Marineblad Maart 2010

Click here to load reader

  • date post

    16-Mar-2016
  • Category

    Documents

  • view

    272
  • download

    0

Embed Size (px)

description

Magazine van de KVMO

Transcript of Marineblad Maart 2010

  • marinebladnummer 2, maart 2010, jaargang 120 Uitgave van de Koninklijke Vereniging van Marineofficieren

    Aandeel defensie-uitgaven daalt

    Future Urban Extreme Littoral-Land (FUEL-L)

    Machteloosheid gedurende een vredesmissie

  • INHOUD nummer 2, maart 2010, jaargang 120

    4

    8

    24

    6

    16

    Aandeel defensie-uitgaven daalt

    FUEL-L

    Het materieel recht opnadienen

    Kegelen, een vergeten marinetraditie

    Machteloosheid gedurende een vredesmissiee

    3 COLUMNVoorzitter KVMO

    4 INLEIDINGAandeel defensie-uitgaven daalt

    6 ARBEIDSVOORWAARDENHet materieel recht op nadienen

    8 KENNIS EN WETENSCHAPProject Future Urban Extreme Littoral Land (FUEL-L ) 2015 and beyond

    15 REACTIES

    16 KENNIS EN WETENSCHAPMachteloosheid gedurende eenvredesmissie, waarom en waar leidtdat toe?

    21 BOEKEN

    22 IN BEELDLTZA1 drs. E. van den Heuvel

    24 HISTORIEKegelen, een vergeten marinetraditie

    26 COLUMNKo Colijn

    27 BOEKEN

    28 DE MARINEFAMILIEFamilie De Wolf

    32 BOEKEN

    33 KVMO-ZAKENThema-avond Maritieme Visie en deBrede Heroverwegingen;

    Jeneverkruis

    Gedachtenisruimte MLD

    Regioactiviteiten

    Het Marineblad is een uitgave van de Koninklijke Vereniging van Marineofficieren en verschijnt 8 keer per jaar

    2

  • marineblad | maart 2010

    KLTZA R.C. Hunnego, voorzitter KVMO

    ISSN: 0025-3340

    Hoofdredactie:KLTZA R.C. HunnegoKLTZ b.d. mr O.W. Borgeld, a.i.

    EindredactieKLTZ b.d. mr O.W. Borgeld, a.i.

    ArtikelencommissieLTZT 1 F.G. Marx M.Sc., LTZE 2OC dr. ir. W.L.van Norden, KTZE ir. V.C. Rademakers,LTZ2OC drs. R.M. de Ruiter, KTZ b.d. L.J.M.Smit, LNTKOLMARNS drs. A.J.E. WagemakerMA, KLTZA mr. H. Broekhuizen.

    Medewerkers:Mw. drs. Z. Borgeld-Guman, LNTKOLMARNS H.J. Bosch Bc,prof.dr. J. Colijn, KLTZT H. Boomstra (cartoon)AVDD (fotos, tenzij anders vermeld)

    Adres redactieWassenaarseweg 22596 CH Den HaagTel. 070-383 95 [email protected]

    VormgevingFrank de WitTel. 038-455 17 54

    DrukwerkThieme MediaCenter ZwollePostbus 10258000 BA Zwolle

    Advertenties070-383 95 04

    Abonnementsprijs Voor leden van de KVMO is het MarinebladgratisNiet-leden betalen 49,50 (NL) of 69,50(buitenland) per jaar

    Copyright MarinebladOvername van artikelen is enkel toegestaan naschriftelijke toestemming van de redactie enonder uitdrukkelijke vermelding van de bron.Artikelen in het Marineblad vertolken nietnoodzakelijk de visie van het hoofdbestuur vande Koninklijke Vereniging van Marineofficierenof van de redactie. De inhoud van artikelenblijft geheel voor verantwoording van deauteur(s). De wijze van aanleveren van artikelenis in te zien op www.kvmo.nl/marineblad.

    AdreswijzigingZo tijdig mogelijk schriftelijk doorgeven aan:Secretariaat KVMO Antwoordnummer 93244 2509 WB Den Haag(geen postzegel nodig)of [email protected]

    Foto Cover: Urban Extreme Littoral (AVDD)

    De geplande medailleoogst in Svencouver is nietdoorgegaan. Topsport is bij vlagen bizar. HetWilhelmus werd toch nog viermaal gespeeld voorNederlandse topsportprestaties. De topprestaties dieNederlandse militairen overal ter wereld elke dag weerneerzetten, leveren ook alom waardering op.

    Helaas blijft het vaak bij woorden woorden zijn immersgratis. De ledenraadpleging over de arbeidsvoorwaardeninzetbrief van de staatssecretaris is afgerond. De ledenhebben begrip voor de uitdagingen waar wij, alsverantwoordelijkheid dragende officieren, met Defensie dekomende jaren voor staan. Maar op basis van de inzetbrief van

    Defensie is geen open en reel overleg mogelijk en de brief getuigt niet van echte waarderingvoor het loyale personeel.

    Inmiddels is het kabinet Balkenende IV gevallen over de kwestie Uruzgan. Hierdoor is een grootaantal dossiers controversieel verklaard; zo ook het AOW-dossier. Dat maakt de arbeidsvoor-waardenonderhandelingen wellicht eenvoudiger, maar de korte en langere termijnmoeilijkheden voor Defensie zijn nog lang niet verdwenen.

    Korte termijn: de MATEX is in februari al uitgeput. Gereedstellingprogrammas vanoperationele eenheden en instandhoudingprocessen zijn opgeschort, magazijnen raken leeg.Reeds geleverde diensten en producten worden niet tijdig door Defensie betaald. Aankopenvoor de lopende missies kunnen gelukkig gewoon doorgang vinden, maar elke aankoop moetuitputtend worden onderbouwd, hetgeen weer een extra druk op de bedrijfsvoering legt. Wantvacatures schrijven geen onderbouwingen.

    Langere termijn: de reorganisatie zonder weerga van 2005, waarbij er 11.000 functies zijnverdwenen en complete onderdelen werden opgeheven, heeft blijkbaar nog steeds nietgebracht wat werd beoogd: evenwicht. Bij nieuwe bezuinigingen op Defensie moeten we nietroutinematig denken in minder tanks, vliegtuigen en schepen. Er moet in de eerste plaatsuitermate kritisch worden gekeken naar de snel stijgende overheadkosten. Sinds 2003 zijn deuitgaven van de OPCOs met 6% gestegen, de overheadkosten echter met 26% !

    De bureaucratisering van Defensie neemt hand over hand toe, maar om in een onzekereomgeving zijn taak effectief uit te voeren heeft een militair flexibiliteit (weinig bureaucratie),handelingsvrijheid (vertrouwen van zijn hogere commando) en redundancy (n is geen) nodig.Door alle efficiency operaties en het bedrijfsmatige standaardproces denken dat binnenDefensie heeft postgevat, is dat allemaal uitgehold. Een gezonde defensieorganisatie heeft juist minder bureaucratie, meer vertrouwen in hetgezond verstand en meer handelingsvrijheid voor commandanten op alle niveaus nodig.

    Dit Marineblad bevat weer interessante en zeer diverse artikelen, over de defensiebegroting,over een moderne manier van expeditionair optreden en over de mogelijke gevolgen vanschuldgevoelens tijdens en na uitzendingen.

    Ik wens u veel leesplezier.

    Topsport

    COLUMN 3

  • INLEIDING Door: Dr. E.J. de Bakker en Dr. R.J.M Beeres4

    Een noot voorafVooraf moet worden aangegeven dat de indeling die het CBShanteert voor de rijksuitgaven (hierna te noemen: statistischecodering) in internationaal overleg binnen de VN (1998) is vastge-legd. Dit betreft een indeling in hoofdfuncties waarvan lands-verdediging er een is en vervolgens naar functies, bijvoorbeeldde Marine. Deze indeling stemt niet geheel overeen met de inde-ling in ministeries. Voor het ministerie van Defensie is de grootsteaanpassing dat de Marechaussee, daar waar het de binnenlandsetaak betreft, onder de noemer van de hoofdfunctie orde en vei-ligheid wordt gebracht.

    Ontwikkeling van de uitgaven voor DefensieHet eerste onderwerp dat wordt aangesneden is het verloop vande uitgaven voor Defensie. Deze uitgaven worden bezien in detijd en vergeleken met de totale rijksuitgaven. Het CBS consta-teert dat de uitgaven voor Defensie in verhouding tot de totalerijksuitgaven minder zijn gestegen. Het aandeel van defensiegel-den is namelijk gedaald van 5,6% in 2003 naar 5,3% in 2008. Dezedaling wordt klaarblijkelijk als de belangrijkste conclusie gezien,omdat de titel van de publicatie hiernaar verwijst. Aan het eindvan onze beschouwing komen we daarom wat uitgebreider terugop deze conclusie.De defensie-uitgaven worden in het artikel voorts in verband

    gebracht met het bruto binnenlands product (BBP). Aangegevenwordt dat in 2005 en 2006 het groeipercentage van de defensie-uitgaven op zijn minst gelijke tred hield met de ontwikkeling vanhet BBP. Dat is opmerkelijk want dit was de tijd waarin de over-heid terughoudend was met het uitgeven van extra geld.

    PersoneelHet tweede onderwerp betreft het personeel. Arkesteijn consta-teert dat het aantal voltijdsfuncties in de periode 2003-2008 is

    afgenomen van 72.000 tot 61.000. Ook concludeert hij dat vandie functies eind 2008 circa 16% niet was gevuld.

    Verdeling uitgaven binnen de krijgsmachtHet derde onderwerp behandelt de verdeling van de uitgavenbinnen de krijgsmacht. Arkesteijn laat zien wat de indeling con-

    Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) rapporteert regelmatig over de cijfermatige zaken van

    diverse maatschappelijk relevante themas. Binnen het thema Overheid en politiek is in december2009 door het CBS over Defensie gepubliceerd. Dit is verheugend, want veel wetenschappelijke

    belangstelling op dit gebied is er in Nederland niet te ontdekken. De publicatie -met als titel Aandeel

    defensie-uitgaven daalt- is geschreven door Fred Arkesteijn en betreft een internetpublicatie die, via de

    website van het CBS valt te downloaden (http://www.cbs.nl). Op inzichtelijke wijze worden in dit artikel

    de cijfers die het CBS over Defensie heeft verzameld, over de afgelopen vijf jaren gepresenteerd en deels

    van commentaar voorzien. Onze bijdrage bespreekt de publicatie van Arkesteijn en plaatst de inhoud

    van het artikel in een wat breder perspectief.

    het aantal voltijdsfuncties is in deperiode 2003-2008 afgenomen van

    72.000 tot 61.000

    Aandeel defensie-uitgaven daalt

  • marineblad | maart 2010

    5

    form de statistische codering oplevert aan informatie. Allereerstwordt ingegaan op de verdeling over de onderdelen vanDefensie. Daarbij wordt gebruik gemaakt van een tabel, die in ver-korte vorm, is overgenomen als tabel 1.

    Tabel 1: de uitgaven per onderdeel volgens het CBS in mln.

