De invloed van BOB-campagnes op ons rijgedrag: Een ......dat oorspronkelijk extern werd gereguleerd...

of 79/79
Academiejaar 2014 – 2015 Eerstesemesterexamenperiode De invloed van BOB-campagnes op ons rijgedrag: Een motivationele kijk op het rijgedrag binnen de Zelf-determinatie Theorie Masterproef II neergelegd tot het behalen van de graad van Master of Science in de Psychologie, afstudeerrichting Klinische Psychologie Promotor: Maarten Vansteenkiste 01205224 Evelien Moernaut
  • date post

    21-Feb-2021
  • Category

    Documents

  • view

    1
  • download

    0

Embed Size (px)

Transcript of De invloed van BOB-campagnes op ons rijgedrag: Een ......dat oorspronkelijk extern werd gereguleerd...

  • Academiejaar 2014 – 2015

    Eerstesemesterexamenperiode

    De invloed van BOB-campagnes op ons rijgedrag:

    Een motivationele kijk op het rijgedrag binnen de

    Zelf-determinatie Theorie

    Masterproef II neergelegd tot het behalen van de graad van Master of Science in de Psychologie, afstudeerrichting Klinische Psychologie

    Promotor: Maarten Vansteenkiste

    01205224

    Evelien Moernaut

  • Dankwoord

    Regelmatig verschijnen er berichten in de media omtrent alcoholcontroles, BOB-

    campagnes en de verkeersveiligheid in het algemeen in België. Toen ik dit als onderwerp

    voor een scriptie zag, was mijn interesse onmiddellijk gewekt om dit verder

    wetenschappelijk te kunnen onderzoeken en zo mijn steentje te kunnen bijdragen. Een

    wetenschappelijk onderzoek verloopt nooit van een leien dakje en je wordt geconfronteerd

    met verschillende hindernissen. Toch zette ik door om deze scriptie tot een goed einde te

    brengen. Graag wil ik een aantal mensen bedanken die mij doorheen deze periode hebben

    geloodst en mee hebben bijgedragen om deze scriptie tot een goed einde te brengen.

    In de eerste plaats dank ik Prof. Dr. Maarten Vansteenkiste voor het aanbrengen van

    het onderwerp en de ruimte te geven om dit zelf verder in te vullen, om mij onder te

    dompelen in de Zelf-Determinatie Theorie en voor de praktische, theoretische en analytische

    ondersteuning. Bedankt om mijn kritische kijk op onderzoek en wetenschap te stimuleren,

    maar vooral ook voor de aangename werksfeer.

    Daarnaast bedank ik ook Rachel Campbell, voor het samen op punt stellen van de

    vragenlijst, de zoektocht naar antwoorden en de analytische ondersteuning.

    Ook gaat mijn dank uit aan het BIVV, want zonder hun toestemming om de affiches

    te mogen gebruiken, was het onderzoek nooit tot stand kunnen komen.

    Verder gaat mijn dank ook uit naar mijn familie en vrienden. Om mij te ondersteunen

    doorheen dit proces, om mij verder te stimuleren, maar om er ook te zijn wanneer het

    moeilijk ging. Bedankt mijn liefste Jeroen, voor jouw onvoorwaardelijke steun, hulp en

    vertrouwen in wat ik deed.

    Evelien

    Bornem, 2015

  • Abstract

    De Zelf-Determinatie Theorie onderscheidt verschillende types van intrinsieke en

    extrinsieke motivatie die een antwoord kunnen geven waarom bepaald gedrag wordt

    gesteld. Eerder onderzoek toonde de rol aan van deze motivationele variabelen in de

    verkeerscontext. De bijdrage van deze scriptie is dat er wordt gefocust op BOB-campagnes

    en hun invloed op het gedrag van bestuurders. Dit gebeurt aan de hand van het algemeen

    karakter van de ZDT. De reactantietheorie van Brehm wordt ook kort aangehaald.

    Gebaseerd op de ZDT, worden de doelstellingen van huidig empirisch onderzoek

    uiteengezet. Er wordt nagegaan of er een verschil wordt waargenomen tussen de originele

    en aangepaste BOB-affiches, tussen de behoeftes waarop wordt ingespeeld en de volgorde

    waarin deze affiches worden aangeboden. Dit wordt onderzocht aan de hand van de

    uitkomstvariabelen perceptie van de affiche en de motivatie om niet te rijden onder invloed.

    Ten tweede gaan we nagaan wat de invloed kan zijn van de moderatoren reactantie,

    attitude tegenover rijden onder invloed en attitude tegenover BOB-campagnes op de

    uitkomstvariabelen.

    In huidig empirisch onderzoek wordt duidelijk dat ZDT een meerwaarde kan

    betekenen in het onderzoek naar hoe mensen te motiveren om de verkeersregels te laten

    volgen. De specifieke behoeftes waarop werd ingespeeld, gingen gepaard met verschillende

    uitkomsten in de perceptie van affiches en de verschillende gedragsmotieven. Dit verband

    kan variëren in de mate van reactantie die bestuurders vertonen. Door aanpassingen door te

    voeren in de affiche kan toch een wijziging verkregen worden in de gedragsmotieven,

    ondanks een visie van BOB-campagnes als weinig informerend en sterk controlerend.

  • Inhoudsopgave

    INLEIDING ................................................................................................................. 8

    VERSCHILLENDE MOTIVATIONELE DRIJFVEREN .............................................................. 10

    WAT IS MOTIVATIE? .................................................................................................................. 10

    INTRINSIEKE EN EXTRINSIEKE MOTIVATIE ........................................................................................ 10

    HET INTERNALISATIEPROCES ......................................................................................................... 11

    Globale beschrijving. ......................................................................................................... 11

    Het Verloop Van Het Internalisatieproces. ....................................................................... 12

    Effecten. ............................................................................................................................ 14

    GEBREK AAN MOTIVATIE .............................................................................................................. 15

    A-motivatie. ....................................................................................................................... 15

    Verzet. ............................................................................................................................... 16

    Reactantie. ........................................................................................................................ 18

    VOEDINGSBODEM ........................................................................................................... 19

    METATHEORIE. .......................................................................................................................... 19

    BASISBEHOEFTES. ....................................................................................................................... 21

    Beschrijving. ...................................................................................................................... 21

    CONTEXT: AUTONOMIE-ONDERSTEUNEND EN CONTROLERENDE OMGEVING. .......................................... 22

    Autonomie-ondersteunende omgeving. ........................................................................... 22

    Controlerende omgeving. .................................................................................................. 24

    Huidig verkeersbeleid. ....................................................................................................... 26

    DOELSTELLINGEN HUIDIG ONDERZOEK .......................................................................... 29

    METHODE ............................................................................................................... 32

    PROCEDURE EN DEELNEMERS ....................................................................................................... 32

    METINGEN ............................................................................................................................... 32

    RESULTATEN ........................................................................................................... 35

    PRELIMINAIRE ANALYSES .............................................................................................................. 35

    Achtergrondvariabelen. .................................................................................................... 35

    PRIMAIRE ANALYSES ................................................................................................................... 36

    Correlatietabel. ................................................................................................................. 36

    Multivariate herhaalde metingenanalyses. ...................................................................... 39

    Hoofd- en interactie-effecten van de gemanipuleerde variabelen. ............................. 39

    Effect van de distale moderator. ................................................................................... 43

    Effect van proximale moderatoren. .............................................................................. 46

  • DISCUSSIE ............................................................................................................... 52

    HET EFFECT VAN AANPASSING, BEHOEFTE EN VOLGORDE .................................................................... 52

    HET EFFECT VAN DE DISTALE MODERATOR ....................................................................................... 53

    HET EFFECT VAN PROXIMALE MODERATOREN ................................................................................... 54

    BEPERKINGEN VAN HET ONDERZOEK EN SUGGESTIES VOOR BIJKOMEND ONDERZOEK ................................ 56

    CONCLUSIE ............................................................................................................................... 57

    REFERENTIES ........................................................................................................... 58

