De tirannie van transitie en transformatie van de jeugdzorg

De tirannie van transitie en transformatie van de jeugdzorg page 1
De tirannie van transitie en transformatie van de jeugdzorg page 2
De tirannie van transitie en transformatie van de jeugdzorg page 3
download De tirannie van transitie en transformatie van de jeugdzorg

of 3

  • date post

    17-Mar-2017
  • Category

    Documents

  • view

    230
  • download

    2

Embed Size (px)

Transcript of De tirannie van transitie en transformatie van de jeugdzorg

  • OpmerkelijkDe tirannie van transitie entransformatie van de jeugdzorg

    Geert Jan Stams, Jessica Asscher en Jan Hendriks

    Clarijs (2013) promoveerde onlangs ophet proefschrift Tirannie in de jeugdzorg,een historische beleidsanalyse van 60 jaartransitie (decentralisatie) en transforma-tie van de jeugdzorg. Volgens Clarijswordt het jeugdzorgbeleid gekenmerktdoor willekeur en desinteresse, oftewel,tirannie. Het beleid is gericht op de kortetermijn, is probleemgericht in plaats vanoplossingsgericht en heeft een hybrideprivaat-publiekelijk karakter in financie-ring, management en bestuur. Jeugd-zorgbeleid wordt momenteel bepaalddoor 7 ministeries, 15 provincies of

    grootstedelijke regios, 403 gemeenten,28 zorgkantoren, 56 zorgverzekeraars en70 particuliere instellingen verenigd in debrancheorganisatie Jeugdzorg Nederland.Deze belanghebbenden zijn volgens Cla-rijs met elkaar verwikkeld in een polder-politiek van compromissen die nog inef-fectiever en trager is dan, lang geleden,het bestuur van de 11 steden en 30 griete-nijen (i.e. dorpen) in Friesland. Dit isoverigens maar een betekenis van de uit-drukking op zn elfendertigst: langzaamen ineffectief. De oudste betekenis ver-wijst naar een kam voor het weven vanzeer fijn textiel met 11 en 30 gangen,waardoor weliswaar langzaam, maar metde grootst mogelijke nauwkeurigheid ge-weven kon worden. Deze positieve dui-ding van de uitdrukking op zn elfender-tigst zou ons inziens de leidraad moetenzijn in de transitie en transformatie vande jeugdzorg: langzaam en nauwkeurigweven aan een netwerk van effectievejeugdzorg. Waarschijnlijk is namelijk niethet gebrek aan snelheid het belangrijkstebeleidsprobleem, want de praktijk wordtvoortdurend opgezadeld met vlot en on-zorgvuldig gefabriceerde nieuwe beleids-maatregelen als antwoord op incidenten,maar het ontbreken van zorgvuldig beleiddat steunt op nauwkeurige analyse van defeiten (Clarijs, 2012).

    De zorg in Nederland wordt gedecen-traliseerd. Deze transitie houdt in dat de(provinciale) jeugdzorg vanaf 1 januari2015 de verantwoordelijkheid van de ge-meente wordt. Dit lost mogelijk het pro-bleem op van de complexe financiering.Een gevaar is echter dat de jeugdzorg nogingewikkelder wordt waar justitie takenbehoudt en gemeenten enerzijds de za-ken zelf regelen en anderzijds (per ge-meente verschillend) bovenlokale samen-

    113

    Prof. dr. G. J. Stams is hoogleraar Forensische

    Orthopedagogiek bij de afdeling Pedagogiek,

    Onderwijskunde en Lerarenopleiding, faculteit der

    Maatschappij en Gedragswetenschappen van de

    Universiteit van Amsterdam, Postbus 94208, 1090

    ge Amsterdam. E-mail: G.J.J.M.Stams@uva.nl.

    Dr. J. Asscher is universitair hoofddocent

    Forensische Orthopedagogiek bij de afdeling

    Pedagogiek, Onderwijskunde en Lerarenopleiding,

    faculteit der Maatschappij en

    Gedragswetenschappen van de Universiteit van

    Amsterdam.