    De Marechaussee ontbreekt in dit lijstje. Zoals hierboven is aan-gegeven is het civiele deel van de Marechaussee statistischondergebracht bij een andere hoofdfunctie. De pure militairetaak van dit commando kost volgens het CBS 200 miljoen en isondergebracht bij de post Algemeen in tabel 1. De post Algemeen is zoals blijkt uit tabel 1 aanzienlijk toegeno-men. Deze toename lijkt ten koste te zijn gegaan van deLuchtmacht en de Marine. Dit is echter een foute beeldvorming,want het is alleen een verschuiving van administratieve aard. Deoorzaak is waarschijnlijk een andere statistische codering van uit-gaven. Die administratieve handeling brengt de krijgsmacht overi-gens zelf aan met behulp van richtlijnen van het CBS. De redenvan die verschuiving is wellicht de administratieve omwoel diede vorming van de Defensie Materieel Organisatie (DMO) en hetCommando Diensten Centra (CDC) met zich heeft meegebracht.Op basis van tabel 1 kunnen dus weinig conclusies wordengetrokken. Arkesteijn doet dat ook niet.Overigens hebben De Bakker, Westerink en Beeres (2008) in eeneerder onderzoek de genoemde algemene kosten wel toegerekendaan de krijgsmachtdelen. Dat resulteerde in de bevinding dat hoe-wel de Marine natuurlijk kleiner is geworden, het percentage vanhet defensiegeld dat aan de Marine werd besteed sinds 1990 eigen-lijk nauwelijks is veranderd. Dat percentage bedraagt ongeveer 15%(zie figuur 1). Eenzelfde conclusie kan worden getrokken voor deLuchtmacht. Alleen de Landmacht heeft echt moeten inleveren.Hier staat een groter wordende Marechaussee tegenover.

    Figuur 1: Aandeel operationele commandos in totale uitgavenkrijgsmacht (De Bakker, Westerink en Beeres, 2008, p.27)

    Tot slot beschrijft het artikel enkele veranderingen bij de krijgs-machtdelen. Arkesteijn gaat daarbij vooral in op veranderingenop materieel gebied en over de ontwikkeling van de uitgavenvoor crisisbeheersing.

    Het aandeel defensie-uitgaven daalt Dan is het nu tijd om terug te keren naar de titel van het artikel.Dat het aandeel van Defensie in de totale overheidsuitgaven in deperiode 20032008 is afgenomen, valt niet te bestrijden. Maarwat is de waarde van die constatering? Voor een antwoord hieropmaken we gebruik van dezelfde gegevens waarop CBS zijn uit-spraken baseert. Deze gegevens worden gepresenteerd in tabel 2.

    Tabel 2: Lopende en kapitaaluitgaven voor hoofdfuncties van de rijks-overheid in mln (bron: http://statline.cbs.nl; cijfers per 14-9-2009).

    Deze tabel geeft aan dat niet alle andere beleidsvelden in gelijkemate van de groei van de rijksuitgaven hebben geprofiteerd. Er zijnklaarblijkelijk politieke keuzes gemaakt, waaronder de keuze ommeer geld te besteden aan interne (openbare orde en veiligheid)dan aan externe veiligheid (landsverdediging). Tabel 2 toont duide-lijk aan dat de krijgsmacht niet de enige is die van die keuzes teduchten heeft. Zo men de binnenlandse taak van de Marechausseeook meeneemt dan komt de groei van Defensie uit op ongeveer14%. De conclusie is dan dat, ten opzichte van de meeste delen vande overheid, de groei van Defensie niet uit de toon valt.

    De auteurs danken Robert J. Smits voor zijn commentaar op eeneerdere versie van dit artikel.

    er zijn klaarblijkelijk politieke keuzesgemaakt, waaronder de keuze om

    meer geld te besteden aan interne danaan externe veiligheid

    UitgavenAlgemeen

    Landmacht

    Luchtmacht

    Zeemacht

    Militaire pensioenen

    Buitenlandse militaire bijstand

    Totaal

    20031.224

    2.081

    1.456

    1.349

    952

    238

    7.299

    20082.287

    2.272

    1.202

    932

    1.083

    413

    8.190HoofdfunctiesAlgemeen bestuur

    Landsverdediging

    Openbare orde en veiligheid

    Economische aangelegenheden

    Milieubescherming

    Volkshuisvesting

    Volksgezondheid

    Cultuur & recreatie

    Onderwijs en onderzoek

    Sociale bescherming

    Totaal

    200343.996

    7.299

    8.254

    17.711

    955

    1.623

    7.700

    1.755

    20.834

    20.564

    130.691

    200851.539

    8.190

    10.930

    17.827

    1.144

    1.396

    9.008

    1.943

    25.582

    31.252

    158.811

    groei in %17

    12

    32

    1

    20

    - 14

    17

    11

    23

    52

    22

    LiteratuurDe Bakker, E.J., E.J. Westerink en R.J.M. Beeres (2008) Belastinggeld voorvrede en veiligheid. Publicatie van de Faculteit Militaire Wetenschappen no.2008/03. Breda: Nederlandse Defensie Academie.

    Dr. E.J (Eric Jan) de Bakker (KTZA bd) werkte van 2006-2010 als onderzoe-ker op het gebied van defensie-economie aan de Nederlandse DefensieAcademie. Dr. R.J.M (Robert) Beeres is universitair hoofddocent defence accountingcontrol & economics aan de Nederlandse Defensie Academie en universi-tair hoofddocent aan de Nyenrode Business School.

  • ARBEIDSVOORWAARDEN Door: KAPT KL P.E.R. Pieters6

    Dit materieel recht op nadienen, zoals dat formeel wordt genoemd,is echter aan regels en voorwaarden gebonden. Uit recente signalenmoet worden opgemaakt dat deze regels en voorwaarden niet altijdop de juiste wijze worden ingevuld.

    De Beleidsnota vrijwillig nadienen militairenElke actief dienende militair in FPS fase-3 kan, aan het einde van zijn1

    diensttijd bij Defensie een verzoek indienen om te mogen nadienen.Dit formele verzoek dient minimaal negen maanden voorafgaandeaan de vastgestelde datum leeftijdontslag (LOM) aan Defensie teworden aangeboden. Uitgangspositie is dat Defensie dit verzoek zalhonoreren. Hiertoe dient een aantal vastgelegde stappen te wordengenomen.Indien u zon verzoek heeft ingediend, zal Defensie u benaderen metde mededeling dat het verzoek in behandeling is genomen en dathet voornemen bestaat het verzoek formeel te honoreren wanneerovereenstemming is bereikt over de toe te wijzen functie. Detweede stap is dat Defensie u een functieaanbod zal doen. Ditaanbod kan zich beperken tot n functie, maar kan ook een aantalfuncties betreffen. Defensie heeft hierbij een indelingsplicht. Dezeindelingsplicht houdt in dat Defensie u minimaal n functie moetaanbieden. Hierbij (hoeft/)mag Defensie zich niet (te) beperken tot

    uitsluitend uw eigen krijgsmachtdeel. Uitsluitend indien er binnen degehele krijgsmacht geen geschikte functies beschikbaar zijn, kanDefensie hiervan afwijken. Deze indelingsplicht houdt niet in dat denormale regels voor het functietoewijzingsproces ter zijde mogenworden geschoven. De Beleidsregel aanstelling, functietoewijzing enbevordering Defensie is onverkort van kracht. Zo zal u, net als elkeandere militair, gewoon moeten voldoen aan de gestelde kennis- enervaringseisen voor die specifieke functie. In de Beleidsnota vrijwillignadienen militairen is tevens vastgelegd dat in voorkomend gevalook een functie op een lager rangniveau door Defensie aan u magworden aangeboden. Indien u en Defensie overeenstemminghebben bereikt over de toe te wijzen functie, zal Defensie uwverzoek tot nadienen formeel honoreren. Indien er geenovereenstemming kan worden gevonden over de aangebodenfunctie, of wanneer er geen functies beschikbaar zijn, zal Defensieuw verzoek tot nadienen formeel afwijzen.

    Het opschorten van de Beleidnota vrijwillig nadienenmilitairen 2004In de brief van de staatssecretaris van Defensie aan de TweedeKamer Vaststelling van de begrotingsstaat van het Ministerie vanDefensie (X) voor het jaar 2004, de zogenaamde personeelsbrief,

    Als uitkomst van het arbeidsvoorwaardenoverleg in 2000, resulterende in het arbeids-voorwaardenakkoord 2000-2001, zijn de Samenwerkende Centrales van Overheidspersoneelen Defensie overeengekomen dat de actief dienend militair het recht heeft de werkgever te verzoeken om het leeftijdontslag uit te stellen: het zogenaamde nadienen. Dit recht isformeel vastgelegd in de Beleidsnota vrijwillig nadienen militairen, kenmerk P/2001004838 d.d. 16 juli 2001.

    Het materieel recht op

  • marineblad | maart 2010

    7

    van september 2004, schreef de staatssecretaris De personelegevolgen van de maatregelen uit het Strategisch Akkoord en dePrinsjesdagbrief zijn groot: ongeveer 9.000 functies zullen verdwijnen.Hierbij blijft het echter niet. Het personeelsbestand wordt met nog eens3.000 verkleind, voornamelijk als gevolg van de overschrijding van debegrotingssterkte 2003. Door het succes van de werving is er thans bijDefensie meer personeel in dienst dan was begroot. Hierover is de TweedeKamer in de brief van 3 april jl. reeds genformeerd. De verdere verkleiningvan het personeelsbestand wordt voorts veroorzaakt door internereorganisaties. Het meest omvangrijke reorganisatieproject betreft deStroomlijning Bedrijfsvoering en Staven van de KoninklijkeLandmacht. In het vervolg van deze brief beschreef destaatssecretaris een aantal reeds genomen maatregelen, alsook eenaantal concrete plannen om invulling te kunnen geven aan devoorgenomen personeelsreductie. Zo schreef hij onder andere:Daarnaast bestaat het concrete voornemen om het nadienen vanberoepsmilitairen met een aanstelling voor onbepaalde tijd (BOT-militairen) te beindigen. Door middel van een andere uitvoeringssystematiek van deBeleidsnota werd met ingang van 2004 uitvoering gegeven aan depersoneelsbrief van september 2003. Het recht op nadienen werdgekoppeld aan een aantoonbaar organisatiebelang. Aangezien ervanwege de reorganisaties veel personeel diende af te vloeien wasde conclusie van Defensie vervolgens dat nadienen niet in het belangvan de organisatie was. Gedurende de periode 2004 tot heden hebben veel militairen hunverzoek tot vrijwillig nadienen afgewezen zien worden. De afwijzingvan het verzoek tot nadienen heeft een aantal van hen doenbesluiten de afwijzingen juridisch aan te vechten. Dit gevecht heeftuiteindelijk voortgeduurd tot aan de Centrale Raad van Beroep. Op 1december 2005 heeft de Centrale Raad van Beroep uitspraak gedaanin deze beroepzaken. De Centrale Raad van Beroep concludeerdedat Defensie de Beleidsregel uit 2001 niet had aangepast naaraanleiding van de personeelsbrief van september 2003. Op basisdaarvan had Defensie deze verzoeken niet mogen afwijzen. Hetargument van Defensie dat door het nadienen van een UKW-gerechtigde2 militair een andere, jongere, militair moet wordenontslagen bracht hierin geen verandering.Ondanks deze uitspraak heeft Defensie nog in 2007, in deBeleidsnota herziene richtlijnen aanstelling gewezen militairen van 4december 2007, de koppeling tussen vrijwillig nadienen enaantoonbaar organisatiebelang bekrachtigd. Hiertegen heeft eenaantal militaire vakbonden stelling genomen. Dit heeft ertoe geleiddat op 16 april 2009 Defensie door middel van een brief formeelheeft verklaard dat de Beleidsnota uit 2001 in zijn totaliteit onverkortvan kracht is.