    BIJLAGE: VRAGENLIJST ............................................................................................ 62

  • Lijst van tabellen

    Tabel 1 Verschillende types motivatie en regulatie volgens de ZDT 12

    Tabel 2 Correlaties tussen premetingen en affiche specifieke metingen 38

    Tabel 3 Descriptieven van de uitkomstvariabelen 41

    Tabel 4 Tabel met hoofd- en interactie-effecten van gemanipuleerde variabelen

    42

    Tabel 5 Tabel met hoofd- en interactie-effecten van gemanipuleerde variabelen, moderator reactantie

    45

    Tabel 6 Tabel met hoofd- en interactie-effecten van gemanipuleerde variabelen, moderator attitudes ten aanzien rijden onder invloed

    48

    Tabel 7 Tabel met hoofd- en interactie-effecten van gemanipuleerde variabelen, moderator BOB-campagnes

    51

  • Lijst van figuren

    Figuur 1 Grafische weergave van het onderzoeksopzet 31

  • 8

    Inleiding

    Tijdens de winterperiode zien we vaak weer nieuwe BOB-campagnes opduiken. Men

    tracht door middel van deze campagnes autobestuurders bewust te maken voor de gevaren

    van rijden onder invloed. Op deze manier wordt de autobestuurder aangemoedigd om

    alcohol drinken en autorijden niet te combineren. Daarnaast vinden er ook meer

    alcoholcontroles plaats (www.ikbob.be). Desondanks valt het tijdens de feestperiode voor

    dat mensen die een glaasje op hebben toch achter het stuur durven plaatsnemen. In de

    periode december 2012 tot januari 2013, blies maar liefst 2,9% van de gecontroleerde

    bestuurders positief. Het Belgisch instituut voor verkeersveiligheid concludeert hieruit dat

    97% van de bevolking de kern van de BOB-campagne ondersteunt (BIVV, 2013).

    Maar is dit wel zo? Tegenwoordig zijn er tal van apps en websites die bestuurders

    wijzen op de mogelijke plaatsen van alcoholcontroles waardoor deze kunnen ontweken

    worden. De verkregen cijfers zijn dus waarschijnlijk een onderschatting van het

    daadwerkelijk aantal bestuurders dat onder invloed rijdt. Dit blijkt ook uit recentere

    gegevens. Bij de BOB-campagne die plaatsvond tijdens december 2013 tot januari 2014, was

    er een lichte stijging van het aantal personen dat positief blies naar 3,2% (BIVV, 2014). Meer

    recent, bij een gerichte actie langs de A12 die ’s nachts plaatsvond, blies maar liefst één op

    vier positief (“Bijna één op vier”, Het Nieuwsblad, 2014). De cijfers variëren dus naargelang

    het tijdstip en periode waarin men controleert. Het aantal bestuurders dat onder invloed

    durft rijden is telkens weer gevaarlijk hoog. Hoe komt het dat bestuurders, niet alleen hun

    eigen leven, maar ook dat van anderen in gevaar brengen door onder invloed te rijden? Zou

    men zich meer moeten richten op campagnes om de mensen te sensibiliseren over de

    mogelijke risico’s? Zijn de sancties op rijden onder invloed niet streng genoeg of achten

    mensen de pakkans eerder te klein? Spelen er nog andere factoren een rol, zoals de

    attitudes tegenover de BOB-campagnes?

    In deze masterproef wordt onderzocht hoe bestuurder gemotiveerd kunnen worden

    om zich al dan niet aan de verkeersregels te houden en meer specifiek aan de richtlijnen

    omtrent het rijden onder invloed. Ook wordt de invloed van BOB-campagnes op de

    motivatie van bestuurders om al dan niet te rijden onder invloed onderzocht. Hierbij wordt

    nagaan hoe bestuurders BOB-campagnes, meer bepaald de affiches, beoordelen. In welke

    mate worden deze affiches gepercipieerd als autonomie-ondersteunend, dan wel als

    dwingend? Tot slot gaan we ook na of we deze affiches kunnen wijzigen zodat ze onze

  • 9

    behoeften beter ondersteunen. Al deze diverse ideeën worden gekaderd binnen de Zelf-

    Determinatie Theorie (ZDT; Deci & Ryan, 1985).

  • 10

    Verschillende Motivationele Drijfveren

    Wat is Motivatie?

    In het dagelijkse leven dienen mensen vaak keuzes te maken uit verschillende zaken.

    Ook in het verkeer dient dit te gebeuren. Hoe gaat men zich verplaatsen? Met de auto,

    openbaar vervoer of met de fiets? Men dient ’s avonds laat op café of op restaurant ook te

    beslissen of men al dan niet nog een glaasje kan drinken om vervolgens met de auto naar

    huis te gaan. Motivatie speelt bij al deze keuzes een belangrijke rol. Volgens de Van Dale

    Groot woordenboek der Nederlandse taal wordt motivatie omschreven als: “Geheel van

    factoren waardoor gedrag gericht wordt”. Motivatie is echter een moeilijk te definiëren

    concept. Het manifesteert zich via tal van processen. Ryan en Deci (2000) omschrijven

    motivatie in termen van activatie en intentie, meer bepaald: energie, doorzettingsvermogen,

    een richting en equifinaliteit. Mensen dienen dus energie te steken in een bepaalde

    activiteit. Ze dienen door te zetten om met deze activiteit een bepaald, gewenst doel te

    behalen dat op verschillende manieren kan behaald worden. De vraag hoeveel energie

    iemand ter beschikking heeft en hoe iemand weet door te zetten enerzijds en het pad dat

    iemand bewandelt op weg naar het beoogde doel anderzijds, is afhankelijk van het soort

    reden of drijfveer om de activiteit aan te voeren. Eén belangrijk onderscheid hierbij is het

    verschil tussen intrinsieke en extrinsieke motivatie.

    Intrinsieke en Extrinsieke Motivatie

    Sommige bestuurders kiezen ervoor om niet te rijden onder invloed vanwege

    mogelijke schuldgevoelens of een dreigende boete. Nog andere bestuurders zijn

    gemotiveerd om niet te rijden onder invloed omdat ze begrijpen dat dit een zeker gevaar

    met zich meebrengt. Uit deze voorbeelden wordt duidelijk dat verschillende soorten

    motieven het gedrag zal bepalen.

    De motivatie waardoor mensen bepaald gedrag stellen kan afhangen van factoren die

    intrinsiek of extrinsiek van aard zijn. Deze verschillen tussen intrinsieke en extrinsieke

    drijfveren resulteren in een meer gedifferentieerde kijk op motivatie. Er zijn namelijk

    verschillende types van motivatie die allen een verschillend effect hebben op persoonlijk

    welzijn, prestaties en consequenties van gedrag.

    In het geval van intrinsieke motivatie zijn mensen gericht op het uitvoeren van

    activiteiten die men interessant en boeiend vindt (Deci & Ryan, 2000). Ze stellen gedrag dat

  • 11

    gevoed wordt door nieuwsgierigheid. Ze gaan op zoek naar nieuwe perspectieven en zoeken

    zaken die hen tot het uiterste uitdagen. Vandaar dat intrinsieke motivatie bijdraagt tot een

    grotere betrokkenheid op de taak en tot de menselijke groei in het algemeen

    (Vansteenkiste, Niemiec & Soenens, 2010). In een verkeerscontext zal het niet vaak

    voorkomen dat bestuurders intrinsiek gemotiveerd zijn om de verkeersregels te volgen. Er

    zullen namelijk weinig bestuurders zijn die graag regels volgen omdat ze deze als inherent

    boeiend en uitdagend ervaren (Vansteenkiste, 2003). Daarom zal in een verkeerscontext

    extrinsieke motivatie een belangrijke rol spelen.

    Mensen dienen ook activiteiten te doen waarvoor ze geen interesse hebben noch

    plezier aan beleven. Dit zijn taken waarbij men verantwoordelijkheden dient te vervullen.

