 2008-2011), hbo landelijk (excl. G5) en G5 vergeleken voor de landelijke top 15 risicogroepen (oranje=veel switch) en succesgroepen

    (blauw=weinig switch)

    3.2 Risicogroepen switch: G5 vergeleken met andere hbo-clusters

    In deze paragraaf vergelijken wij het cluster G5-hogescholen met de clusters grote niet-G5-ho-gescholen (Hogeschool Windesheim, Avans Hogeschool, Saxion Hogeschool, Hanzehogeschool Groningen, Hogeschool van Arnhem en Nijmegen, Fontys Hogescholen) en hbo-overig (kleinere hogescholen binnen en buiten de Randstad), waarbij de top 15 risicogroepen als een geheel worden beschouwd.

    Infiguur3.1wordtperhbo-clusterhetaandeeleerstejaarsstudentenbinnendetotaleeerstejaars-populatie weergegeven dat tot een risicogroep voor switch behoort.

  • 21

    Figuur 3.1 Aandeel top 15 risicogroepen switch van totale instroom naar hbo-cluster (cohorten 2004-2011)

    Uitfiguur3.1blijktdatstudentenuitdelandelijketop15risicogroepenvoorswitchsterkervertegen-woordigd zijn binnen de G5-hogescholen dan bij de andere twee hbo-clusters. De G5-hogescholen hebben dus een relatief grote groep studenten met een grote kans op switch binnen de instelling. In de loop der jaren zijn de verschillen met de andere hbo-clusters vrijwel hetzelfde gebleven. 35% van de G5-studenten van cohort 2004 behoorde tot de top 15 switchrisicogroepen, in 2011 is dit percen-tage opgelopen tot zo’n 39%. Bij de grote niet-G5-hogescholen is dit aandeel in dezelfde periode van 30 naar 35% gegaan. Het aandeel top 15 risicogroepen is het kleinst bij de groep ‘hbo overig’ (tussen de 15 en 20 procent).

    Figuur 3.2 toont dat switch binnen de instelling na 1 jaar voor de top 15 risicogroepen het minst voorkomt bij de G5-hogescholen (rond de 15%). Dit betekent dat, als het gaat om risicogroepen, G5-studenten minder binnen hun instelling van opleiding veranderen dan bij de andere hbo-clusters. Switch onder de top 15 risicogroepen is het hoogst voor het cluster grote niet-G5-hogescholen (rond de 25%). Het verschil tussen G5 en grote niet-G5-hogescholen lijkt wat kleiner te worden. Het cluster ‘hbo overig’ is een tussengroep met een switch van bijna 20%.

    Figuur 3.2 Switch binnen instelling na 1 jaar van top 15 risicogroepen naar hbo-cluster (cohorten 2008-2011)

  • 22

    3.3 Succesgroepen switch: G5 vergeleken met andere hbo-cluster

    In deze paragraaf vergelijken wij dezelfde drie hbo-clusters maar dan voor de top 15 succesgroepen (groepen met weinig switch).

    Infiguur3.3wordtperhbo-clusterhetaandeeleerstejaarsstudentenbinnendetotaleeerstejaars-populatie weergegeven dat tot een succesgroep voor switch behoort.

    Figuur 3.3 Aandeel top 15 succesgroepen switch van totale instroom naar hbo-cluster (cohorten 2004-2011)

    Defiguurtoontdatstudentenuitdetop15succesgroepenvoorswitch(lageswitch)hetsterkstverte-genwoordigd zijn binnen het cluster ‘grote niet-G5-hogescholen’. Rond de 25% hoort tot deze groep, met een daling voor cohort 2011. De grote niet-G5-hogescholen hebben dus een relatief grote groep studenten met een kleine kans op switch binnen de instelling. Het aandeel studenten uit de top 15 succesgroepen ligt voor de G5 en het cluster ‘hbo overig’ vrijwel gelijk (rond de 20 procent).

    Uitfiguur3.4blijktdatswitchbinnendeinstellingna1jaarvoordetop15succesgroepenhethoogste is onder het hbo-cluster ‘grote niet-G5-hogescholen’. Voor de cohorten 2008-2011 ligt deze rond de 10% met een lichte stijging voor cohort 2011. Switch van de top 15 succesgroepen is het laagst voor de G5. Voor dit cluster bedraagt het switchpercentage 4 à 5%. Dit betekent dat er op G5-hogescholen veel minder binnen de instelling van opleiding wordt gewisseld dan bij de grote niet-G5-hogescholen.

    Figuur 3.4 Switch binnen instelling na 1 jaar van top 15 succesgroepen naar hbo-cluster (cohorten 2008-2011)

  • 23

    3.4 Bevindingen switch

    De landelijke risicogroepen voor switch bestaat voor een meerderheid uit havisten, niet-westerse allochtonen en mannen. Sectoren die in veel risicogroepen terugkomen zijn Economie en Gedrag & Maatschappij.

    Landelijke succesgroepen bestaan vooral uit mbo’ers, vwo’ers, vrouwen en autochtonen (slechts één succesgroep bestaat uit niet-westerse allochtonen). Gezondheidszorg en Techniek zijn sectoren van waaruit weinig geswitcht wordt.

    Switch binnen de instelling komt (veel) minder voor bij de G5 dan landelijk (excl. G5). Grote verschil-len zijn vooral te vinden bij autochtone mannen: bij de G5-hogescholen switchen zij veel minder vaak dan landelijk (excl. G5).

    Switchdaling komt vaker voor bij de landelijke (excl. G5) dan bij de G5 subgroepen. Dit geldt zowel voor de risico- als succesgroepen. Switchstijging komt vaker voor bij de G5 dan bij de landelijke sub-groepen (excl. G5). Ook dit geldt zowel voor de risico- als succesgroepen.

    De instroom van studenten die behoren tot de switchrisicogroepen is bij G5-hogescholen het grootst en stijgt ook de laatste jaren. Echter deze groepen hebben een veel lagere kans op switchen dan bij de ‘grote niet-G5-hogescholen’. De instroom van studenten die behoren tot de switchsuccesgroepen is bij de ‘grote niet-G5-hogescholen’ het grootst. Deze groep bij de ‘grote niet G5-hogescholen’ heeft een hoger switchpercentage dan bij de G5-hogescholen. De instroom van deze succesgroepen laat bij alle hogescholen een daling zien.

    Het switchpercentage onder de top 15 risico- én succesgroepen is het hoogst voor het cluster ‘grote niet-G5-hogescholen’ en het laagst voor de G5.

