NP[.13 Cyrano Dct~crctc.8 verder Minnebrieven, Polemieken, een Co-medie, een Natuurkundig Essay en...

of 166 /166
N4Ai\NP[ .13 CyranoDct~crctc . ' VVI I

Transcript of NP[.13 Cyrano Dct~crctc.8 verder Minnebrieven, Polemieken, een Co-medie, een Natuurkundig Essay en...

  • N4Ai\NP[.13Cyrano Dct~crctc.

    'VVI I

  • EEN M AANREIS

  • W ERELDBIBLIOTHEEKIN 1905 GESTICHT DOOR DR. L SIMONSTHANS ONDER LEIDING V> DR. NICOVAN SUCHTELEN > DR. P. ENDT

  • S.DE CYRANO BERGERA C

    EEN AANREISOF OPSTIJGING TOT EN BEREIZING VAN DE MAAN

    (VOYAGE DE LA LUNE)SAMENVATTENDE VERTALG G EN BEWERKJNG DOOR

    M R. H. P. L. WV SSING

    BANDONTW ERP EN HOUTSND EN VAN D. VAN LUYN2e DRUK 5e DUIZENDTAL

    *

    N.V. WERELDBIBLIOTHEEK - AMSTERDAM

  • DRUKKERIJ EN BINDERIJ VAN DE WERELDBIBLIOTHEEK N.V.

  • ae v

    #

    l' !/ /#% : >

    #. #ib, . -;*wt '1 ,f:+., t z . $- ç Jqk / vo . :.. - jj z, , y yyz 14ï ' à/ - /> .%/ & Zjlj :l#'lI &$'$. 9 j *k '.N -- .A'ss . . * ' zz% d --.

    9 Zd? // ,e? 45 .pV1$' t $ ..-$&t . .!wN$. e-* l;k:4$# z

    .e# f w/ ., -e--..x . /N v e%

    N N x') xN +N < . +x + .' /'' /$

    I #//

    t , ,-

    I

  • VOORW OORD VAN DEN VERTALER

    eze Cyrano de Bergerac, wiens figuureven vôôr 1900 Edmond Rostand op

    de gedachte bracht van het (Iater zeer veelgespeelde) tooneelgedicht van dien naam,was in zijn eigen tijd - periode Richelieu-M azarin-Fronde zeer bekend: zooweldoor deugden, die bizonder hoog werden

    aangeslagen, ridderlijkheid b.v. met goed-hartigheid en groothartigheid, moed enovermoed, als door eigenschappen, die m in-der gewaardeerd werden, zooals onafhanke-

    lijkheidszin, nieuwlichterij en ironie. Savi-nien de Cyrano, naar een van zijns vaderslandgoederen ook: de Bergerac, is maar

    35 jaar oud geworden (1619--1655). Hijschreef in zijn korte leven behalve zijnVoyage de la Lune, de daarbij behoorende(veel wijdloopiger) Les Estats et Empires duSoleil, en de Histoire des Oiseaux, alle teza-men vereenigd in een ,,Histoire Comique'';

  • 8

    verder Minnebrieven, Polemieken, een Co-medie, een Natuurkundig Essay en enkeleGedichten.

    De hierbij afgedrukte voorrede, die eenomtrek van Cyrano's leven bevat, is hetwerk van llenri Lebret, van kindsbeen afonverbrekeEjk door vriendschap aan henaverbonden. Evenals Cyrano en als bijna alleedelen dier dagen aanvankelijk militair,was Mj op het eind van zijn leven provoostvan het kathedraal kapittel van M ontauban.

    Deze belangrijke positie spiegelt zich in zijnvoorrede wel wat veel af. Cyrano heeft niet

    z66 doorloopend, als Lebret het beschrijft, inhooge evenwichtigheid geleefd. Hij maaktedeel uit van de libertins en de intellectueelebohême dier dagen, die, in sterke' reactie opde toonaangevende ,,precieuzen'', menig-maal een uitweg zochten in

    ongebondenheid. Aan zijnopzienbarende

    werk is veel ont-leend, o.a. door M olière, Voltaire en Swift.De philosoof-astronoom Gassendi heeft denstoot gegeven tot zijn geestdrift voor hetmoderne denken van den tijd.

  • VOORREDE ((1ezer, ikn aam van

    schrijf hier de voorrede uiteen doode, die mij nadruk-

    kelijk heeft opgedragen, wereldkundig temaken, dat hij geen gewone doode is. Deheer de Cyrano Bergerac stoot n.l. hedenden dag geen tafels om, ook rammelt hij nietop zolder met een ijzeren ketting, hij blaastop donkere keldertrappen niet in de kaars,

    kortom hij haalt geen van die streken uit,waardoor veel dooden het veel onnoozelenlevenden benauwd maken. Hij is ook nu nogin 't bezit van een goed humeur. Zijn schimis een-en-al welwillendheid. Hij heeft in zijnkwaliteit van doode nogaltijd geen grooterezorg dan de levenden vroolijk te stemmen.Wat niet wegneemt, dat de kern van zijnwezen ernst is. W ie daaraan twijfelde zouzeer zeker zijn gebeente doen verbleeken.Trouwens, wiI opmerken, dat als mijnvriend u b.v. de maan voorstelt als een be-woond gebied, hij niet buiten de wetenschap

  • 10

    gaat, zoomin de moderne wetenschap alsdie van de Oudheid. Heraclitus heeft ver-zekerd, dat de m aan een aarde is, omgeven

    door nevels; Lucianus, dat hij er menschenop heeft zien wandelen; mijn even god-vruchtige als geleerde tijdgenoot pater Mer-senne heeft gezegd te betwijfelen, dat demaan een soort aarde zou zijn; maar als eengeleerd man betwijfelt of iets is, dan heefthij omstandige redenen voor zijn twijfel,d-w-z. dan zijn er verscheidene tegenstrij-dige mogelijkheden in zijn voorzichtig brein

    en is het betwijfelde dus wel-opgerezen,licht juist waar.Hoe dit zij, de heer de Bergerac verdient

    eerder lof dan de groote mannen, die zoo

    zwaarwichtig zijn gaan redeneeren over eendenkbeeld, dat hij tenminste als maangevalIuchtig is blijven behandelen. Hij had altijdneiging, te lachen om pedanten. Bij dencomedieschrijver Theophilus komt een ze-kere Sidias voor, die m et zooveel aandrangeen jongen man wil overtuigen, dat ,,de geurvan den appel niet zijn uitwendigheid is

  • 11

    doch een toevanigheid'', dat die ijveraar derwetenschap ten slotte, om m aar in iedergeval zijn wijsgeerig doel te bereiken, denjongen met de vuisten te lijf gaat.De heer de Bergerac ontdekte in het

    dagelijksch verkeer vele Sidiassen.Dat inzicht begon bij hem al vroeg. Wij

    hebben beiden onze eerste opleiding genoten

    bij een goeden dorps-geestelijke, die er kost-jongens op nahield; daar is de grondslaggelegd van onze vriendschap; en nu herin-ner ik mij zijn tegenzin, zijn weerzin tegendien leermeester, in wien hij een schaduwvan Sidias vermoedde. Omdat de gedach-tengang van onzen leeraar er inderdaad

    niet geheel vreemd aan was, meende mijnvriend niets van hem te zullenmeteen,leeren, zoodat hij zich van 's mans lessen enberispingen ook niemendal aantrok, methet gevolg, dat zijn vader, een braaf oudedelman, zonder belangstelling voor het

    onderwijs van zijn kinderen, en te gemak-kelijk geneigd de klachten van zijn zoonzonder onderzoek gegrond te achten, hem

  • 12

    een beetje bruusk van de kostschool nam;waarna hij hem met even weinig voorzich-tigheid tot zijn negentiende jaar in Parijsliet, op goed vertrouwen. Daar vond ik mijnvriend terug, op het hellend pad. lk over-reedde hem, dat hij tezamen met mij zoutoetreden tot de Lijfgarde, en wel in deCompagnie van Mijnheer de Carbon Castel-Jaloux. De duels, die in dieeenige,

    dagen hetmaar dan ook afdoende middel

    schenen te zijn om de aandacht op' u te vesti-m aakten hem in een z66 korte spannegen,

    tijds beroemd, dat de Gasconjers - en deCompagnie bestond bijna uitsluitend uitGasconjers hem beschouwden als denGenius van den overmoed, en van hem be-

    weerden, dat zijn tweegevechten even talrijkwaren als de dagen ginds zijn intrede in deGarde. Die dingen haalden hem intusschen

    niet van zijn studie af, en zoo zag ik hem opeen goeden dag midden in de compagnies-cantine werken aan een elegie, even weinigafgeleid aIs zat hij in een studiecel ver vanalle rum oer.

  • 13

    Korten tijd daarna bevond hij zich bij debelegering van Mouzon, waar hij een mus-ketschot kreeg, dat hem dwars door 'tlichaam ging, en, weer later, wondde hem

    een degen de keel, n.l. bij 't beleg van Arrasin 1640. M aar het ongemak van die twee

    campagnes; en de hinder, die hem van zijnzware verwondingen overbleef ; de voort-

    durende duels, waarin hij door zijn faam vanm oed en behendigheid vanzelf gemoeid

    werd, zoodat hij meer dan honderd keersecondant geweest is (want hijzelf zochtnooit twist) ; zijn weinige verwachting, dathij ooit een positie zou bekleeden, bij ge-breke aan den beschermer, aan wien menzich onderwerpen moet, waartoe echter zijnvrije geest niet geschikt was; en eindelijkzijn groote neiging tot wetenschap en studiededen hem afzien van het krijgsbedrijf, datden heelen man opeischt, en dat dezen even-

    zeer tot vijand maakt van de schoone lette-ren, als de schoone letteren hem tot vriendmaken van den vrede.Ik zou bizonderheden kunnen vertellen

  • 14

    van heel wat gevechten, die waarlijk nietveel hadden van duels, zooals toen 'nhonderd m an, te hoop geloopen op de wal-

    len bij de Porte de Nesles, een van Berge-rac's vrienden midden op den dag uitjouw-den, met het gevolg, dat twee ervan met dendood en zeven anderen met zware verwon-dingen hun kwade gezindheid bekochten.M aar, behalve dat men wat ik op kan halenvoor fantasie zou houden - de feiten zijnintusschen gezien en overal in 't openbaarverteld door menschen van zeer goedennaam - geloof ik ook daarom hierover nie:meer te moeten zeggen, omdat ik nu toch

    aan 't punt ben gekomen, waar hij Mars ver-liet om zich tot M inerva te richten; ik be-

    doel, dat hij sindsdien volstrekt afzag vanelk soort ambt of betrekking en alleen aan

    de studie zich wijdde tot aan zijn dood.Overigens volstond hij niet met de onder-

    worpenheid te haten, welke de machtigenvan elkeen verlangen, die aan hen zichbindt; zijn haat ging verder; die gold even-goed al datgene waarvan hij oordeelde, dat

  • 15

    het gedachten en overtuigingen kan aan

    banden leggen, want daarin wou hij evenvrij zijn als ten opzichte van zijn kleinstedaden; en hij spotte met ieder, die op deautoriteit van een uitspraak van Aristotelesof een anderen filosoof, net als Pythagoras'leerlingen met hun ,,M agister dixit'', ,,dehfeester heeft het ezegd'' de grootsteg ,vraagstukken meenden op te lossen, hoewel

    de tastbare en dagelijksche werkelijkheidhen voortdurend weerspreekt. Te middenvan de verwarring van alle elkander ophef-fende meeningen, oordeelde hij, dat men totgeen partij behooren moet.Na Socrates leken hem Democritus en

    Pyrrho de verstandigste wijsgeeren der oud-heid; en dan nog alleen, omdat de eerste

    naar zijn raeening de waarheid geborgenheeft op een zoo donkere plaats, dat raen

    haar onmogelijk zien kan; en omdat Pyrrhozulk een vurigen geest had, dat geen der

    wijsgeeren van zijn eeuw hem kon onderge-schikt maken, terwijl hij daarbij te beschei-den bleef om ooit te verklaren, in eenig

  • 16

    vraagstuk het laatste woord te hebbenezegd.Volgens den heer de Bergerac ware het

    wenschelijk, dat niemand iets schreef watreeds ooit geschreven is, want als de schrij-vers zich tot het eigene beperkten, zouden

    de boekerijen heel wat minder omvangrijken verwarring-wekkend wezen, nuttigervooral, en het leven van den m ensch, hoekort het ook is, zou bijna voldoende zijn omalles, wat goed is, te lezen en in zich op tenem en.