    Intrinsieke motivatie speelt dus niet bij elk gedrag een rol. Extrinsieke motivatie komt dan op

    de voorgrond te staan. Hierbij wordt gedrag gezien als een middel om een uitkomst te

    bereiken die onafhankelijk is van de activiteit (Vansteenkiste, et al., 2010). Extrinsieke

    motivatie wordt vaak gezien als de tegenhanger van intrinsieke motivatie. Hoe meer de

    activiteit instrumenteel is om een extern doel te bereiken, hoe minder men plezier zou

    beleven aan de activiteit. Dit terwijl ze eigenlijk perfect kunnen samengaan. Er zijn namelijk

    verschillende types van extrinsieke motivatie die variëren in de mate waarin ze zelf-

    gedetermineerd zijn. Dit gaat van activiteiten die als meer autonoom worden ervaren tot

    activiteiten die meer als gecontroleerd worden ervaren. Dit is afhankelijk van de mate van

    internalisatie van de reden voor het uitvoeren van de activiteit (Vansteenkiste, Lens, & Deci,

    2006; Vansteenkiste, et al., 2010).

    Het Internalisatieproces

    Globale beschrijving.

    Internalisatie is het tweede belangrijke proces dat zich zal vertonen bij individuen in

    hun zoektocht naar persoonlijke groei, naast intrinsieke motivatie. Dit is een actief,

    natuurlijk proces waarbij individuen sociaal gewenst gedrag leren stellen vanuit persoonlijke

    overtuiging (Deci & Ryan, 2000). Internalisatie omvat een assimilatie-proces waarbij gedrag

    dat oorspronkelijk extern werd gereguleerd in toenemende mate als meer autonoom en

    zelf-gereguleerd wordt ervaren (Ryan, 1995). Dit proces van internalisatie kan in

    verschillende mate verwezenlijkt zijn. Wanneer dit proces zich optimaal ontplooit, zal het

    individu zich identificeren met sociaal belangrijk gedrag. Hij zal dit beschouwen als een deel

  • 12

    van zichzelf, omdat hij zich ten volle met het sociaal voorgeschreven gedrag kan verzoenen.

    Wanneer dit proces van internalisatie slechts gedeeltelijk geslaagd is, zal er nog steeds een

    externe reden nodig zijn om het gedrag te stellen (Deci & Ryan, 2000; Vansteenkiste, et al.,

    2010). Bij toegenomen internalisatie zal er dan ook een verschuiving plaatsvinden van een

    externe waargenomen gedragsregulatie naar een meer interne waargenomen

    gedragsregulatie (Ryan, 1995). Hierdoor zullen er verschillende soorten extrinsieke motivatie

    ontstaan die variëren in de mate waarbij het internalisatieproces werd doorlopen.

    Het verloop van het internalisatieproces.

    Naarmate het internalisatieproces al dan niet volledig is doorlopen, worden er

    verschillende soorten van motivatie onderscheiden (Tabel 1). Deze verschillen in de mate

    van regulatie, waargenomen gedragsregulatie en regulatieprocessen. Ze worden gebruikt

    om verschillen weer te geven in de mate waarin mensen gedrag stellen dat zelf geïnitieerd

    wordt (Ryan & Deci, 2000).

    Tabel 1. Verschillende types motivatie en regulatie volgens de ZDT (Deci & Ryan, 2000)

    Bij extrinsieke motivatie wordt er een onderscheid gemaakt tussen vier verschillende

    types van extrinsieke motivatie. Externe regulatie is de minst autonome vorm. Hierbij zijn

    mensen gemotiveerd om een beloning te verkrijgen of een straf te ontlopen. De reden voor

    het uitvoeren van de activiteit is niet geïnternaliseerd. Mensen gedragen zich dus op een

    bepaalde manier om te voldoen aan eisen uit de omgeving. In het verkeer zullen mensen dus

    bijvoorbeeld geen alcohol drinken om mogelijke boetes of verlies van rijbewijs te vermijden.

    De volgende vorm van extrinsieke motivatie die wordt besproken is geïntrojecteerde

    regulatie. Hierbij zullen mensen gedrag stellen dat gedeeltelijk geïnternaliseerd is,

    bijvoorbeeld om gevoelens van trots te verwerven en gevoelens van schuld en schaamte te

    vermijden. De intrapsychische processen die het gedrag sturen zijn schuld en schaamte. Men

    heeft dus geen externe bekrachtiger meer nodig, maar wordt gevoed door intern sturende

  • 13

    en dwingende factoren. Hoewel de drijfveer zich in de persoon zelf bevindt, is er nog steeds

    sprake van een extern waargenomen causaliteit. De reden voor het stellen van het gedrag

    werd immers niet volledig aanvaard. Mensen zouden dus geen alcohol drinken voor het

    autorijden om mogelijke schaamtegevoelens te vermijden (bv. angst om door het leven te

    gaan als “doodrijder”), mocht men gevat worden.

    Een volgende vorm van extrinsieke motivatie is geïdentificeerde regulatie. Deze vorm

    van motivatie wordt als meer autonoom waargenomen, vergeleken met de eerder

    besproken vormen van extrinsieke motivatie. Mensen zullen bij deze vorm van motivatie de

    waarde en het belang van het gedrag begrijpen en zich er in herkennen. De intrapsychische

    processen die het gedrag sturen zijn persoonlijk onderschreven waarden en normen. Dit

    resulteert in een groter gevoel van vrijheid tijdens het uitvoeren ervan. In het verkeer zal

    een persoon dus bijvoorbeeld niet rijden onder invloed omdat het zijn leven in gevaar kan

    brengen. Hij beseft de mogelijke gevaren en zal daardoor in de toekomst gemakkelijker

    kunnen kiezen om niet te drinken.

    De laatste vorm van extrinsieke motivatie is de geïntegreerde regulatie. Dit is de

    meeste complete vorm van internalisatie van extrinsieke motivatie. Van deze vorm van

    motivatie is er pas sprake wanneer de geïdentificeerde regulatie volledig geassimileerd

    wordt aan de persoon zelf. Het gedrag is geëvalueerd en in overeenstemming gebracht met

    de globalere waarden en voorkeuren van de persoon. Men gaat zich identificeren met de

    reden voor het stellen een gedrag en deze redenen integreren met aspecten die een

    persoon belangrijk acht in zijn leven. De integratie van de gedragingen gebeurt in

    verschillende levensdomeinen. In het geval van geïntegreerde regulatie rijdt een

    autobestuurder bijvoorbeeld niet onder invloed, enerzijds omdat de persoon het leven van

    anderen niet in gevaar wenst te brengen, maar ook omdat dit aansluit bij meer globale

    levenswaarden. Deze vorm van motivatie komt in sterke mate overeen met intrinsieke

    motivatie, maar wordt nog steeds beschouwd als extrinsieke motivatie. Bij geïntegreerde

    regulatie worden de activiteiten nog steeds uitgevoerd om iets te bereiken en niet omdat ze

    plezierig zijn om uit te voeren zoals wel het geval is bij intrinsieke motivatie. Extrinsieke

    motivatie kan dus ook gezien worden als een vrijwillig type motivatie. De persoon accepteert

    de reden voor en de waarde die aan de activiteit wordt gehecht. (Vansteenkiste, et al., 2010;

    Ryan & Deci, 2000; Deci & Ryan, 2000).

  • 14

    Vervolgens komt men op dit continuüm uit bij intrinsieke motivatie. Hoe meer zaken

    intern gereguleerd worden, hoe meer autonomie men zal ervaren bij het gedrag dat men

    stelt. Hierbij zal men dus gedrag stellen zonder dat er een bekrachtiger is aan verbonden.

    Men voert een bepaalde activiteit uit omdat deze activiteit op zich interessant is en plezier

    schenkt, zonder hiermee een bepaalde uitkomst te willen bereiken. Het is een prototype van

    gedrag dat volledig zelf-gedetermineerd is en vereist bijgevolg geen internalisatie. Het wordt

    gebruikt als standaard om te vergelijken in hoeverre bepaalde activiteiten extern

    gemotiveerd zijn ( Ryan & Deci, 2000; Vansteenkiste & Soenens, 2013).