    Het standpunt van de FVNO|MHBDe FVNO|MHB bevindt zich in een spagaat als het gaat om hetmaterieel recht op nadienen. Als beroepsvereniging is deFVNO|MHB niet gelukkig met het materieel recht op nadienen enziet een aantal negatieve consequenties van dit recht:Sinds 2001 is de LOM-leeftijd verhoogd tot 60 jaar. Daarbij is deleeftijd tot wanneer een militair operationeel ingezet mag wordengesteld op 55 jaar. Hierdoor is de situatie gecreerd dat de militair de

    laatste vijf jaar van zijn diensttijd uitsluitend niet-operationelefuncties kan vervullen. Uitsluitend op eigen verzoek van de militairkan hiervan worden afgeweken.Daarnaast is de krijgsmacht sinds 2001 zeer frequent operationeelingezet. Hierdoor bestaat bij een deel van het personeel de behoefteom na enkele operationele functies tijdelijk een functie in de luwte tevervullen. Aangezien deze functies echter veelal worden vervulddoor het eerder genoemde personeel in de leeftijdscategorie 55-60kan ook zonder nadienende militairen aan deze wens niet altijdinvulling worden gegeven. Voor een deel van dit personeel is dit eenreden om de defensieorganisatie te verlaten.Het materieel recht op nadienen versterkt echter het probleem omhet jongere personeel een niet-operationele functie te latenvervullen. Gezien de leeftijdscategorie waartoe de militair die wilnadienen behoort, gebeurt het nadienen immers bij uitstek op eenniet-operationele functie. Het nadienen heeft nog een tweede negatief effect. Nadienenbeperkt de carrirekansen van het jongere personeel. De militair dienadient, doet dit in principe in een functie op het niveau van zijneindrang. Het functietoewijzingsbeleid van Defensie bepaalt dat bijeen functietoewijzing een militair met de juiste rang voor gaat opeen militair die tot die rang bevorderd dient te worden. Door hetnadienen blokkeert deze militair een functie welke anders door de te

    bevorderen collega kan worden vervult. Het bevorderen van eenmilitair maakt ruimte vrij op dat rangsniveau waardoor vanaf hetonderliggende rangsniveau een collega kan worden bevorderd.Gesteld kan worden dat het nadienen van een KLTZ de carrire vaneen LTZ2 vertraagt.Het laatste argument waarom de FVNO|MHB niet gelukkig is methet materieel recht op nadienen is gelegen in de uitspraak van deCRvB. Het is voor de FVNO|MHB onbestaanbaar dat bij eenreorganisatie een jonge collega het risico loopt te worden ontslagenomdat een collega, die met leeftijdontslag mag, na zich langdurig tehebben ingezet voor Defensie, een verzoek indient om te mogennadienen, dat op die gronden niet mag worden afgewezen.Dat wil niet zeggen dat de FVNO|MHB tegen nadienen is. Nadienenkan voor de organisatie ook positieve effecten hebben. Hierbij moetbijvoorbeeld gedacht worden aan moeilijk te vullen vacatures,bijvoorbeeld vanwege de benodigde specialistische kennis. Ook intijden van personeelstekort is nadienen een methode om deorganisatie gevuld te houden. Het gaat de FVNO|MHB alsberoepsvereniging echter specifiek om het materieel recht en dedaaraan hangende consequenties.Als belangenbehartiger staat de FVNO|MHB aan de andere kant.Toegekende rechten kunnen niet eenzijdig aan de kant geschovenworden, wanneer het Defensie even niet uitkomt. De FVNO|MHBmaakt zich hard voor de rechten van haar leden. In voorkomendgeval zal de FVNO|MHB zich dan ook inzetten om het materieelrecht tot nadienen voor haar leden af te dwingen.

    nadienen

    nadienen beperkt de carrirekansenvan het jongere personeel

    1 Waar staat hij of zijn kan ook respectievelijk zij of haar gelezenworden.

    2 Een militair die met leeftijdsontslag gaat krijgt een uitkering op basis vande Uitkeringswet gewezen militairen (UKW).

  • KENNIS EN WETENSCHAP By Colonel Marco Hekkens8

    Project Future UrbanExtreme Littoral Land (FUEL-L ) 2015 and beyond

    1

    .An awareness raiser about a personal multi-disciplinary research project into future military-civil

    engagement in (mega) coastal conglomerations. This article is an introduction into this complex

    operating environment. It is aimed to spark debate on the role of the future military (in a joint and

    combined, interagency setting), define future force structure, training and equipments requirements

    and crucial enabling mechanisms. FUEL-L is very much work in progress and interaction with

    respondents will be most valuable.

    IntroductionWith increasing recurrence, articles are published thatdiscuss the effects of migration towards the coastal (lit-toral 2) areas in the world, explaining a variety of reasonsand introducing possible future risks and threats. A com-mon cause for most risks is the quest for resources andbase necessities such as food and potable water. Othersfollow the prevailing level of criminal activity, where onecould argue that there is a possible relation between thesize of the population, the level of unemployment andthe level of crime. Some passionately discuss the risks tothe environment, where functioning civil institutionsfind it increasingly hard to deal with the influx of peo-ple into already poorly regulated and polluted areas,with defunct or no existing sanitation infrastructures.All this is even further compounded in certain regions byfailing agricultural schemes, due to changes in weatherpatterns. With more people moving into already congest-ed areas it will simply create a downward spiral of livingcircumstances especially in the already endemic poorerareas of the world. It will create a vicious cycle betweenpoverty, urban poverty and environmental burdens.

    Cities are associated with environmental degradation,squalor, poverty and crime. It is only in recent years thatpolicymakers have begun to understand that well-plannedand well-governed cities can prevent the negative conse-

    quences of urbanisation, and can actually provide an oppor-tunity to address and mitigate urban poverty and environ-mental degradation 3

    In the littoral, the military are increasingly aware thatthe threats facing them are unique and require specialistequipment and training. A wide spectrum of convention-al and asymmetric threats effects all naval, coastguardand commercial shipping. These threats necessitate acoordinated strategy between various civilian and mili-tary organisations. The Royal Netherlands NavyCommand Maritime Vision 2030 Paper clearly recognisesthese developments. It does not yet address in very spe-cific terms, the So What of these developments and howthe Netherlands Navy in particular could best respond.

    The purpose of Project FUEL-L is to study, research andraise for discussion the interlocking effects, specificallycaused by an increasing expansion of urban littoral con-glomerations. A secondary aim is to distill insights thatcan contribute to and inform national, NATO and EU4

    concept development and policy making for future mili-tary engagement in specific operating areas. At this stageof research, no deliberate geographical boundaries areset, although one should not deduce from this that forinstance Dutch Forces will always be able to operate aspart of a wider coalition world-wide. From a militarypoint of view, FUEL-L assesses options for employment ofcombined/joint maritime, amphibious and other forcesand agencies. Of note are the non-military aspects thatunderline the strong interface and emphasis of ProjectFUEL-L with the civil dimension of future operations.

    On 26 November 2009 Dr Sebastian Reyn, Director of theFuture Policy Survey regarding the future of the armedforces of The Netherlands, reiterated that the worldbecomes more uncertain, less secure. Whilst many willprobably concur it is far more difficult to draw the cor-rect deductions and set wheels in motion that will for

    Copyright FT, reprinted with kind permission.

  • marineblad | maart 2010

    9

    instance allocate adequate financial resources to pre-pare the Armed Forces for 2020 and beyond, independentof the political bias of the in-place government.Whatever the choices being made, future engagement in(littoral) urban areas should influence policy direction.

    Following this introduction, I continue setting the sceneby introducing an envisaged added focus for MaritimeForces (operating in a combined-joint context) on engage-ment and specific activities in the future urban extremelittoral. Then, I will provide an insight in the scope ofProject FUEL-L, by describing the current structure of theproject and the next phases of the project. I end by offer-ing some food for thought.

    Maritime Focus With capable inland reachand supporting effectMaritime expeditionary forces, operating in a cooperative,combined and joint context are and remain forces ofchoice for operations in the littoral and adjacent landenvironment. Operations and type of missions spanacross a broad range of employment options: from mili-tary and/or humanitarian assistance to local authoritiesin a benign environment by invitation, to discreetfocused intervention in a specific area bounded by timeand space, to more prolonged military operations in amuch wider littoral environment including majorurbanised conglomerations and industrial infrastruc-tures and with a diverse tapestry of economic, cultural,ethnic and/or historical influences.

    As by definition littoral super cities border the seas.Maritime expeditionary forces provide, at least in theory,assured access. They can and should bring niche capabili-ties to complement in-place Host Nation military, police,civil emergency services and institutions and otheragency capabilities. To fully anticipate and understandthis future urban extreme littoral operating environ-ment and adequately organise and prepare the forcepackage, becomes quintessential to maintain enduringmaritime relevance. Not downgrading traditional mar-itime roles, there should be an increased focus on the lit-toral urban land environment. All military must become

    intimately at home in it, maintaining agility and adapt-ability and ensure 4-dimensional manoeuvre domi-nance. The term 4th dimension is introduced to specifi-cally capture the sub-terranean battlespace and the timeconsuming aspect of operations below street level sincethe most expensive infrastructures are situated belowground level. The sub-terranean battlespace presentsunique challenges and risks, with specialist skillsrequired across wide fields of expertise. The maritime security umbrella does not stop at the edgeof the water! It requires significant additional trainingfor both joint staffs and forces, including interagencyrepresentation. It also requires a new Mindset (with capi-tal M)5. This new Mindset must foremost accept thatmilitary forces may more than before play a support-ing role to local, foreign civilian institutions and thatKey Relation Building6 with local actors precedes militarysupporting operations in order to establish a viable levelplaying field from the outset. Key Relation Building mustgo hand in hand with Key Leader Engagement (KLE) as itunderscores the purpose of KLE: engagement with otherinvolved parties, not necessarily agreeing at first, inorder to establish mutual trust as key prerequisite forfurther constructive cooperation. It follows a people cen-tric approach, with its success measured by for instancethe amount of established Hotlines with new friendsand proven understanding of what is called White (neu-tral) Situational Awareness.

    Shaping the Future Shaping the ExpectationsBoth the political and military leadership at all levels ofcommand must be attuned to future engagement inthese highly complex, hybrid and demanding urbanisedlittoral environments and recognise the opportunity torapidly deliver a Capability at Readiness that is both fitfor purpose and affordable. To truly understand complex-ity, our politicians must look at the detail of militaryoptions and the many interlocking factors to make aninformed decision, clearly without loosing the overview.However, ignoring the detail at an early stage willincrease the risk of setting ourselves up for potential fail-ure and/or increasing operating costs at a future stage.