    4. Rendement

    RendementisgedefinieerdconformdedefinitievandePrestatie-indicatoreninhetkadervandePrestatieafspraken.Dezedefinitieluidtalsvolgt:

    Rendement is het aandeel van de voltijd bachelorstudenten die zich na het eerste studiejaar opnieuw bij dezelfde instelling inschrijven (herinschrijvers) dat in de nominale studietijd + één jaar (c +1 jaar) bij dezelfde instelling het bachelorsdiploma behaalt.

    Toelichting:• Rendementzoalsgedefinieerdheeftbetrekkingophetdiplomarendementvandegroepherin-

    schrijvers, dus van de groep studenten die zich ná het eerste studiejaar inschrijven bij dezelfde instelling. Uitvallers uit de instelling na hun eerste jaar ho worden niet meegenomen in de rende-mentsberekeningen.

    • De opleiding van herinschrijving is niet van belang, het gaat erom dat de herinschrijving binnen dezelfde instelling plaatsvindt.

    • Studenten tellen alleen mee voor de instelling van hun eerste jaar ho (hun debuut in het hoger onderwijs). Wanneer studenten na hun eerste jaar ho switchen van instelling A naar instelling B,

  • 24

    dan tellen zij niet mee bij het bepalen van de rendementscijfers van instelling B (deze studenten zijn wel uitvaller voor instelling A).

    • Overeenkomstig de door DUO gehanteerde selectiemethode, die leidend is voor deze rappor-tage, worden onder herinschrijvers alle studenten gerekend die zich in jaar 2 als voltijdstudent inschrijven op dezelfde instelling als in het cohortjaar (eerste jaar ho). Studenten die zich in hun eerste jaar ho inschrijven als voltijdstudent en zich in jaar 2 op dezelfde instelling herinschrijven anders dan voltijdstudent (bijvoorbeeld als deeltijd- of duaalstudent) worden bij het bepalen van rendementen buiten beschouwing gelaten.

    4.1 Landelijke risico- en succesgroepen: G5 vergeleken met het landelijke beeld (excl. G5)

    In tabel 4.1 wordt op basis van het gemiddelde rendementspercentage over de cohorten 2004-2007 de landelijke top 15 van risicogroepen (in oranje) en succesgroepen (in blauw) weergegeven.

    Tabel 4.1 Landelijke rendementstop 15 risicogroepen (oranje=laag rendement) en 15 succesgroepen blauw=hoog rendement), gemiddeld rendement na 5 jaar (cohorten 2004-2007)

    Uit tabel 4.1 is af te lezen dat landelijke risicogroepen voor een meerderheid uit havisten, niet-wes-terse allochtonen en mannen bestaan. Sectoren die in veel risicogroepen terugkomen zijn Economie, Onderwijs en Techniek. Landelijke succesgroepen bestaan vooral uit mbo’ers en vwo’ers, autoch-tonen (alle 15 succesgroepen) en vrouwen. Techniek is de sector die het meeste voorkomt onder

  • 25

    de succesgroepen. Opvallend is dat de sector Techniek ook vaak bij de risicogroepen is te vinden. Blijkbaar is er binnen deze sector een tweedeling van zeer goede en zeer slechte presterende stu-dentgroepen wat betreft rendement.

    Opbasisvandelandelijkgeïdentificeerdetop15risico-ensuccesgroepenwordenintabel4.2derendementsgegevens van de groep niet G5-hogescholen (landelijk, excl. G5) met de rendementsge-gevens van de G5 vergeleken. In de uiterst rechterkolom staat het verschil in rendement tussen de G5 en de landelijke cijfers (excl. G5): hoe groener de cel in deze kolom, hoe hoger het rendement voor de G5 ten opzichte van het landelijke beeld (excl. G5); hoe roder de cel in deze kolom, hoe lager het rendement voor de G5 ten opzichte van het landelijke beeld (excl. G5).

    In de tabel wordt tevens, om een indicatie van rendementsontwikkeling te krijgen, de trend over de bestudeerde cohorten (2004-2007) gegeven. Een positieve trend geeft een rendementsstijging aan, een negatieve trend een rendementsdaling. In de trendkolommen is dit als volgt aangegeven: hoe groener de cel, hoe positiever de rendementsontwikkeling, hoe roder de cel, hoe negatiever de rendementsontwikkeling. De R2 geeft aan hoe dicht rendementspercentages van een groep bij de trendlijn liggen: hoe dichter de R2 de 1 nadert, hoe dichter de percentages bij de trendlijn liggen, hoeverdervan1,hoesterkerfluctuatiesinrendementspercentageszijn(hoegroenerdecelindeR2-kolommen,hoedichterdepercentagesbijdetrendlijn,hoeroderdecel,hoesterkerdefluctua-ties in rendements-percentages). Als voorbeeld nemen we de landelijke groep 1 ‘HAVO - economie; NW-allochtoon, M’ die met een R2 van 0,820 een trendlijn heeft (een waarde van -0,04, wat een daling van rendement inhoudt) die een goede weergave is van de ontwikkelingen in rendement voor deze groep.

    Tabel 4.2 Gemiddeld rendement na 5 jaar van de groep herinschrijvers na jaar 1 (cohorten 2004-2007), landelijke top 15 risicogroepen (oranje=laag rendement) en top 15 succesgroepen (blauw=hoog

    rendement)

  • 26

    Tabel 4.2 levert de volgende inzichten op.• Bij zowel de risico- als succesgroepen blijken de G5 en het cluster landelijk (excl. G5) elkaar in

    evenwicht houden als het gaat om de vraag waar ‘beter gepresteerd wordt’: het aantal groepen dat hogere gemiddelde rendementen behaalt bij de G5 dan op het landelijke niveau (excl. G5) is bijna even groot als vice versa.

    • DeG5presteertrelatiefgoedbijgroepenmetalsprofielvrouwelijkeautochtonestudentenmeteen mbo- of havo-vooropleiding in de sectoren Gedrag & Maatschappij en Gezondheidszorg: het rendementsverschil met het landelijke niveau (excl. G5) bedraagt bij deze groepen vier procent-punten of meer. Het grootste verschil is echter te vinden bij mannelijke autochtone studenten met een havo-opleiding in de sector Gedrag & Maatschappij: de G5 scoort bij deze groep acht procentpunten hoger dan landelijk (excl. G5). De G5 presteert relatief minder bij groepen met als profielautochtoneTechniekstudenten.Bijdezegroepenbedraagthetverschilmethetlandelijkeniveau (excl. G5) drie procentpunten of meer. Het grootste verschil is echter te vinden bij niet-westerse allochtone studenten met een havo-vooropleiding in de sector Onderwijs. De G5 scoort voor deze groep zeven procentpunten lagere rendementen dan landelijk (excl. G5).