    Dit continuüm van motivatie is geen absoluut continuüm waarbij men eerst alle

    stappen dient te doorlopen om tot intrinsieke motivatie te komen. Men kan op eender welk

    moment instromen in dit continuüm, afhankelijk van eerdere ervaringen en de huidige

    situationele factoren (Ryan & Deci, 2000). In de verkeerscontext wil dit zeggen dat door het

    aanpassen van huidige situationele factoren, autobestuurders mogelijks meer gemotiveerd

    geraken om de verkeersregels te volgen.

    Effecten.

    Deze verschillende soorten motivatie en hun effecten zijn reeds onderzocht in

    verschillende contexten, gaande van school naar milieu, sport, werk, enz. De meeste

    onderzoeken situeren zich in de schoolcontext. Zo werd in het onderzoek van Black en Deci

    (2000) gevonden dat studenten die een cursus begonnen met meer autonome motivatie,

    meer positieve ervaringen rapporteerden tijdens het volgen van deze cursus. Autonome

    motivatie speelde ook een rol bij het volhouden dan wel bij het afhaken van de cursus. Meer

    autonoom gemotiveerde studenten bleven de cursus langer volgen. Tot slot vonden de

    onderzoekers ook dat het initiële niveau van motivatie weinig invloed had op de prestatie

    tijdens deze cursus. Een toename in motivatie leidde echter wel tot een betere prestatie.

    Andere onderzoeken bekomen gelijkaardige resultaten. Zo vonden Burton, Lydon,

    D’Allesandro en Koestner (2006) dat autonome motivatie gerelateerd is met het welzijn van

    de studenten. Daarnaast vonden ze dat studenten met hogere mate van geïnternaliseerde

    motivatie, betere schoolresultaten behaalden.

    Ook tijdens de sollicitatieperiode werden gelijkaardige resultaten gevonden. Zo bleek

    dat autonome motivatie samenhing met het doorzettingsvermogen om een job te vinden,

    ondanks afwijzingen. Gecontroleerde motivatie hing op zijn beurt dan weer samen met meer

  • 15

    negatieve ervaringen (Vansteenkiste, Lens, De witte, De Witte, & Deci, 2004). Bovendien

    blijkt dat werknemers met een hoge autonome motivatie, hogere mate van welzijn

    rapporteerden dan werknemers met een meer gecontroleerde motivatie (Van Den Broeck,

    Lens, De Witte, & Van Coillie, 2013).

    Daarnaast blijkt autonome motivatie ook samen te hangen met meer positieve

    attitudes ten aanzien van sport (Vierling, et al., 2007), meer stellen van milieu-gericht gedrag

    (Lavergne, Sharp, Pelletier, & Holtby, 2010), minder herval bij depressie na het volgen van

    IPT (Mcbride, et al., 2010) en volhouden van therapie (Ryan, Plant, & O’Malley, 1995).

    Binnen een verkeerscontext is er echter nog maar beperkt onderzoek gedaan naar

    effecten van de verschillende soorten extrinsieke motivatie. Het onderzoek van

    Vansteenkiste, Driesen en Lens (2008) heeft aangetoond dat drie vormen van extrinsieke

    motivatie onderscheiden kan worden binnen de verkeerscontext. Aan de hand van een

    nieuw ontwikkelde vragenlijst kon via factoranalyse onderscheid gemaakt worden tussen

    externe, geïdentificeerde en geïntrojecteerde regulatie. De meetpretentie van deze

    vragenlijst, namelijk het kunnen onderscheiden van verschillende soorten motivatie in een

    verkeerscontext, wordt bevestigd in het onderzoek van Reijns (2011). In het onderzoek van

    Driesen (2007) werd aangetoond dat naarmate bestuurders meer autonoom gemotiveerd

    zijn om de verkeersregels te volgen, minder verkeersovertredingen en boetes worden

    gerapporteerd. Een bestuurder die de verkeerscode volgt omdat hij dit persoonlijk belangrijk

    vindt, zal dus bijgevolg minder boetes ontvangen en verkeersovertredingen maken.

    Daarnaast blijkt er een verband te zijn tussen stressbeleving en de verschillende soorten van

    motivatie. Hoe meer autonoom de motivatie, hoe minder stress men zal beleven in de

    verkeerssituatie. Reijns (2011) bevestigde deze resultaten met haar onderzoek. Uit dit

    onderzoek bleek ook dat hoe meer het handelen bepaald werd door externe motieven, hoe

    meer overtredingen en boetes werden gerapporteerd. Uit de onderzoeken van zowel

    Driesen (2007), als Reijns (2011) kan dus geconcludeerd worden dat meer extrinsieke

    vormen van motivatie samengaat met het niet naleven van de verkeersregels.

    Gebrek aan Motivatie

    A-motivatie.

    Het continuüm met de verschillende types van motivatie binnen de ZDT, werd reeds

    grotendeels besproken. Dit handelde echter telkens binnen het kader waarbij de motivatie

  • 16

    aanwezig was om een bepaald gedrag te stellen. Binnen de ZDT staat men ook stil rond een

    gebrek aan motivatie, meer bepaald a-motivatie. A-motivatie is gedrag waarbij de intentie

    om het gedrag te stellen ontbreekt. Het gevraagde gedrag wordt amper tot niet ten

    uitvoering gebracht. Het gebrek aan intentionaliteit is typerend voor a-motivatie. De

    persoon zal hierbij een passieve en lusteloze houding aannemen. Er is sprake van een zekere

    hulpeloosheid (Ryan & Deci, 2000; Vansteenkiste & Soenens, 2013). Een persoon die a-

    motivatie vertoont, zal zich tijdens het uitvoeren van de activiteit noch competent, noch

    autonoom voelen ten aanzien van de activiteit (Ryan, 1995). Dit heeft verschillende

    mogelijke redenen. Ofwel waarderen ze de activiteit die ze dienen uit te voeren niet, ofwel

    voelen ze zich niet bekwaam om de activiteit uit te voeren, ofwel verwachten ze niet om de

    gewenste uitkomst te behalen (Ryan & Deci, 2000).

    In een verkeerscontext zal een bestuurder dus de verkeerscode niet naleven,

    aangezien hij denkt dat het hem toch niet zal lukken. De bestuurder kan zich incompetent

    voelen in het navolgen van de regels. De verkeersregels kunnen ook niet nagevolgd worden

    doordat bestuurders de regels niet belangrijk achten.

    Verzet.

    Het aannemen van een passieve en hulpeloze houding is niet de enige reden waarom

    bepaalde gedragingen niet worden gesteld. In sommige gevallen gaat men een grote

    weerstand vertonen tegen een bepaalde regel of tegen de persoon die deze regel oplegde.

    Men gaat zich actief verzetten tegen deze persoon (Vansteenkiste & Soenens, 2013).

    Verzet kan volgens Van Dale groot woordenboek der Nederlandse taal omschreven

    worden als “tegenkanting; het zich verweren; het bieden van tegenstand”. In deze definitie

    valt de actiegerichtheid van verzet op. Verzet heeft een intentioneel karakter, dit in

    tegenstelling tot a-motivatie. Het is gemotiveerd gedrag waarbij energie wordt gestoken dat

    gericht is op een bepaald doel, namelijk zich verzetten tegen het gevraagde verzoek

    (Vansteenkiste & Soenens, 2013). Dit verzet kan gevoed worden door verschillende

    motieven. Het inwilligen of niet-inwilligen van een verzoek kan gecontroleerd of autonoom

    van aard zijn. Op basis van dit onderscheid, kunnen twee verschillende vormen van verzet

    onderscheiden worden, namelijk oppositioneel verzet en reflectief verzet (Verstuyf &

    Vansteenkiste, 2008; Vansteenkiste & Soenens, 2013).