    Goldhij bij zijn leven voor een buitenge-woon zeldzamen geest, de Natuur voegdedaarbij zeer veel geluk van den kant der zin-nen, die hij echter alle in bedwang had; zoodronk hij slechts zelden wijn, want het velegenot ervan, zoo zei hij, verstompt; menm oest er voorzichtig mee omgaan als metarsenicum, dat gevaar oplevert hoe en waar-

    mee men het ook verbindt; zoo was hij ookmatig in het gebruik van spijzen, waarbij hijliefst afzag van alle pasteien, want wat heteenvoudigst is en 't minst verm engd, scheen

  • 17

    hem het best; aan deze twee deugden voegde

    hij een grootere toe doorzijn terughoudingjegens het schoone geslacht, die zoo verging, dat hij nooit, kan men zeggen, deneerbied vergat, dien wij aan die sexe ver-schuldigd zijn. Daaraan verbond hij een der-gelijken weerzin tegen alles wat maar naareigenbaat zweemen kon, dat hij zich 6ôknooit heeft kunnen indenken in het gevoelvan iets voor zich alleen te hebben, want

    wat hem behoorde stond altijd, meer danaan hem zelf, ter beschikking van diegenen

    onder zijn bekenden, die er behoefte aanhadden. Zoo wilde dan ook de Hemel, dieverre van is, eendat vanmenigte vrienden, die hij tijdens zijn levenhad, verscheidenen hem tot zijn dood toegenegen Waren, en Sommigen hem metliefde aanhingen zelfs ver over het graf.

    Kort voordat hij, op 3s-jarigen leeftijd,stierf, keerde zich zijn geest nog méér af vande wereld. Hij veroordeelde de ongebonden-heid van veel jongelieden, en toonde tenopzichte daarvan een tegenzin, welke ieder-Een Maanrels 2

    ondankbaar

  • 18

    een behoorde te bezielen, die een christelijkleven leiden wil. Ik merkte deze groote ver-andering in hem op,m elancholie

    toen ik hem eens zijnverweet op dezelfde plaatsen,

    waar hij het overvloedigst zijn kostelijkegeestigheden had tenbeste gegeven; hij ant-woordde mij, dat dit kwam, omdat hij, opweg de wereld te leeren kennen, nu ont-

    goocheld was; en dat zijn grootste onlustnog ontstond door het besef, dat hij zijn tijdniet beter besteed had.Gij lezer, moet mij5 de uitvoerigheid ten

    goede houden, die ik betracht ten opzichtevan de verdiensten van mijn vriend. Hij isgestorven, zoodat ik hem-zelf geen vriende-lijks meer zeggen kan. En dan, zooveelschoons als hij heeft voortgebracht, kannooit mishagen. W aar ik nu eindigen m oet,behoor ik nog eerst te verklaren, dat dedemon'', die hem zoo goed van dienst istijdens zijn verblijf op de Maan, u niet ietsongehoords moet schijnen, want Thales enHeraclitus en andere wijsgeeren hebben ge-zegd, dat de wereld er vol van is. De veel-

  • 19

    talligheid der werelden en hun oneindigheiden het bestaan van kleinste lichamen of

    atomen vindt men bij weer andere filosofenvermeld. Ook is de opvatting, dat de aardebeweegt, niet nieuw. Pythagoras, Aristar-chus en anderen, en in de vorige eeuwCopernicus, hebben haar gehuldigd. Nu stel

    ik er prijs op te zeggen, dat deze dingen mijpersoonlijk geen belang inboezemen, omdatik deze wetenschappen niet bestudeer, daar

    zij mij te abstract zijn. Zoo wil ik, met overCopernicus te spreken, Ptolomaeus, wiensstelsel hij ontkende, niet beleedigen; mij ishet voldoende, dat Coeli enarrant gloriamDei, de Hemelen verkondigen de eere Gods,en dat hun bewonderenswaarde samenstel

    werk is van menschenhanden. W atgeenPtolonaaeus er ook over gezegd naoge heb-

    ben, zij zijn niet anders dan zij altijd geweestzijn; en welke verandering Copernicus mogehebben teweeg gebracht, zij zijn gebleven opdezelfde plaats en in dezelfde functie, welkehun hetOpperwezen heeft toegekend, die,

    zonder Zelf te veranderen, Hij alleen alles

  • 20

    veranderen kan. In 't begin van deze voor-

    rede heb lk gezegd, waarom ik haar schrij-ven wilde; verderophoe en waarom ik al

    heeft men kunnen zien,groote

    heb aangehaald. Ik doe u, lezer, thans het

    verzoek, u deze laatste verklaring van mijbij gelegenheid wel te willen herinneren,omdat ik hiermee mijn afweer rechtvaardigvan alles wat de waarheid van mijn geloofzou kunnen ln schadelijk verband brengenm et de verdichtsels van anderen.

    die Geleerden

    L .

  • REIS OP DE MAAN

    et was volle Maan, de Hemel was zon-der wolken, en 't had negen uren

    geslagen, toen wijterugkeerden van Clamardbij Parijs (waar de jonge Mijnheer de Cuigy,die die Heerlijkheid bezit, ons had onthaald,mijn vrienden en mij) . De verschillende ge-dachten, die bij ons die safraanbol opwekte,hielden ons bezig onderweg; zoodat, terwijlonze blikken verzonken in dat groote Ge-sternte, nu eens de een beweerde, dat heteen dakvenster van den Hemel was, danweer een ander, dat m en er het bordes inmoet zien, waar Diana den jachtstoet op-stelt voor Apollo; een derde, dat 't wel deZon zelve kon wezen, die des avonds haar

    stralen aflegt en door een rond gat kijktwat men op aarde uitvoert, als zij er zelfniet is. ,,En wat mij betreft'', zei ik, ,,die mijvan harte gaarne meng in de uitbundigheidvan uw gedachten, ik geloof - en dan ga ik

  • 22

    mij niet bedienen van zulke puntige verzin-gels, als waarmee gij den Tijd kietelt omhem zijn loop te doen versnellen - dat deMaan eenvoudig een wereld is als deze; bijwelke de onze de rol vervult van M aan-''

    onthaaldenSommigen van het gezelschapmijn opmerking opeen onbedaarlijken scha-terlach. ,,Zoo bespotten er misschien'', gingik toen verder, ,,op 'toogenblik op de Maananderen een ander, die de stelling verdedigt,dat deze bol hier een wereld van levendenis.'' M aar hoe ik ook aanvoerde, dat ver-

    echeidene mannen van gezag mijn meeningdeelden, ik bereikte nlet meer dan dat zijnog weer hartelijker lachten.Intusschen ankerde diezich gedachte,

    die door haar gedurfdheid er bij mij gemak-kelijker inging, gesterkt als ik bovendienwerd door de tegenspraak vanden, zoo stevig bij mij vast, dat

    mijn vrien-ik den heelen

    verderen Wegzwaar bleef van Maan-defini-ties, waarvan ik overigens m aar niet beval-len kon: met dat gevolg dat ik, door steedsmeer onder die dwaze idee de stutten te

  • 23

    zetten van allerlei opneeringen, bijna haar

    ernst gelijkende rede-ging aanhangen --,

    toen precies, m aar dan ook heel precies hetwonder, of het ongeval, of de voorzienig-heid, de fortuin, of misschien wat ge zoudtnoemen het visioen, de fictie, de waanvoor-stelling of wilt ge?

    heid, mij iets deed beleven, waaruit heeleen hersenkrank-

    mijn verdere Maanreis en daarmee op haarbeurt de verschijning van dit boek kunnenworden verklaard.

    In het nachtelijk uur thuisgekomen, en inmijn tot dan toe afgesloten studeerkamerbinnendringend, vond ik daar een boek

    open liggen, dat ik niet te voren van zijnplaats genomen had. Het was de Philosophie*'

    van Cardan 1) . Ik was zeer zeker niet vanzins daarin te gaan lezen, maar mijn blikviel op een passage van de opgeslagen blad-

    zijde, en daar las ik dat gedeelte, waarinCardan vertelt, hoe hij, studeerend bij 't

    1) In de 16de eeuw beroemd Italiaansch medicus,mathematicus en philosoof, die alle wetenschap in ver-band met astrologie beoefende. Vert.

  • 24

    licht van een kandelaber, twee rijzige gril-s-aards door zijn goed gesloten deur zag bin-nenzweven, die hem op allerlei vragen, diede philosoof hun stelde, mededeelden, datde M aan door levende wezens bevolktwordt.Hoe kon dit antwoord opmijn overpeinzin-gen daar zoo mooi open liggen, op mijntafel, waar kort te voren niets lag, als niet

    dezelfde twee grijsaards-geesten Cardan'sPhilosophie hadden uit mijn boekenkast ge-nomen en voor mij daar opzettelijk openneergelegd?Het was mij van nu af duidelijk wat me

    te doen stond.Koortsgedachten of niet, verbeelding of

    werkelijkheid, ikdraalde niet langer. In eeneenzaam buitenverblijf doordacht ik allemogelijkheden van uitvoering, en ziehierhoe ik ten Hem el rees.

    Ik had mij rondom omhangen met eengroot aantal flesschen na ze eerst m et dauwte hebben gevuld. Toen de zon haar stralendaarop richtte, begon de hitte dien dauwomhoog te trekken, zooals zij de wolken

  • 25

    leegt omhoog te halen, en ik werd daar-Pdoor opgeheven al gauw tot halverwege het

    uitspansel. Maar waar dit reisje mij wat alte snel ging, en ik aldus m oest vreezen inlaats van nabijer aan de Maan er verderPvan af te raken, verbrijzelde ik enkele vanmijn glazen balonnen, net genoeg om tevoelen, dat mijn gewicht die aantrekkingomhoog overwon en ik weer neerdaalde opaarde.Ik had het niet mis, want ik viel er een

    tijdje later weer op neer; en naar den tijd teoordeelen, dien ik zwevende had doorge-bracht, m oest het nu middernacht wezen.Niettemin herkende ik de Zon, die rustig

    in haar zenith stond, zoodat hetboven mijin plaats van middernacht heldere middagwas. Gij zult zelf kunnen begrijpen welk eenverwondering zich van mij meester maakte.Ik werd, bij gebreke aan een andere verkla-ring voor dit mirakel, onbeschaam d genoeg

    om mij in te beelden, dat God nùg een keer,en nu ten mijnen gerieve, de Zon een tijdjehad vastgespijkerd aan den hemelkoepel,

  • 26

    opdat ik bij mijn edel bedrijf maar goed konrondkijken. W at mij eveneens bevreemddewas, dat ik het land, waarop mijn voetenwaren terecht gekomaen, in 't geheel nietherkende, terwijl ik er toch zeker van wasbij ontstentenis van wind loodrecht te zijngestegen en weer loodrecht gedaald. Hoe hetzij, omgord als ik was met nog een aantalflesschen, wandelde ik in de richting vaneen soort hut, waar rook uitkwam ; en ik

    was nauwelijks op pistoolschots afstand, ofik bevond mijzelf omringd door een grootaantal spiernaakte individuen; zij schenenerg verbaasd over onze ontmoeting; en meerin 't bizonder schenen zij nog nooit iemandte hebben gezien gekleed in een costuum,

    dat uit flesschen bestond. Ook merkten zijop, dat ik onder 't gaan de aarde niet noe-menswaard aanraakte; trouwens ik had, met

    een beetje meer zonneschijn op mijn dauw-Voorraad, nOg We1 weer voor hun oogen Vanden bodem wat kunnen oprijzen! Maar ikwilde mij met hen in nadere verbinding stel-len. Dit echter was hun te veel. Als had hen

  • 27

    de schrik in vogels veranderd, verdwenenzij allen gezamenlijk in een oogwenk in hetgroen van de bosschen. Eén kreeg ik er in-tusschen te pakken, wiens beenen waar-

    schijnlijk minder snel werkten dan zijnangst. Het was een olijfbruin, oud ventje; ikvroeg hem hoever wij ons van Parijs bevon-den, sinds hoelang de Franschen naaktloopen, en waarom ze allemaal voor éénenkelen landgenoot zoo bang waren. M aarik kreeg geen woord uit den vluchteling.