    • Het aantal groepen met als trend een rendementsstijging is hetzelfde voor de G5 als landelijk (excl. G5): in beide clusters zijn er vijf groepen met een trend van +0,01 of hoger. Het gaat hier vooral om succesgroepen. Wel is het zo dat bij een meerderheid van deze groepen de stijging samengaatmeteen(zeer)lageR2watduidtopsterkefluctuatiesvancohorttotcohort.

    • Het aantal groepen dat als trend een rendementsdaling laat zien (trend van -0,01 of lager) is vergelijkbaar voor de G5 en landelijk (excl. G5): 19 versus 21. Het gaat hier vooral om risico-groepen. De daling gaat voor een meerderheid van de groepen samen met een hoge R2, wat een indicatie is dat de trendlijn een goede weergave is van de rendementsontwikkeling.

    4.2 Risicogroepen rendement: G5 vergeleken met andere hbo-clusters

    In deze paragraaf vergelijken wij het cluster G5-hogescholen met de clusters grote niet-G5-hoge-scholen (Hogeschool Windesheim, Avans Hogeschool, Saxion Hogeschool, Hanzehogeschool Groningen, Hogeschool van Arnhem en Nijmegen, Fontys Hogescholen) en hbo-overig (kleinere hogescholen binnen en buiten de Randstad), waarbij de top 15 risicogroepen als een geheel worden beschouwd.

    Infiguur4.1wordtperhbo-clusterhetaandeeleerstejaarsstudentenbinnendetotaleeerstejaars-populatieweergegevendattoteenrisicogroepvoorrendementbehoort.Uitdefiguurblijktdatstu-denten uit de landelijke Top 15 risicogroepen voor rendement sterker vertegenwoordigd zijn binnen de G5-hogescholen dan bij de andere twee hbo-clusters. In de loop der jaren zijn de verschillen vri-jwel hetzelfde gebleven. Ongeveer 32 procent van de G5-studenten van cohort 2004 behoorde tot de top 15 uitvalrisicogroepen, tot en met cohort 2007 is dit percentage opgelopen tot zo’n 35 procent. Bij de grote niet-G5-hogescholen is dit aandeel in dezelfde periode van ruim 25 naar 30 procent gegaan. Het aandeel top 15 risicogroepen is het kleinst bij de groep ‘hbo overig’ (15 procent).

  • 27

    Figuur 4.1 Risicogroepen rendement: G5 vergeleken met andere hbo-clusters

    Rendementen na 5 jaar voor de top 15 risicogroepen zijn onder de hbo-clusters het hoogst voor het cluster ‘Overig hbo’. De rendementen voor de G5 en de grote niet-G5 liggen daar iets onder en lopen vrijwelgelijk(figuur3.2).Bijalleclustersiseendalendetrendinrendementwaartenemen.In2005is er bij de G5 een scherpere daling zichtbaar in de rendementsontwikkeling dan bij de clusters ‘hbo overig’ en ‘grote niet G5’.

    Figuur 4.2 Rendement na 5 jaar van top 15 risicogroepen (herinschrijvers) naar hbo-cluster (cohorten 2004-2007)

    4.3 Succesgroepen rendement: G5 vergeleken met andere hbo-clusters

    In deze paragraaf vergelijken wij dezelfde drie hbo-clusters maar dan voor de top 15 succesgroepen (groepen met hoge rendementen).

    Infiguur4.3wordtperhbo-clusterhetaandeeleerstejaarsstudentenbinnendetotaleeerstejaars-populatieweergegevendattoteensuccesgroepvoorrendementbehoort.Defiguurtoontdatstudenten uit de top 15 succesgroepen voor rendement het sterkst vertegenwoordigd zijn binnen het cluster ‘grote niet-G5-hogescholen’. Voor cohort 2004 behoorde 25 procent tot een van de 15 succesgroepen. In de cohorten daarna nam dit toe tot ongeveer 33 procent. Het aandeel studenten uit de top 15 succesgroepen ligt voor de G5 en het cluster ‘hbo overig’ vrijwel gelijk. Het verschil

  • 28

    tussen het cluster G5 en grote niet-G5 lijkt licht toe te nemen. Wat verder opvalt is de toename van het aandeel studenten uit succesgroepen van cohort 2004 naar cohort 2005 bij alle clusters. Vanaf cohort 2005 is dit aandeel voor alle clusters vrij stabiel. Een verklaring voor deze ‘knik’ is mogelijk onderwerp voor verder onderzoek.

    Figuur 4.3 Aandeel top 15 succesgroepen rendement van totale instroom herinschrijvers naar hbo-cluster (cohorten 2004-2007)

    Rendement na 5 jaar voor de top 15 succesgroepen is onder de hbo-clusters het hoogst voor de G5 enhetcluster‘Overighbo’(figuur4.4).Voordecohorten2004-2007ligtdezerondde80procent.Rendementen van de top 15 succesgroepen is het laagst voor de grote niet-G5-hogescholen. De verschillen met de G5 zijn echter klein (hooguit 3 procentpunten).

    Figuur 4.4 Rendement na 5 jaar top 15 succesgroepen (herinschrijvers) naar hbo-cluster (cohorten 2004-2007)

    4.4 Bevindingen rendement

    Landelijke risicogroepen bestaan voor een meerderheid uit havisten, niet-westerse allochtonen en mannen. Sectoren die in veel risicogroepen terugkomen zijn Economie, Onderwijs en Techniek.

  • 29

    Landelijke succesgroepen bestaan vooral uit mbo’ers, vwo’ers, autochtonen (geen enkele suc-cesgroep herbergt niet-westerse allochtonen) en vrouwen. Techniek is de sector die het meeste voorkomt onder succesgroepen.

    In vergelijking met het landelijke beeld (excl. G5) presteert de G5 relatief goed bij groepen met als profielvrouwelijkeautochtonestudentenmeteenmbo-ofhavo-vooropleidingindesectorenGedrag& Maatschappij en Gezondheidszorg. Het grootste verschil is echter te vinden bij mannelijke autoch-tone studenten met een havo-opleiding in de sector Gedrag & Maatschappij. De G5 presteert relatief minderbijgroepenmetalsprofielautochtoneTechniekstudenten.Hetgrootsteverschilisechtertevinden bij niet-westerse allochtone studenten met een havo-vooropleiding in de sector Onderwijs. Het aantal groepen met als trend een rendementsstijging is vergelijkbaar voor de G5 en landelijk (excl. G5). Het zelfde geldt voor het aantal groepen met een rendementsdaling.

    De groep studenten uit de landelijke top 15 risicogroepen is sterker vertegenwoordigd binnen de G5-hogescholen dan bij de clusters ‘grote niet-G5-hogescholen’ en ‘hbo overig’. De groep studenten uit de landelijke top 15 succesgroepen is sterker vertegenwoordigd binnen het cluster grote niet-G5-hogescholen’ dan bij de G5 en het cluster ‘hbo overig’.

