Hoofdstuk 2. Beslissing die de aanstelling van de gerechtelijke... Beslissing aanstelling deskundige

download Hoofdstuk 2. Beslissing die de aanstelling van de gerechtelijke... Beslissing aanstelling deskundige

If you can't read please download the document

  • date post

    14-Feb-2020
  • Category

    Documents

  • view

    0
  • download

    0

Embed Size (px)

Transcript of Hoofdstuk 2. Beslissing die de aanstelling van de gerechtelijke... Beslissing aanstelling deskundige

  • OGP - Afl. 87 XIII.B.2 - 1

    Hoofdstuk 2. Beslissing die de aanstelling van de deskundige beveelt - Procedure

    1. EENZIJDIGE GERECHTELIJKE EXPERTISE

    Deze expertise is een deskundigenonderzoek waarin de deskundi- ge noodzakelijk door de rechter wordt benoemd en waar de exper- tise niet tegensprekelijk geschiedt, hetzij omdat er slechts één partij gekend of bereikbaar is, of hetzij omdat de deskundige geen andere taak heeft dan de rechter in te lichten om de uitvoering te ver- gemakkelijken van zijn zending als rechter, zonder daarom een ad- vies te uiten nopens de standpunten van de partijen.

    2. TEGENSPREKELIJKE GERECHTELIJKE EXPERTISE

    2.1. De aanstelling van de deskundige door middel van een inci- dentele eis

    In zeer veel gevallen zal de eis tot aanstelling van een deskundige een incidentele eis zijn in een geding ten gronde. Deze onderzoek- smaatregel zal ofwel bevolen worden door de magistraat, hetzij op verzoek van één van de partijen, hetzij op zijn eigen initiatief.

    Het is echter de rechter die het monopolie van het beslissings- recht aangaande de onderzoeksmaatregel heeft.

    De partijen kunnen echter in gemeenschappelijk akkoord aan de rechter de identiteit van een deskundige voorstellen.

    Indien de magistraat soeverein oordeelt dat een deskundigenon- derzoek zich opdringt dan is hij gebonden door de keuze door par- tijen betreffende de identiteit van de deskundige op voorwaarde dat zij akkoord zijn over de identiteit van de deskundige.

    2.2. Het aanstellen van een deskundige door middel van een hoofdeis. De actio ad futurum

    Artikel 18, alinea 2 en artikel 962 van het Gerechtelijk Wetboek staan een hoofdeis tot aanstelling van een deskundige toe op voor- waarde dat de eisende partij zich in een dreiging van en/of objectief en actueel stadium van geschil bevindt.

  • Beslissing aanstelling deskundige - Procedure

    OGP - Afl. 87XIII.B.2 - 2

    Zo kan de huurder bij de aanvang van de huurovereenkomst de aanstelling van een gerechtsdeskundige vorderen voor het opstel- len van een plaatsbeschrijving en dit om te vermijden dat bij de beëindiging van de huurovereenkomst er een discussie zou kunnen ontstaan betreffende de staat waarin het goed zich bevond bij in- trede.

    2.3. Het aanstellen van een deskundige door de voorzitter van de rechtbank

    2.3.1. Vordering in kort geding

    De voorzitter van de arbeidsrechtbank en de voorzitter van de rechtbank van koophandel kunnen, in die aangelegenheden die tot de respectievelijke bevoegdheid van deze rechtbanken behoren, uitspraak doen bij voorraad.

    De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg kan dit doen in alle zaken die niet aan de rechterlijke macht onttrokken zijn (art. 584 Ger.W.).

    De procedure is tegenstelbaar. Er is normaal gezien geen enkel verschil tussen de opdracht van

    de deskundige alnaargelang hij door de rechter in kort geding of door de rechter ten gronde is aangesteld.

    Het enige verschil tussen de beslissing uitgesproken door de rechter in kort geding en de rechter ten gronde is dat de rechter in kort geding voorbehoud maakt wat de rechten van de partijen ten gronde betreft. Hij beslist ‘bij voorraad’ (art. 584, 2de lid Ger.W.).

    Om een expertise in kort geding te mogen aanvragen is de ‘drin- gende noodzakelijkheid’ vereist.

    Deze dringende noodzakelijkheid of hoogdringendheid bestaat wanneer een feitelijke toestand waarvan de vaststelling nodig is als bewijs voor een partij, gevaar loopt te verdwijnen of gewijzigd te worden.

    De vordering tot aanstelling van een gerechtsdeskundige tot na- zicht van de gebreken aan een woning werd b.v. echter als onge- grond afgewezen, vermits de aangeklaagde gebreken reeds 2.5 jaar aanwezig waren (Kort Ged., Rb. Kortrijk, 21 september 1995, T.G.R. 1995, 238).

    De dringende noodzakelijkheid moet bestaan op het ogenblik van de eis.

    De oorzaak van de vertraging om een expertise aan te vragen is hier zonder belang.

    De rechter in kort geding mag aan de deskundige zelfs vragen de

  • Beslissing aanstelling deskundige - Procedure

    OGP - Afl. 87 XIII.B.2 - 3

    voorafgaande opdracht te geven of de gevraagde vaststellingen hoogdringend voorkomen, en zich aldus laten inlichten door de deskundige nopens bestanddelen die hem zullen toelaten te oorde- len over zijn eigen bevoegdheid (CLOQUET, A., Deskundigenon- derzoek in zaken van privaatrecht, A.P.R., E. Story-Scientia, 1975, 84).

    De beslissing tot aanstelling van een gerechtsdeskundige wordt uitgesproken ten voorlopige titel (art. 584 Ger.W.).