    Hij knielde, vouwde zijn handen achter zijnhoofd, opende den mond, sloot de oogen enbrabbelde allerlei onverstaanbaars.W eer een oogenblik later zag ik een

    compagnie soldaten, onder tromgeroffel, opmij aankomen. Twee ervan maakten zich losvan den troep en bewogen zich in mijn rich-ting. Toen zij mij dicht genoeg genaderdwaren, vroegbevond. ,,U is

    zij, ,,maar wat voor duivel heeft u zoo toe-getakeld? Is er soms een convooi schepen

    ik hun, waar ter wereld ik mijin Frankrijk'', antwoordden

    aangekomen, dat ù hier is, dien wij niet

  • 28

    kennen? U zult goed doen maar gauw uwverklaring af te leggen voor zijn Excellentieden Gouverneur. En waarom heeft u uwbrandewijn over zooveel fleschjes ver-deeld?'' Zij grepen mij, na nog eenig praten,bij een arm en ik werd opgebracht naar huncommandant, die mij bevestigde, dat ik weldegelijk mij bevond binnen Frankrijk, maarbinnen dat deel, dat Nieuw-Frankrijk heet,en dat in Amerika ligt. lk werd, nog weerlater, hier volkomen zeker van, toen menmij voor den Onder-Koning gevoerd had,die informeerde uit wat gewest ik stamde,en naar mijn naam en qualiteit. Overigensbleek dit een man, in staat tot het begrijpenvan groote ideeën, die mij direct een kamerter beschikking stelde in zijn eigen apparte-m enten en niet verbaasd was, toen ik hem

    beduidde, dat de aarde tijdens mijn zweef-eriode onder mijPomgedraaid,gestegen, inToen ik

    Canada was geland.

    's avonds juist van plan was mijter ruste te begeven, trad hij mijn kamer

    een eind weegs moest zijndaar ik immers, bij Parijs op-

  • 29

    binnen en zei: ,,lk zou u niet zijn komenstoren, als ik niet bedacht had, dat iem and,die in staat is in een halven dag zoo'ngrooten afstand af te leggen, ook wel hetgeheim zal kennen van niet slaperig te wor-den. M aar wat u allicht niet vermoedt'', zoo

    ging hij verder, ,,is, dat ik, u ter eere, al eenaangenaam dispuut heb gehad met onze eer-

    waarde Paters. Zij zijn er niet van af tebrengen, dat u een toovenaar naoet wezen,of anders minstens een gewone bedrieger.Ik voor mij denk eenvoudig, dat ge u ver-gist. Het is m. i. heelemaal niet noodig, de

    bedenkelijke paradox te gaan aanhangen,dat de aarde zich zou draaien om een spil,terwill wij de zon toch iederen dag zoo dui-delijk haar weg zien vervolgen. lk denk, datde zonnewarmte niet enkel uw met dauwgevulde flesschen heeftomhooggetrokken,

    maar dat zij die flesschen, en u meteen, ookmet zich m ee heeftgetrokken langs haar

    baan in westelijke richting, hier naar onstoe.

    Mijnheer'', antwoordde ik den Gouver-:5

  • 30

    neur, ,,er zijn te veel redenen, die duidenop stilstand van de zon en draaien van deaarde, dan dat ik uw opvattingen zou kun-nen deelen. In de eerste plaats zegt het ge-zond verstand, dat de zon in 't m idden zichm oet bevinden, alleen al omdat alle licha-m en in de natuur behoefte hebben aan haarwarmtebron; zij is in 't midden als een vorstin het midden is van zijn rijk; zooals devoortbrengende deelen in 't midden zijn vanhet menschelijk lichaam; de pit in 't middenvan de vrucht; zoo vindt ge onder de

    honderd blaadjes van een ui een ui-begin-sel, waaruit m illioenen uien moeten ont-staan. Daarom zou het een even zoo grootedwaasheid zijn, zich de geweldige lichtbronvan de zon te denken voortdurend draaiendrondom de aarde, als zich te verbeelden,wanneer m en een aan 't braadspit geroos-

    terd leeuwerikje ziet, dat de kok dit beestjegebraden heeft, door er het haardvuur omheen te bewegen. Of met andere woorden:als de zon dan met alle geweld die karweimaoet opknappen, spreek dan voortaan ook

  • 31

    van oevers, die voortglijden Iangs schepen,heeren die zich naar hun knechts toe be-wegen, en een medische wetenschap, die ge-nezen wordt door de zieken.

    ,,Gij hebt moeite u voor te stellen, datzoo'n zware aardm assa zou draaien. M aarde zon is vierhonderd en drie en veertigkeer zwaarder dan de aarde, en hoe zwaar

    zijn alle andere gesternten plus de heelehemel? Van de aarde weten wij nu tenmin-ste met zekerheid, dat ze rond is. W elnu,geeft die geschapenheid, dat ronde van deaarde niet als vanzelf de gedachte in, dat zijgemaakt is om te draaien? De zon zendt erhaar stralen op, stralen die haar warmte-invloed op aarde hebben, maar die tevens,net zooals de hand door klappen-geven eenbal doet draaien, de aarde in draaiende be-weging houden . . . .''

    Jawel'', onderbrak mij de Gouverneur,m aar nu moet ik u toch vertellen, wat een

    van onze Paters mij opmerkte, die evenalsu aan het draaien van de aarde gelooft, het-geen ik, gelijk ik zei, niet aanneem. Ik ge-

  • 32

    loof, zei die goede Pater, dat de aardedraait, maar ik geloof dit niet om de argu-m enten, die Copernicus aanvoert. lk zie hetzoo, dat waar in het midden van de aardehet eeuwige vuur brandt, de verdoenadendaaraan trachten te ontkoraen door tegenhet rondom ronde gewelf telkens op te vlie-

    gen, waardoor zij de aarde doen draaien opdezelfde manier, een hond eenaIs waaroptredm olen aan den gang houdt-''

    De Gouverneur en ik haddeneenigen tijdte raken over den ge-noodig om uitgepraat

    Ioofsijver van den achtenswaardigen Pater,welke dezen op zoo'n loffelijke gedachte hadgebracht, en gingen dan verder met over destelling van Ptolomaeus te spreken, aan

    welke mijn gastheer alleen al de voorkeurgaf, omdat zij altijd algemeen is aanvaard,en verder over de zoogenaanade oneindig-heid van de werelden, die hij eveneensapocrief achtte, wat ik vreemd vind; wantwaar zou de oneindigheid Gods zich bevin-den, indien zij niettevens was in een onein-dig heelal?

  • 33

    Maar mijn oogleden begonnen moe teworden en toe tevallen, en de Onder-Koning

    verwijderde zich daarom uit mijn slaapver-trek. Den anderen morgen hervatten wijons dispuut van voren af aan en vuldendaarmeenog enkele dagen. Maar dit moest

    eindelijk ophouden, want allerlei moeilijk-heden in de provincie riepen mijn gastheerweg van zijn hoofdstad en van de philosofie,en ik kreeg weer den tijd, mij in te spinnenin mijn studies over het vraagstuk, hoenu ten slotte zou opstijgen naar deik

    Alaan.Zoodra zij in het Oosten opkwam, wan-

    delde ik de bosschen in om na te denken en

    te droomen over de middelen, die mij zou-den kunnen ten dienste staan, en over dekansen van mijn succes; en zie, op den voor-avond van St. Jan, toen men in het Fortkrijgsraad hield om uit te maken of 't ge-wenscht zou zijn, de wilden in een bepaaldgebied te steunen tegen de Iroqueezen, be-

    gaf ik mij, heel alleen, achter het Gouver-neurspaleis halverwege den steilen rug vanEen Maanrels 3

  • 34

    een klein gebergte, en volvoerde daar hetvolgende.

    Ik had eenmachine gemaakt, naar mijndoor alles wat ik er aan had aan-meening

    gebracht geschikt om mij in de lucht op teheffen net zoolang als ik wou, ik ging er dus

    in zitten en wierp mij ermee omlaag, vaneen rotsplateautje af, maar ik had niet allevoorzorgen in acht genomen, en storteplompverloren in de vallei.

    Dit trof mij in mijn eer, maar ik verloorden moed niet en wandelde meteen naarhuis,waar ik van 't hoofd tot de voeten

    heele lichaam, dat vol builen eni*x:m lschrammen Zat, m et Ossenm erg inWreef ; namijzelf bovendien een hartversterking tehebben toegediend, ging ik weer op zoek

    naar mijn machine. Ik vond haar eerst niet,want soldaten, aan wie men had opgedragenhout tekappen voor de St. Jansvuren,warener bij toeval op gestooten en hadden hetheele geval naar 't Fort gebracht, waar deofficieren er eerst geen raad mee wisten,maar ten slotte, toen zij de binnenste spring-

  • 35

    veeren ontdekt hadden, op de gedachtenwaren gekoraen in den rorap van het dingeen heele massa vuurpijlen te steken, im-mers, zoo oordeelden zij, als de vleugelsdoor de kracht van die springveeren in delucht op en neer klapperden en al dat vuur-

    werk ontbrandde, dan zou niemand twijfe-len of hij zag een Vuurvlieger zich aan denhemel bewegen. Maar ik wist van dit alles

    enniemendal, zocht nog ijverig naar mijnm echaniek, toen ik haar terugvond op het

    Quebec-plein, juist op het oogenblik datmen de vuurpijlen aanstak. Er ging eensteek door mijn hart, toen ik 't groote gevaargewaar werd, waarin mijn mooie uitvindselzich daar bevond, en dit bracht mij zoobuiten mijzelven, dat ik als 't weerlicht opden soldaat afvloog, hem bij den arm greep,die het vuur reikte, de brandende lont uit

    zijn hand sloeg, en meteen in den bak vanmijn toestel sprong om alle aangebrachtepijlen eraf te slaan. Maar 't was al te laat.Want ik had mijn voeten er nog niet in ge-zet, of daar vloog ik reeds door de wolken.

  • 36

    De ontzetting, die mij op dat oogenblik over-meesterde, maakte mij niet zoo erg vangtreek, dat ik mij niet ook né nog zou herin-neren, wat er precies gebeurd is. Directnadat het vuur een heele rij pijlen had doenuitbranden, die men zes bij zes door eenIange lont verbonden had, ontplofte een

    tweede rij, en daarop eenderde, en zoo ver-der; met dit gevolg, dat de salpeter, steedsopnieuw vlam vattend, het gevaar verklein-de door het te vergrooten.Intusschen, toen alle kruitwas opgebrand,

    was 't met de kunstverrichting gedaan, enreeds meende ik, dat ik nog enkel zou kun-nen beleven, hoe mijn hoofd zich te pletterIegde op het kopje van een berg, toen ik,doodstil blijvend, mijzelf mijn luchtweg zagvervolgen, terwijl mijn machine, afscheidvan mij nemend, in de diepte onder mijnoogen verzonk.

    Dit zeldzaam avontuurdeed mij de borstgeluk. In diezwellen van een ongekend

    stemming vond ik zelfs den durf om , verlostvan een zoo nabij doodsgevaar, raeteen te

  • ,,Ik stelde plotseling vast, dat ik bezig was voort tevliegen met mijn beenen omhoog.''

  • 39

    gaan philosofeeren over de vraag, hoe ditalles was mogelijk geweest. Met mijn oogenen raijn gedachten zocht ik dus de oorzaak,en zie, ineens besefte ik, wat er kon gebeurd

    zijn. Ik zag, hoe mijn gezwollen huid nogglom van alle ossenmerg, dat ik erop ge-

    smeerd had bij wijze van heelende zalf voormijn wonden; ik bedacht, dat de Maan in deperiode van slinking, waarin zij toen juistverkeerde, gewoon is dierenmerg op te zui-gen, en zoo kwam ik te begrijpen, dat ze numet mijn ossenmerg hetzelfde deed, en teijveriger en krachtdadiger, waar ik haar nuzoo veel meer nabij was en geen wolkendekons scheidde.Toen ik volgens mijn latere berekening

    een veel langeren weg had afgelegd dandrie kwart van den afstand, dien de Aardeafligt van de M aan, stelde ik plotseling vast,dat ik bezig was voort te vliegen met mijnbeenen omhoog, zonder dat ik ook m aareenigerm ate een buiteling had gem aakt.zou dit niet eens hebben opgemerkt, als ik

    niet gevoeld had, hoe mijn hoofd het heele

    Ik

  • 40

    gewicht van mijn lichaam droeg. Zoo wistik nu wel met groote zekerheid, dat ik nietnaar mijnik mocht

    eigen wereld terugvloog. W ant,mijzelf dan zien zweven tusschen

    twee M anen, zeer goed merkte ik op, dat ikmij van de grootste verwijderde en, naar demate van dienaderde, en datglobe was.

    verwijdering, de kleinstede grootste onze eigen

    Na langen tijd te zijn neergedaald - zooveronderstelde ik tenminste, want de snel-

    heid van mijn daling verhinderde mij eenjuiste observatie - bevond ik mij, volgensmijn allereerste bewuste herinnering, bij eenboom, bedolven onder drie of vier groote

    takken, die ik had afgeknapt in mijn val, enmijn gezicht besmeurd door een verpletter-den appel.Gelukkig was deze plaats, zooalg ge straks

    vernemen zult, een . . Het is duidelijk,dat, als het toeval mij Mer niet gediend had,van mij geen stuk was heel gebleven. Ik hebgindsdien dikwijlg gedacht aan de bewering,die m en wel eens hoort uiten, als zou