  • 17

    Er is sprake van oppositioneel verzet wanneer een individu zich zal verzetten tegen

    elke vorm van autoriteit. Het individu wil niet gecontroleerd worden door anderen die hen

    zeggen wat ze dienen te doen. Men tracht een functioneren na te streven dat vrijwillig is en

    niet gestuurd wordt door anderen (Verstuyf & Vansteenkiste, 2008). Wanneer er een

    verzoek gesteld wordt, zal de persoon het tegenovergestelde gedrag stellen dan wat van

    hem gevraagd werd. Het gedrag wordt dus telkens bepaald door externe verzoeken

    waartegen men zich zal afzetten. Hierdoor kan men spreken van een reactieve vorm van

    functioneren (Vansteenkiste & Soenens, 2013). Deze vorm van verzet doet zich voor doordat

    men zich gefrustreerd voelt in zijn behoeften. Het zal echter het vrijwillig functioneren niet

    bevorderen. Doordat men telkens een gedrag stelt als gevolge van een extern verzoek, zal

    dit gedrag nooit voortkomen uit eigen interesse en persoonlijke waarden (Van Petegem,

    Soenens, Vansteenkiste & Beyers, in druk). Het zich telkens verzetten tegen externe

    verzoeken, kan tevens aanleiding geven tot conflicten. Deze conflicten gaan gepaard met

    een toename van controle bij de persoon waartegen men verzet toont (Vansteenkiste &

    Soenens, 2013). Naast externe factoren, kunnen ook interne factoren aanleiding geven tot

    deze vorm van verzet. Zo kunnen interne verplichtingen aanleiding vormen tot het bieden

    van verzet. Onder interne verplichtingen begrijpen we onder meer angst, maar ook

    bezorgdheid om het imago. Een bestuurder kan dus het verzoek van zijn vrienden om toch te

    drinken tijdens een avondje uit inwilligen om niet te worden aanzien als een watje (Verstuyf

    & Vansteenkiste, 2008).

    Het niet volgen van een verzoek zal niet altijd voortkomen als reactie om niet

    gecontroleerd of gestuurd te worden. Regels kunnen ook genegeerd worden of niet gevolgd

    worden door iemands persoonlijke overtuigingen en waarden. Het verzet kant zich niet

    tegen de persoon die het verzoek stelt, maar wel tegen de inhoud van het verzoek. Het

    verzoek werd eerst overwogen en over gereflecteerd vooraleer men autonoom heeft

    besloten om dit verzoek niet in te willigen. Nadien kan men nog openstaan om dit verzoek

    verder te bespreken of om erover te onderhandelen (Vansteenkiste & Soenens, 2013).

    In de verkeerscontext waarbij allerlei regels en verplichtingen van hogerhand worden

    opgelegd, kunnen deze vormen van verzet tegen deze regels ook worden geobserveerd. Zo

    werd in het onderzoek van Reyns (2011) aangetoond dat het niet volgen van de

    verkeersregels samengaat met twee verschillende vormen van verzet – reflectief en

    opstandig – die een bijdrage leveren om dit fenomeen te verklaren. Bestuurders die hoger

  • 18

    scoren op deze vormen van verzet, verlangen naar een straatbeeld waarin er minder

    onbemande camera’s zullen zijn.

    Reactantie.

    Verschillende redenen waarom een bepaald verzoek niet wordt ingewilligd, werden

    reeds besproken. In al deze vormen van gemotiveerd gedrag binnen de ZDT ziet men

    autonoom functioneren als vrijwillig functioneren in overeenstemming met persoonlijke

    waarden en interesses (Deci & Ryan, 2000). Autonoom functioneren kan men echter ook op

    een andere manier definiëren, namelijk als onafhankelijk functioneren waarbij geen beroep

    moet gedaan worden op regels en verzoeken van anderen (Van Petegem, et al, in druk). Uit

    deze vorm van autonomie ontstaat reactantie, wat verder uitgewerkt wordt in de

    reactantietheorie (Brehm, 1966; Brehm & Brehm, 1981).

    Wanneer een individu zijn persoonlijke vrijheid, om te doen en laten wat hij wil,

    wordt ingeperkt of wordt bedreigd, wordt er een motivationele toestand waargenomen.

    Deze toestand is erop gericht om verder verlies van vrijheid te beperken en de verloren

    vrijheid terug te winnen. Deze hypothetische motivationele toestand wordt reactantie

    genoemd. Deze toestand omvat een gedragsintentie om de bedreigde vrijheid terug te

    winnen door zich te engageren in het verboden gedrag (Brehm, 1966; Brehm & Brehm,

    1981). Door het verbod op een bepaald gedrag zal dit specifieke gedrag toenemen in

    attractiviteit. Dit zal op zijn beurt leiden tot een toename in het stellen van dit verboden

    gedrag. Deze reacties zijn erop gericht om de vrijheid terug te verwerven, maar dit kan ten

    koste gaan van iemands persoonlijke voorkeuren (Brehm, 1966; Fitzsimons & Lehmann,

    2004). Wanneer een bepaald gedrag verboden wordt, zal een individu enkel dit gedrag

    stellen als hij zich in staat voelt om dit gedrag tot een goed einde te brengen. Daarnaast

    dient het individu ook de kennis te hebben dat het toegelaten is om dit gedrag te mogen

    stellen (Brehm, 1966; Brehm & Brehm, 1981).

    Reactantie kan geconceptualiseerd worden aan de hand van een cognitieve en een

    emotionele component. Deze cognitieve component besaat uit het zoeken van

    tegenargumenten. Bij het horen van een verzoek zal de attitude die men ontwikkelt

    gemedieerd worden door cognities. Deze cognities zijn in overeenstemming of tegengesteld

    aan het verzoek. Bij reactantie zou men cognities kunnen terugvinden die onder de noemer

    tegenargumenten kunnen geplaatst worden. Dit zijn argumenten die het verzoek in een

  • 19

    slecht daglicht plaatsen. De emotionele component bestaat uit woede. Woede kan namelijk

    aanleiding geven tot het verwerpen of aanvallen van iets (Rains, 2013).

    De mate van reactantie is afhankelijk van verschillende factoren. Zo leidt een

    bedreigd gedrag tot een hogere mate van reactantie, als dit gedrag belangrijk is voor een

    individu. Het belang van het gedrag hangt af van de mate waarin dit gedrag behoeften

    bevredigt. Wanneer bijvoorbeeld een tiener een vriendschap met iemand aangaat, kan dit

    zijn om erbij te horen. Het voedt de behoefte aan verbondenheid. Wanneer de ouders deze

    vriendschap niet tolereren, kan dit vervolgens leiden tot reactantie. Naast het belang van

    een bepaald gedrag, speelt ook het aantal gedragingen dat wordt bedreigd een rol.

    Bijvoorbeeld, wanneer een kind verboden wordt om te snoepen na het eten, zal dit tot

    minder reactantie leiden dan indien het voor altijd verboden wordt om te snoepen. Het

    verbod geldt slechts voor één situatie en niet voor meerdere, waardoor de mate van

    reactantie minder hoog zal zijn. Tot slot speelt ook de ernst van de dreiging een rol in het

    ontlokken van reactantie. Zo zal een student op de universiteit meer reactantie kunnen

    ervaren wanneer hem wordt gevraagd om niet te eten tijdens lesuren. Dit kan namelijk ook

    impliceren dat hij naast eten, ook niet mag drinken of koffie drinken en hij hierdoor

    uitgesloten kan worden (Brehm, 1966; Brehm & Brehm, 1981). Daarnaast zijn er ook

    individuele verschillen in de mate waarin ze vatbaar zijn voor reactantie. Zo zijn hoog

    vatbare individuen sensitiever voor bedreigingen van hun vrijheid. Dit uit zich op zijn beurt in

    sterkere gedragsreacties (Van Petegem, et al, in druk). Reactantie is ook groter wanneer de

    ingeperkte vrijheid werd waargenomen als persoonlijk op zich gericht, dan wanneer dit op

    niemand in het bijzonder is gericht (Fitzsimons & Lehmann, 2004).

