Diversiteit Voor wie durft kritisch Burgerschap Diversiteit kritisch 2015. 4. 29.آ  En zo, op die...

download Diversiteit Voor wie durft kritisch Burgerschap Diversiteit kritisch 2015. 4. 29.آ  En zo, op die warme,

of 22

  • date post

    01-Jan-2021
  • Category

    Documents

  • view

    2
  • download

    0

Embed Size (px)

Transcript of Diversiteit Voor wie durft kritisch Burgerschap Diversiteit kritisch 2015. 4. 29.آ  En zo, op die...

  • Monique Leygraaf

    D ivers ite it & kr it isch Burgerschap

    Monique Leygraaf

    D ivers ite it & kr it isch Burgerschap Voor wie durft...

  • 34

    ‘Fladderen,’ vroeg de zwaan aan de vlinder, ‘HOE doe je dat toch? Dat probeer ik nou zo vaak.’ Hij steeg op van de grond aan de oever van de rivier en probeerde te fladderen, maar het leek nergens op. ‘Pas maar op,’ zei de vlinder. ‘Straks stort je nog neer.’ Mistroostig ging de zwaan weer zitten. ‘Ik begrijp er niets van,’ zei hij. ‘En toch is het heel eenvoudig,’ zei de vlinder. Hij fladderde even om de zwaan heen en ging op de top van een grasspriet zitten. De zwaan liet zijn hoofd in zijn veren zakken en keek somber naar de grond. ‘Je moet eerst je gedachten laten fladderen, zwaan,’ zei de vlinder. ‘Dan pas jezelf.’ De zwaan zweeg. Hij wist niet of hij nu boos zou worden of verdrietig of onverschillig. ‘Kijk,’ zei de vlinder, ‘je denkt aan honing, hm lekkere honing, en dan meteen daarna denk je aan boomschors en dan aan het nijlpaard en dan aan kroos, aan een krukje, aan zand, aan een schaar, aan rozen, het geeft niet wat, als je maar meteen aan iets anders denkt als je ergens aan denkt...’ ‘Dat kan ik niet,’ zei de zwaan, wiens gedachten altijd statig waren alsof zij langs lange lanen schre- den en slechts met vaste tussenpozen minzaam knikten naar oude herinneringen. ‘Nee,’ zei de vlinder. ‘Maar je kunt het wel leren.’ En zo, op die warme, wolkeloze dag, aan de oever van de rivier, kreeg de zwaan les van de vlinder.

    Kritisch burgerschapsonderwijs als bijdrage aan Social Justice

    1

    In verkorte vorm uitgesproken als lectorale afscheidsrede. Amsterdam, 7 januari 2014

  • 54

    Wat het leven tussen de paardenbloemen, dunne avondnevels en klaprozen zo ingewikkeld en tegelijkertijd fascinerend maakt, is iets waar we als mensen – net als de dieren in dit dierenverhaal van Toon Tellegen – meer van vermoeden dan daadwerkelijk verstaan (Fens, 1991); waar we het ene moment met volle teugen van genieten, terwijl het ons op een ander moment aanvliegt en bij de keel grijpt. Vast staat dat we door de eeuwen heen uiting hebben proberen te geven aan dat wat ons zowel fascineert als aangrijpt en wat ons bovenal ontglipt. De tentoonstelling Ice Age Art: Arrival of the Modern Mind in het British Museum (2013) bijvoorbeeld heeft indirect laten zien dat de makers van de daar tentoongestelde Europese kunstwerken 40.000 jaar geleden al over hersenen beschikten die het vermogen hadden zich op een symbolische wijze uit te drukken. (Cook, 2013)