    Het is duidelijk dat de opdracht van de deskundige in kort geding zeer goed de grond van de zaak mag en kan raken, vermits het advies nooit de rechter ten gronde kan binden (CLOQUET, A., o.c., nr. 204).

    De aanstelling van een deskundige in kort geding laat de eiser volledig vrij de hoofdvordering ten gronde in te stellen voor om het even welke bevoegde rechter ten gronde.

    Om te weten voor welke rechter in kort geding men moet dag- vaarden zijn de algemene regelen inzake bevoegdheid toepasselijk, behalve wanneer speciale wetten ervan afwijken voor bijzondere materies.

    Zo zal voor een probleem op een werf de eiser kunnen dagvaar- den voor de rechter in kort geding die bevoegd is voor de plaats waar de werf zich bevindt, ongeacht of de eiser en verweerder in een andere gerechtelijk arrondissement gedomicilieerd zijn of maatschappelijke zetel hebben.

    Partijen kunnen zelfs een andere plaatselijke bevoegdheid bij overeenkomst bepalen in de materies die de openbare orde niet raken.

    In geval van volstrekte noodzakelijkheid, d.w.z. wanneer de aan- gevraagde maatregel zo dringend is of van zulke aard dat er gevaar zou bestaan wanneer men gebruik moet maken van de gewone pro- cedure in kort geding, kan de vordering zonder termijnen ingeleid worden voor de voorzitters van de rechtbank.

    De volstrekte noodzakelijkheid moet zodanig zijn dat elk van de termijnen elk kort geding ten huize van de rechter niet zouden vol- staan om een dreigend gevaar te keren.

    Om te kunnen dagvaarden in kort geding is zoals hierboven ge- steld hoogdringendheid vereist. Hoogdringendheid of spoed is er wanneer er een werkelijk gevaar bestaat dat de minste vertraging een reëel en beduidende schade kan veroorzaken. De schade moet niet onherstelbaar zijn en evenmin actueel.

    De appreciatie van het tijdselement is echter in kort geding zeer belangrijk. Wanneer blijkt dat men voor de rechter ten gronde eveneens tot een snelle vaststelling kan komen, zal de voorzitter

  • Beslissing aanstelling deskundige - Procedure

    OGP - Afl. 87XIII.B.2 - 4

    besluiten dat er geen aanleiding bestaat om in kort geding over te gaan tot het deskundig onderzoek.

    De partij die het deskundig onderzoek vraagt mag zelf niet te kort geschoten zijn in het veilig stellen van haar belangen (VAN- DERPER, K., ‘De vordering tot aanstelling van een deskundige’, in X, Expertise, IUS, Kluwer rechtswetenschappen, 1987, 46).

    De onzorgvuldigheid of nalatigheid van de eisende partij leidt nochtans niet automatisch tot het afwijzen van de vordering.

    De voorzitter oordeelt immers over het spoedeisend karakter op het ogenblik dat hij de uitspraak doet en niet op het moment dat de eis wordt ingesteld (CLOQUET, A., o.c., nr. 201). Het vermoeden dat de vordering in kort geding wordt afgewezen indien de eisende partij zelf de oorzaak van het veroorzaken van de hoogdringend- heid is dus geen absoluut vermoeden. De feitelijke situatie kan zich namelijk in de tijd wijzigen en verscherpen zodat het vermoeden weerlegd wordt.

    2.3.2. De aanstelling van een deskundige op eenzijdig verzoek- schrift

    Zoals hierboven reeds gemeld kan in geval van volstrekt noodzake- lijkheid de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, koophan- del en arbeidsrechtbank, een deskundige aanwijzen.

    In de rechtspraak is er betwisting hoe volstrekt een noodzaak moet worden begrepen en of bijvoorbeeld de noodzaak de tegen- partij te verassen (om te verhinderen dat bewijsmateriaal zou ver- dwijnen of dat men het zou doen verdwijnen) voldoet aan dit be- grip.

    Het Hof van Cassatie heeft in 1975 beslist dat de procedure op eenzijdig verzoekschrift niet verantwoord is bij gebrek aan vol- strekte noodzakelijkheid, wanneer geen uitzonderlijke urgentie valt af te leiden uit de aard zelf van de gevraagde maatregel (Cass., 13 juni 1975, Pas. 1975, I, 984).

    In de dagelijkse praktijk wordt de procedure op eenzijdig ver- zoekschrift bijzonder omzichtig benaderd.

    De voorzitter van de rechtbank is immers uitsluitend aangewe- zen op de uitleg en de verklaringen van de verzoeker.

    De voorzitter van de rechtbank zal soeverein oordelen of er drin- gende noodzakelijkheid is.

    De voorzitter van de rechtbank kan ook van mening zijn dat de volstrekte noodzakelijkheid op lange termijn niet gegrond kan blij- ven of zou kunnen worden misbruikt. Vaak zal de voorzitter dan ook de verzoeker bevelen binnen een vastgestelde, meestal korte,

  • Beslissing aanstelling deskundige - Procedure

    OGP - Afl. 87 XIII.B.2 - 5

    periode te dagvaarden ten gronde. Het is tot het verstrijken van die termijn dat het bevelschrift uitwerking zal hebben.

    3. DE AANSTELLING VAN EEN DESKUNDIGE OP VER- ZOEKSCHRIFT DOOR DE VREDERECHTER (ART. 594, § 1 GER.W.)

    De vrederechter kan op verzoekschrift uitspraak doen over vor- deringen tot aanwijzing van deskundigen wanneer dit hem toe- komt, ofwel krachtens overeenkomst tussen partijen, ofwel krach- tens de wet, ofwel wanneer het voorwerp van het deskundig onder- zoek tot zijn volstrekte bevoegdheid behoort.

    Kenmerkend voor deze re