    De rendementen voor risicogroepen voor de G5 en de ‘grote niet-G5’ lopen vrijwel gelijk en zijn da-lende (bij het cluster ‘hbo overig’ zijn de rendementen voor risicogroepen het hoogst). Rendementen van de top 15 succesgroepen is het laagst voor de grote niet-G5-hogescholen. Echter, de verschillen met de G5, waarvan de rendementen vergelijkbaar zijn met die van het cluster ‘hbo overig’, zijn klein (hooguit 3 procentpunten).

    5. Bevindingen

    VraagstukkenrondstudiesucceshebbenvoorG5-hogescholeneenspecifiekkarakter.Zijverzorgenonderwijs binnen een grootstedelijke omgeving en hebben te maken met een grote diversiteit van de studentenpopulatie, bijvoorbeeld naar etnische herkomst. Gezien de context werd in de inleiding gesteld dat het denkbaar is dat het voor G5-hogescholen een meer complexe opdracht is om stu-denten succesvol te begeleiden richting het diploma dan voor (grote) hogescholen buiten de Rand-stad.

    Eind 2011 hebben hogescholen met het ministerie van OCW Prestatie-afspraken gemaakt waarin doelstellingen zijn opgenomen op diverse terreinen waaronder doelstellingen op het gebied van studiesucces. Om te monitoren of instellingen op koers liggen om de doelstellingen per december 2015 te realiseren, ontvangen instellingen jaarlijks gegevens uit het 1cijferHO-bestand van DUO (zie bijlage 1). Deze rapportage, die het resultaat is van de samenwerking tussen de Randstadhogescho-len (G5-onderzoeksgroep), is bedoeld als verdere verdieping op bestaande gegevens met betrekking tot de Prestatieafspraken.

    In de rapportage is op zoek gegaan naar antwoorden op een geformuleerde onderzoeksvragen. Deze antwoorden worden in dit afsluitende hoofdstuk gegeven.

  • 30

    5.1 Antwoorden op de onderzoeksvragen

    1. Welke risico- en succesgroepen kunnen worden geïdentificeerd in de hbo-studentenpopulatie op basis van hun prestaties op de indicatoren uitval, switch en rendement5?

    Uit dit onderzoek blijkt dat een landelijke indeling in risico- en succesgroepen grotendeels eenzelfde onderscheid laat zien als de indeling die de G5-hogescholen vanuit eigen onderzoek binnen hun hogescholen kennen. Binnen de risicogroepen zijn veelal de mannen en niet-westers allochtone stu-denten te vinden. In de succesgroepen zitten vrouwen, vwo’ers en autochtone studenten. Naar stu-diesuccesindicator verschilt het of vooral mbo’ers of havisten tot risico- of succesgroepen behoren.

    Aanvullend in dit onderzoek is de toevoeging van het kenmerk opleidingssector op de kenmerken die het ministerie hanteert voor het bepalen van de normalisatiescores (vooropleiding, geslacht en etni-sche herkomst). De sector die het meest terugkomt in de succesgroepen is Techniek (bij switch samen met Gezondheidszorg). Sectoren die bij relatief veel risicogroepen terugkomen zijn voor:• Uitval: Gedrag & Maatschappij en Onderwijs, • Switch: Economie en Gedrag & Maatschappij• Rendement: Economie, Onderwijs en Techniek.

    2. Hoe zijn deze risico- en succesgroepen vertegenwoordigd binnen de G5 in vergelijking met andere hbo-clusters?

    De resultaten wat betreft de samenstelling van de instroom bevestigen dat de G5-instellingen meer studenten uit risicogroepen en minder studenten uit succesgroepen binnen de studentenpopulatie hebben dan bij andere instellingen, met name vergeleken met het cluster ‘grote niet-G5’ . Er wordt een landelijke instroomstijging van risicogroepen geconstateerd, maar deze stijging doet zich bij de G5 sterker voor dan bij de andere (clusters van) hbo-instellingen. Hiermee wordt tevens bevestigd dat de G5-instellingen extra inspanningen moeten leveren om op een vergelijkbaar niveau van stu-diesucces te komen als andere (clusters van) hbo-instellingen.

    3. Hoe presteren deze risico- en succesgroepen binnen de G5 in vergelijking met andere hbo-clusters?

    Onder het hanteren van de normalisatiescore ligt de veronderstelling dat dezelfde (risico- en succes)groepen over het land verspreid vergelijkbaar presteren (of zij zich nu op een G5-hogeschool bevin-den of niet). Uitkomsten laten echter zien dat deze veronderstelling niet altijd opgaat. Zo blijkt deze niet te kloppen voor uitval, waar het geheel aan top 15 risico- en succesgroepen slechter presteert bij de G5 dan bij de ‘grote niet-G5’6. Zeer opmerkelijk is de hogere uitval van subgroepen met autoch-tone studenten voor de G5 ten opzichte van het landelijke beeld (excl. G5): onder risicogroepen met autochtone studenten bedraagt dit verschil gemiddeld 18 procentpunten (voor risicogroepen met niet-westerse allochtone studenten gemiddeld 8,5 procentpunten). Ook zijn er verschillen op het terrein van switch: deze komt onder de top 15 risico- en succesgroepen (veel) minder voor bij de G5. Wederom zijn grote verschillen vooral te vinden bij autochtone mannen: bij de G5-hogescholen switchen zij veel minder vaak dan landelijk (excl. G5).

    5 De in deze aangehouden definities zijn conform de door het ministerie van OCW-gehanteerde definities voor de prestatie-indicatoren (zie voor een toelichting op deze definities de begintekst van de hoofdstukken 2, 3 en 4). Deze definities luiden: - Uitval is het aandeel van het totaal aantal voltijd bachelorstudenten (eerstejaars ho) dat na één jaar niet meer bij dezelfde instelling in het hoger onderwijs staat ingeschreven. - Switch is het aandeel van het totaal aantal voltijd bachelorstudenten (eerstejaars ho) dat na 1 jaar studie staat ingeschreven bij een andere studie bij dezelfde instelling. - Rendement is het aandeel van de voltijd bachelorstudenten die zich na het eerste studiejaar opnieuw bij dezelfde instelling inschrijven (herinschrijvers) dat in de nominale studietijd + één jaar (c +1 jaar) bij dezelfde instelling het bachelorsdiploma behaalt.6 20.000+ hogescholen: Hogeschool Windesheim, Avans Hogeschool, Saxion Hogeschool, Hanzehogeschool Groningen, Hogeschool van Arnhem en Nijmegen, Fontys Hogescholen.