    Behalve in al dan niet bewaard gebleven kunstvoorwerpen en kunstwerken probeert de mens ook in woorden uitdrukking te geven aan dat waar we niet over uit kunnen en wat we tegelijkertijd ook niet grijpen kunnen. De Grieken hanteerden daarbij het begrip mythos; naast de logos één van de door de Grieken onderscheiden wijzen van denken, spreken en kennis creëren. De logos, de rede, wordt door Karen Armstrong gedefinieerd als de “pragmatische manier van denken die mensen in staat stelde doelmatig in de wereld te functioneren.” (Armstrong, 2009, p. 11) Een accurate correspondentie tussen de logos enerzijds en de externe werkelijkheid anderzijds is noodzakelijk wil de logos zijn doel niet voorbij schieten. Armstrong geeft aan dat logos van wezenlijk belang is voor het overleven van onze soort, maar dat de logos ook zijn beperkingen heeft: logos is niet in staat menselijk leed te verzachten, of betekenis te geven aan dingen die je overkomen in het leven. Daarvoor deden de mensen een beroep op de mythos, de mythe: “verhalen (…) over de ongrijpbare, verwarrende en tragische aspecten van het menselijk bestaan, die buiten het terrein van de logos lagen.” (Armstrong, 2009, p. 12)

    Hoewel ons huidige tijdsgewricht gekarakteriseerd kan worden als een door de wetenschappelijke logos beheerste tijd waarin helaas weinig tot geen ruimte is voor mythos, benadrukt Armstrong dat voor de

    Hij leerde van de hak op de tak te springen, rommelig te zijn, nooit iets zeker te willen weten, maar ook nooit iets over te slaan. ‘Iets is niets,’ zei de vlinder. ‘Dát wel. Maar alles is wel alles.’ ‘En niets?’ vroeg de zwaan. ‘Dat zei ik net,’ zei de vlinder. ‘Dat is iets.’ Er vielen gaten in de gedachten van de zwaan, flarden raakten er los en woeien weg, en tegen het eind van de middag was niet een van zijn gedachten meer statig of recht. Met grote ogen keek hij om zich heen, zijn hart bonsde, en toen de vlinder hem opeens een duw gaf sprong hij op en fladderde hij rond, totdat hij op de grond viel. ‘Au,’ zei hij. Maar hij lachte. ‘Zie je wel!’ zei de vlinder. ‘Nu kun je misschien nooit meer over de horizon verdwijnen of boven de wolken opstijgen, en ook zul je misschien nooit meer urenlang kunnen doorvliegen. Maar je kunt fladderen!’ De zon ging juist onder en samen fladderden zij rond door de dunne avondnevels. Zij doken onder een paardebloem door, beschreven lussen tussen de takken van de wilg en wensten elkaar ten slotte geluk met alles. ‘Wat was alles ook maar weer?’ vroeg de zwaan, terwijl hij een scherpe bocht nam en rakelings langs een klaproos scheerde. ‘Alles,’ zei de vlinder. ‘O ja!’ zei de zwaan. ‘Hoe kon ik dat nou vergeten.’ (Tellegen, 1990, pp. 5-6)

  • 76

    Durven Wanneer één ding van de zwaan in de mythos van Toon Tellegen gezegd moet worden, dan is het dat hij durf heeft. De zwaan is een zwaan met lef. Hij heeft iets ontdekt dat nieuw voor hem is – namelijk fladderen – en die ontdekking laat hem niet los. Hij doet poging na poging om dat nieuwe onder de knie (in dit geval: onder de vleugel) te krijgen, al is het tevergeefs. De zwaan had bij de ontdekking van het voor hem nieuwe fladderen ook niets kunnen doen. Hij had kun- nen denken: ‘Fladderen, wat is dat? Dat ken ik niet… En dat kan ik niet…’. En dan was alles gebleven zoals het was. Verhaaltechnisch was het nooit tot een mo- tor in het verhaal gekomen. En belangrijker nog: het nieuw ontdekte was altijd iets van buiten-de-zwaan gebleven; het was altijd iets gebleven van waar de zwaan niets mee van doen had; en voor de zwaan zou het verdwenen zijn alsof het nooit bestaan had en voor hem altijd onopgemerkt was gebleven. Maar zo niet onze zwaan. Onze zwaan is een zwaan met lef. Ook al lijkt het niks-voor-hem te zijn, het nieu- we dat hij ontdekt heeft wil hij zich eigen maken, al moet alles er voor op zijn kop. Wij zouden plechtig