  • 41

    iemand, die van erg hoog naar beneden valt,gestikt zijn vôôr hij den grond raakt, maarik voor mij ben door mijn avontuur tot deelotsom gekomen, dat er niets van aan is, of

    het moest zijn, dat de krachtige sappen vande verbrijzelde vrucht, welke mij in denmond vloeiden, mijn ziel hadden terugge-roepen,W ezen Van

    die inderdaad nogniet ver weg kon

    mijn lijk, dat natuurlijk nogwarmte in overvloed had en bestnog ge-schikt was gebleven voor alle levensfuncties.In elk geval, zoodra ik den bodem bereikthad verdween mijn pijn, reeds vô6r zij zichin mijn voorstellingsvermogen had inge-drongen. En van den honger, die mij op reisgekweld had, bleef niets over dan een vaagbesef van zijn vroegere aanwezigheid.Nauwelijks had ik, opstaande, den groot-

    sten stroom gezien van vier die daar, in hunsamenloop, een meer vormen, of de geestof onzichtbare ziel der eenvoudigen, die hierademen, kwam mij zoetrokig den neus stree-len, en ik merkte, dat de steenen hier nietruw waren en evenmin hobbelig, en dat ze

  • 42

    gauw zorgden zacht teer overheen liep. Iletm oette was een open plek, waar het hoogegeboomte van vijf lanen te zamen trof aIsde vijf stralen van een ster, een geboomte,dat tot bij den hemel een parterre van groenloof scheen op te beuren. Daar stond ik, en

    toen ik dan mijn blikken liet gaan van be-neden bij de wortels tot boven aan de krui-nen van dat hooge hout, en ze weer van dieduizelingwekkende toppen liet neerdalentot aan den voet ervan, wist ik niet meer tezeggen of de bodem die boom en droeg, danwel of die boomen zelf de aarde hadden

    i'n wanneer m enz J ,eergte wat ik ont-

    hangen aan hun wortels. Hier was het, datde bloemen zonder anderen tuinm an dan deNatuur zoo ongecultiveerde maar zoo zoetegeuren verspreidden, dat het reukgevoelsterker is opgewekt danm eteen verzadigd. Hier is

    ooit eerder, maarde Lente het kort

    begrip van alle seizoenen.beken met een welluidendondervindingenduizend gevederdekeeltjes het woud weer-

    Hier vertellen degemurmel haar

    aan de kiezels. Hier doen

  • ,,Ik wist niet meer, of de bodem die boomen droeg.dan wel of die boomen zelf de aarde hadden hangenaan hun wortels.''

  • 45

    klinken van hun gezang; en het geklapwiek

    in die vergadering van goddelijke muzi-kantjes is wel zoo algemeen, dat het schijntof ieder blad een tong is en een open bekjevan een nachtegaal; zelfs neemt de Echom et zooveel pleizier aandeel in hun melo-dieën, dat men gaat meenen, dat ze zin heeft

    ze zich voor goed eigen te maken. Terzijdevan dit bosch strekken zich twee weilandenuit, waarvan het niet eindigende fleurigegroen een smaragden veld vormt tot aanden horizon. De zefir doet daar honderden

    zichbloempjes bewegen, zoodat menvraagt of ze soms krijgertje spelen om aan deIiefkoozingen te ontkomen van dien darte-Ien wind. M en is zelfs geneigd die weideVoor een oceaan te houden, zoo oeverloos

    af-

    ziet zij er uit; met dit gevolg, dat mijn blik,in zijn ontsteltenis nergens een grens te vin-den, er haastig mijn geest heenstuurde; enmijn geest, die op de gedachte kwam, datdit hier wel eens het einde kon zijn van dewereld, wou nu meteen zekerheid, of het

    soms de bekoorlijkheid van dit oord was,

  • 46

    die den Hem el had gedwongen zich hier teAarde? Midden uit ditvereenigen met een

    onafzienbare en liefelijke veld kabbelt eenlandelijk bronwater, omboord van duizen-den bloemen, die elkaar verdringen omm aar, elk het eerst, zichzelf in den spiegelte zien. En de dieren, die hierheen kwamenom hun dorst te lesschen, met meer ver-

    danstand begaafdtoonden zich

    die van onze planeet,verwonderd, dat het volop dag

    was aan den gezichteinder, terwijl zij in dewaterdiepten de Zon aan de Antipodenzagen en zich niet durfden voorover buigenuit vrees in het Firmament te vallen.Ik moet u bekennen, dat ik bij zooveel

    voor mijn oog bekoorlijks mij gestreeldvoelde door een soort verrukkelijke pijnen,zooals die ze zeggen, het embryo ondergaatop 't oogenblik van de binnenvloeiing vande ziel. Alle haar viel van me af en m aakte

    plaats voor ander, dichter geplant en fijner.Mijn jeugd voelde ik weer in mij opvlam-men, mijn gezicht rood worden, mijn natuur-lijke warmte zich opnieuw vermengen met

  • 47

    mijn vochtige aardschheid; met één woord,ik keerde ongeveer veertien jaar op mijnleeftijd terug.Ik was een halve mijlvoortgeloopen door

    een bosch van jasmijnen en myrthen, toenik iets, dat in een schaduw lag, zich zag be-

    wegen,wat. Het bleek een jongeling te zijn, wiensmajesteitelijkedeed aanbidden.

    ik zou niet hebben kunnen zeggen

    schoonheid mij bijna hemHij stondop om mij dat te

    verhinderen. ,,Niet mij'' riep hij, ,,maar5God ben je die nederigheid schuldigl'' ,,Uziet'', antwoordde ik, ,shier iemand voor u,door zooveel verschillende mirakelen in dewar, dat hij niet weet waar met zijn bewon-dering te beginnen; want van een wereld

    gekomen, die u hier ongetwijfeld aanzietvoor een M aan, dacht ik

    op hunbeurt de Alaan noemen; en zoo bevind ik

    een andere teop

    zijn beland, die mijn landgenooten

    mij nu in het Paradijs, aan de voetenvan een God, die niet wiI worden aan-beden.''

    Afgezien van die hoedanigheid van

  • 48

    God'' hernam MJ', ,,van wien ik maar eenechepsel ben, is wat ge zegt de waarheid:deze aarde hier is de Maan, die gij van uwglobe ziet; en de plek hier, waar gij gaat,is . . . . 1) Nu was'', brak hij zichzelf af, ,,indie ver-verleden tijden de verbeeldings-kracht van den m ensch zoo groot - ze wasook nog niet bedorven door uitspattingen,onverteerbaar eten en ziekten van allerlei

    aard - , dat hij in zijn hevige verlangen, dittoevluchtsoord te bereiken, verminderd in

    lichaamsgewicht door het vuur van zijn ver-voering, tot hiertoe werd opgeheven, op

    dezelfde manier als men Wijzen, wier ver-beelding op één punt strak gericht was,

    heeft zien opstijgen in de lucht door demacht van geestverrukkingen, die gij extasesnoem t.

    die door haar sexe zwakker was% Y * * * # %en minder warmte had, zou zeker geen ver-beeldingskracht hebben bezeten, sterk ge-

    1) Dit en een vorige en alle volgende door leesteekensaangegeven hiaten aldus in den oorspronkelijke tekst.

    Vert.

  • 49

    noeg om door de gespannenheid van haarwil de zwaarte van de stof te overwinnen,

    maar zij had zoopathie, waarmedegeheel verbonden was,naderbij naarmate hij omhoog steeg, zooalsbarnsteen een strootje dwingt hem te vol-

    weinig daarvan! De sym-die helft nog aan heur

    bracht haar aan hem

    gen,den

    m agneet

    richt, waaraan hij is ontwrongen; evenzoo trok hij dat deel van zichzelf naar zichtoe, zooals de zee de stroomen aantrekt, die

    zooals de zich naar het Noor-

    uit haar ontstaan zijn.Toen zij op uw aarde waren aangeko-55

    men, raakten zij gewend in de landstreektusschen Mesopotamië en Arabië; sommigevolken hebben hem gekend onder den naamvan . . . ., en anderen onder dien van Prome-

    theus, van wien de Dichters zeiden, dat hijhet vuur uit den Hemel stal, - denkendaan zijn nakomelingen, die uit hem geborenwerden met een even volmaakte ziel als de

    zijne. Zoo liet die man, om uwe wereld tebewonderen, deze hier ledig achter; m aarde Al-W iJ'ze wilde niet, dat een zoo gelukkigEen Maanreis 4

  • verblijf zonder bewoners bleef ; hij stondtoe, eenige eeuwen daarna . .

    meer dan genoeg hebbend van het' ' * * * * 'gezelschap van de m enschen, wier onschuldontaardde, verlangde ernaar hen te verlaten.

    Hij oordeelde evenwel, dat geen enkele toe-vlucht veilig zou zijn voor de machtswellust

    i*nVan Z J verwanten, die al bezig waren el-kander te vermoorden m et het oog opverdeeling van uw wereld, dan alleen nog

    dat gelukzalige land, waarover zijn voor-

    de

    vader hem zooveel had verteld, en waarvanerheen aanschouwdnog niem and den weg

    had . . . . Maar zijn verbeelding voorzag erin;want, waar het hem was opgevallen, dat....

    vulde hij twee groote kruiken, stopte ze metkleefdeeg goed toe, en bond ze zich onderde vleugels. De rook, die volgens haar na-

    tuur wilde opstijgen en niet door het metaalheendringen kon, duwde de kruiken ter-stond omhoog, welke op die manier den

    grooten man ophieven. Toen hij tot aan deMaan was opgeklommen en hij zijn blik hadIaten gaan over dien heerlijken tuin, deed

  • 51

    een bijna bovenmenschelijke opgetogenheidhem verstaan, dat dit de plaats moest zijn,waar vroeger zijn voorvader gewoond had.Hij maakte oogenblikkelijk de vaten los, diehij zich als vleugels om de schouders be-vestigd had, en deed dit zoo precies op tijd,dat hij nog maar even vier vamen van deMaan af in de lucht hing, toen hij van zijndrijfgordels afscheid nam. Hij had zichoverigens, de hoogte groot

    ware hetgenoeg, nOg erg kunnen bezeeren,

    niet, dat in zijn mantel, als in een grooteklok, de wind zich begraven had, zoodat diehem zachtjes ondersteunde, totdat hij voetaan land zette. W at de twee vaten betreft,

    zij stegen een eindweegs omhoog, waar zijtenslotte bleven staan: zij vormen daar aanhet firmam ent wat u tegenwoordig de W eeg-schaal noemt.

    daarvoor was

    ,,Nu moet ik u gaan vertellen, hoe ik hier

    zelf gekomen ben. Mij dunkt, ge hebt mijnnaam niet vergeten; ik heb u dien vroeger

    genoemd. Gij weet daardoor, hoe ik aan denliefelijken oever van een der op aarde stroo-

  • 52

    mende rivieren verblijf hield, waar ik tus-gchen mijn boeken een leven leidde, prettiggenoeg om daar geen spijt van te hebben, alwas het vergankelijk. Maar naarmate mijnkennis grooter werd, vervulde mij het besefvan de ontoereikendheid ervan. Ik dachtnooit die positieve wetenschap mij te zulleneigen maken, waarnaar mijn ziel haakte.Totdat ik op een morgen na veel te hebbenIoopen droom en het groote besluit nam : ik

    verschafte mij twee vierkante voet magneet-il-zer, dat ik in een oven smolt. Toen hetgoed gezuiverd was, neergeslagen en opge-Iost, trok ik er de substantie van, en brachtdieterug tot ongeveer een gewonen

    Zoover gekomen, liet ik een toestel99

    maken van heel licht ijzerwerk, waar ik in-etapte, en zoodra ik daarin etevig op mijnzetel zat, wierp ik den magneetkogel hoogin de lucht. Die ijzeren toestel nu, welken

    kogel.