  • 31

    Wat betreft rendement zijn de verschillen klein tussen de G5 en andere hbo-clusters. Zo is bij een vergelijking tussen de G5 en het cluster ‘grote niet-G5’ het verschil onder risicogroepen minimaal en onder succesgroepen hooguit 3 procentpunten (in het voordeel van de G5).

    4. Hoe kunnen eventuele prestatieverschillen worden geduid en hoe hangen uitkomsten op prestatie-indicatoren (mogelijk) met elkaar samen?

    Hoe kunnen eventuele prestatieverschillen worden geduid en hoe hangen uitkomsten op prestatie-indicatoren (mogelijk) met elkaar samen?

    De verschillen tussen de G5 en ‘grote niet-G5’ zijn voor uitval (10 tot 15 procentpunten) veel groter dan voor rendement (hooguit 3 procentpunten). Dit duidt erop dat de selectie in het 1e jaar bij de G5 onder risico- en succesgroepen een groep ‘herinschrijvers’ oplevert waarmee de G5 zich kan meten met de ‘grote niet-G5’. De groep herinschrijvers van de G5 presteert immers net zo goed als de groep herinschrijvers van de ‘grote niet-G5. Hiermee lijkt het belangrijkste probleem voor de G5 ten opzichte van de ‘grote niet-G5’ zich voor te doen op het terrein van uitval en het behouden van studenten.

    Op basis van waargenomen trends is de verwachting dat risicogroepen de komende jaren een steeds groter deel van de instroom van de G5-hogescholen vormen. In combinatie met de bevinding dat het belangrijkste G5-probleem zit in het behouden van studenten, zal uitval (en op termijn wellicht ook rendement) op de G5-hogescholen de komende jaren mogelijk nog verder onder druk komen te staan.

    Bij de G5 is uitval hoger en switch lager dan bij vergelijkbare landelijke groepen (excl. G5) en ten opzichte van de andere hbo-clusters. Waarom deze twee uitkomsten naast elkaar bestaan, is niet eenduidig aan te geven. Wellicht zijn studenten uit de Randstad minder verbonden aan hun hoge-school en/of maakt de aanwezigheid van meerdere hogescholen binnen reisafstand de keuze voor een andere hogeschool makkelijker (en daarmee uitval hoger) dan bij bijvoorbeeld de grote niet-G5-hogescholen. Het zou interessant zijn om het verband tussen uitval en switch te onderzoeken onder met name autochtone mannen: dit is immers een groep waar verschillen in uitval en switch tussen de G5-hogescholen en het cluster grote niet-G5-hogescholen opvallen groot zijn.

    Achter iedere prestatie-indicator lijkt een eigen dynamiek schuil te gaan. Zo is de top 15 risico-groepen voor uitval (op onderdelen) anders samengesteld dan de top 15 risicogroepen voor switch en rendement. Het lijkt er met andere woorden op dat iedere indicator andere ‘target’-groepen kent, die wellicht ook verschillende soorten interventies vragen om hun studiesucces te verhogen.

    Uitkomsten tonen dat dezelfde groepen verschillend presteren op verschillende (clusters van) hbo-instellingen.Mogelijkzijnerspecifieke(leer)omgevingskenmerkendiedezeverschilleninprestatiesveroorzaken. Is er in het geval van de G5 sprake van een ‘Randstad’-effect: mogelijk hebben G5-hogescholen te maken met factoren (samenstelling studentenpopulatie, (leer)omgevings-factoren) diezichversterktvoordoenbinnen,specifiekzijnvoor,en/ofandersopelkaarinwerkenbinneneengrootstedelijke context, waardoor zich prestatieverschillen met andere hbo-clusters ontstaan.

  • 32

    Bijlage 1:Landelijke rangorde 60 subgroepen voor uitval, switch en rendement

    Tabel 2.A Landelijke rangorde 60 subgroepen voor uitval (oranje=risicogroepen, blauw=succesgroepen)

  • 33

    Tabel 2.B Landelijke rangorde 60 subgroepen voor switch (oranje=risicogroepen, blauw=succesgroepen)

  • 34

    Tabel 2.C Landelijke rangorde 60 subgroepen voor rendement (oranje=risicogroepen, blauw=succesgroepen)

  • 35

  • 36

    Het externe switchgedrag na 1 jaar van G5-studenten, voor het eerst in kaart gebracht.

    Februari, 2014

    “Zicht op een 2e start”

  • 37

    Managementsamenvatting

    Voor het eerst zicht op switch tussen G5-hogescholenTot op heden was het voor G5-hogescholen onbekend waar studenten, die de instelling zonder diploma verlieten, heen gingen. Ook was niet bekend van welke hogeschool of universiteit instro-mende studenten, die van een andere hoger onderwijsinstelling kwamen, afkomstig waren.

    De opdracht voor dit rapport was om –voor het eerst– zicht te krijgen op de groep G5-voltijd bache-lorstudenten die 1 jaar na hun hoger onderwijsdebuut overstapt naar een andere hoger onderwijsin-stelling (externe switch na 1 jaar), met extra aandacht voor de groep externe NBSA-switchers (stu-denten die hun G5-opleiding na 1 jaar moesten verlaten vanwege een negatief bindend studieadvies (NBSA) en daarna van hoger onderwijsinstelling wisselden). Ook is gekeken naar de omvang van de groep externe switchers die op G5-hogescholen instroomt.

    De G5-instroom van voltijd bachelorstudenten bestaat voor acht à negen procent uit switchers die 1 jaar na hun ho-debuut van instelling zijn gewisseld. De helft daarvan wisselt van G5-hogeschool, de andere helft komt van buiten de G5. Andere belangrijke instroomgroepen zijn ho-debutanten (1e inschrijver ho: 53 tot 60 procent van de G5-instroom) en ‘late’ switchers (studenten die minstens twee jaar eerder in het hoger onderwijs debuteerden: tussen de 20 en 25 procent van de G5-instroom).

    Inzicht in drie switch-onderwerpenIn de rapportage zijn drie switch-onderwerpen onderzocht. Deze komen hieronder aan bod komen, inclusief de bijbehorende onderzoeksvragen en belangrijkste bevindingen.

    a. Switchers in kaart1. Hoe groot is de groep switchers tussen G5-hogescholen en zijn er trends te signaleren?2. Wat zijn kenmerken van de groep switchers tussen G5-hogescholen?

    Aantal G5-studenten dat wisselt van instelling neemt toe.Tussen de 14 en 15 procent van de groep ho-debutanten aan de G5 stapt na 1 jaar studie over naar een andere ho-instelling. Procentueel is de omvang van deze groep externe G5-switchers stabiel, in absolute zin gaat het om een groeiende groep studenten: van 3.605 in cohort 2007 naar 4.342 in cohort 2011.