  • KENNIS EN WETENSCHAP Project Future Urban Extreme Littoral Land (FUEL-L ) 2015 and beyond10

    The combined effects of the current financial crisis, climate change, mass migration and resource/energy con-cerns may very well start to show at some distant time inthe future despite recent sounds of optimism. Whilethere may be a pressing reason and clear mandate forintervention, some nations may find it increasingly hardto contribute with appropriate capabilities at readinessin the right quantities and at considerable distance fromhome. The decision to proceed with building the multi-purpose joint support vessel HNLMS Karel Doorman tosupport expeditionary operations very much determinesto what extent The Netherlands can continue to con-tribute to future joint operations from the sea at strate-gic distance as part of an ESDP7 or coalition pre-posi-tioned force responding to an emerging crisis.

    It is for such [financial] reasons that one might cautious-ly predict that future missions by European nations areprobably less ambitious and conducted at less strategicdistance (much closer to home), in North and WestAfrica, the Middle East and possibly Central Africa. Therewill possibly be a much greater emphasis on humanitari-an disaster and/or conflict prevention, on defensive secu-rity, capacity building and on policing the consequencesof any state failures in the European neighbourhood.While this may sound promising or just plain ambitious,will the legal framework as an ever importantEnabling Mechanism underpinning legitimacy formilitary engagement, transform at a similar pace? Howwill the International Community (IC) look at sovereign-ty issues when immediate action for moral, humanitari-an, environmental or other pressing unlawful acts isdeemed necessary by that same IC, or a group ofRegional Actors?

    In confronting todays and tomorrows challenges, civil-ian and military forces must increasingly work togetherin a cooperative fashion, oftentimes using the same tool-box and similar procedures. Therefore, at least in theoryonly slight modifications and understanding will berequired to make a truly combined and cooperativeforce, capable of organising complicated civil-military

    effect in complex places. Nowadays, increased require-ment for military-civilian cooperation is well understoodand widely acted upon by most of NATO forces, as opera-tions in Afghanistan demonstrate. But turning to futureengagement in the urban littoral, are we ready to acceptthat military-civilian cooperation and cross-trainingwould not only allow civilian and military become muchbetter acquainted with each others current and futurecapabilities, but that it would also facilitate seamless andcomplementary operations, better management of scarceresources and in extremis could replace each otherwhere possible(!)? As one consequence, future military forces will workmuch closer with Law Enforcement and Public SafetyAgencies. Therefore it must be clear from the outsetwhat the military forces can do and perhaps more impor-tant, what they should not do unless absolutely neces-sary in order to avoid creating seams along jurisdictionallines between military and Law Enforcement agencies.This view is shared by Frederik Rosn in his workingpaper Third Generation Civil-Military Relations and the NewRevolution in Military Affairs8. It is interesting to note thatNATO is yet to formally decide its position on this partic-ular type of cooperation with Law Enforcement agencies(other than under circumstances of clear and presentdanger to the Alliance in the Euro-Atlantic area).

    Project FUEL-L - RoadmapThe introduction and subsequent scene-setter presentthe thought processes that initiated embarking on thispersonal project. It should come as no surprise that onethought will lead to another and therefore the overviewand ideas provided are adaptive by nature and not defini-tive by any stretch of imagination. It also offers potentialoptions to the inevitable So What questions for discus-sion in a wider audience. To provide the reader with afeeling of the scope of Project FUEL-L, I will describe theenvisaged project structure in the next paragraphs.

    Decisive Conditions and Capabilities andSupporting Effects (DCC-SE)FUEL-L is initiated from the key principle that the sum ofall military effect is made available to support the ongo-ing civil effect, especially if the sum of all civil effects isstill hampered or simply just failing. It is not just abouttraditional warfighting and conducting littoral manoeu-vre operations in a future coastal urbanised area. Instead,it is all about providing tailor-made military assistanceto underpin and improve the work by in-country govern-mental institutions and international organisations (IO)by acting as an enabling capability and ideally also toprovide a catalyst for transformation in its widest sense.

    Naturally, deployed military forces will be equipped andtrained to enforce the rule of law by maintaining theability for (local) escalation dominance. But their visiblepresence, activities and posture are designed and careful-ly orchestrated to underwrite the routine activities andresponsibilities of the local institutions. Non-Kineticeffects, use of non-lethal weapons and Soft Power, as a

    Supporting civilian authorities.

  • marineblad | maart 2010

    11

    mental framework for the conduct of operations, ruleforemost. There will be occasions when deliberate forcebecomes necessary, but these will, as a principal rule, beexecuted in conjunction with Host Nation military, para-military and police activities.

    By design, there is one exception to this principle rule: ifshort, focussed and highly intense violence is required toneutralise a severe imminent threat and with the HostNation incapable to contribute with appropriate capabili-ties, deliberate force is authorised. In these circum-stances, Special Operation Forces can be tasked to deci-sively remove such threats. Clearly this implies explicitand prior agreement by the Host Nation that such astrike force is authorised to operate within sovereign ter-ritory at will and in order to guarantee maximum oper-ational security can act on a need to know only basis.Internationally endorsed rules for the use of innovativetechniques, including the use of Intelligence Surveillanceand Target Acquisition and Reconnaissance (ISTAR) andunmanned aerial systems capabilities and architecturesto support the force, must be robust yet discriminative,to be acceptable by for instance the ICRC9. From anInfluence Perspective, such a military strike capabilitycould well be exploited as an extremely effective and effi-cient over the horizon Littoral Phantom Force, with areputation to match, sufficient to dissuade and discour-age those that wish to continue their efforts to under-mine the fledgling civil and military effects aimed at sta-bilisation and/or achieving progress in any sense. Inother words, could such a strike force become an essen-tial enabling mechanics, authorised by the Host Nationto ensure sufficient leverage in addition to the muchmore transparent activities by other military and non-military actors?

    Enduring Decisive ConditionsIt will come as no surprise that each employment areawill demand its unique DCC-SE. These will be derivedfrom an in-depth mission preparation process, drawingfrom region and nation specific data from a vast varietyof sources. At least as important, derived DCC-SE duringthe planning phase must be continuously reviewed toensure the best achievable level of accuracy to support

    subsequent decision making processes. I describe threeenduring, mutually reinforcing Decisive Conditons (DCs).

    Enduring DC-1: Achieve acceptance of the military forceby those of the local populace and other internationalactors that want to embrace progress, stability andprosperity, through recognised and understood activi-ties.

    Perceptions matter, is a true and important statement.Activities by all the military force elements in the littoralrequire careful scrutiny and prioritising prior to execu-tion. This to ensure that primary activities do not unplanned cause 2nd or 3rd order effects that negate thedesired effect of the primary activity and undermine thetrue or perceived legitimacy of the force. Often this isconceived at the tactical level as back seat driving andruns counter to a Mission Command approach to opera-tions, but it should not. Strategic Communications andInfluence Activities are equally important to inform ownforces as they are meant to inform and influence allexternal audiences (friendly and belligerent). As a conse-quence, teaming Liaison Officers and Public Affairs spe-cialists at all critical nodes [of communication] is essen-tial. Such a teaming enhances the true understanding ofthe complex tapestry in the operating environment. Anunfortunate fact is the significant paucity of either thathas military status. Why not and as a structural measure,use own civilian augmentees to make up the shortage inmilitary capacity? Own civilians can be for instanceyoung academics with region specific knowledge of cul-ture, religion, governance et cetera; but also e.g. a veryspecialised Aquapol or Seaport police officer on tempo-rary loan with experience in criminal investigations orenvironmental regulations.

    A situational example of a well meant military activitybut not understood by the civilian populace, is the bio-metrically testing10 of certain groups of civilians in a spe-cific mission area. So cultural sensitivities must be at theforefront of planning. Another example follows the prin-ciple that Governance should be performed by the in-place sovereign government and Development by the UN.The military should only assist in areas it is best suitedfor. This often leads to tenuous and emotive debatebetween parties involved. If managed badly this willundermine legitimacy on the one hand and cause poten-tial confusion within the force itself. Hence the need forinformed leadership and robust coordinating mecha-nisms at all level of command and between institutionsis necessary.Despite such challenges and when performed in a trans-parent manner, activities like striving for enhanced localMaritime Situational Awareness (MSA), providing free ofcharge hydrographical surveys, search and rescue andland and maritime explosive ordnance disposal (EOD)should all add to force acceptance because the desiredeffects clearly benefit all. Another media rich activitywould be to advise and assist within capabilities in clean-ing up oil spills and other man-caused pollutions.

  • KENNIS EN WETENSCHAP Project Future Urban Extreme Littoral Land (FUEL-L ) 2015 and beyond12

    With an added value that these activities also enhanceown situational awareness (SA) and the informationknowledge base which must be shared through aCommon Operating System with relevant partiesinvolved. Gained intelligence will be judiciously sharedon a need to know basis only. Such SA will in turnbecome critically important if the maritime security situ-ation deteriorates and the force must rebalance forinstance to deter or counter maritime terrorism. Bottomline is the ability for maritime forces to operate freely inthe littoral, while enjoying strong local support and beable to respond to emerging security or safety concerns.This will greatly enhance the ability to effectively operateon the land and urban side of the littoral.

    Enduring DC-2: Establish and maintain a CommonOperating System, to allow the plug-in and network-ing of all actors that need to be connected and thosethat want to embrace peace and stability.

    Key is to accept [by the military] that military ego andjargon can be counter productive when working withunaccustomed civilian actors. The military is predomi-nantly in a supporting role, with mutual respect, hon-esty, humility and lots of patience of paramount impor-tance. It also means, for military planning to becomeeffective and achieve unity of purpose, it must be donewith the civilian counterparts (both Host Nation andIOs) from the start. Frankly, when both do not happenunreservedly, cooperation will flounder. Therefore KeyRelationship Building as described earlier, effective two-way communications and an adaptive, inclusive learningsystem run like parallel strands towards achieving such aCommon Operating System. On top of this, a culture ofcyber security awareness must be enforced to achieve anacceptable level of Operation Security (OPSEC) across theopen, web-based networks used for sharing information.

    Enduring DC-3: Contribute to the achievement of a suf-ficiently stable environment and Human Security situ-ation, with military capabilities operating in an unob-trusive, supporting role.

    This DC is by and large applicable across the whole spec-trum of conflict: from war, to situations of a failing orfailed state, to the aftermath of a major natural disastersuch as a tsunami, earthquake or hurricane. HumanSecurity, being defined as delivering the basic needs ofthe people, should foremost be provided by in country,national institutions and aid agencies as the primaryfirst responders. External military operating on foreignsovereign territory should be conscious to avoid fuellingany perception that local institutions cannot delivertheir own aid, even when in all fairness this would betrue from any perspective. To paraphrase by quotingEleanor Roosevelt: No one can make you inferior withoutyour consent11. Unfortunately, in my experience andbroadly speaking, some Westerners can be rather insensi-tive in this respect and unconsciously and without anydeliberation give cause for misunderstandings. In doing

    so, causing unnecessary delay in achieving that muchneeded level playing field.On a philosophical note: if one subscribes to the beliefthat prosperity for all has a way of eliminating envy,hatred and intolerance and that increased wealth makespeople more tolerant and giving, it follows that all mili-tary actors, irrespective of rank, during their contactswith local civilians must be alert to notice diverse opin-ions that belie this belief. Equally, they must be taught tolook beyond the obvious and for instance look for signsof discriminating (or worse) behaviour against womenand young children12. It is yet another debate to whatextend allowance will exist in the future to interfere, bymandate, in judicial or cultural sovereignty. For instancehow the military must respond witnessing blatantdeviant behaviour by civilians.