    ik opzettelijk in hetmidden massiever hadlaten smeden dan aan de uiteinden, vloogm eteen ernaartoe, en dat weI in een prach-

    tig evenwicht, omdat hij immerg de grootste

  • 53

    aantrekking juist inondervond. Op diewierp iknaderd

    dat middelste gedeeltevoortgaandemanier

    telkens, als ik den magneetbol ge-Was, deze Weer een eindWeegs OD;-

    hoog-''M aar'', zoo onderbrak ik hem, N,hoe kon:5

    u den kogel recht boven uw luchtwagen

    omhoogwerpen, op een manier dat hij geenenkelen keer terzijde viel?'' ,,In dat avon-tuur van mij zie ik toch niets verwonder-lijks'', zei hij; ,,want de opgeworpen magneettrok eenvoudlg het ijzer naar zich toe; enzoo was het onmogelijk, dat ik ooit terzijdeafdwaalde. Laat ik uals ik mijnrees, omdat nu eenm aal de

    vertellen, dat ik, ookkogel in de hand hield, omhoog

    Wagen aldoorden m agneet achterna enelde, dien ik bovenhem uit hield; maar de vliegkracht, waar-

    mee dat ijzer zich met den kogel wilde ver-eenigen, wae zoo geweldig, dat ze mij denromp dubbel boog, zoodat ik m aar eenmaaldie proef heb durven wagen. Dit in elk goval is zeker, het moet een echouwspel ge-

    weest zijn, om al wat oogen heeft te ver-

  • 54

    bazen, want hethuis, dat ik metweerkaatste zoo

    metaal van het vliegende

    veel zorg gepolijst had,sterk en schitterend het

    licht van de Zon, dat ik zelf meende, vanalle kanten in vlam te staan. Om kort te

    gaan, toen ik dus sprongsgewijze een heeleind was opgevlogen naar mijn doel, ge-raakte ik, evenals gij dat hebt ondervonden,op een punt,gon te vàllen; en omdat ik van toen af

    kogel vast in mijn handen geklemd

    waar ik naar déze wereld be-

    mijnhield,

    kwam ik niet los van mijn zitplaats, dietegen mij aandrukte om den magneet tenaderen; al wat ik nog te vreezen had, wasdat ik mijn nek brak; om mij daar tegen teverzekeren, wierp ik mijn kogel van tijd tottijd een weinig omhoog, opdat de wildevaart van het toestel m inderen zou onderde inwerking der

    mijn val minder erg zou zijn, zooals ookaantrekkingskracht, en

    inderdaad geschiedde; want, toen ik mijzelfop nog twee of driehonderd vamen van den

    grond zag, slingerde ik mijn kogel in allerichtingen terzijde van mijn luchtwagen, nu

  • 55

    uit den eenen hoek, dan uit den anderen,telkens weer, tot ik voelde, dat ik nog maarop een geringen afstand van deze nieuwe

    wereld mij bevond; toen wierp ik meteenden bal zéér hoog in de lucht en verliet fluks

    mijn wagen van een anderen kant, terwijlhet ding zelf den kogel tegemoet voer. Ik

    liet mij inmiddels zoo zacht mogelijk op hetzand vallen, zoodat ik met niet meer be-zwaar neerkwam, dan indien ik een spronggenomen had van eigen lichaamshoogte. Ikga u mijn verbazing niet afschilderen bij hetzien van de tooverachtige dingen, die hierzijn, want ik zag u daarstraks al van een-zelfde bewondering bevangen . . . .''Nauwelijks had ik den tijd, de

    van deze ontmoeting in mij op te nemen,toen een dichte nevel mijn ziel omving; geen

    zoetheid

    levend wezen zag ik raeer in den omatrek,

    en maijn oogen herkenden rondona geenspoor m eer van den weg,delde - en toch stond

    dien ik pas bewan-alles, wat ik door-

    leefd had, mij nog volkomen nauwkeurigvoor den geest.

  • 56

    Lang bevond ik mij in overpeinzing, een-zaam, in een land, dat ik niet kende. Toenbesloot ik voort te loopen, totdat de Fortuin

    mij in gezelschap zou brengen van ietslevends, ware het slechts van een paar leven-de beesten, of van den dood.Zij verhoorde mijn wenschen, want na een

    klein onderdeel van een mijl te zijn verderfegaan,grootestil stond; het andere verdween haastig naarzijn gewone verblijf - zoo begreep ik ten-minste, toen hij een oogenblik later terug-kwam met meer dan zeven-, wel achthon-

    ontm oette ik twee buitengewoon

    dieren, waarvan één tegenover mij

    derd van zijn soortgenooten, die aanstondsrondom mij te hoop liepen. Zoodra ik zevan nabij kon bekijken, ontdekte ik aan henden lichaam sbouw en den gelaatsvorm van

    ons, Menschen. Dit avontuur bracht mij inde herinnering verhalen,die mijn voedstermij vroeger vertelde, van faunen en satyrs.Bij tusschenpoozen ging er uit de menigtevan die M aan-wezens zulk een woest gehuil

    op, veroorzaakt zonder twijfel door hun ver-

  • 57

    bazing mij te zien, dat ik bijna denken moestzelf een monster te zijn.Eindelijk greep een van de dier-menschen

    mij bij den kraag en wierp mij over zijn rug,precies zooals wolven doen, die er met een

    lam vandoor gaan, en zoo bracht hij mij inhun stad, waar mijn verwondering nog weergrooter werd, toen ik bemerkte, werkelijkmet mensch-wezens te doen te hebben,waarvan er evenwel niet één was, die nietop vier voeten liep.

    Toen dit volk mijn kleine postuur gewaarwerd (de meesten van die Maanbewonerszijn zelf twaalf ellebogen lang) en opmerkte,dat mijn lichaam enkel op twee zolen steun-de, namen ze niet meer aan, dat ik eenmensch kon zijn, want zij huldigden demeening, dat, waar de Natuur aan ons,M enschen, net zoo goed als aan de beestentwee beenen heeft gegeven en twee armen,

    wij ons van alle vier behooren te bedienen,evenals zij dat doen. En, inderdaad, toenik later over deze opvatting ben gaan pein-zen, kwam ook ik tot de slotsom , dat die

  • 58

    lichaamshouding heelemaal niets buitenis-sigs heeft; ik herinnerde mij, dat kinderen,zoolang slechts de Natuur hen onderricht,op vier voeten loopen, en eerst dan op tweezich verheffen, als de min ze in kleine rol-hekjes overeind houdt met behulp vandraagbanden, zonder welke zij terstondweer in onzen natuurlijken stand op allevier terechtkomen.Zij zeiden nu (dit heb ik later mogen ver-

    nemen), dat ik moeilijk anders kon wezendan het kleine wijfje van het huisdiertje vande Koningin. Om dit vraagstuk op te lossen,werd ik overigens naar het Raadhuis ge-bracht, waar ik uit het veelsoortig gezoemen de gebaren van volk en M agistraten be-greep, dat men te rade ging, Wat VOOr Wezen

    ik zijn kon. Toen dit zoo een heelen tijd ge-duurd had, vroeg een burgerman, die er eenverzameling zeldzame beesten op na hield,

    aan de Schepenen, mij aan zijn zorg toe tevertrouwen in afwachting, dat de Koninginmij zou laten halen om met haar reu teIeven. M en vond dit een uitstekend denk-

  • 59

    beeld, en zoo bracht deze kermisklant mijnaar zijn huis, waar hij mij leerde boven opeen stok zitten, buitelingen m aken en ge-

    zichten trekken; des avonds hief hij entréevan wie mij zien wilde.Maar de Hemel, dierzag op mijn smarten en vertoorndnee

    raakte wegens deze ontwijding van een vande tempels des Heeren, vond goed, dat ik op

    een morgen, toen ik volgens de aanwijzingenvan den marktschreeuwer aan een koordrondsprong oma het volk te verraaken, de

    etem hoorde van iemand, die mij in 'tGrieksch vroeg, wie ik was. lk verbaasde

    mij, in dit land een spraak op te vangen,afkomstig van onze aarde. Het man-dier, dat

    tot mij het woord had gericht, vroeg mij eentijd lang van alles; ik antwoordde op zijnvragen en vertelde hem vervolgens heel mijnonderneming en den schitterenden uitslag

    van mijn reis door't heelal. Hij troostte mij,en ik herinner mij, dat hij zeide: ,,Wel, jon-gen, ge ondergaat ten slotte niet anders dande droeve gevolgen van de gebreken uwer

    eigen wereld. Hier net zoo goed als bij u

  • 60

    leeft de middelmatige, die vijandig voelttegen al datgene, waaraan hij niet gewendis. Vergeet niet, dat gij hier met gelijke muntbetaald wordt; en dat als iemand van dezeaarde tot de uwe opklom, en zich daarm ensch durfde noemen, uwe geleerden hemvoor een monster zouden uitmaken en

    smoren.'' Vervolgens beloofde hij, het Hofover mijn droevigen toestand in te lichten,en hij zei nog, dat zoodra het nieuwtje vanmijn komst hem bereikt had, hij naar mijwaskomen kijken en in mij terstond iemandherkend had van de wereld, waarvandaanik hem trouwens zei te komen, want hij hader vroeger gereisd; in Griekenland had hijgewoond, waar men hem den Demon vanSocrates noemde; sinds den dood van dien

    wijsgeer had hij te Thebe Epaminondasonderricht en bestuurd; vervolgens, naar deRomeinen overgegaan, bracht het Recht

    hem ertoe, zich te verbinden aan den jongenCato; toen deze op zijn beurt gestorven was,had hij zich aan Brutus gewijd; maar waaral die groote m annen sindsdien waren ver-

  • 61

    vangen enkel door schimmen van hun deug-den, had hij zich met zijn gezellen maarteruggetrokken in de tempels en op een-zame plaatsen. ,,Ten slotte werd'' zoo voeg-5de hij eraan toe, ,,het volk van uw Aardezoo bot en grof, dat mijn vrienden en ikallen lust verloren, die wij vroeger haddenin hun onderrichting. Toch zult ge van onsgehoord hebben, want m en noemde onsOrakels, Nim fen,Laren en

    Geniussen, Feeën, Goden,Penaten, Droomgezichten, Naja-

    den, Schimmen, Spoken en Fantom en; weverlieten uw planeet onder de Regeeringvan Augustus, even nadat ik verschenen wasaan Livia's zoon Drusus, die Germ anië wildebeoorlogen, een gedachte, die ik hem uithet hoofd heb gepraat. Het is niet zoo langgeleden, dat ik voor de tweede maal van uw

    aarde vandaan kwana; honderd jaar terugkreeg ik opdracht er een reis te raaken; ikheb veel door Europa gezworven en sprakmet menschen, die ge misschien gekendhebt. Zoo verqcheen ik o.a. aan Cardan, toen

    hij studeerende was; ik heb hem in heel veel

  • 62

    zaken denleefdheid,

    schap te, doen weten, aan wien hij de won-derbaarlijke dingen dankte, die hij het planhad op te schrijven. Ik zag ook doctorFaustus, en een heel genootschap van jonge-lieden, die bij de menigte bekend stondenals de Ridders van Ia Rose-croix, aan wie ik

    en, als tegenbe-de nakomeling-

    W eg gewezen,beloofde hij mij,

    heel wat handknepen en algemeen bekende

    geheimen geleerd heb, die hen zonder twijfelzullen hebben doen doorgaan voor grooteW onderdoeners. Ik heb verder sommigelieden uit den allerlaatsten tijd zoo onder-richt, dat ze even wijs dachten, als anderenwijs leven. Dan heb ik nog heel veel men-schen leeren kennen, die uw eeuw veraf-

    goodt, maar bij wie ik enkel veel praatzuchtheb gevonden en veel eigenwaan.

    Overigens ben5:uwe Aarde als van deze:

    geboren. Nu lijdtroote overbevolking wegens den langengduur van de levens ginds en wegens het ont-

    ik zoomin afkomstig vanik ben op de Zon

    die wereld vaak aan al te

    breken van oorlogen en ziekten; van tijd tot

  • 63

    tijd zenden daaromkolonies naar de

    onze M agistraten heeleomringende hemellicha-

    men. Wat mij betreft, mij werd gelast naarhet uwe te gaan, en ik kreeg de leiding over

    een groep, die men met mij meezond. Sinds-dien ben ik naar déze planeet overgegaan,om de redenen die ik u heb enhet motief waarom

    opgegeven;ik hier voor 't oogenblik

    blijf, is eenvoudig dit, dat de menschen hiervan de waarheid houden;dat men hier geenpedanten ontmoet; dat de philosofen al-

    leen door de rede teovertuigen zijn, en datmen het gezag van een geleerde en zelfs vaneen meerderheid heelemaal niet hoogerschat dan dat van een boerenknecht op dendorschvloer, als deze logisch zich uitdrukt.M et één woord m en houdt in dit land alleende beroeps-polemisten en redenaars voortteriken-''zo

    vroeg hem , hoe lang de Zonnelingen

    leven. Hijduizend jaar; ook vroeg ik hem, of zil' licha-men waren, zooals wij. Hij zei, ja, maar niet

    antwoordde mij drie of vierlk

    zooals wij, en evenmin als wat-ook, waaraan

  • 64

    wlj den naam lichaam geven; wip- toch noe-men in 't algemeen alleen lichaam wat wijkunnen aanraken. Overigens bevond zichvolgens hem niets in de natuur, dat nietstoffelijk is; ook de Zonnelingen waren stof-felijk, hoezeer zij ook, als zij wilden dat wijhen zagen, gedwongente nem en, voor onze

    waren lichamen aanzintuigen waarneem-

    baar; en dat was ook, zei hij, waarschijnlijkde reden, dat zoo velen op Aarde de ver-halen, die er over zijn soortgenooten rond-gaan, altijd hebben aangezien voor de droom-beelden van vreesachtigen, om dat de ver-

    schijningen naar waarheid alleen 's nachtsplaats hebben; hijwaar ze steeds m et

    legde mij verder uit, dattijdsgebrek hadden te

    kampen bij den opbouw van de lichamen,die ze voor dit doel moesten gebruiken, zijmaar zelden in de gelegenheid waren ietsmeer te doen, dan ergauw een te vervaar-digen, dat voor ons nogtenminste te onderkennen was, nu eens doorhet gehoor bijv., zooals de stemmen van deOrakels, dan weer door het gezicht, zooals

    net door één zintuig

  • 65

    de Nimfenzooals de

    en Spoken, of door den tastzin,

    Nachtduivels; terwijl volgens zijnzeggen de materie van deze hulplichamenslechts bestond uit verdikte lucht, zoodatde warmte van het daglicht ze meteen ver-nietigt, op dezelfde manier als men nevels

    ziet verdwijnen doordat de eerste stralenvan den morgen die oplossen.