    Voedingsbodem

    Metatheorie

    De ZDT onderzoekt waarom mensen bepaalde gedragingen stellen, hoe verschillende

    soorten motivatie samenhangen met verschillende uitkomsten en hoe de omgeving deze

    verschillende types van motivatie en geassocieerde uitkomsten kan ondermijnen dan wel

    kan ondersteunen (Vierling, Standage & Treasure, 2007).

    Er liggen drie assumpties aan de grondslag van de ZDT. Ten eerste worden mensen

    proactief van aard gezien. Hierbij zullen mensen in staat zijn om hun handelen naar een

    gewenst doel te richten, veeleer dan gestuurd te worden door externe invloeden. Ze kunnen

  • 20

    controle verwerven over de interne processen, zoals emoties en driften en over externe,

    omgeving gestuurde processen. Ten tweede zijn mensen gericht op groei, zelfontplooiing en

    geïntegreerd functioneren. Deze tendens naar groei en integratie is niet alleen het product

    van sociaal leren of genen. Al deze processen samen worden aangewend om deze groei na

    te streven. Met deze processen tracht men coherentie te bereiken tussen reeds bestaand

    gedrag, emoties, attitudes en nieuwe ervaringen. De derde assumptie veronderstelt dat

    mensen nood hebben aan een sociale omgeving waarin men de aangeboren mogelijkheden

    en potenties ten volle kan ontplooien. Wanneer de omgeving dit in de weg staat, kunnen er

    negatieve consequenties voor de groei en ontwikkeling van het organisme optreden (Deci &

    Vansteenkiste, 2004).

    Centraal in de ZDT staan drie behoeftes: de behoefte aan competentie, de behoefte

    aan autonomie en de behoefte aan verbondenheid. Deze behoeftes zijn aangeboren,

    universeel en noodzakelijk om een optimaal functioneren te kunnen bereiken. Ze helpen ons

    te begrijpen wat en waarom we iets nastreven. Indien mensen in deze behoeftes belemmerd

    worden, leidt dit tot negatieve gevolgen voor de motivatie, sociaal functioneren en welzijn

    van de persoon (Deci & Ryan, 2000; Ryan & Deci, 2002; Deci & Vansteenkiste, 2004). De

    behoefte aan competentie houdt in dat mensen ‘effectance’ ervaren. Ze hebben het gevoel

    dat ze controle of invloed kunnen uitoefenen op de omgeving (White, 1959). Individuen

    dienen zich competent en bekwaam te voelen om een gevoel van geluk en tevredenheid te

    verkrijgen. Wanneer mensen het gevoel hebben dat ze niet succesvol de activiteiten kunnen

    uitvoeren of wanneer ze zich in het algemeen verachten, zal dit leiden tot ontevredenheid

    (Ryan & Deci, 2002; Kaffer, 2009). De behoefte aan autonomie betekent dat mensen zelf

    richting willen geven aan hun leven. Mensen stellen liever gedrag dat ze vrij kiezen en dat al

    dan niet in overeenstemming is met hun waarden en interesses, dan gedrag dat van

    hogerhand wordt opgelegd om uit te voeren (deCharms, 1986, zie Vansteenkiste, et al.,

    2010; Ryan & Deci, 2002; Kaffer, 2009). De behoefte aan verbondenheid omvat de

    wederzijdse verzorging en bezorgdheid voor belangrijke anderen. Mensen zijn van nature

    sociale wezens die moeilijkheden hebben in situaties van eenzaamheid, uitsluiting en

    afwijzing. Mensen willen interageren met anderen, zich verbonden voelen met anderen en

    het gevoel hebben dat ze erbij horen. Er is behoefte aan liefde en intimiteit (Baumeister &

    Leary, 1995; Ryan & Deci, 2002; Kaffer, 2009).

  • 21

    Deze interactie tussen het proactief, op groei georiënteerde organisme en de sociale

    omgeving die activiteit, groei en welzijn kan ondersteunen of belemmeren, wordt de

    organismische-dialectische metatheorie van de Zelf-Determinatie Theorie genoemd (Deci &

    Vansteenkiste, 2004).

    Basisbehoeftes

    Beschrijving.

    Behoefte wordt volgens de Van Dale groot woordenboek der Nederlandse taal

    omschreven als “bewust gemis van iets dat niet of zeer bezwaarlijk ontbeerd kan worden;

    gebrek aan het nodige; datgene wat men nodig heeft”. Bij het lezen van deze definitie

    worden vaak alleen maar biologische behoeftes verwacht zoals honger, dorst, seks, enz.

    Maar dit zijn niet de enige behoeftes die mensen ervaren. Mensen hebben ook

    psychologische behoeftes waaraan voldaan moet worden.

    Binnen de Zelf-Determinatie Theorie (ZDT) staan behoeftes centraal. Deze behoeftes

    zijn aangeboren psychologische elementen die noodzakelijk zijn voor de ontwikkeling van

    een optimaal psychologisch welzijn (Deci & Ryan, 2000; Vansteenkiste, et al., 2010).

    Behoeftes zijn dus niet verworven, maar aangeboren. Tevens schenkt men primair aandacht

    aan psychologische en niet zozeer fysiologische behoeftes (Ryan & Deci, 2000). Ze worden

    verondersteld universeel terug te vinden te zijn in alle culturen en in de verschillende

    ontwikkelingsstadia (Ryan & Deci, 2002). Om iets te kunnen bestempelen als een essentiële

    behoefte, dient er een link te zijn met welzijn. Behoeftes specifiëren de condities waarin een

    optimaal psychologisch welzijn kan bereikt worden, wat wordt geassocieerd met het meest

    optimaal functioneren. (Ryan & Deci, 2000; Ryan & Deci, 2002).

    Binnen de ZDT worden er drie psychologische basisbehoeftes verondersteld: de nood

    aan competentie, de nood aan verbondenheid en de nood aan autonomie. Ze spelen alle

    drie een noodzakelijke rol in het bekomen van een optimaal niveau van functioneren. Het

    negeren of tegenwerken van deze behoeftes leidt tot negatieve consequenties zoals

    verminderd welzijn of zelfs pathologie. Daarnaast zal dit optimaal niveau van functioneren

    ook niet bereikt worden indien slechts aan één of twee behoeftes is voldaan. Er dient aan

    alle drie de behoeftes voldaan te worden om dit optimaal niveau te behalen (Deci & Ryan,

    2000).

  • 22

    Door psychologische behoeftes te omschrijven als essentieel, betekent dit dat

    individuen niet kunnen functioneren zonder deze te bevredigen (Ryan & Deci, 2000). Andere

    processen zoals intrinsieke motivatie, internaliseren van externe regulatie en streven naar

    welzijn, kunnen pas optimaal plaatsvinden indien aan de drie basisbehoefte zijn voldaan of

    als het individu voldoende hulpbronnen heeft om deze te kunnen bevredigen (Deci & Ryan,

    2000). De betrokkenheid die mensen vertonen ten aanzien van een bepaalde activiteit wordt

    bepaald door de mate waarin deze activiteit behoeftes vervult. Mensen zullen dus meer of

    minder belangstelling tonen in een activiteit, naarmate deze meer of minder aan hun

    behoeftes voldoet. Of men een activiteit al dan niet interessant vindt, komt door eerdere

    ervaringen en de mate waarin deze de behoefte al dan niet bevredigt of tegenwerkt (Deci &

    Ryan, 2000; Vansteenkiste, et al., 2010).

    Context: Autonomie-ondersteunend en Controlerende Omgeving

    Autonomie-ondersteunende omgeving.

    Volgens de ZDT zal het natuurlijke proces van streven naar groei zijn doorgang pas

    vinden, wanneer een individu zijn basisbehoeftes zijn bevredigd. De omgeving kan in dit

    proces een cruciale rol spelen. Het kan een ondersteunende rol hebben, maar het kan ook

    de basisbehoeftes ondermijnen. Een autonomie ondersteunende omgeving wordt

    omschreven als een omgeving die keuzevrijheid geeft aan individuen, responsief is en het

    individueel perspectief erkent. Het bevordert met andere woorden de behoefte aan

    autonomie. Deze omgeving zal een zinvolle uitleg aanreiken wanneer er aan het individu

    wordt gevraagd om aan een activiteit deel te nemen. Daarnaast zal het individuen

    aanmoedigen om initiatief te vertonen. (Gagne, 2003; Deci, La Guardia, Moller, Scheiner, &

    Ryan, 2006).