    Food for ThoughtNLMARFOR The core staff of a Capability at Readiness?Since its establishment in 2005, Netherlands MaritimeForce (NLMARFOR) has steadily gained both national andinternational recognition by delivering a capable and ver-satile staff (or specialist staff elements) to assume com-mand of maritime (including amphibious) and jointenabling capabilities, able to engage and operate at the 1-star level of command in diverse maritime/littoral situa-tions. In my opinion and to further cement national and interna-tional relevance, NLMARFOR should now be given the chal-lenge to capitalise on this expertise and transition toengagement into the urban littoral, as a natural responseto future European and global developments. By respond-ing to this challenge, I am convinced that our CDS,through Commander Royal Netherlands Navy Command(COMRNLNC) will anticipate to an operational requirementin the making by delivering a staff that is uniquely pre-pared with distinct qualifications and great added value,yet manageable within the limits of set ambition levels.Within the framework of the UK/NL amphibious relation-ship, NLMARFOR could specialise and focus on low tomid spectrum engagements in the urban littoral, whileCommander Amphibious Task Group (UK 1-starBattlestaff) would specifically focus on mid to high spec-trum amphibious force and power projection. Bothwould be working to a common one-up: either a tradi-tional maritime component command (MCC) or landcomponent command (LCC) (either afloat or ashore) or abespoke and novel interagency command.The already existing plug-in design of NLMARFOR shouldbe further enhanced to accommodate a joint/interagencyapproach to operations by physically being able toreceive, host and sustain a multitude of specialists.Investments in both personnel and hardware must bemade to achieve KLE ashore and afloat; but also to aug-ment current staff capability in areas such as LittoralBattlespace Management from the Sea and contributingto Influence and Media Operations. Clearly this all bringeducational challenges, requiring a new balance betweenmandatory self-study, professional courses and incentivesand rewards.

  • marineblad | maart 2010

    13

    West Africa Staging point between TheNetherlands and the Dutch West Indies?To increase our understanding of operating in FUEL-Ltype environments, and to further exploit last years suc-cessful participation by HNLMS Johan de Witt in theAfrican Partnership Station (APS) programme in WestAfrica, such engagement could become part of an annualNetherlands Armed Forces forward deployed presence inthat region. With plans to rotate Dutch naval ships forinstance every four months in the Dutch West Indies, intheory each ship could meaningfully conduct APS typeactivities prior to arriving in the Antilles. Or conversely,it could contribute to APS at the end of its West-Indiestour before returning to The Netherlands. When theseships have a small already acclimatised troop contingentembarked they are capable to engage in bespoke supportcapacity building and security cooperation or even secu-rity assistance with focus on train the trainer. As a min-imum, they could conduct cross-training in an interest-ing and relevant region to absorb a good dose of regionalculture. Should every platform contribute up to onemonth before and after its tour in the West Indies again in theory The Netherlands would establish a suf-ficient persistent presence to truly foster relations, createcontinuity and meaningfully support the various region-al security initiatives. While specific APS type activitieswould be best supported by an LPD, other could well beconducted using other RNLN platforms such as De ZevenProvincin- or Holland-class ships especially when coordi-nated with other NATO or EU nations operating in theregion. This would be an imaginative example of being forwarddeployed contributing to cross-department approved pre-conflict capacity building and other related engagementactivities. The concept could be further advanced and tai-

    lored to meet longer term Dutch and Host Nationsdepartmental objectives by establishing a permanent,small interagency staff element in a West African nationof choice.The UN has expressed its concern that Africa is (tobecome) a crime hub for drugs trafficking. With much ofthese drugs destined for Europe, a forward line ofdefence is only one of many steps to frustrate the exportof illicit narcotics. Increased sophistication of the cartelstransportation methods, to include the use of self-pro-pelled semi-submersible craft, make it increasingly diffi-cult to detect such smuggling devices by less technicallycapable coastal nations. This is an area where EU naviescould display a more forward leaning and all-encompass-ing approach in combating the many illegal activitiesthat take place in the Littorals that affect Europe. A criti-cal enabling mechanism in this respect is a robust legalframework, including arrangements to ensure that theterm prosecution does not become a hollow word.Perhaps the viability of a temporary ICC-afloat on a larg-er maritime platform merits research! The above requireslarge international support and a regional comprehen-sive approach. This will require considerable concertedpan-diplomatic effort. Maritime activities such as sup-port to sovereignty patrols and providing environmentaladvice and advice on improving port security and safetycould pave the way to build trust and establish reliablenetworks in these highly complicated areas. All this fallswithin the scope of Project FUEL-L.

    ReflectionThe comprehensive, multi-facetted approach of ProjectFUEL-L depends very much on the dynamic and creativeinteraction with a broad range of experts and enthusiaststhrough informed debate. The Joint community as anintellectual environment of choice would be an idealaudience of potential co-thinkers to contemplate, discussand debate and ultimately inform our political leaders ofpertinent viewpoints and deeply rooted beliefs that willaffect the foreign policy of The Netherlands and by asso-ciation its Armed Forces. It is vitally important that thewar in Afghanistan and before in Iraq does not overshad-ow and obscure the importance of the Littorals.Maintaining our traditional maritime relevance is onlyone facet thereof, albeit very close to my heart.

    HNLMS Johan de Witt at the entrance of an African river.

  • KENNIS EN WETENSCHAP Project Future Urban Extreme Littoral Land (FUEL-L ) 2015 and beyond14

    Current cooperation between the Navy and other Dutchjoint force elements and Rotterdam Port Authorities(such as the Defence EOD and diving activities) is a pointin case13 and a vehicle of choice to expand civil-militarycooperation to experiment with the thrust of ProjectFUEL-L in an area of prime relevance for TheNetherlands.

    I am a great advocate for pre-conflict engagement andcontributing to the stabilisation of existing (fledging)institutions. Pre-conflict intervention does not per seexclude fringe preventative activities. The timely applica-tion of Soft Power by invitation in the Host Nationcould be a forceful tool complementing diplomatic,financial and/or economic measures applied at dis-tance. By invitation or gently prompted by the EU ifsomething like this exists in EU diplomatic parlance could ease the way forward to see an European taskforceoperate forward deployed on a semi or near permanentbasis in areas of regional relevance14. I am optimistic that there is an increasing awarenessthat much is to be gained, not only in cost savings, tocontinue to promote interoperability between militaryforces and between similar or comparable military andcivilian capabilities. In this context, it is reassuring tonote the recent establishment of the EUs CrisisManagement Planning Directorate15 as well as increasedtraction by the European Defence Agency (EDA) to bridgethe gaps in interoperability and what capabilities areneeded by the EU member states.

    It is true that a person who looks 10 years ahead and sayshe knows exactly what the future will be is, frankly, aCourt Jester. But by using new and novel thinking we will beable to question current judgment and through this ques-tioning comes innovation and through innovation real andtangible improvements in European military capabilitiescan be achieved16.

    Project FUEL-L has been initiated exactly with this inmind. To quote an old Chinese proverb a thousand milesjourney starts with a single step17; time will tell ifProject FUEL-L steered our journey in the right direction.

    The author currently serves as Deputy CommanderNetherlands Maritime Force. From January 2010 he ison standby as Deputy Force Commander and SeniorNational Representative for the combined UnitedKingdom/Netherlands European Battlegroup rotation2010/1.

    This article is written on a personal title and does notnecessarily represent official Defence, Navy or Marinecorps policy or viewpoints.

    Noten1 Voor dit artikel is de oorspronkelijke Engelse taal gehand-

    haafd. Dit ondersteunt de lezer bij professionele discussiesmet bondgenoten.

    2 Defined as the coastal sea areas and that portion of the landwhich is susceptible to influence or support from the sea,generally recognised as the region which horizontally encom-passes the land-watermass interface from 100 kms ashore to200 nm at sea and extending vertically into space from thebottom of the ocean and from the land surface.

    3 Heres how we can live with a global population of 9bn byAnna Tibaijuka. Europes World, Summer 2009, no. 12.

    4 With its new policy document unveiled on the 15thOctoberTowards the integration of maritime surveillance: A com-mon information sharing environment for the EU maritime domainthe European Commission is setting in motion a hugelyambitious plan to knit together numerous national andregional maritime players and their incompatible databases(Defence IQ.com Newsletter 26 November 2009).

    5 Karlheinz Viereck, LtGen German Airforce - Deputy Chief ofStaff Allied Command for Transformation, statement duringhis delivery of the Keynote Speech at the Centre of Excellencefor Operations in Confined and Shallow Waters Conference inKiel, 10 November 2009.

    6 Term introduced in the Post Operational Report ofCOMUKAMPHIBFOR on completion of their operational tourin Basra, Iraq (Aug 08 Mar 2009), dated 15 May 2009.

    7 The EUs European Security and Defence Policy (ESDP) is anintegral part of the Common Foreign and Security Policy(CFSP). It includes all questions relating to the security of theUnion, among which the gradual framing of a commondefence policy. The ESDP allows the EU to develop its civilianand military capacities for crisis management and conflictprevention at international level, thus helping to maintainpeace and international security, in accordance with the UNCharter. The ESDP includes a strong conflict prevention com-ponent. The Lisbon Treaty changed ESDP in Common Securityand Defence Policy (CSDP).

    8 Department of Political Science, University of Copenhagenpublishing in Danish Institute for International Studies (DISS)Working Paper 2009:03.

    9 International Committee of the Red Cross (ICRC) debates lia-bility over drone attacks by Andrew White Tigner in JanesDefence Weekly, 2 December 2009.

    10 If fingerprint alteration surgery is perfected, the effect on allareas of government, corporate and personal security will beprofound.

    11 In This Is My Story, 1937. Eleanor Roosevelt, US diplomate &reformer, wife of Franklin Roosevelt (1884 1962).

    12 As per UN resolution 1325 and the recent adoption of UN res-olution 1888.

    13 Defensiekrant, 3 Dec 2009. Port Security Exercise Hotel New YorkReprise.

    14 Read a parallel in thinking in essay Pulles and Pulles,Marineblad no. 7/8, Dec 2009 page 29 - 31.

    15 The Lisbon Treaty led - inter alia - to the establishment of theEuropean External Action Services, of which the CMPD willbecome an integral element, together with the CivilianPlanning and Conduct Capacity (CPCC) and the EUMS.

    16 Statement by mr. Paul Collins, head of Capabilities SupportUnit of the European Defence Agency on 20th March 2009;Bron: www.europsworld.org.