    Al dit schoons, dat hij mij uitlegde, wektein mij een weetgierig verlangen, hem teondervragen over zijn geboorte en dood; ofook in het Zonneland de individu het eerstelicht aanschouwt langs den weg der voort-planting en sterft door dezijn aard of de

    uitspattingen van

    afbrokkeling van zijn orga-nen. ,,Er is te weinig verband'', antwoorddehij, ,,tusschen uw zintuigen en de verklaringvan deze mysteriën. Gij verbeeldt u, dat alwat gij niet kunt begrijpen èf geest is ùf nietis; maar deze gevolgtrekking is door-en-doorvalsch, en er volgt integendeel uit, dat in 'theelal misschien wel 'n millioen soorten van

    dingen zijn, die voor u, wildet gij ze kennen,een millioen volkomen verschillende orga-Een Maanreig 5

  • 66

    nen vereischen zouden. Ik bijv. ken doormijn zintuigen de oorzaak van de aantrek-kingskracht van m agneet en pool, en dievan de eb aan het zeestrand, en wat er van

    het dier wordt na zijn dood; gij menschenreikt niet tot de hoogte van dit begrip dan

    door het geloof, omdat gijtot deze wonderenniet staat in een verband van juiste even-redigheid, zoomin als een blinde zich zoukunnen een beeld vornaen van de schoon-heid van een landschap, van het coloriet vaneen schilderstuk en van de schakeeringenvan den regenboog; hij zal ze zich nu eensvoorstellen als iets tastbaars, spijzen bijv-,dan weer als een klank of als een reuk.Daarom, als ik u thans een verklaring wildegeven van hetgeen ik gewaar word door zin-tuigen, die u ontbreken, zoo zoudt gij onver-mijdelijk een indruk in u opnemen van ietsdat zou kunnen worden gehoord, gezien,betast, geroken of geproefd, en 't zou toch

    niets van dat alles zijn.''Zoover was hij met zijn opmerkingen ge-

    komen, toen mijn spullebaas bemerkte, dat

  • 67

    onze brabbeltaal hethet aanhooren vanubliek begon te vervelen, omdat ze er perPslot niets van verstonden; ze herkenden erenkel een ongearticuleerd gebrom in. Hijtrok dus weer eens flink aan mijn lenden-koord, waardoor ik m oest heen en weerspringen, net zooonderste boven

    van overtuigd, dat ik bijna even pienter wasals allerlei ander klein vee in hun land, wel-

    lang tot de toeschouwers,van het lachen, en er innig

    voldaan huistoe gingen.Een vertroosting voor hetgeen ik had te

    verduren van mijnzoeken van den

    meester, vormden de be-gedienstigen Demon; want

    met hen, die naar mijvoor wie zonder uitzonde-

    aan een onderhoudkwamen kijken,ring ik een ingewortelde bruut was, viel niet

    te denken, alleen al niet omdat hun wijzevan zich uitdrukken en de mijne volkomenverschilden; men oordeele hoe weinig onze

    uitdrukkingswijzen gemeen hadden: in deeerste plaats zijn in het Maangebied slechtstwee idiomen gebruikelijk. Het eene dientvoor de grooten, en het andere is alleen bij

  • 68

    het lagere volk in zwang. De taal van deaanzienlijken bestaat uit ineenvloeiende,niet gearticuleerde klanken, het best te ver-

    gelijken met onze muziek, als iemand melo-dieën zingt zonder daar woordenbruiken, en dit is, moet men wel

    bij te ge-erkennen,

    een even nuttige als aangename uitvinding;want als de Maanmenschen moe zijn van hetraten, of wanneer ze eeng van meening zijnPdat hun keel te goed is voor dergelijke in-spanning, nemen zij een luit of een anderinstrument, dat hen net zoo goed als hunstem in staat stelt, elkander hun m eeningenover te brengen; zoodat het gebeurt, dat ergoms vijftien of twintig in getal in gezel-gchap bijeen zijn, die eenunt aanroeren, of eenP

    theologisch twist-spitsvondig proces

    behandelen door een concert, het wellui-dendste dat een oor kan streelen.De tweede taal, bij het vèlk in gebruik,

    vindt uitdrukking door getril van de

    Iichaamsdeelen, maar anders dan gij u ditm isschien voorstelt, want sommige ledema-ten volstaan elk op zichzelf voor een heele

  • 69

    redevoering. Zoo beteekenen bijv. zekerebewegingen van een vinger, een hand, eenoor, een lip, een arm, een oog, een wang,ieder apart een heele preek of tenminsteeen tirade. Andere trillingen beduiden weer

    enkel zooveel als afzonderlijke woorden,zooals de fronsing van een voorhoofdsrim-pel, de onderscheidene spiertrekkingen, hetomslaan van een hand, het stampen met denvoet, het draaien met eenarm ; zoodat, wan-

    neer deze lieden praten, waarbij ze de ge-woonte hebben geheel naakt te gaan, hunleden zoo heftig en overal in beweging zijn,dat men niet denkt een pratenden man tezien, veeleer een die bibbert.Haast alle dagen bracht de Demon mij

    een bezoek, en zijn verrukkelijke gesprek-ken waren oorzaak, dat ik zonder verdriet

    de willekeur van raijn gevangenschap ver-droeg.Op een morgen zag ik in mijn hokje een,

    ik moet zeggen mooie man binnenkomen,

    die mij volkomen onbekend was; hij liktemij een heelepoos, bulkte mij zachtjes toe,

  • 70

    en legde dan, mij voorzichtig onder de okselsnemend, met een i-n ooten mij op zijnvan z J prug, Waarop mijn gemak voelde, dat ik, ondanks debehandeling als dier, die mij bleef hinderen,niet in 't minst van zins was te vluchten; endan, die menschen op vier voeten verplaat-sen zich heel wat vlugger dan wij, getuigehet feit, dat hun logste exemplaren hertenin volle vaart weten te vangen.Ik was intusschen wel

    ik mij zoo heerlijk ingedoken en

    erg terneergesla-

    gen, nu mij geen enkel nieuws bereikte vanmijn hoffelijken Demon, en zoo liep ik den-zelfden avond, dat ik er was neergezet, op

    de binnenplaats van het hotel mijner be-stemming rond, inafwachting dat mijn etenzou gereed zijn, toen de jonge man, die mijvervoerd had, weer vôôr mij kwam staan enmet een spottend lachje zijn twee voor-pooten om mijn hals legde. Nadat ik hemeen tijdje had aangekeken, zei hij in hetFransch: ,,Komaan, kentge

    meer?'' Ik geef u te raden, hoe het mij nute moede werd. Mijn verbazing was zoo

    uw vriend niet

  • 71

    groot, gelooven,dat de heele maanbol, alles wat ik had be-

    leefd en nu aanschouwde, louter tooverijwas; intusschen hervatte het mensch-dier,

    dat mij tot rijpaard gediend had, het ge-sprek: ,,U heeft mij beloofd, de goede dien-sten, die ik u bewees, nooit meer te ver-

    dat ik van toen af begon te

    geten, en niettemin lijkt het wel, of u mijvoor 't eerst zietl'' Maar daar hij merkte,dat ik in één en dezelfde verwondering ge-

    ik ben devangen bleef, zei hij: ,,NuDemon van Socrates-'' Dit

    dan,

    woord bracht mijnog meer van de wijs, het verhoogde enkelmijn verbazing. En daarom vervolgde hij:Ik ben de Demon van Socrates, die u uw9:

    gevangenistijd heeft verlicht en die, om umijn diensten te kunnen blijven bewijzen,mij bekleed heb met het lichaam, waarmeeik u straks vervoerde.''

    M aar'', onderbrak ik hem , ,,hoe kan ditnu allemaal gebeuren; gewaart gisteren nogbuitengewoon lang en bent nu kort vanstuk; gisteren had ge een zwakke en gebro-ken stem, vandaag een heldere, krachtige,

  • 72

    naet één woord, ge waartglsteren oud engeheel grijs, en vandaag een jonge man. Ver-klaar mij. Gaan, terwijl wij van geboortenaar dood ons bewegen, de dieren hier van

    dood naar geboorte, en worden zij jongernaarmate zij ouder worden?''

    Zoodra ik met den Koning gesprokenhad en de opdracht had gekregen, u naar 'tHof te brengen, ging ik u halen waar ge utoen bevondt, maar op hetzelfde oogenblik,dat ik u hier had afgezet, bemerkte ik, hoe.het lichaam, dat ik mij had eformeerd, zoouitgeput was geworden van vermoeienis,dat alle organen ervan mij feitelijk hundienst weigerden; ik heb mij toen den wegdoen wijzen naar het Hospitaal, waar ik meedat ik binnentrad het lichaam Van eenjongen man, die zoo juisthad uitgeblazen ten gevoige van een onge-luk, dat aan uw aardgenooten wel heel zon-derling zou kunnen toescMjnen, maar dathier niettemin veel voorkomt . . . . Ik ben

    zagden laatsten adem

    erbij gaan staan, net doende of ik er nogeenige beweging in ontdekte; toen aan de

  • 73

    omgeving zeggende, dat de jonge man vol-etrekt niet dood was, en enkel zich bevondin een diepen slaap, legde ik ongemerkt mijnmond bovenop den zijnen, en ben daar alsmet één lange zucht in binnengegaan; mijnoude omhulsel viel nu als lijk neer, en ik,mij gedragend of ik die jonge man was, benopgestaan en kwam z66 naar u toe, terwijlde omstanders in het Hospitaal nog in op-

    winding waren over wat zij voor een wonderhielden.''

    Vragengaan, en ik volgde mijn geleider in eenprachtig gemeubileerde zaal, waar ik echtervoor het eten niets in gereedheid zag ge-bracht. Zoo'n volkomen vleesch- en voedsel-

    M en kwam ons nu aan tafel te

    ledigheid, terwijl ik omkwam van den hon-ger, dwong mij hem de vraag te stellen, waarmen nu eigenlijk gedekt had. Ik kon zijnantwoord niet hooren, want drie of vierknapen, Zoons van den waard, kwamen op

    mij toe en ontdeden mij op een uiterst wel-levende manier van mijn kleeding, zoodatik alleen nog in mijn hemd stond. Deze

  • 74

    nieuwe plechtigheid verbaasde mij te veeldan dat ik aan mijn mooie kamerjonkersook maar durfde vragen wat dit beduidenm oest, en ik weet nog steeds niet, hoe het

    mijn gids gelukte, op zijn vraag, ,,waarmeeik beginnen wilde'', het antwoord uit mijte halen, dat ,,soep'' luidde; maar nauwelijkshad ik dit gezegd, of ik rook den geur vanhet smakelijkste langgetrokken kooksel, datooit den neus verrukte van den Slechten