    Een autonomie-ondersteunende context wordt op twee verschillende niveaus

    bekeken. Er is een structureel niveau waarbij op hoger niveau een aantal maatregelen

    worden aangekondigd die de basisbehoeftes al dan niet kunnen bevredigen. Daarnaast is er

    ook een interactioneel niveau. Hierbij gaat men door de manier van communiceren

    autonomie-ondersteuning trachten aan te bieden. Deze vorm van communicatie wordt

    gekenmerkt door het vermijden van interne en externe controlerende taal, het aanbieden

    van een zinvolle motiverende uitleg en het innemen van een empatisch perspectief

    (Vansteenkiste, Soenens, Sierens, & Lens, 2005). Door het minimaliseren van dreigingen en

  • 23

    waarschuwingen, niet gebruiken van controlerende taal en het erkennen van het

    referentiekader van het individu, zal de intrinsieke motivatie toenemen. Daarnaast zullen

    individuen zich meer inzetten voor intrinsieke doelen en deze accepteren, wanneer ze zich in

    een autonomie-ondersteunende omgeving bevinden (Vansteenkiste, Simons, Lens, Sheldon,

    & Deci, 2004).

    Een autonomie-ondersteunende context kan ook tegenmoet komen aan de drie

    basisbehoeften die mensen ervaren. Zo kan de sociale context de behoefte aan autonomie

    ondersteunen en de vrije wil bevorderen. Er wordt dan een zekere mate van keuzevrijheid

    gegeven dat gewenst wordt door de persoon waar men mee in contact treedt. De omgeving

    zal ook een verklaring geven wanneer de keuzes beperkt zijn. Tot slot zal het trachten om

    het perspectief van de andere persoon te begrijpen. Dit kan gebeuren door te luisteren naar

    wat de ander brengt. Het innemen van een empatische positie speelt hierin ook een rol.

    Door te peilen naar de interesses en waarden van de ander en deze inspraak te geven, kan

    de behoefte naar autonomie worden gevoed (Vansteenkiste, et al., 2005; Vansteenkiste, et

    al., 2010).

    Een context die sterk gestructureerd is kan de nood aan competentie bevorderen. Dit

    zal leiden tot een competenter gevoel bij het bereiken van het doel van de betrokken

    persoon. Op het eerste gezicht lijken autonomie en structuur elkaars tegenpolen. Dit is

    echter niet het geval. Structuur kan worden gezien als het krijgen van een houvast waardoor

    geweten is wat er van iemand verwacht kan worden. Dit kan verkregen worden door het

    opleggen van regels, het duidelijk maken van de verwachtingen, het opdelen van een

    opdracht in verschillende stappen, tips geven, enz. Structuur en de verschillende vormen die

    hiertoe bijdragen, worden niet noodzakelijk ervaren als controlerend. De wijze waarop

    structuur wordt geïnstalleerd speelt een belangrijke rol in de manier waarop dit wordt

    geïnterpreteerd. Wanneer dit op een autonomie-ondersteunende manier gebeurt -

    bijvoorbeeld in samenspraak met anderen - zullen mensen dit sneller accepteren en vrijwillig

    volgen dan wanneer dit op een controlerende wijze wordt opgelegd (Vansteenkiste, Sierens,

    Soenens & Lens, 2007; Vansteenkiste, et al., 2010).

    Tot slot zal een context die warmte en responsiviteit bevordert, ook de nood aan

    verbondenheid bevorderen. Door samen deel te nemen aan aangename activiteiten of door

    vriendschappen te sluiten met anderen, kan men interpersoonlijke ondersteuning bekomen.

    Deze ondersteuning kan men ook voorzien door responsief te zijn in periodes van stress,

  • 24

    door bijvoorbeeld het erkennen en meeleven met andermans onaangename gevoelens. Dit

    alles leidt tot een gevoel van verbondenheid, liefde en begrip binnen relaties, wat de nood

    aan verbondenheid ondersteunt (Vansteenkiste, et al., 2010)

    Een autonomie-ondersteunende omgeving leidt tot tal van positieve uitkomsten. In

    onderzoek vond men dat een autonomie-ondersteunende omgeving leidt tot een grotere

    betrokkenheid en interesse in een activiteit. Tevens vertoont men meer positieve gevoelens

    ten aanzien van deze activiteit. Bovendien zal autonomie-ondersteuning ook leiden tot een

    verbetering van het welzijn (Deci & Ryan, 1987; Gagné, 2003; Gagné, Ryan, & Bargmann,

    2003). Daarnaast zullen individuen die niet gebonden zijn aan evaluaties en toezicht,

    creatiever werk tentoon stellen dan individuen die wel met deze controles geconfronteerd

    worden. Verder zal een verandering in gedrag en persoonlijkheid langer onderhouden

    worden en overgedragen worden naar andere situaties, wanneer de verandering wordt

    ervaren als autonoom. Tevens zullen individuen zich competenter voelen en zullen ze meer

    zelfvertrouwen vertonen wanneer ze zich in een autonomie-ondersteunende omgeving

    bevinden. Bovendien zullen individuen meer vertrouwen hebben in hun oversten wanneer

    deze autonomie-ondersteunende technieken gebruiken, in plaats controlerende technieken.

    Tot slot zal, wanneer een individu de omgeving als autonoom percipieert, dit leiden tot meer

    positieve effecten voor de gezondheid. Contexten die autonomie ondersteunen, bevorderen

    het welzijn. (Deci & Ryan, 1987; Vansteenkiste, et al., 2010).

    Autonomie-ondersteuning kan ook negatieve uitkomsten voorkomen. Door

    autonomie-ondersteuning zal de intentie tot drop-out verminderen en de daadwerkelijke

    drop-out dalen. Het zal ook leiden tot het minder indienen van ontslag (Gagné, 2003).

    Controlerende omgeving.

    Een omgeving die als controlerend wordt beschouwd, zal mensen druk opleggen door

    middel van aansporingen, deadlines, straf of benadrukken van instructies die zeggen wat

    mensen moeten doen. Dit leidt tot een daling in de intrinsieke motivatie (Vansteenkiste, et

    al., 2004).

    Een controlerende context wordt net als een autonomie-ondersteunende context

    gezien op twee niveaus: een structureel niveau en een interactioneel niveau. Op het

    structurele niveau worden van hogerhand maatregelen opgelegd die als controlerend

    worden beschouwd, zoals het opleggen van beperkingen, deadlines, beperken van keuzes,

  • 25

    enz. Het structurele niveau concentreert zich meer op de communicatie. Het gebruiken van

    woorden zoals ‘moeten’ en ‘verwachten’ worden als controlerend beschouwd

    (Vansteenkiste, et al. 2005).

    Een controlerende omgeving heeft negatieve effecten op iemand zijn motivatie

    aangezien het de basisbehoeftes ondermijnt (Gagné, et al., 2003). Verschillende factoren

    kunnen als controlerend worden ervaren en allen hebben ze een specifiek effect op de

    basisbehoeftes en motivatie. Dit ondermijnen van de basisbehoeften kan door tal van

    technieken gebeuren. Dit kan op een meer openlijke manier, door bijvoorbeeld het geven

    van straf of een beloning, maar ook op een meer verborgen manier, door bijvoorbeeld

    manipulatie en schuldinductie (Vansteenkiste, et al., 2010).