    17 Quote believed from Lao Tseu, approx. 4th century bc.

  • marineblad | maart 2010

    15REACTIES

    Reactie op Van Willemsoord naar LudwigsburgMarineblad nr 1, 2010

    Op pagina 39 en 40 zijn twee foto's van een begrafenis met militaireeer van een Nederlandse matroos afgedrukt, waarbij vermeld wordtdat de datum van de begrafenis onbekend is.De betrokken Nederlandse matroos was de 22-jarige stoker 2 B. (Benny) J. de Haas, geboren te Overschie 24 april 1921. De Haas isoverleden in Stuttgart op 7 september 1943 ten gevolge van zwareverwondingen door een Engels bombardement op Stuttgart. Degefotografeerde begrafenis van De Haas vond plaats op deSteinkalder Friedhof te Stuttgart op 11 september 1943.De in het artikel genoemde vertrouwensman (te Stuttgart)korporaal der mariniers K. Vos is op de foto van p. 39 te zien aan hethoofd van de achterste groep krijgsgevangenen. Achteraan in diegroep is op deze foto nog net een krijgsgevangene van de KL te zien.Op de originele foto (op afdrukken vaak niet) is achter hem nog eengewapende Duitse militair te zien. Er zijn drie foto's gemaakt van debegrafenis, die in een groot aantal zijn afgedrukt en alspropagandamateriaal verspreid. De Engelsen doden dekrijgsgevangenen, de Duitsers begraven hen met militaire eer, inaanwezigheid van een Duitse veldprediker, de kampcommandant enzijn adjudant, met kransen van zijn kamergenoten en van deStadtverwaltung (zie de burger op de foto's). Volledigheidshalvemeld ik u, dat in Mars et Historia, jg 35 nr 1, januari/maart 2001, eenvergelijkbare, maar kortere reactie geplaatst is.

    KAPTMARNS KMR b.d. drs. J. Nuis en LNTKOLMARNS b.d.drs. C.B. Nocolas

    Reactie op de achterfoto Marineblad 1, 2010

    Op de cover van het Marineblad (achterkant) staat een foto met alsbijschrift: Mariniers dragen 2 adoptiekinderen naar een nieuwetoekomst. Naast de bemanning van Hr.Ms. Pelikaan is deze noodhulpmissie inHati uitgevoerd door een detachement van op Aruba gestationeerdpersoneel van voornamelijk CZSK. Dit detachement bestond uitMariniers van de 32e Marinierscompagnie van Aruba, mariniers vande bootgroep Aruba, medisch personeel van MSKSAV, eendetachement van de KMar en een delegatie van de Arubaansemilitie. De militairen op de foto zijn twee leden van de Arubaansemilitie (een Korporaal Arumil en een Marinier 1e klas Arumil).Aruba heeft een nauwe band met Haiti; op Aruba woont eenHaitiaanse gemeenschap van circa 5000 mensen. Het feit datpersoneel van de Arubaanse militie is ingezet en heeft deelgenomenaan deze ernstmissie is, gezien de band met deze Caribische buurbijzonder voor het land Aruba, maar vooral ook omdat dit voor deArubaanse militie de eerste maal is dat zij zijn ingezet voor eenernstmissie buiten het Koninkrijk.

    MAJMARNS Peter DamenCompagniescommandant 32 MARNSCIE ArubaCommandant Mariniersdetachement Haiti 2010

  • KENNIS EN WETENSCHAP Door dr. N. Rietveld16

    Machteloosheid gedurende en waar leidt dat toe?Ruim een kwart van de Nederlandse ex-militairen beleeft schuld en 22% schaamt zich als gevolg van

    de deelname aan een vredesmissie. Dat blijkt uit een recent afgeronde studie onder 1.100 Nederlandse

    jonge veteranen. De missies waar deze ex-militairen aan deelnamen vonden onder meer plaats in

    Cambodja, Ethiopi en Eritrea, Bosni-Herzegovina, Kosovo en Irak. Een kleine groep (5%) werd

    uitgezonden naar Afghanistan. Machteloosheid gedurende de missie en het gevoel te kort te hebben

    geschoten vormen de belangrijkste oorzaak voor de schuld en schaamte, die veteranen na afloop van

    de missie nog steeds beleven. Ook dragen sterke verantwoordelijkheidsgevoelens gedurende de

    uitzending voor het succesvolle verloop van de missie bij aan sterkere gevoelens van schuld en

    schaamte achteraf. Uit de resultaten uit het onderzoek kunnen we opmaken dat (ex-)militairen

    gewetensvolle mensen zijn die beschikken over een moreel gengageerde beroepsattitude.

    Eerder onderzoek naar schuld en schaamte bijveteranen Uit eerder onderzoek onder veteranen blijkt dat verschil-lenden van hen diepgaande gevoelens van schuld belevenals gevolg van het overleven van een oorlog terwijl colle-gas sneuvelden en dat schuldgevoelens kunnen wordengerelateerd aan pijnlijke oorlogsherinneringen2. Een deelvan de Amerikaanse Vietnamveteranen blijkt nog jarenna de oorlog last te hebben van het gevoel dat wat zijgedaan hebben onvergeeflijk is3; ook rapporteren veelvan hen schaamtegevoelens4. Deze eerdere studies naarschuld en schaamte bij veteranen gingen voornamelijkover de relatie tussen schuld, schaamte en psychischeklachten en altijd waren veteranen met een posttrauma-tische stress-stoornis (PTSS) en/of andere psychischeklachten object van onderzoek. Meestal stonden tweetypen schuld centraal, namelijk survival guilt (schuld alsgevolg van het feit dat de veteraan de oorlog zelf overleef-de, terwijl kameraden in dezelfde situatie sneuvelden) encombat guilt (schuld als gevolg van deelname aan gevech-tacties en geweldpleging, waaronder het doden en ver-wonden van burgers of militairen). Het betrof altijdAmerikaans onderzoek en in elke studie stonden alleenoorlogsveteranen centraal. De mate en de aard vanschuld- en schaamtebeleving bij veteranen van vredesmis-sies werd nooit eerder onderzocht. Dit artikel behandeltde belangrijkste resultaten uit het recent afgeronde pro-motieonderzoek5.

    Tijdens vredesmissies is dit een actueel probleem:leden van een vredesmacht zien guerrillas van eenkrijgsheer een oorlogsmisdrijf plegen, maar grijpenniet in omdat het mandaat ontbreekt. Zijn ze dan - enis hun commandant nalatig geweest?1

    Attributietheorie Een belangrijke grondlegger van de attributietheorie is de

    sociaalpsycholoog Heider (1958). Hij beschreef de manier

    waarop mensen hun gedrag en dat van anderen verklaren in

    termen van causaliteit. Mensen zijn van nature geneigd

    hetgeen om hen heen gebeurt of hetgeen hen overkomt te

    verklaren, want mensen hebben van nature de behoefte om

    hun leven als zinvol te kunnen blijven ervaren. Heider stelt dat

    mensen op twee manieren oorzaken toekennen aan de

    gebeurtenissen die in hun leven plaatsvinden. De eerste wordt

    door hem externe attributie genoemd: Oorzaken worden dan

    buiten ons zelf gelegd. In dit verband houden we ons zelf niet

    verantwoordelijk voor dat wat gebeurd is, maar iets of iemand

    anders. In het dagelijks leven gebeurt dit nog al eens als ons iets

    negatiefs overkomt en anderen ons dit kwalijk nemen. De

    tweede manier om te verklaren wat om de mens heen gebeurt,

    is de interne attributie. In dit geval stelt een persoon zichzelf

    volledig verantwoordelijk voor het voorval. We doen dit veelal

    als het om iets positiefs gaat.

    CausaliteitsbehoefteDe behoefte om dat wat in ons leven en om ons heen gebeurt

    te verklaren. Het kunnen verklaren van ervaringen geeft een

    gevoel van controle over het leven. Dit minimaliseert het idee

    dat we overgeleverd zijn aan willekeur. In dit verband wordt

    gesproken over een causaliteitsbehoefte waar iedereen in meer

    of mindere mate gehoor aan geeft en van waaruit we trachten

    de wereld te begrijpen. Het helpt ons te begrijpen wat er om

    ons heen gebeurt, nieuwe ervaringen in onze persoonlijke

    geschiedenis te integreren en daar betekenis aan te verlenen.

  • marineblad | maart 2010

    17

    een vredesmissie, waaromDe betekenis van schuld en schaamte Schuld en schaamte zijn dagelijks voorkomende zelfbe-wuste, morele en sociale emoties6, alsook het gevolg vanbepaalde gedachten en overtuigingen (cognities)7. Schulden schaamte behoren net als verlegenheid en trots tot degroep zelfbewuste emoties omdat zij mensen tot zelfre-flectie brengen. Deze gevoelens duiden erop dat we onsbewust zijn van ons gedrag bij schuld en van onze per-soonlijkheid bij schaamte8. Bij schuld veroordelen we onsgedrag en bij schaamte ons karakter of onze persoonlijk-heid9. Schaamte is dan ook een meer pijnlijke emotie danschuld. Als morele emoties zijn schuld en schaamte mis-schien wel de meest relevante psychologische mechanis-men, die ons motiveren ons aan te passen aan regels,normen en waarden, die in onze cultuur gelden en diepositief samenleven met anderen mogelijk maken10. Zijmotiveren ons deviant gedrag te voorkomen. Als socialeemoties vormen ze een fundament voor sociaal geaccep-teerd gedrag en duiden ze op zorgzaamheid voor ande-ren en empathisch vermogen. De betekenis van schuld enschaamte als gevolg van een ingrijpende gebeurteniskunnen we het beste verduidelijken met behulp van deattributietheorie. Het gaat hierbij om een sociaalpsycho-logische benadering van schuld en schaamte die uitgaatvan de causaliteitsbehoefte, die ieder mens in het dage-lijks leven ervaart. Iedereen heeft de behoefte om dat watin ons leven gebeurt te verklaren. Het geeft een gevoelvan regie over het verloop van ons leven en inzicht inwat we nog kunnen verwachten. Het meemaken van eeningrijpende gebeurtenis, bijvoorbeeld als militair in eenuitzendgebied, betekent juist controleverlies en daardoorangst, onzekerheid en machteloosheid. De behoefte omte verklaren wat er gebeurt zal daardoor nog groter zijn.In dat geval stellen we soms liever onszelf verantwoorde-lijk voor datgene wat gebeurde en voelen we ons lieverongelukkig over die zelfbeschuldiging en schaamte, dandat we moeten accepteren dat het leven blijkbaar eenangstig en onzeker avontuur kan zijn, dat we blijkbaar

    aan willekeur kunnen zijn overgeleverd11. Door de morelevragen over beslissingen en handelen die in zelfbeschul-diging besloten liggen, probeert de veteraan een verkla-ring te vinden voor het kwaad en het leed en daaraaneen betekenis toe te kennen. Hij herwint hiermee deregie over het verloop van zijn eigen leven. Als schuld- enschaamtegevoelens echter onbesproken blijven en nietonderkend worden kan een dergelijke houding ten kostegaan van de psychische gezondheid.

