EUROPEES PARLEMENT - Belangenorganisatie RR\ PE416.354v02-00 NL NL EUROPEES PARLEMENT 2004 2009...

download EUROPEES PARLEMENT - Belangenorganisatie RR\ PE416.354v02-00 NL NL EUROPEES PARLEMENT 2004 2009 Zittingsdocument

of 35

  • date post

    17-Jul-2020
  • Category

    Documents

  • view

    3
  • download

    0

Embed Size (px)

Transcript of EUROPEES PARLEMENT - Belangenorganisatie RR\ PE416.354v02-00 NL NL EUROPEES PARLEMENT 2004 2009...

  • RR\770602NL.doc PE416.354v02-00

    NL NL

    EUROPEES PARLEMENT

    2004 � ���

    � ���

    � �

    2009

    Zittingsdocument

    A6-0082/2009

    20.2.2009

    VERSLAG

    over de effecten van de uitgebreide verstedelijking in Spanje op de individuele

    rechten van Europese burgers, het milieu en de toepassing van Europese

    wetgeving, gebaseerd op binnengekomen verzoekschriften

    (2008/2248(INI))

    Commissie verzoekschriften

    Rapporteur: Margrete Auken

  • PE416.354v02-00 2/35 RR\770602NL.doc

    NL

    PR_INI_PETI

    INHOUD

    Blz.

    ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT .......................................... 3

    TOELICHTING ....................................................................................................................... 15

    ADVIES VAaN DE COMMISSIE JURIDISCHE ZAKEN OVER DE

    RECHTSGRONDSLAG.......................................................................................................... 32

    UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE .............................................. 35

  • RR\770602NL.doc 3/35 PE416.354v02-00

    NL

    ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

    over de effecten van de uitgebreide verstedelijking in Spanje op de individuele rechten

    van Europese burgers, het milieu en de toepassing van Europese wetgeving, gebaseerd

    op binnengekomen verzoekschriften

    (2008/2248(INI))

    Het Europees Parlement,

    – gezien de verzoekschriften die als bijlage bij dit document zijn opgenomen, en met name

    verzoekschrift 0609/03,

    – gelet op het in artikel 194 van het EG-Verdrag verankerde petitierecht,

    – gelet op artikel 192, lid 1, van zijn Reglement,

    – gezien het verslag van de Commissie verzoekschriften en het advies van de Commissie

    juridische zaken (A6-0082/2009),

    A. overwegende dat de verzoekschriftenprocedure de Europese burgers en ingezetenen een

    mogelijkheid biedt om langs buitengerechtelijke weg verhaal te halen in het geval van

    klachten wanneer deze onderwerpen betreffen die tot het werkterrein van de Europese

    Unie behoren,

    B. overwegende dat in artikel 6, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie is

    bepaald dat "de Unie is gegrondvest op de beginselen van vrijheid, democratie,

    eerbiediging van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en van de

    rechtsstaat, welke beginselen de lidstaten gemeen hebben",

    C. overwegende dat de Unie overeenkomstig artikel 6, lid 2, van het EU-Verdrag verplicht

    is de grondrechten, zoals die worden gewaarborgd door het Europees Verdrag tot

    bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), te

    eerbiedigen,

    D. overwegende dat elke burger of ingezetene van een land dat het EVRM heeft

    ondertekend die van mening is dat zijn mensenrechten zijn geschonden, zich tot het

    Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg zou moeten wenden, met

    dien verstande dat pas een klacht bij het Hof kan worden ingediend nadat alle nationale

    rechtsmiddelen zijn uitgeput, zoals bepaald in artikel 35 van het EVRM,

    E. overwegende dat artikel 7 van het EU-Verdrag in procedures voorziet met behulp

    waarvan de Unie op inbreuken op de in artikel 6, lid 1, genoemde beginselen kan

    reageren en naar oplossingen kan zoeken,

    F. overwegende dat artikel 7 het Parlement bovendien het recht geeft de Raad een met

    redenen omkleed voorstel te doen om te onderzoeken of er duidelijk gevaar bestaat dat

    de waarden waarop de Unie is gegrondvest, door een lidstaat op ernstige wijze worden

    geschonden,

    G. overwegende dat artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

  • PE416.354v02-00 4/35 RR\770602NL.doc

    NL

    de bescherming garandeert van het privéleven en het familie- en gezinsleven van de

    burgers, met inbegrip van hun woning, en in overweging van het feit dat artikel 8 van het