    Prof. dr. J. Hendriks is hoogleraar Forensische

    Orthopedagogische Diagnostiek en Behandeling

    bij de afdeling Pedagogiek, Onderwijskunde en

    Lerarenopleiding, faculteit der Maatschappij en

    Gedragswetenschappen van de Universiteit van

    Amsterdam, en hoogleraar Forensische Psychiatrie

    en Psychologie bij de afdeling Criminologie van de

    Vrije Universiteit van Amsterdam. Daarnaast is hij

    werkzaam als klinisch psycholoog bij De Waag,

    centrum voor ambulante forensische psychiatrie.

    kind en adolescent | jaargang 35 (2014), nr. 2, p. 113115 | www.kindenadolescent.nl

  • werking aangaan op uiteenlopende on-derwerpen, waarmee zij een nieuwezorglaag creeren (Clarijs, 2012). Een an-der gevaar komt voort uit de vervangingvan het recht op zorg van burgers dooreen zorgplicht van de overheid. Dezezorgplicht biedt niet dezelfde garantie alshet recht op zorg in de huidige Wet op deJeugdzorg. Het gevaar is dat met de tran-sitie onvoldoende financiele middelenbeschikbaar komen voor specifiekjeugd(zorg)beleid. Op zn minst kan ernaast een tirannieke voorgenomen bezui-niging op de jeugdzorg van 15 procent(efficiencykorting), ook een willekeurigonderscheid tussen gemeenten ontstaanwaar het de beschikbaarheid van adequatejeugdzorg betreft. Sommige gemeentenboeken al zon 40 procent bezuinigingenin, omdat zij verwachten dat de transfor-matie (een verschuiving naar lichte hulpen preventie ten koste van zwaardere,specialistische en/of residentiele zorg)gunstig zal uitpakken (Hollander, VanKlaveren, Faun, & Spijkerman, 2013). Hetvalt overigens te betwijfelen of (nieuwe)preventieve interventies, zoals wrapa-round care, waarvan de effectiviteit nogniet bewezen is, zullen leiden tot minderzware en gespecialiseerde zorg (Souve-rein, Van der Helm, & Stams, 2013). Ver-meiren (2014) laat in dit verband zien datpsychiatrische stoornissen niet met (ge-neralistische) preventieve zorg, zoals insociale wijkteams geboden, gunstig te be-nvloeden zijn. Hier is dure gespeciali-seerde behandeling vereist, waardoor hetvolgens Vermeiren niet zozeer de vraag isof gemeenten straks zullen kiezen voorlantaarnpalen in plaats van kinderen,maar of gemeenten uberhaupt nog geldzullen hebben voor lantaarnpalen.

    De transformatie betekent dat dejeugdzorg dichter bij de burgers moetkomen te staan, maar die burgers moeten

    het nu wel vooral zelf gaan doen, opeigen kracht, niet langer afhankelijk vande overheid, maar gebruikmakend vanhun eigen competenties en sociale net-werk. Waar ooit niemand aan de zorgmocht ontsnappen, mag nu niemand aande participatie ontsnappen. Burgers moe-ten gaan meedoen in de participatiesa-menleving, wat overigens een tautologieis. Participatie kan echter tiranniek wor-den wanneer individuele competentiestekortschieten om succesvol te kunnenparticiperen (Bexkens, Graas, & Hui-zinga, 2014) of wanneer ouders en kin-deren in de jeugdbescherming zich te-vreden moeten stellen met de steun uiteen zwak sociaal netwerk. Een recentemeta-analyse (Stith et al., 2009) naar ri-sicofactoren van kindermishandelingwees uit dat sociale steun nauwelijks ge-relateerd was aan kindermishandeling integenstelling tot individuele ouderken-merken (bijv. agressie), gezinsconflictenen kwaliteit van de ouder-kindrelatie, watsterke voorspellers van kindermishande-ling waren. Ook in de overzichtsstudievan Mikton en Butchart (2009) naar pre-ventieve interventies bleek een focus opsociale steun van de omgeving niet effec-tief in de aanpak van kindermishande-ling, terwijl Olds voorzorginterventie,waarin ervaren verpleegkundigen zichrichten op de kwaliteit van de ouder-kindrelatie, bleek te leiden tot 50 procentminder kindermishandeling. Aanpak vande juiste risicofactoren door middel vanevidence-based interventies blijkt dus be-langrijk. Onderzoek in Friesland weesonlangs uit dat bij jongeren in de geslotenjeugdzorg nooit risicofactoren voor devi-ant gedrag waren aangepakt in de hulp-verlening, zoals relaties met antisocialeleeftijdgenoten, agressieproblematiek enpsychische stoornissen (Broeders, 2012),terwijl effectieve methoden bestaan om