    Grieken geen concurrentie bestond tussen beide vormen van spreken, denken en kennen. Beide werden als essentieel beschouwd: logos en mythos stonden voor de Grieken niet op gespannen voet met elkaar, maar werden gezien als complementair.

    De mythos van Toon Tellegen over de zwaan en de vlinder is een verhaal dat op een narra- tieve manier tal van aspecten in zich draagt die wezenlijk zijn voor zowel de visie van het lectoraat op ‘Diversiteit en Kritisch Burgerschap’ als de wijze waarop we de afgelopen jaren binnen het lectoraat gewerkt hebben. Hopelijk zonder de mythos van de zwaan en de vlinder overbodig te maken – laat staan op te blazen – zullen in deze lezing de wezenlijke aspecten die deel uitma- ken van onze visie op kritisch burgerschap besproken worden onder de titel ‘Durven, denken, doen’. Deze drieslag zal uitmonden in de gewaagde, gezamenlijk te doordenken, vraag naar het waartoe van het onderwijs en de relatie tussen onderwijs en Social Justice. Het doen toenemen van rechtvaardigheid zal ten slotte geïllustreerd worden aan de hand van een voorbeeld waarin het ontwikke- len van een kritische houding ten aanzien van schoolse kennis centraal staat. In dit voorbeeld wordt een klein project (en daaraan gekoppeld onderzoek) rond de Nederlandse betrokkenheid bij de transatlantische slavernij uitgewerkt, dat plaatshad in het (school)jaar waarin in Nederland de 150e verjaardag van de afschaffing van deze ‘misdaad tegen de menselijkheid’ (VN) gevierd werd. De wijze waarop binnen het lectoraat ‘Diversiteit & Kritisch Burgerschap’ de afgelopen acht jaar gewerkt is, zal bin- nen dit betoog exemplarisch aan de orde komen.

  • 98

    Zo’n versmelting van horizonten vraagt om moed. Het is veiliger en vaak meer comfortabel om binnen de grenzen van je eigen horizon te blijven zitten, in plaats van in beweging te komen op zoek naar nieuwe mogelijkheden. Het team van de St. Radboudschool in Heiloo heeft zich gedurende de periode waarin het lectoraat actief was als een team met lef laten kennen. Als zelfbenoemd ‘witte school’ is dat team op zoek gegaan naar mogelijkheden om beter oog te hebben voor de diversiteit die ook binnen deze schijnbaar monoculturele school aanwezig is; om als leerkracht kinderen, ouders en collega’s te prikkelen om vanuit andere, nieuwe perspectieven te kijken. Zo wordt rond Sinterklaas met 50 kinderen uit de onderbouw via het digibord het prentenboek Schoenen voor Sinterklaas (Michgelsen & Wolf de, 2007) gelezen over Said die “komt uit een land, heel ver van Nederland vandaan” en die niets begrijpt van de opwinding die Sinterklaas teweeg brengt bij zijn beste vriendin Felicia, die hem alles uitlegt wat hij niet snapt. “Van Sinter- klaas die jarig is. En schoenen die je moet klaarzetten. Je kent dat liedje wel. Maar Said niet. (…) ’s Avonds verstopt Said zijn nieuwe schoenen. Voor de zekerheid. In het verste hoekje onder zijn bed.” Want zijn schoenen zijn voor de winter, niet voor Sinterklaas. Eén van de leerkrachten noteert later in haar logboek:

    Vlak voor Sinterklaas kijken we het prentenboek van Said en z