    De meeste externe G5-switchers blijven de G5 trouw. De groep switchers is anders samengesteld dan de groep herinschrijvers.Meer dan de helft van de externe G5-switchers zet de hoger onderwijsloopbaan voort op een andere G5-hogeschool. Binnen de groep externe switchers die binnen de G5 blijft, is het aandeel economie-studenten groter dan bij de groep G5-herinschrijvers (ho-debutanten die zich na 1 jaar inschrijven op dezelfde opleiding en G5-hogeschool). Van deze groep economiestudenten die extern switchen blijft 70 procent binnen de economiesector.

    b. NBSA-Switchers in kaart1. Hoe groot is de groep NBSA-switchers tussen G5-hogescholen ten opzichte van de totale groep

    externe switchers? En hoe groot is de groep NBSA-switchers die: a. dezelfde opleiding kiest bij een andere hogeschool. b. een andere opleiding kiest bij een andere hogeschool.

  • 38

    2. Wat zijn kenmerken van de groep NBSA-switchers tussen G5-hogescholen?3. Zijn eventuele verschillen in switchgedrag te verklaren door de hoogte van de BSA-norm?

    Circa één op de vijf G5 ho-debutanten krijgt een negatief BSA na 1 jaarTussen de 17 en 19 procent van de groep hbo-debutanten van de G5-cohorten 2007 tot en met 2010 krijgt na 1 jaar een NBSA. Cohort 2011 laat een stijging zien naar bijna 25 procent aan NBSA-studen-ten. Deze stijging lijkt vooral terug te voeren op een verandering in de NBSA-registratie aan de HvA¹.

    Een derde van de G5 NBSA-switchers wisselt van instelling. Een op de drie studenten uit de G5-groep NBSA-studenten switcht van instelling – zij vormen tevens bijna de helft van de totale groep G5-switchers dat 1 jaar na het ho-debuut van instelling wisselt –, waarvan bijna 50 procent voor een andere opleiding kiest binnen het G5-cluster. Binnen de groep NBSA-switchers die naar een andere opleiding overstappen, is het aandeel techniek- en economies-tudenten groter dan bij de groep G5-herinschrijvers.

    Een klein aantal NBSA-switchers kiest dezelfde opleiding op een andere G5-hogeschool.Het aantal NBSA-switchers dat dezelfde opleiding opnieuw start aan een andere G5-hogeschool, bedraagt 300 à 400 studenten. Dit aantal komt overeen met 0,5 procent van de totale groep G5 ho-debutanten waaruit deze switchers afkomstig zijn.

    Hoogte BSA-norm vertoont weinig samenhang met extern switchgedragUitkomsten met betrekking tot het verband tussen de BSA-norm en switch, wijzen erop dat de hoogte van de BSA-norm (zeer) beperkt samenhangt met switchgedrag: het switchgedrag lijkt niet mee te bewegen met een veranderende BSA-normering.

    c. NBSA-Switchers en studiesuccesVerschilthetstudiesuccesvanNBSA-switcherstussenG5-hogescholensignificantvanhetstudie-succes van ho-debutanten?

    NBSA-switchers na overstap minder succesvol dan ho-debutantenOp de G5-opleidingen zijn ho-debutanten meer succesvol dan hun jaargenoten die vanuit een andere G5-opleiding en/of -hogeschool instroomden met een NBSA. De uitval uit de instelling na 1 jaar van ho-debutanten is minder en hun propedeuserendementen na 1 en 2 jaar zijn hoger. NBSA-switchers die op dezelfde G5-instelling zijn gebleven, vallen het vaakst uit na 1 jaar. NBSA-switchers die naar dezelfde opleiding op een andere G5-hogeschool zijn overgestapt (het gaat hier om een kleine groep studenten) behalen zowel na 1 als 2 jaar de laagste p-rendementen. De dalende rende-menten na 2 jaar bij de NBSA-switchers die zijn gewisseld van opleiding én G5-hogeschool vormen een punt van aandacht.

    Tot slot De groep switchers is vanwege haar omvang – momenteel meer dan 30 procent van de G5-in-stroom, met een meerderheid aan ‘late’ switchers – een zeer belangrijke (instroom)groep voor de G5. Als ervan wordt uitgegaan dat het afnemende studiesucces van NBSA-switchers illustratief is voor hetstudiesuccesvandetotalegroepswitchers,danisspecifiekebeleidsaandachtvoordezegroepevident, zowel vanuit bedrijfseconomisch (bekostigingssystematiek), als maatschappelijk oogpunt.

    ¹ De invulling van de BSA wordt zeer divers toegepast binnen de G5. Zo zijn er verschillen in criteria, normering, aanvullende (kwalitatieve) eisen en wijze van NBSA-registratie (zie bijlage 4 voor een overzicht van de BSA-regelementen van de diverse G5-hogescholen). Daarenboven zijn de BSA-regimes op instel-lingsniveau in de afgelopen jaren regelmatig bijgesteld. Hierdoor is een vergelijking tussen G5-hogescholen van de ontwikkeling van het aantal afgegeven NBSA’s weinig zinvol.

  • 39

    1. Inleiding

    VraagstukkenrondstudiesucceshebbenvoorG5-hogescholeneenspecifiekkarakter.Zijverzorgenonderwijs binnen een grootstedelijke omgeving en hebben te maken met een grote diversiteit van de studentenpopulatie.

    Een belangrijk thema in relatie tot studiesucces is switch: het verlaten van een opleiding zonder het behalen van een diploma, om vervolgens ergens anders verder te studeren. In deze rapportage staat externe switch na 1 jaar centraal, oftewel de overstap van de ene naar de andere hoger onderwijs-instelling een jaar na het ho-debuut van studenten. Er wordt gekeken naar externe switchers in het algemeen en naar externe switchers die met een negatief BSA hun opleiding hebben moeten verlaten (NBSA-switchers) in het bijzonder. Daarbij ligt de nadruk op bestudering van switchen van de ene naar de andere G5-hogeschool. Maar ook de overstap naar een niet-G5-hogeschool of een universiteit komt aan bod.

    Tot op heden is op de G5-hogescholen nog weinig bekend over externe switch. G5-hogescholen zien dat een groep studenten voortijdig vertrekt, maar het is niet bekend hoeveel van deze studenten elders doorstudeert of daadwerkelijk uit het ho uitvalt. Daarnaast is het voor ho-instellingen lastig is omgoedzichttekrijgenophetaandeelswitchershuninstroom:vanwelkespecifiekehogeschool(ofuniversiteit) zijn zij afkomstig? Ook is tot nu toe nog niet systematisch gekeken naar het studiesuc-ces van de groep externe switchers: hoe doen zij het bijvoorbeeld in vergelijking met studenten die debuteren in het hoger onderwijs?