    Rljkaard.Ik wou van mijn plaats opstaanom op zoek te gaan naar den oorsprong van

    die weldoende dampen, maar mijn dragerhield mij terug: ,,W aar wilt ge heen?'' vroegMj, ,,wij zullen straks een wandeling maken,maar nu is het etenstijd! Gij hebt uw soepnog niet op, en dan bestellen we toch nogt anders ook.'' M aar, wat drommel,Wa ,4

    waar is die soep dan''9het punt om kwaad

    antwoordde ik, opte worden. ,,Heeft u

    een weddenschap aangegaan ora maij van-daag voor den gek te houden?'' ,,Ik dacht'',zei hij, ,,dat ge in dezoo straks gekomen

    stad, waarvandaan wezijn uw meester of een

  • 75

    ander wel eens zoudt hebben zien den maal-

    tijd gebruiken; daarom heb ik er niet aangedacht u in te lichten, hoe men zich hiervoedt. Maar nu ge blijkt dit nog niet teweten, ziehier: men leeft hier alleen van dendamp. De kookkunst bestaat in het opslui-ten, in opzettelijk daarvoor gemodelleerdevaten, van de uitwaseming, die onder 'tkoken en braden uit de verschillende

    vleeschen opstijgt; zoo verricht de neus bijons, zonder dat wij er tanden of keelgat bijnoodig hebben, den dienst van den mond;maar ik zal u door ondervinding de weten-

    echap bijbrengen.''Ternauwernood had hij dit gezegd, of de

    zaal, waarin wij ons bevonden, raakte ach-tereenvolgens gevuld met zooveel heerlijkegeuren, bovendien geuren van veel voe-dingswaarde, dat ik mij in een paar minutentijd volkomen verzadigd voelde. Toen wijwaren opgestaan, zei hij: ,,Dit kan u nu tenslotte niet zoo heel erg verbazen, want gehebt daarvoor toch telang geleefd, om niet

    dat in uw eigente hebben opgemerkt,

  • 76

    wereld de Koks, Pasteibakkers en W ildbra-ders, die, zooals ieder weet, minder eten dan

    menschen van andere beroepen, bij dezenvergeleken altijd dikker zijn. Waar schrijftge nu hun gezetheid en uiterlijk van patertjeoedleven aan toe, als 't niet is aan de

    vleeschdampen, die hen dagelijks omgeven?Dat is de reden, dat ook de bewoners van

    onze wereld zoo krachtig gebouwd zijn,waarbij ge bovendien niet moet vergeten,dat zij tenminste geen last kunnen hebbenvan de vele kwalen, die hun oorzaak vindenin den stoelgang! Misschien waartgewat verwonderd, dat men u vôôr den maal-

    ook

    tijd ontkleedde? Dat gebeurde om de poriënvan het beestje beter bereikbaar te makenvoor etensdampen.'' ,,Mijnheer'', gaf ik hemten antwoord, ,,wat u daar zegt klinkt mijerg aannemelijk, en ik heb er trouwens zoojuist iets van aan den lijve gemerkt, maaromdat ik mij toch niet

    i*x:van m J

    mij toe datlijker voelen met een tastbaar stukje eten

    ineens kan vrijmakenoude barbaarschheid, zou ik, staik het u beken, mij wel behage-

  • 77

    tusschen mijn tanden.''alleen zou ik het niet

    Hij beloofde mij dit,krijgen vôôr den vol-

    enden dag, omdat, naar hij mij zei, zoogauw na den maaltijd opnieuw eten eenindigestie zou kunnen veroorzaken.

    Wij vervolgden nog eer tijdje onsmaar gingen toen toch al gauw naar onzeslaapkam ers. Een man, die boven aan de

    esprek,

    trapmij, na ons even elk apart tezien,

    stond, wendde zich tot ons en leiddehebben aange-

    naar een klein vertrek, waarvan de

    vloer drie voet hoog met oranje-bloesem be-dekt was, terwijl mijn Demon een andereruimte kreeg toegewezen, die geheel gevuld

    - - i- toen hij zag, datwas met anlers en Jasm Jn;die prachtige overdaad mij scheen te be-vreemden, zei hij, dat dit in zijn land debedden waren.Wij gingen dus ter ruste, elk in zijn eigen

    cel. Op mijn bloemen uitgestrekt, bemerkteik, dat het licht in de kamer niet kwam vankaarsen, m aar van een dertigtal groote glim-wormen, welke m en in een kristallen vaashad ingesloten. Bedwelmd door al deze heer-

  • 78

    lijkheden, en door moeheid overmand, sliepik op de zoetste wijze in.Tegelijk met het

    genden morgen mijntreden, die mij voorstelde te vertrekken.Wij namen afscheid van den hotelhouder,

    daglicht zag ik den vol-Demon bij mij binnen-

    die daarbij grimassen maakte, waarvan menzich in gindsche wereld bedient om van zijnaanhankelijkheid blijk te geven. Hij ontvingm et veel nieuwe beweging van dien aardeen stuk papier vanveronderstelde een

    mijn Demon, naar ikschuldbekentenis ter

    waarde van onze vertering. ,,Geen schuld-

    bekentenis'', zei hij echter, ,,het .zijn Ver-zen -''

    ,,Hoezoo? Verzen?'' vroeg ik. ,,Zijn deherbergiers hier belust op rijm en rhyth-me?'' ,,Dit is het geld hier'', luidde zijn ant-woord, ,,mijn uitgaven wegens ons verblijfop deze plaats beloopen een zesregelig Vers,dat ik hem daarnet gegeven heb. Ik hoefde

    niet bang te zijn, dat ik te kort kwam, wantals wij hier een dag of acht hadden willenfeestvieren, zou ik geen heel Sonnet hebbenopgemaakt, en ik heb er vier bij mij, plus

  • 79

    twee Epigrammen, twee Oden en een Her-derszang-'' ,,Och'', riep ik uit, ,,als dat eensbij ons zoo was! Ik ken op onze aarde veelDichters van goeden roep, die van hongersterven en die aangenaam leven zouden, alsmen de rekeningen m et dit soort geld kon

    voldoen.'' Ikvroeg hem of die Verzen altijdals m en maar zorgde ze tel-geldig bleven,

    kens over teschrijven, maar hij antwoorddevan neen, en vertelde mij het volgende:,,Wanneer een schrijver Gedichten gemaaktheeft, brengt hij ze naar de Kamer van hetMuntwezen, waar debeëedigde Rijks-Dich-

    houden. Daar toet-ters hun vergaderingensen die verzenmakende Hooge Ambtenarende hun gezonden stukken, en als deze wor-den geoordeeld van goed gehalte te zijn, be-groot m en hun waarde, - niet naar hunprijs, d-w-z. een Sonnet is niet altijd een Son-net waard, m aar naar de verdienste van hetgeldstuk; zoo komt het, dat als op onghemellichaam iemand van den honger om-komt, hij nooit anders kan zijn dan een buf-fel; menschen met geest leven hier altijd in

  • 80

    overvloed.'' Ik kon niet nalaten mijn geest-driftige bewondering te uiten voor zooveel

    fijn doorzicht in het Staatsbestuur. Intus-schen gingen wij al pratende verder, d. w. z.mijn geleider bewoog zich op vier voetenonder mij, en ik schrijlings op hem. Ik weidniet verder uit over eenige avonturen, dieons den weg veel langer maakten, want wijbereikten ten slotte dan toch de Stad, waarde Koning zijn residentie heeft.

    Nauwelijks daar aangekomen, geleiddemen mij naar het Paleis, waar de hovelingenmet gematigder uitingen van bewonderingmij ontvingen, dan die ik van den kant vanhet volk ondervonden had bij mijndoor de stad. Maar de gedachte, dat

    gangik het

    wijfje moest zijn van het vreemde beestje,dat in 't bezit vande Koningin was, vervuldeevengoed den geest van de aanzienlijken alsdien van het volk. Ook de Koning keek mijdaar op aan, en talmde niet lang m et hetdoen voorbrengen van dit dier. Ik zag inder-daad iets binnenkomen te midden van een

  • 81

    heelen troep apen, die elk een geplooidenkraag droegen en kaplaarzen; het bleek een

    kleine man te zijn, van mijn maaksel, wanthij Iiep op twee voeten; zoodra hij mij ge-waar werd, kwam hij op mij af met eenCriado vuestra merced; ik beantwoorddehem zijn begroeting in ongeveer dezelfdetermen. M aar, helaas, toen de aanwezigenons aldus hadden zien met elkaar staan

    raten, meendenP zij meteen tot een bevesti-ging te mogen besluiten van hun vooroor-

    deel. Zij, die het nog het best met ons meen-den, gaven nu als hun opinie te kennen, datons onderhoud niet anders was dan eenvreugdegeknor wegens onze hereeniging.

    Het kleine mannetje vertelde mij, dat hijeen Europeaan was, geboren in het oude

    Castilië; dat hij kans had gezien zich doorvogels van de Aarde te laten opheffen tot

    de wereld der Maan, waarop wij ons bevon-den; en dat hij, in de handen der Koningingevallen, door haar direct was aangezienvoor een aap, eenvoudig omdat ze in dat

    land de apen gewend zijn in een SpaanschEen Maanreis 6

  • 82

    costuum te steken en hij bij zijn aankomstop diezelfde manier gekleed was.Hij vroeg mij dan, hoe ik tot de Maan

    had durven opstijgen in de machine, waar-over ik hem met een enkel woord iets hadgezegd; ik gaf hem als reden daarvan op,

    dat, waar hij zich van de vogels bediend had,waarmee ik aanvankelijk had willen van deAarde oprijzen,overgebleven. Hijsche opmerking, en ongeveer een kwartierlater gaf de Koning aan de Oppassers over

    mij geen andere keus wasglimlachte om deze speel-

    de apenmet strikte order ons

    bevel ons beiden weg te brengen,

    elkaar te latenbijslapen, den Spanjaard en mij, opdat in zijnKoninkrijk onze soort niet zou uitstervenmaar zich verm enigvuldigen. Men deed vol-

    ens zijn zeggen, en wel zeer precies, watmij aangenaam was, want nu had ik tenmin-ste iemand om mee te praten gedurende de

    aanstaande periode vanmijn verdierlijking.Op een goeden dag vertelde mij mijn man-

    netje (want de Maanbewoners hielden mijimmers voor het wijfje) wat de reden was

  • 83

    geweest van zijn vlucht van de Aarde. ,,DeMaan'', zoo zei hij, ,sleek mij de eenige plek,waar men zijn verbeelding in werking kanstellen en denken m ag, zonder dat dit ge-schiedt onder de muts van den theoloog. Ikben in mijn land bijna aan de Inquisitie over-geleverd geworden, omdat ik, langs denneus van de pedanten heen, de stelling vol-gehouden had, dat er zoo iets als luchtledig-heid bestaat, en dat mij geen stof op aardebekend is, die in wezen zwaarder zou zijndan een andere.'' Ik vroeg hemaannemelijkheden hij zoo'n ongewone mee-op wat voor

    ning grondde. ,,W ij moeten'', antwoorddehij, ,,om eindelijk een eind aan ons denkente zien, veronderstellen, dat er maar éénelement bestaat; want, al zien wij nu ge-scheiden van elkander water, aarde, luchten vuur, toch worden die zelfstandighedennooit in zoo zuiveren staat gevonden, datze niet met elkaar in relatie zouden staan.Het vuur is een buitengewoon verdundelucht, de lucht een buitengewoon verdundwater, en zoo verder. Als men dieper in deze

    aannemelijkheden hij zoo'n ongewone mee-

  • 84

    dingen doordringt, kan men niet anders dantot desloteom raken.dat er m aar éénmateriebestaat, doch dat die m aterie een uitste-kende tooneelspeelgter is, die hier benedenalle rollen vervult: elke rol in een andercostuum. Maar, zoo hoor ik u vragen, gijhebt zoostraks verondersteld, dat er behalvedat iets, dat dan het ééne iets is, ook eenniets, een luchtledigheid bij ons begtaat,waar grondt ge dat op?

    ,,Dat ga ik u bewijzen, al is de moeilijk-heid hiervan eigenlijk de zuster van deGordiaansche knoop, maar ik voel mijn armeterk genoeg om er de M exander van tewezen. Hoe komt het, vraag ik, dat een

    beetje aarde door voortdurende verdich-ting, tot een kiezelsteen werd? Dat kan niet

    gebeurd zijn, zonder datuiterst kleine deel-i h sterker hebben aangeklemd tegentjes z c

    andere kleine deeltjes, en aIs dit gebeurt,dan hebben die deeltjes een plaats geheel ofgedeeltelijk verlaten, waar ze eerst waren,en waar nu niets meer is, en hebben ze eenplaat: ingenom en, die nog geen plaats was.

  • W aarom zou het nu ondenkbaar moeten

    wezen, dat er ook ledigheden zijn in onzewereld, en dat wij zelf ten deele uit nietszijn eamengesteld? Is dan niet de geheeleSchepping door een niets omringd? W elnu,waar gij mij dit punt niet bestrijdt, belijdook, dat er net zoo gemakkelijk niets kanwezen in ons als om ons.

    zonder mij nu te willen ver-meien in de beantwoording van alle moge-

    lijke tegenwerpingen, durf ik toch opmer-ken, dat als er geen luchtledigheden beston-den, er ook geen beweging zou zijn, mitsmen tenminste niet aanneemt, dat kleinste

    lichaampjes kunnen indringen in andere

    Trouwens,9:

    kleinste lichaampjes en aldus zijn, waarreeds hetzelfde is. Het zou immers te gek

    zijn om, wanneer een vliegje met zijn vleugeltegen een luchtdeeltje klapt, aan te nemen,dat dit luchtdeeltje een ander doet terug-wijken en dit weer een ander; en dat op diemanier bijv. een vloo, die haar kleine teenbeweegt, achter aan de wereld een bult doetontstaan van verplaatste m aterie.