    De deelname aan vredesmissiesAl sinds 1947, dat is een paar jaar na de oprichting vande Verenigde Naties, levert Nederland militairen voor dedeelname aan vredesoperaties. Nu, ruim 60 jaar laterhebben ongeveer 80.00012 Nederlandse militairen deelge-nomen aan ruim vijftig vredesmissies. Dat betekent eenNederlandse deelname aan ruim 70% van het totaal aan-tal missies dat de VN-Veiligheidsraad ontplooid heeft.Vredessoldaten dragen bij aan het herstel van de interna-tionale vrede en veiligheid, aan de duurzame oplossingvan conflicten en aan de wederopbouw van het voormali-ge oorlogsgebied: veelal met succes. Vredesmissies ken-merken zich over het algemeen echter door de onpartijdi-ge positie van de militaire macht die zich om die redenniet mag mengen in een conflict. De onpartijdigheid vande vredesmacht bemoeilijkt regelmatig het bieden vanhulp en beperkt of verbiedt soms zelfs gewapend ingrij-pen om geweld te stoppen. Hierdoor kunnen militairenin de brandhaard van een gewapend conflict zowel fysiekals mentaal kwetsbaarder worden.

    Het schuldgevoel dat wij () volgensde geweldsinstructies niet mochten

    ingrijpen als () bijvoorbeeld vrouwenverkracht werden. () de ontzettend

    slappe houding van de VN. 13

    (Foto: collectie R.C. Hunnego)

  • KENNIS EN WETENSCHAP Machteloosheid gedurende een vredesmissie, waarom en waar leidt dat toe?18

    In het uitzendgebied zijn militairen getuige van de gevol-gen van de oorlog en van het geweld dat de burgerbevol-king is aangedaan en soms nog wordt aangedaan, vanschendingen van mensenrechten, die ondanks de aanwe-zigheid van de vredesmacht doorgaan. Zij zijn getuigevan de vaak erbarmelijke omstandigheden waar ondervluchtelingen in de naoorlogse situatie moeten leven,van het sterven van kinderen en van ander menselijkleed. Er kan in dit verband een spanning ontstaan tussende morele standpunten van de individuele militair, waar-onder het persoonlijke plichtsgevoel in te grijpen omgeweld te stoppen of bijvoorbeeld medische hulp te verle-nen aan burgers om verder lijden te voorkomen en deonpartijdige positie van de vredesmacht waarvan de mili-tair deel uitmaakt. Dat maakt dat de deelname aan eenvredesmissie psychisch belastend kan zijn. Achteraf kantwijfel toeslaan over de juistheid van keuzes, van gedragen het niet hebben ingegrepen of niets gedaan te hebbenaan de negatieve situatie. Ook als wel mag worden gerea-geerd met geweld om geweld en verder leed te stoppen,bijvoorbeeld bij een vredesafdwingende missie, kan er naafloop van de missie twijfel ontstaan over de juistheidvan bepaalde beslissingen in het uitzendgebied en metname over de gevolgen daarvan voor de burgerbevolking,die achteraf niet altijd te controleren zijn. Hierbij kun-nen schuld- en/of schaamtegevoelens een rol spelen.

    Resultaten uit het onderzoek

    Kenmerken van de respondentenDe gemiddelde leeftijd van de veteranen die deelnamenaan het onderzoek is 44 jaar en 8% was vrouw. De meesteveteranen zijn getrouwd (57%), ongeveer 16% is alleen-staand en 2% is gescheiden. Rond 45% van de veteranenis middelbaar en bijna een kwart is hoog opgeleid. Dezenieuwe generatie veteranen en de huidige militairen heb-ben niet zelden meerdere missies op hun naam staan.Ook uit het promotieonderzoek blijkt dat 42% twee keerof vaker werd uitgezonden en dat 18% zelfs drie keer ofvaker op uitzending ging. Omdat een grote groep vetera-nen vaker werd uitgezonden moest voor het beantwoor-den van de specifieke missie gerelateerde vragen n uit-

    zending in gedachten worden genomen, in ieder gevaldie missie die op het leven van de veteraan de meesteinvloed had gehad. Op basis van die gekozen missie die met verschillende controlevragen op consistentiegetoetst werd blijkt dat ongeveer 70% van de veteranendeelnam aan een vredesafdwingende missie en de overi-ge groep aan een vredeshandhavende missie. Ongeveer7% werd gedurende de Koude Oorlog uitgezonden, eenkwart van de veteranen werd uitgezonden in de periode1991-1995, de meeste veteranen (42%) werden uitgezon-den tussen 1996-2000 en 27% nam deel aan vredesmissiesdie gedurende en na 2001 plaatsvonden. Van de vetera-nen die aan het onderzoek deelnamen was bijna 50%beroepsmilitair voor onbepaalde tijd (BOT), 29% had eentijdelijk contract (BBT) en rond 15% was dienstplichtigmilitair. De meeste veteranen (ruim 55%) hebbenDefensie in de periode 2001-2006 verlaten, 32% in de peri-ode 1995-2000; 9% in de periode 1989-1994 en 2% gedu-rende de Koude Oorlog. Ruim een derde van de veteranenverliet defensie als gevolg van LOM. Ruim een kwart vande respondenten noemt beindiging van het contractals reden van verlaten van Defensie. Ruim 17% geeft aanzelf ontslag te hebben genomen. Een enkeling verlietDefensie door ziekte, psychische klachten of een dienst-ongeval of uit onvrede over de defensieorganisatie. Dehelft van de veteranen had gedurende de uitzending derang van soldaat tot korporaal. Ruim 20% had de rangvan tweede luitenant of hoger.

    Mate van uitzendinggerelateerde schuld- enschaamtebelevingIn Figuur 1 zien we dat ruim een kwart van de veteranenschuld beleeft en dat 22% zich schaamt over situaties engebeurtenissen die zich gedurende de missie voordeden.Ongeveer 4% schaamt zich regelmatig of vaak en 3%voelt zich regelmatig schuldig bij de herinnering aan deuitzending.

    Figuur 1 Mate van uitzendinggerelateerde schuldbeleving (% vann = 1114) en schaamtebeleving (% van n = 1105)

    De gevolgen van geweld tegen burgerbevolking. (Foto: collectie R.C. Hunnego)

  • marineblad | maart 2010

    19

    Aard van schuldbelevingIn Figuur 2 is te zien dat de schuldbeleving van vetera-nen gerelateerd is aan zes categorien situaties die zichin het uitzendgebied voordeden: (1) omstanderrol; (2)negatieve attitude ten aanzien van de bevolking in hetuitzendgebied; (3) indirect effect van besluiten en han-delen; (4) houding en gedrag in de context van oorlogen geweld; (5) handelen en besluiten dat tot overlevenleidde of de kans op overleven vergrootte en (6) norm-loosheid. Rond 18% van de veteranen gaf aan schuldgevoelens tehebben als gevolg van de omstanderrol, zoals nietgeprotesteerd hebben tegen bruutheid of niet geprobeerdhebben bruutheid te voorkomen. Ook schuldgevoelensover hun negatieve houding ten aanzien van de bevol-king (rond 13%, waaronder geen begrip hebben voor decultuur of waarden die leven onder de bevolking in hetconflictgebied) spelen een belangrijke rol, naast schuld-gevoelens door indirect effect van besluiten en hande-len (rond 7%, waaronder bevriend raken met een burgerdie later gedood is, mogelijk als gevolg van de vriend-schap met de veteraan).Als de belangrijkste oorzaak van uitzendinggerelateerdeschuld noemen de veteranen zelf: Het gevoel hebben datje niet alles uit jezelf hebt gehaald om burgers te hel-pen.; Het verschuilen achter je werk om maar niet bijde slachtoffers te hoeven zijn.; De schuldvraag is mis-schien dat je zo machteloos bent. Je zou eigenlijk ieder-een willen helpen, maar dat kan bij een miljoen mensenniet. Die taak hadden we eigenlijk wel, althans dat vondik (). Verder bleek dat aan geweld en gevecht gerela-teerde schuldbeleving, waaronder overlevingsschuld enschuld door normloosheid onder veteranen van vredes-missies minder voorkomen dan bovenstaande schulddi-mensies.

    Als de belangrijkste oorzaak voor uitzendinggerelateerdeschaamte noemden de respondenten relatief vaak:falen, machteloos zijn en tekortschieten. Maar ookschaamden veteranen zich voor de misdragingen vancollegas, de respectloze houding ten aanzien van deburgerbevolking in het uitzendgebied, en:

    () schaamte voor de eigen luxe op de militairebasis, terwijl niet ver daar vandaan mensen hongerleden en onder erbarmelijke omstandighedenmoesten leven.14

    Determinanten van uitzendinggerelateerde schuld- enschaamtebelevingUit het onderzoek blijkt verder dat er een direct positiefverband bestaat tussen sterke machteloosheidsbelevinggedurende de missie, de (grotere) mate waarin de vetera-nen getuige waren van ellende en geweld, sterke verant-woordelijkheidsgevoelens voor het succesvolle verloopvan de missie en de mate waarin de veteranen achterafschuld en schaamte beleven bij de herinnering aan deuitzending. De ervaren machteloosheid bleek sterkernaarmate veteranen minder goed uit de voeten kondenmet de geweldsinstructies. Veteranen van vredeshandha-vende missies beleefden een sterkere mate van machte-loosheid en konden minder goed uit de voeten met degeweldsinstructies dan veteranen van vredesafdwingen-de missies. Naarmate veteranen vaker betrokken warenbij oorlogssituaties en gevechtshandelingen rapporterenzij een mindere mate van uitzendinggerelateerdeschaamte. De verschillen in de onderzoeksgroep in demate van de beleving van uitzendinggerelateerde schulden schaamte hebben ook te maken met persoonlijke ken-merken van de respondenten. Zo zien we dat de jongsteveteranen (21-30 en 31-40 jaar) in vergelijking met vete-ranen van 60 jaar en ouder vaker uitzendinggerelateer-de schuld en schaamte beleven. We vonden ook dat vrou-welijke veteranen in mindere mate uitzendinggerelateer-de schaamte beleven dan hun mannelijke collegas. Ookis de mate van schuld en schaamte afhankelijk van deeigenwaarde van de veteranen. Naarmate deze lager isvoelen veteranen zich vaker schuldig en schamen zij zichvaker bij de herinnering aan uitzendervaringen.

    ConclusieUit de aard van de schuldbeleving van veteranen van vre-desmissies en de factoren die indirect (type missie enadequaatheid van de geweldsinstructies) en direct (mach-teloosheid, verantwoordelijkheid en specifieke uitzender-varingen) van invloed zijn op de mate van uitzendingge-relateerde schuld en schaamte, kunnen we opmaken datde schuldbeleving van veteranen enerzijds vooral temaken heeft met sterke verantwoordelijkheidsgevoelensvoor het welzijn van anderen en anderzijds met hetgevoel tekort te schieten of met handen gebonden te zijngeweest. Naarmate veteranen in het uitzendgebied vakergetuige zijn geweest van ellende en geweld, rapporterenzij na afloop van de missie vaker last te hebben vanschuld en schaamte, terwijl veteranen die juist vaker

    Figuur 2 Typen uitzendinggerelateerde situaties die tot schuld-beleving kunnen leiden (% van n = 440)

    houding door contextvan oorlog

    onbegrip t.a.v. de localebevolking

    indirect effect vanbesluiten en handelen

    normloosheid

    gedrag t.b.v. overleven

    omstanderrol

    behoorlijk redelijk gering

  • KENNIS EN WETENSCHAP Machteloosheid gedurende een vredesmissie, waarom en waar leidt dat toe?20

    direct betrokken zijn geweest bij oorlogssituaties engevechtshandelingen zich minder vaak schamen voorhun uitzendervaringen. Duidelijk is dat uitzendinggere-lateerde schuld en schaamte te maken heeft met contro-leverlies, (ongewilde) passiviteit en machteloosheid. Watkunnen we in dit verband verwachten van recente mis-sies, bijvoorbeeld de missie in Afghanistan waar vredesaf-dwingende activiteiten vredeshandhavende activiteitenafwisselen of naast elkaar bestaan?