    1.1 Vraagstelling

    In de Onderzoeksagenda 2013 van de G5-onderzoeksgroep wordt het onderzoek naar externe switch uitgesplitst naar een drietal deelstudies. De onderzoeksvragen van deze deelstudies zijn als volgt geformuleerd:

    Deelstudie 1: Switchers in kaart1. Hoe groot is de groep switchers tussen G5-hogescholen en zijn er trends te signaleren?2. Wat zijn kenmerken van de groep switchers tussen G5-hogescholen?

    Deelstudie 2: NBSA-Switchers in kaart1. Hoe groot is de groep NBSA-switchers tussen G5-hogescholen ten opzichte van de totale groep

    externe switchers? En hoe groot is de groep NBSA-switchers die: a. dezelfde opleiding kiest bij een andere hogeschool. b. een andere opleiding kiest bij een andere hogeschool.2. Wat zijn kenmerken van de groep NBSA-switchers tussen G5-hogescholen?3. Zijn eventuele verschillen in switchgedrag te verklaren door de hoogte van de BSA-norm?

    Deelstudie 3: NBSA-Switchers en studiesuccesVerschilt het studiesucces van NBSA-switchers tussen G5-hogescholen significant van het studie-succes van ho-debutanten?

  • 40

    Als aanvulling op de drie deelstudies is ook gekeken wat het aandeel switchers is in de instroom. De eerstejaarspopulatie voltijdstudenten op een hogeschool bestaat immers uit diverse ‘herkomst’-groepen. Zo is een deel afkomstig van de middelbare school en mbo en debuteert in het hoger onderwijs, terwijl een ander deel afkomstig is van een andere ho-opleiding en/of -instelling. In deze rapportage is gekeken hoe groot deze laatste groep is en welk deel zij uitmaakt van de totale eerste-jaars instroom.

    1.2 Gehanteerde definities

    In deze rapportage is een aantal analysegroepen samengesteld, zoals 1e inschrijvers zonder enige hoger onderwijservaring (ho-debutanten), herinschrijvers en switchers. Voor de verschillende ana-lysegroepenwordendevolgendedefinitiesgehanteerd.

    Ho-debutanten: Dit is de groep de 1e inschrijvers ho, ofwel alle studenten die eerstejaars ho zijn en zich als voltijd hbo-bachelorstudent* hebben ingeschreven. Bij studenten die zowel een hoofd- als neveninschrijving hebben, wordt alleen de hoofdinschrijving meegeteld. Daarnaast is de hoogste opleidingvoorhethogelijkaandehoogstevooropleiding.DezedefinitieisgelijkaandedoorDUO-gehanteerdedefinitievan1einschrijvers.Hetjaarvaneersteinschrijvinghoishetcohortjaar.

    Herinschrijvers opleiding/instelling: Alle studenten die zich in hun 2e inschrijvingsjaar ho als vol-tijdstudent hebben ingeschreven op dezelfde opleiding en instelling als in het cohortjaar.

    Interne switch: Alle studenten die zich in hun 2e inschrijvingsjaar ho voor een andere opleiding aan dezelfde instelling als voltijdstudent hebben ingeschreven als in het cohortjaar, of dezelfde opleiding op dezelfde instelling niet als voltijdstudent voortzetten.

    Externe switch: Alle studenten die zich in hun 2e inschrijvingsjaar ho hebben ingeschreven aan een andere instelling als in het cohortjaar.

    Uitvallers uit het ho-systeem: Alle 1e inschrijvers die zich na 1 jaar niet hebben heringeschreven in het ho – niet aan een hbo- of wo-instelling – en uit het ho-systeem zijn gevallen. In deze rapportage wordt gekeken naar de samenstelling van groepen naar studiesector. De sec-torindeling is gelijk aan de door DUO-gehanteerde indeling van opleidingen. Deze kan afwijken van de door hogescholen gemaakte opleidingsindelingen (zoals in instituten, academies, schools of domeinen). Wij hebben voor de DUO-indeling gekozen zodat studentenpopulaties van hogescholen met elkaar vergeleken kunnen worden.

    *Bij De Haagse Hogeschool worden ook de (voltijd)duaalstudenten als voltijdstudent meegenomen.

    1.3 Opbouw rapportage

    In hoofdstuk 2 komen de omvang en ontwikkelingen op het gebied van de totale externe switch vanuit en tussen de G5-hogescholen aan de orde. Hoofdstuk 3 heeft betrekking op omvang van en ontwikkelingen rond externe NBSA-switch. Hoofdstuk 4 is gewijd aan het aandeel (externe) switchers in de totale G5-instroom. In hoofdstuk 5 staat het studiesucces van NBSA-switchers op de G5-instel-lingen na de switch centraal. In hoofdstuk 6 wordt een samenvatting van deze switchstudie gegeven.

  • 41

    2. Externe switch in kaart

    2.1 Inleiding en vraagstelling

    Deelstudie 1 is gericht op het in kaart brengen van de aantallen en kenmerken van switchers bin-nen de G5-hogescholen. De G5-hogescholen krijgen hiermee zicht op studenten die hun instelling verlaten om ergens anders te gaan studeren alsmede op studenten die, na een eerdere poging in het ho, zich bij hen aanmelden. De onderzoeksvragen voor deelstudie 1, zoals geformuleerd in de G5-Onderzoeksagenda 2013 zijn:

    1. Hoe groot is de groep switchers tussen G5-hogescholen en zijn er trends te signaleren?2. Wat zijn kenmerken van de groep switchers tussen G5-hogescholen?

    2.2 Cohorten na 1 studiejaar: het aandeel externe switch

    Tabel 2.1 Aandeel en aantal externe switchers na 1 jaar van G5-cohorten (ho-debutanten, voltijd bachelor- studenten, hoofdinschrijving)

    In tabel 2.1 is per instroomcohort ho-debutanten aangegeven hoeveel studenten van de G5-hoge-scholen na 1 jaar overstapt naar een andere hoger onderwijsinstelling. Het gaat om een groeiend aantal studenten: van 3.605 in cohort 2007 naar 4.342 in cohort 2011. In relatieve zin is de omvang van deze groep externe groep stabiel. Vanaf cohort 2008 verandert tussen de 14 en 15 procent van de ho-debutanten na 1 jaar van hoger onderwijsinstelling.