    EVRM dezelfde rechten inhoudt en verduidelijkt dat "geen inmenging van enig

    openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is

    voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de

    nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het

    voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid

    of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen";

    overwegende dat het Parlement, de Raad en de Commissie zich ertoe hebben verplicht

    het Handvest bij al hun activiteiten te eerbiedigen,

    H. overwegende dat het recht op eigendom als fundamenteel recht van de burgers van de

    Europese Unie wordt erkend in artikel 17 van het Handvest van de grondrechten, dat

    bepaalt dat "eenieder het recht [heeft] de goederen die hij rechtmatig heeft verkregen in

    eigendom te bezitten", dat "niemand zijn eigendom [mag] worden ontnomen, behalve in

    het algemeen belang in de gevallen en onder de voorwaarden waarin de wet voorziet en

    mits zijn verlies tijdig op billijke wijze wordt vergoed", en dat "het gebruik van de

    goederen kan worden geregeld bij de wet voor zover het algemeen belang dit vereist",

    I. overwegende dat artikel 18 van het EG-Verdrag bepaalt dat "iedere burger van de Unie

    het recht [heeft] vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder

    voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij dit Verdrag en de bepalingen ter

    uitvoering daarvan zijn vastgesteld",

    J. overwegende dat het EG-Verdrag overeenkomstig artikel 295 "de regeling van het

    eigendomsrecht in de lidstaten onverlet [laat]"; overwegende dat die bepaling volgens de

    jurisprudentie van het Hof van Justitie uitsluitend de bevoegdheid van lidstaten erkent

    om het eigendomsrecht te regelen; en overwegende dat de jurisprudentie van het Hof van

    Justitie heeft bevestigd dat de desbetreffende bevoegdheden van de lidstaten altijd

    moeten worden uitgeoefend onder eerbiediging van de fundamentele beginselen van het

    Gemeenschapsrecht, zoals het vrij verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal

    (zie het arrest van 22 juni 1976 in zaak C-119/75: Terrapin – Terranova [1976], Jurispr.

    blz. 1039),

    K. overwegende echter dat het Hof van Justitie steeds heeft geoordeeld dat het

    eigendomsrecht weliswaar deel uitmaakt van de algemene beginselen van het

    Gemeenschapsrecht, maar dat het geen absoluut recht is en moet worden beschouwd in

    relatie tot de maatschappelijke functie die het vervult en dat bijgevolg de uitoefening van

    dit recht aan beperkingen kan worden onderworpen, mits die beperkingen daadwerkelijk

    beantwoorden aan de doelstellingen van algemeen belang die de Gemeenschap nastreeft

    en geen onevenredige en onduldbare ingreep vormen waardoor de essentie van het

    gewaarborgde recht wordt aangetast, (zie het arrest van 10 december 2002 in zaak

    C-491/01 British American Tobacco (Investments) en Imperial Tobacco [2002] Jurispr.

    I-11453),

    L. overwegende dat het Hof van Justitie ondanks deze jurisprudentie steeds heeft

    geoordeeld dat wanneer nationale bepalingen buiten het werkingsgebied van het

    Gemeenschapsrecht vallen, de Gemeenschap geen jurisdictie heeft voor het beoordelen

    van de verenigbaarheid van die bepalingen met de fundamentele rechten op de naleving

  • RR\770602NL.doc 5/35 PE416.354v02-00

    NL

    waarvan het Hof toeziet (zie bijvoorbeeld het bevel van 6 oktober 2005 in de zaak

    C-328/04: Vajnai [2005] Jurispr. I-8577), punten 12 en 13),

    M. overwegende dat de eerste alinea van artikel 1 van het eerste aanvullende protocol bij het

    EVRM bepaalt dat "iedere natuurlijke of rechtspersoon recht [heeft] op het ongestoord

    genot van zijn eigendom", dat "aan niemand zijn eigendom [zal] worden ontnomen

    behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de

    algemene beginselen van internationaal recht"; overwegende dat de tweede alinea van

    dat artikel bepaalt dat "(d)e voorgaande bepalingen (…) echter op geen enkele wijze het

    recht [zullen] aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij

    noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming

    met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of

    boeten te verzekeren"; voorts overwegende dat op het moment van ratificatie van

    genoemd protocol Spanje een voorbehoud aantekende met betrekking tot artikel 1 op

    grond van artikel 33 van de Spaanse grondwet, dat als volgt bepaalt: "Het recht op privé-

    eigendom en het erfrecht worden erkend. 2. De maatschappelijke functie van deze

    rechten bepaalt hun reikwijdte, conform het bepaalde in de wet. 3. Aan niemand mogen

    zijn eigendom of rechten worden ontnomen, uitgezonderd op gerechtvaardigde gronden

    van publiek of maatschappelijk belang, tegen een redelijke vergoeding en

    overeenkomstig het bepaalde in de wet",

    N. overwegende dat het Parlement van oordeel is dat de verplichting om rechtmatig

    verworven privé-