    Schuld en schaamte bij militairen die terugkomen uit AfghanistanSinds 2002 nemen Nederlandse militairen deel aan deISAF-missie (International Security Assistance Force) inAfghanistan met verschillende eenheden, waaronder hetProvinciaal Reconstructie Team (PRT), Task Force Uruzgan(TFU) en de Battle Group. De meeste Nederlandse militairenzijn werkzaam in de zuidelijke provincie Uruzgan.Daarnaast zijn Nederlandse militairen werkzaam in Kabul(Hoofdkwartier ISAF) en in Kandahar. Deze missie en hettoekomstperspectief ervan werd in het vorige Marinebladuitvoerig onder de aandacht gebracht15. In de afgelopenjaren is er veel veranderd wat betreft de mandaten engeweldsinstructies van vredesmissies. De ISAF-missie ver-schilt wat dat betreft aanzienlijk van de missies uit onzestudie. Daar waar militairen tijdens vooral vredesmissiesrelatief vaak machteloos moesten toezien hoe strijdendepartijen elkaar en de onschuldige burger geweld aande-den en mensenrechten schonden is in de ISAF-missie juisteen mandaat aanwezig om geweld te stoppen metgebruik van militaire middelen. Daardoor kunnen deandere eenheden hun wederopbouwwerkzaamheden inveiligheid uitvoeren en daarin de beoogde successen boe-ken. Gezien de aard en doelstelling van de ISAF-missie iste verwachten dat militairen die terugkeren uitAfghanistan minder last zullen hebben van schuldgevoe-lens of schaamte uit machteloosheid, maar dat anderesituaties aan schuld- en schaamtegevoelens ten grondslagzullen liggen. Te denken valt dan aan het niet hebbenkunnen voorkomen dat collegas of burgers gewond raak-ten of omkwamen of aan het verwond of gedood hebbenvan tegenstanders. Ook valt dan te denken aan situatieswaarin een collega gewond raakte of zelfs gedood werd,terwijl jijzelf ongedeerd bleef. De onzichtbare vijand ligtvoortdurend op de loer: bermbommen immers vormen in

    Afghanistan de grootste en lastigste bedreiging, waarmilitairen dagelijks mee te maken hebben. De IEDs(Improvised Explosive Device) hebben al van begin af aan veleslachtoffers gemaakt ook onder Nederlandse militairen.De typen (oorlogs)situaties, die militairen in de ISAF-mis-sie meemaken, herkennen we uit de Amerikaanse studiesonder Vietnamveteranen. Daarin zien we dat oorlogshan-delingen, gevechtsacties en het verlies of gewond rakenvan kameraden terwijl betrokkene zelf ongedeerd bleeftot combat guilt en survival guilt kunnen leiden. De ver-wachting is dat militairen die terugkeren uit Afghanistanmeer last hebben van deze traditionele typen schuldbe-leving en minder van schuldgevoelens of schaamte uitmachteloosheid.

    Ten slotteSchuld en schaamte als gevolg van uitzendervaringen zul-len niet verdwijnen. Eerder in dit artikel beschreven we alde betekenis van schuld en schaamte. Beide emotiesmaken deel uit van de normale verwerking van uitzender-varingen. Zij helpen ons ingrijpende ervaringen, de zinervan en onze verantwoordelijkheid in het verloop vansituaties en voor het welzijn van anderen te begrijpen,zoals schuld en schaamte in het dagelijks leven ook eenbelangrijke rol spelen in het begrijpelijk maken van wat erin ons leven gebeurt en waarom. Het is wel belangrijk datveteranen, die schuld en schaamte beleven, begeleid wor-den bij en kunnen praten over de (zingevings-, gewetens-,en verantwoordelijkheids) vragen die beide emoties oproe-pen. Schaamte is een pijnlijke emotie en kan leiden tot debehoefte zich volledig af te zonderen. Daardoor kan deveteraan de ingrijpende uitzendervaringen niet verwer-ken. Als er geen aandacht is voor deze gevoelens kunnenveteranen (blijvende) psychische klachten ontwikkelen. (Ex-)militairen zijn gewetensvolle mensen. Zij beschikkenover een moreel gengageerde beroepsattitude met eenpermanent groot verantwoordelijkheidsgevoel voor enbezorgdheid over het welzijn van anderen. Ook al bege-ven zij zich niet meer in het uitzendgebied en namen zijjaren geleden afscheid van de lokale bevolking daar. Hetis soms aan anderen ervoor te helpen zorgen dat de lastvan het verleden niet onnodig zwaar op dat gewetenblijft drukken. Naast de juiste voorbereiding op moreledilemmas en verantwoordelijkheden in uitzendgebied,de begeleiding daarbij gedurende en na afloop van demissie, is maatschappelijke waardering en erkenningvoor veteranen en hun gezinnen geen overbodige luxe.(Ex-)militairen verdienen dat als geen ander.

    Natasja Rietveld (1973) is socioloog en promoveerde op 16december 2009 op een sociaal wetenschappelijke studieover de beleving van uitzendinggerelateerde schuld enschaamte door veteranen die deelnamen aan vredesmis-sies. Van 2004-2008 werkte zij aan deze studie in dienstvan de Wetenschapswinkel van de Universiteit vanTilburg en in 2009 rondde zij het onderzoek af in dienstvan het Veteraneninstituut in Doorn. Beide organisaties,alsook De Algemeen Christelijke Organisatie vanMilitairen, ACOM verleenden financile steun voor hetpromotie onderzoek.

    MARVA veteranen. Foto: L. v.d. Biessen

  • marineblad | maart 2010

    21

    Noten1 Citaat pagina 9: Verweij, D.E.M. (2001). Morele vragen en

    dilemmas in de militaire praktijk. Filosofie & Praktijk, 4, jaar-gang 22, 6-15.

    2 Lifton, R.J. (1973). Home from the war. Learning from VietnamVeterans. New York: Other Press; Glover, H. (1984). SurvivalGuilt and the Vietnam Veteran. Journal of nervous and mentalDisease, 172, 393-397; Kubany, E.S. (1994). A cognitive model ofguilt typology in combat related PTSD. Journal of traumaticstress, 7, 3-17; Kubany, E.S., Abueg, F.R., Kilauano, W.L., Manke,F.P. & Kaplan, A.S. (1997). Deployment and Validation of theSources of Trauma-Related Guilt Survey-War-Zone Version(STRGS-WZ). Journal of Traumatic Stress, 10, 235-258.

    3 Singer, M. (2004). Shame, Guilt, Self-Hatred and Remorse inthe Psychotherapy of Vietnam Combat Veterans WhoCommitted Atrocities. American Journal of Psychotherapy, Vol. 58,No. 4, 377-385.

    4 Wong, M.R. & Cook, D. (1992). Shame and Its Contribution toPTSD. Journal of traumatic stress, Vol. 5 (4), 557-562; Leskela, J.,Dieperink, M. & Thuras, P. (2002). Shame and PosttraumaticStress Disorder. Journal of traumatic stress, 15, 223-226; Harrigan,P.J. (2007). Examining the relationship between shame, guilt, attribu-tions, and symptoms of posttraumatic stress disorder among maleVietnam war veterans. Dissertation, University of Miami.

    5 Rietveld, N. (2009). De gewetensvolle veteraan. Schuld- en schaamte-beleving bij veteranen van vredesmissies. Oisterwijk: UitgeverijBoxpress. Proefschrift, 440 paginas.

    6 Tangney, J.P. & Dearing, R.L. (2002). Shame and Guilt. New York,London: The Guilford Press.

    7 Kubany, E.S. & Ralston, T.C. (2006). Cognitive Therapy forTrauma-related Guilt and Shame. In V.M. Follette & J.I. Ruzek(Eds.), Cognitive-Behavioral Therapies for Trauma (p. 258-289). NewYork: Guilford Press.

    8 Taylor, G. (1985). Pride, shame, and guilt: Emotions of self-assess-ment. Oxford, UK: Clarendon Press; Tangney & Dearing, 2002;Tangney, J.P., Stuewig, J. & Mashek, D.J. (2007). Whats moralabout the self-conscious emotions? In J.L. Tracy, R.W. Robins & J.P.Tangney (Eds.), The self-conscious emotions. Theory and Research (p.21-37). New York, London: Guilford Press.

    9 Lewis, H.B. (1971). Shame and guilt in neurosis. New York:International Universities Press.

    10 Ausubel, D.P. (1955). Relationships between shame and guilt inthe socializing process. Psychological Review, 62, 378-390.

    11 Herman, J.L. (2002). Trauma en herstel. De gevolgen van geweld -van mishandeling thuis tot politiek geweld. Amsterdam: UitgeverijWereldbibliotheek Amsterdam.

    12 Veteranen die deelnamen aan de missies in het voormaligNederlands-Indi en in Nederlands Nieuw-Guinea zitten hierniet bij. Dit waren namelijk geen vredesmissies, maar oorlogs-missies. De telling is wel inclusief Korea-veteranen. De deelna-me van een VN-troepenmacht aan de oorlog in Korea was inessentie een vredesafdwingende operatie. Bron:Veteraneninstituut en Ministerie van Defensie.

    13 Respondent van het vragenlijstonderzoek naar schuld- enschaamtebeleving bij veteranen, juni 2006.

    14 Idem.15 Wagemaker, A.J.E. (2010). Afghanistan, quo vadis? Marineblad,

    nr. 1, februari 2010, jaargang 120

    21BOEKEN

    Het Wiel OpnieuwUitvinden, Cycli enNiveaus vanLeiderschap.

    Zodoende wordt duidelijk dat vooruit-gang ook achteruitgang kan zijn, datwinst ook verlies betekent en dat eeneinde weer een nieuw begin kan mar-keren. Het afnemen van lichamelijkekrachten blijkt zo gepaard te kunnengaan met een bloei in geestelijke rijp-heid. Het model is begin 1900 ontwik-keld door de Amerikaan JosephCampbell, die zich liet inspireren doorOosterse filosofien. Prof.dr. Verkuylbeschrijft Joseph Campbell overigensals grondlegger van de New AgeBeweging, vooral met zijn mythologie.Verkuyl beantwoordt de vraag 'Zijnalle godsdiensten gelijk' in zijn gelijk-namige boek met een volmondig nee,dit in tegenstelling tot de New AgeBeweging, die wel doet voorkomenalsof alle godsdiensten gelijk zijn. Dechristelijke kerk belijdt de menswor-ding van God in de gestorven enopgestane Jezus, volgens de New AgeBeweging gaat het om de godwordingvan ieder mens. De laatste bladzijdenvan het boek contrasteren Oostersef