    114

    kind en adolescent | jaargang 35 (2014), nr. 2 | www.kindenadolescent.nl

  • deze problematiek aan te pakken. Menhad zich in de hulpverlening gericht opproblemen die niet aan deviant gedraggerelateerd waren. Het voorbeeld uitFriesland laat een gebrek aan maatwerkzien, wat juist door de transitie (decen-tralisatie) zou moeten verbeteren, maar erzijn helaas geen aanwijzingen dat het de-centralisatiebeleid van de rijksoverheidtot meer maatwerk leidt (Boogers,Schaap, Van den Munckhof, & Karsten,2008).

    Volgens Van Yperen en Van der Steege(2010) is de jeugdzorg niet bijzonder ef-fectief, wat waarschijnlijk vooral te wijtenis aan de beleidsproblemen die Clarijs(2012, 2013) signaleert. De jeugdzorg kanaanzienlijk effectiever zijn wanneer stan-daard gekozen zou worden voor evidence-based interventies die focussen op risico-factoren die participatie in de weg staan(Andrews & Bonta, 2010). Opmerkelijk isdat het dominante participatieparadigma,dat de kern vormt van de transformatievan de jeugdzorg, niet samengaat met eenpleidooi voor het gebruik van op empiri-sche evidentie gebaseerde diagnostiek,screening en hulpverlening. In plaatsdaarvan is het participatieparadigma eenpleidooi voor ongefundeerd generalis-tisch werken. Dit betekent dat men in dehulpverlening voortaan het doel probeertte treffen met een schot hagel waar infeite nauwkeurig gericht had moetenworden, bij voorkeur op basis van de we-tenschappelijke kennis die we de afgelo-pen 60 jaar hebben opgedaan over hetontstaan van (ernstige) gedrags- en op-voedingsproblemen en effectiviteit van(preventieve) interventies. De tirannievan transitie en transformatie van dejeugdzorg is gelegen in het dogmatischekarakter van het beleid en ongenteres-seerd in de feiten. Het is daarom tijd vooreen empirische revolutie in de jeugdzorg

    om af te rekenen met 60 jaar tiranniekjeugdzorgbeleid.

    Literatuur

    Andrews, D. A., & Bonta, J. (2010). Rehabilitating

    criminal justice policy and practice. Psychology,

    Public Policy and Law, 16, 39-55.

    Bexkens, A., Graas, D., & Huizinga, M. (2014). Als

    dat maar goed gaat: Kinderen met een LVB in het

    passend onderwijs. De psycholoog, 49 (3), 24-29.

    Boogers, M., Schaap, L., Van den Munckhof, E. D., &

    Karsten, N. (2008). Decentralisatie als opgave: Een

    evaluatie van het decentralisatiebeleid van de Rijks-

    overheid, 1993-2008. Universiteit van Tilburg: Til-

    burgse school voor politiek en bestuur.

    Broeders, R. (2012). Kerend tij: Een Fries praktijkon-

    derzoek naar jongeren in de gesloten jeugdzorg.

    Hogeschool Leiden.

    Clarijs, R. (2012). De dreigende beleidsklucht van de

    transitie jeugdzorg. Jeugdbeleid, 3, 145-167.

    Clarijs, R. (2013). Tirannie in de jeugdzorg. Amster-

    dam; swp.

    Hollander, M., Van Klaveren, S., Faun, H.,