  • 86

    Als ik'', zei :en anderen keer mijn Iotge-99noot, ,,u een vorig maal heb waar gemaakt,dat er m aar één element hoeft te wezen,dan is het duidelijk, dat in een mengch allegzich m oet bevinden, waaruit men een boomzou kunnen samengtellen, en in een boom

    alleg, waaruit een mensch te maken zou zijn.M et één woord ontmoeten op deze maniergezien alle dingen elkaar in alle dingen;m aar ons ontbreekt een Prometheus, die uitden schoot der Natuur haalt wat ik zouwillen noemen de grondstof, en daarin ge-

    l gtort-''voeDat waren zoo de onderwerpen van ge-

    gprek, waarmee wij den tijd kortten; wantde kleine Spanjaard had geest. Nu kondenwij alleen des nachts vangedachten wisse-len, omdat van 'savond het publiek,elk geeprek onmogelijk maakte; immerssommigen wierpen met steentjes naar ons,

    morgens zes tot laat in den

    dat ons kwam bekijken,

    anderen met noten, weer anderen met pluk-jes gras. Men sprak over niets anders danover de dieren van den Koning. Iederen dag

  • 87

    op vaste uren ontvingen wij ons eten, en deKoning zoowel als de Koningin namen dik-wijls de moeite, mij eigenhandig den buik tebetasten, om te onderzoeken of ik niet al

    wat aandikte, want ze waren er fel op, jon-gen te hebben van die twee kleine beestjesin hun bezit.Ik weet niet of het kwam , doordat ik mis-

    schien wat oplettender dan mijn mannetjeop hun grimassen en geluiden had acht ge-slagen, maar ik leerde eerder dan hij iet:verstaan van hun taal en die een beetje rad-braken; wat ten gevolge had, dat m en onsanders begon aan te zien dan tot op datoogenblik het geval wasgeweest; en nu ginghet ook als een loopend vuurtje door hetheele Koninkrijk, dat men in ons tweedwerg-maanbewoners of m aan-pygm eeënherkend had, die, door eeuwenlange onder-voeding van het ras, te slecht ontwikkeldevoorbeenen hadden om erop te loopen.Dit bericht dreigde algemeen voor waar te

    worden aangenomen, terwijl de wetenschap-pelijke bevestiging ervan bovendien spoedig

  • 88

    had kunnen volgen.verzetten zich de

    Maar nog juist bijtijdstheologen ertegen, die het

    vreeselijke Godslastering noemden, te ge-looven, dat niet alleen de dieren van hunAarde, m aar zelfs zulke wanschepselen als

    wij iets met hun soort gemeen zouden heb-ben, kreaturen, waarvan niemand wist waarze vandaan kwamen, misschien wel van de

    Maan. Trouwens, zeiden zij, let eens op deverschillen. God heeft ons vier voeten ge-geven om op te loopen, omdat Hij een zookostelijk iets niet zou wagen aan een onzekeronderstel, weshalve Hij de moeite nam, voorvier pilaren te zorgen onder elk onzer. M aar

    daar Hij het versmaadde, zich onledig tehouden met de samenstelling van de tweebruten, waarvan nu algemeen sprake was,had Hij de inelkaarzetting daarvan aan degrillen der Natuur overgelaten, die zichdaar al evenm in druk om had gemaakt,maar ze eenvoudig op twee pooten had neer-gezet. Dat beteekende al zeer groote onver-

    gchilligheid, want aan de vogels, zeiden zij,waren tenminste nog wat vleugels en veeren

  • 89

    verstrekt, waardoor aan de zwakte van hunvoeten een beetje werd tegemoet gekomen,doordat ze zich nu wat omhoog konden wer-

    pen in de lucht, als wij hen opjagen. Dezetweevoetige monsters daarentegen zijn doorde Natuur zoo gemaakt, dat zij nooit aanonze gerechtigheid kunnen ontsnappen.

    Alerkt verder eens op'', zoo spraken de:5leeraars, ,,hoe beiden hun gelaat ten Hemel

    gericht houden. Dit is wel het duidelijketeeken van de alzijdige nooddruft, waarinGod hen geplaatst heeft. Immers die smee-kende houding beduidt, dat zij tot denHemel, waar Hij woont, die hen geschapenheeft, hun nooit aflatende klacht richten,

    vragende te mogen hebben, wat bij ons over-schiet. En wij hier houden intusschen hethoofd omlaag gericht, om de aardsche goe-

    deren te overschouwen, waarover wij alsheer en meester gesteld zijn, terwijl in denHemel zich niets bevindt dat ons, in onzengeluksstaat hier, kan afgunstig m aken-''

    Iederen dag weer hoorde ik in mijn hokgezeten deze of dergelijke praatjes aan;

  • O

    maar zij, die ze uitten, wisten intugschenmet hun leerstellingen de menigte zoo tebelezen, dat ik ingevolge een regelmatig ge-nom en officieel Besluit hoogstens meerm ocht worden aangezien voor een papagaaizonder veeren; ze wezen er immers de tochreeds overtuigden op, dat ik net als de vogelsniet meer dan twee voeten had. Het gevolgvan een en ander was, dat ik op specialeorder van den Hoogen Raad in een kooigezet Nzerd.Ilaar Nzas het, dat de Vogelaar van de

    Koningin, die mij eeret zorgvuldig de tongepleet, zooals men dat hier bij spreeuwendoet, alle dag te etenmij tenminste tevreden.

    bracht; en dit stem deInmiddels leerde ik,

    door voortdurend te moeten luisteren naarhet gekakel van de kijkers rondom mijnkooi, mij in hun taal steeds beter uitdruk-ken, met dit gevolg dat, toen ik voldoende

    bekwaam was tot het ontwikkelenvan mijngedachten in hun idioom, ik mij natuurlijkniet onbetuigd liet. Al heel gauw werd ingezelschap alleen nog gepraat over de aar-

  • ,,lngevolge een regelmatig genomen officieel Besluitmocht ik hoogstens meer worden aangezien voor eenapagaai zonder veeren.''P

  • 93

    dige dingen, die

    men mijn geest.ik gezegd had, en roemdeHet kwam zelfs zoover, dat

    de Rijksraad zich verplicht achtte, een Be-eluit te nemen, waarin de opvatting, als zouik ecn redelijk wezen zijn, streng werd ver-oordeeld, en den inwoners van elken rangof stand werd aanbevolen in te zien, dathoeveel schrandersik ook mocht verrichten

    de uitwer-of te berde brengen, dit alleen

    king kon zijn van instinct.Intusschen ontstonden er tweePartijen,

    de eene, die den theologen bijviel, de andere,die mij verdedigde. Maar het Hof, waar mijnkooi hing, en vooral de Koning en Koningin,waren m eer en meer ingenom en m et wat ikvertelde. De hofdames van de Koningin

    bijvoorbeeld stopten dikwijls wat extra lek-kers in mijn voederbakje; en de liefste vanalle, die vriendschap voormij had opgevat,kreeg er zooveel pleizier in, naar mij teluisteren als ik haar verhaalde van de zedenen amusementen van onze wereld, en vooralvan onze bronzen klokken en andere wel-

    luidendheden, dat zij met tranen in de oogen

  • 94

    de verzeltering gaf, dat, indien ik ooit weer

    naar mijn Aarde wist terug te vliegen, zijmij van harte graag daarheen zou volgen.Op een m orgen, heel in de vroegte, schrok

    ik wakker en zag, overeind zittend, haartegen de tralies van mijn kooi trommelen:Wees blij'' riep ze me toe, ,,de Rijksraadheeft gisteren besloten totden Koning van verwacht,dat ik tijdens de verwarring van de mobili-satie, als onze m onarch

    i'n uver weg z J ,ten-'' ,,W at zegt u?'' onderbrak ik haar, ,,een

    en zijn onderdanenkan in staat stellen te vluch-

    oorlog? Voeren de Vorsten van deze wereld

    eenLa-la-do-mi '). lkoorlog tegen

    oorlogen net als dieop de onze? Toe, vertel

    u mij eens hoe ze vechtenl'' Wel'' zei ze,5: ',,als de arbiters, die door de twee partijentevoren benoemd worden, den tijd hebbenaangegeven voor de bewapening, en dienwelken zij toestaan voor de opmarsch, enals ze het getal hebben bepaald van de strij-denden aan beide kanten, en dag en plaats

    1) Als muzieknoten in den oorspronkelijken teket.Vert.

  • 95

    voor den veldslag,zoo, dat er nooit in 't eene

    en dat doen ze dan

    m eer is dan in het andere,

    invaliden aan de eene zijdecom pagnie te zam enzoodra het handgemeenvan de Veldmaarschalken te staan tegen-

    over de invaliden van de wederpartij; de

    gebracht, en komen,begint, door de zorg

    leger een man

    bijv. worden dein één enkele

    reuzen van den eenen kant komaen tegen-over de kolossussen van den anderen; descherraers vinden de behendigen tegen-over zich, de overmoedigen de heldhaftigen,de onzekeren de zwakken, de zieken deongestelden, de sterken de krachtigen; enzoo verder. Na den strijd telt men van weers-zijden de dooden, gewonden en gevangenenop. Krijgt men toevallig dezelfde getallen,dan wordt geloot door het trekken van

    strootjes, en zoo is er altijd een, die over-wint.

    ,,M aar hiermee is de oorlog niet uit. W antdan worden nog legers tegenover elkandergezet, die louter bestaan uit mannen vanwetenschap en geest, een geleerde tegenover

  • een geleerde, een geletterde tegenover eengeletterde, een man van fijn onderschei-dingsvermogenDe zegepraal,wordt, wordt gelijk gesteld met drie andereoverwinningen. Het overwonnen volk kiest

    een van oordeel.tegenoverdie door dézenstrijd behaald

    zich daarna tot Koning hetzij dien der over-winnaarg, hetzij dien van zichzelf .''Ik kon niet nalaten te lachen om de merk-

    lgaardige nauwgezetheid, lgaarnaee dezeveldslagen geleverd worden, en ik noemdehet daartegenover een voorbeeld van veelsterker staatkunde, zooals in ons Europa deAfonarch er voor zorgt geen enkele voor-deelige positie uit het oog te verliezen, wan-

    neer hij ten oorlog trekt. Maar zij ant-woordde mij dit:

    Zeg u mij eens, gronden uw Vorsten hun5:bewapeningen niet op hun wensch, dat hetrecht zegeviert?'' ,,Zoo is het'', gaf ik toe,en op de gerechtigheid van hun zaak.''

    Waarom kiezen zij zich dan niet'', vervolg-de zij, ,,betrouwbare scheidslieden, om metelkaar tot overeenstemming te komen? En

  • 97

    als het oordeel dan zouluiden, dat zij bei-den precies evenveelgelijk hebben, waaromblijven ze dan niet in den toestand, waarinze waren, of spelen een partijtje piquet om't bezit van gtad of provincie, waarover detwist liep?''

    Zij toefde niet langer bij mij, want zijwilde niet, zoo heel vroeg in den morgen

    alleen in mijn gezelschap worden gevonden.Niet, dat in dit land de ongebondenheid eenm isdaad is; integendeel, degenen er buitengelaten, tegen wie ooit een onteerend von-nis is uitgesproken, heeft iedere man rechtop iedere vrouw, en een vrouw, die zich ver-geefs aan een man aanbiedt, kan dezen voor

    de Rechtbank dagen. Maar zij durfde nietin 't openbaar met mij omgaan, omdat deleden van den Rijksraad nu eenmaal in hunlaatste vergadering uitgem aakt hadden, dat

    het hoofdzakelijk de vrouwen waren, die denaeening verbreidden, als zou ik een maanzijn, en dat zij dat enkel deden, gedrevendoor begeerte naar gemeenschap m et dieren

    en naar het bedrijven van zonden tegen deEen Maanreig 7

  • 98

    natuur. Dit was oorzaak, dat ik haar langen

    tijd niet zag, en geen enkele andere vanhaar sexe.Intusschen moest iemand hebben kans

    gezien, de oude twisten op te warmen over

    het vraagstuk wat voor wezen ik eigenlijkwas, want, terwijl ik al niet meer beter wist,dan dat ik tot mijn dood toe in de kooi zou

    kwam eenverblijven,keer halen om mij een verhoor af te nemen.lk werd dus ondervraagd, en wel in tegen-woordigheid van een groot aantal Hovelin-gen, over enkele vraagstukken der Natuur-