    Figuur 2.1 Percentage externe switch na 1 jaar van G5 cohorten (ho-debutanten voltijd bacheloropleidingen, hoofdinschrijving), naar G5 hogeschool

  • 42

    Tabel2.1geefteenbeeldvandegezamenlijkeG5-hogescholen.Infiguur2.1wordteenonderscheidgemaakt naar G5-hogeschool. Hogeschool Utrecht is de G5-instelling waarvan de meeste ho-debutanten na 1 jaar zijn overgestapt naar een andere hoger onderwijsinstelling. De laagste externe switch is te vinden bij Hogeschool Rotterdam. We richten ons in het vervolg van dit hoofdstuk op de G5-hogescholen als cluster.

    Infiguur2.2isweergegevenvoorwelkebestemmingexterneswitchersvandeG5kiezen². Ruim de helft van de externe G5-switchers zet de hoger onderwijsloopbaan voort op een andere G5 hoge-school. De op een na grootste groep stapt over naar het wetenschappelijke onderwijs. De kleinste groepen bestaan uit externe G5-switchers die verder studeren aan een grote niet-G5-hogeschool of een kleinere hbo-instelling.

    Figuur 2.2 Externe switchers na 1 jaar van G5 cohorten (ho-debutanten voltijd bacheloropleidingen, hoofdinschrijving) naar bestemming

    Op de vraag hoe de groep externe G5-switchers gekenmerkt kan worden, is gekeken naar sec-torsamenstelling. Indien de groep externe switchers anders is samengesteld naar sector vanwaar zij afkomstig zijn, dan de groep herinschrijvers (studenten van de G5-hogescholen die zich in jaar 2 inschrijven voor dezelfde opleiding aan dezelfde hogeschool), dan betekent dit dat in bepaalde sectoren externe switch relatief vaak (of minder vaak) voorkomt. Wanneer de sectorsamenstelling van de verschillende ‘bestemmings’groepen enerzijds en de groep herinschrijvers anderzijds worden vergeleken, dan levert dit de volgende uitkomsten op (zie voor de exacte cijfers bijlage 1, tabel a.1):

    1. Onder externe switchers naar een andere G5-hogeschool is de groep economiestudenten sterk oververtegenwoordigd. Het aandeel (percentage) economiestudenten is in deze groep opvallend hoger dan in de groep herinschrijvers.

    2. Onder externe switchers naar een niet G5-hogeschool is de groep techniekstudenten het meest oververtegenwoordigd. Het aandeel (percentage) techniekstudenten is in deze groep in een meerderheid van de cohorten opvallend hoger dan in de groep herinschrijvers.

    ² ‘Grote niet-G5-hogescholen’ zijn hogescholen met een 20.000+ studentenpopulatie: Hogeschool Windesheim, Avans Hogeschool, Saxion Hogeschool, Hanzehogeschool Groningen, Hogeschool van Arnhem en Nijmegen, Fontys Hogescholen. ‘Hbo overig’ zijn de kleinere hogescholen, zowel binnen als buiten de Randstad.

  • 43

    3. Onder externe switchers naar een kleine hogeschool is de groep studenten uit de sector onder-wijs het sterkst oververtegenwoordigd. Het aandeel (percentage) van deze studenten is in deze groep in vrijwel alle cohorten opvallend hoger dan in de groep herinschrijvers.

    G5-economiestudenten die van instelling switchen blijven dus relatief vaak binnen het G5-cluster. Van deze groep blijft rond de 70 procent doorstuderen in economiesector (zie bijlage 1, tabel a.2). G5-techniekstudenten stappen relatief vaak over naar een grote niet-G5-hogeschool. Over de periode 2007-2011 blijft gemiddeld 65 procent van deze groep studenten binnen de technieksector. G5-studenten uit de sector onderwijs verruilen hun G5-hogeschool relatief vaak voor een kleinere ho-geschool. Rond de 50 procent van deze groep vervolgt de hbo-loopbaan binnen de sector onderwijs (ter vergelijking: 40 procent van de onderwijsstudenten die switchen naar een grote hogeschool, G5 of niet-G5, blijft in de sector onderwijs).

    De uitkomsten met betrekking tot sectorsamenstelling wijzen in de eerste plaats uit dat de groep externe switchers anders is samengesteld dan de groep herinschrijvers. Daarnaast is bij iedere bestemmingsgroep (naar een andere G5-hogeschool, een grote niet-G5-hogeschool of een kleinere hogeschool) een andere sector oververtegenwoordigd ten opzichte van de groep herinschrijvers. Ten derde komt switch naar een andere sector vaker voor bij de ene dan bij de andere sector (bij de sec-tor onderwijs bijvoorbeeld vaker dan bij de sector economie).

    3. NBSA-switch in kaart

    3.1 Inleiding en vraagstelling

    Deelstudie 2 is gericht op het in kaart brengen van de aantallen NBSA-switchers na 1 jaar binnen de G5. NBSA-switchers zijn van opleiding en/of opleiding gewisseld omdat zij verplicht waren hun eerste opleiding te verlaten vanwege het niet behalen van het minimale aantal studiepunten (de BSA-norm) waardoor zij een negatief BSA kregen. Voor dit onderzoek is het 1CijferHO-bestand, verrijkt met door de G5 verstrekte BSA-gegevens na jaar 1. In de G5-Onderzoeksagenda 2013 zijn de onderzoeksvra-gen voor deelstudie 2 als volgt geformuleerd:

    1. Hoe groot is de groep NBSA-switchers tussen G5-hogescholen ten opzichte van de totale groep externe switchers? En hoe groot is de groep NBSA-switchers die:

    a. dezelfde opleiding kiest bij een andere hogeschool. b. een andere opleiding kiest bij een andere hogeschool.2. Wat zijn kenmerken van de groep NBSA-switchers tussen G5-hogescholen?3. Zijn eventuele verschillen in switchgedrag te verklaren door de hoogte van de BSA-norm?

    3.2 Het aandeel NBSA-Switch in G5-cohorten na 1 jaar

    Figuur 3.1 geeft het aandeel van de totale G5-groep ho-debutanten en per G5-hogeschool aan dat na 1 jaar een negatief BSA heeft ontvangen en dus van de opleiding moet vertrekken. De G5-cijfers zijn berekend aan de hand van absolute aantallen van alle G5-hogescholen tezamen (en zijn dus geen gemiddelde van de getoonde instellingspercentages).

  • 44

    Figuur 3.1 Aandeel Negatief BSA na 1 jaar van G5-cohorten (ho-debutanten voltijd bacheloropleidingen, hoofdinschrijving) naar cohort en G5-hogeschool*

    De groep ho-debutanten van de G5-cohorten 2007 tot en met 2010 bestaat na 1 jaar tussen de 17 en 19 procent uit studenten die een negatief BSA hebben gekregen. Voor cohort 2011 is dit percen-tage toegenomen tot bijna 25 procent. De groep NBSA is relatief groot bij De Haagse Hogeschool en neemt ov