    Zo zal het toedienen van een beloning, volgend op het gewenst gedrag, beschouwd

    worden als controlerend. Hierdoor zal de motivatie om dit gedrag te stellen dalen. Het leidt

    ook tot een ondermijnend effect. Zo zullen personen die een interessante activiteit

    uitvoeren, mindere interesse vertonen en minder bereid zijn om de activiteit verder uit te

    voeren wanneer de beloning wegvalt. Wanneer de beloning echter niet consequent volgt op

    het gedrag, kan dit de motivatie voor het gedrag laten toenemen. Maar het toedienen van

    een beloning op zich wordt nog steeds als controlerend beschouwd. Verder zal het opleggen

    van deadlines ook worden ervaren als controlerend. Het zal leiden tot een vermindering van

    de motivatie en tot een ondermijning van de vrije wil van individuen. Bovendien zal de

    aanwezigheid van een opzichter een negatieve invloed hebben op de intrinsieke motivatie,

    zelfs wanneer er geen negatieve consequenties zouden volgen (Deci & Ryan, 1987).

    Naast deze meer openlijke uitingen van de omgeving die als controlerend worden

    beschouwd, zijn er meer verdoken manieren die uitgaan van de omgeving om controle uit te

    oefenen. Een van deze manieren is schuldinductie. Dit is een manier van praten waarbij

    wordt ingespeeld op de schuld- en schaamtegevoelens van een individu. Dit leidt ertoe dat

    de andere persoon onder druk wordt gezet, maar ook dat deze zich onbekwaam zal voelen.

    Deze controlerende houding leidt slechts tot veranderingen op korte termijn (Vansteenkiste,

    et al., 2007).

    Naast het uitoefenen van negatieve invloed op intrinsieke motivatie, heeft een

    controlerende omgeving nog allerlei andere gevolgen. In een context van therapeutische

    behandeling, zal een behandeling die als controlerend wordt beschouwd minder

    geïnternaliseerd worden. De context heeft ook een invloed op de aanwezigheid in het begin

  • 26

    van de behandeling en op mogelijk herval bij verslavingsproblematiek. In een autonomie-

    ondersteunende omgeving zal de kans op herval kleiner zijn en worden er minder afspraken

    gemist dan in een controlerende omgeving (Zeldman, Ryan, & Fiscella, 2004). Daarnaast zal

    de cognitieve activiteit in een controlerende context eerder rigide zijn en een nauwere focus

    vertonen. Bovendien zullen individuen meer negatieve emoties vertonen ten aanzien van

    anderen en een minder gunstig beeld hebben van anderen.

    Gedragsverandering zal ook niet onderhouden worden in een controlerende context.

    Gedrag zal maar zolang uitgevoerd worden, tot de controle wegvalt. Tot slot werd gevonden

    dat wanneer individuen onder druk worden gezet om anderen te laten presteren, deze

    individuen zelf controlerend werden. Dit leidde op zijn beurt tot een daling in de vrije wil van

    deze mensen (Deci & Ryan, 1987).

    Soms kan de context ook bijdragen aan een conflict tussen de drie basisbehoeftes. Zo

    kan het dus zijn dat, om de behoefte naar verbondenheid te kunnen bevredigen, men de

    behoefte voor autonomie opzij moet schuiven. Dit geeft aanleiding voor condities van

    vervreemding en kan aanleiding geven tot psychopathologie. Hoe mensen hun behoefte aan

    competentie, autonomie en verbondenheid uiten, verschilt ook binnen culturen en de

    waarden die binnen deze culturen heersen (Ryan & Deci, 2000).

    Huidig verkeersbeleid.

    Het huidig verkeersbeleid rond rijden onder invloed is een controlerend beleid. In

    kritieke periodes zoals de feestdagen, zijn er talrijke alcoholcontroles om zo bestuurders te

    ‘motiveren’ om niet onder invloed achter het stuur te kruipen. Zoals hierboven reeds

    vermeld wordt, zal een controlerend beleid echter een tegenovergesteld effect hebben en

    leiden tot een daling van de intrinsieke motivatie. In een verkeerscontext met tal van regels

    en wetten, zou men snel kunnen denken dat de psychologische basisbehoeftes niet

    bevredigd kunnen worden, waardoor frustraties kunnen ontstaan bij de bestuurder. Men

    zou dus een context moeten creëren die de verschillende behoeftes niet te hard tegenwerkt

    en zelf zou kunnen tegemoet komen.

    De behoefte aan autonomie en intrinsieke motivatie zijn sterk in elkaar verweven. De

    intrinsieke motivatie kan echter ondermijnd worden door dreigingen, controles, evaluaties

    en termijnen. Het aanbieden van keuzes en het erkennen van de gevoelens en gedachten

    van mensen, leidt tot een bevordering van de intrinsieke motivatie (Deci & Ryan, 2000). Om

  • 27

    mensen de regels te doen volgen in het verkeer, gebeuren er vaak controles. Hiermee wordt

    aangenomen dat door het opleggen van alcoholcontroles, bestuurders zich aan de regels

    zullen houden om niet te rijden onder invloed. Dit kan echter een omgekeerd effect hebben

    en de motivatie om zich aan deze regel te houden doen dalen. Hierdoor zullen bestuurders

    in de toekomst door meer externe zaken gemotiveerd moeten worden om zich aan de regels

    te houden. Vansteenkiste (2003) vond dat het opvoeren van het aantal controles ook niet

    het gewenste effect zal hebben. Wanneer de controle door de politie wegvalt, zal de

    motivatie om zich aan de wegcode te houden immers ook wegvallen. Het opvolgen van de

    wegcode is namelijk afhankelijk van de aan-of afwezigheid van politie. Het opdrijven van de

    controles zal dan ook niet het gewenste resultaat opleveren. Ten eerste is het vaak

    onmogelijk om op elke straathoek politieagenten te laten postvatten of om onbemande

    camera’s te installeren om autobestuurders te controleren. Ten tweede zal dit ook een

    averechts effect hebben. Door autobestuurders onder druk te zetten om toch de wegcode te

    volgen, zou dit kunnen leiden tot meer agressief rijgedrag, meer ongelukken en meer

    boetes.

    De behoefte aan competentie kan bevorderd worden door het geven van positieve

    feedback. Negatieve feedback heeft dan een ondermijnend effect op deze behoefte en

    ondermijnt daarnaast ook de intrinsieke motivatie (Deci & Ryan, 2000). Wanneer men een

    alcoholcontrole tot een goed einde brengt, krijgt men de positieve woorden ‘u bent safe’ te

    horen. Daarnaast krijgt de bestuurder soms een beloning wanneer hij negatief blaas, zoals

    bijvoorbeeld een BOB sleutelhanger of een ander cadeautje. Wanneer deze acties gekoppeld

    worden met feedback, zou de intrinsieke motivatie om niet onder invloed te rijden bij

    bestuurders stijgen. In sommige BOB-campagnes wordt getracht om bestuurders te

    motiveren aan de hand van extrinsieke beloningen. “welke BOB krijgt de auto?” geeft een

    expliciet voorbeeld van het koppelen van een beloning met het niet rijden onder invloed.

    Zoals hierboven reeds vermeld, zal het koppelen van een beloning aan gedrag de intrinsieke

    motivatie ondermijnen. Men zal dan ook enkel het gewenste gedrag vertonen, zolang de

    beloning geldt. Bij deze BOB-campagne zou men dus niet rijden onder invloed, zolang men

    kans kan maken op een beloning, meer bepaald de auto. Wanneer deze beloning echter

    wegvalt, zal het gewenste gedrag ook stoppen. De vraag is dus of deze BOB-campagnes wel

    hun beoogde effect zullen hebben buiten de kritieke periodes zoals rond de feestdagen?

  • 28

    Tot slot hangt de behoefte aan verbondenheid minder hard samen met intrinsieke

    motivatie, dan de behoefte aan autonomie en competentie. Deze behoefte heeft een meer

    distale invloed. De intrinsieke motivatie die mensen vertonen ten aanzien van een bepaalde

    activiteit, kan zich maar ten volle ontwikkelen in situaties die gekenmerkt worden door

    gevoelens van veiligheid en verbondenheid (Deci & Ryan, 2000). Hoe een verkeersituatie kan

    voldoen aan deze situatie is moeilijker om terug te vinden. Dit aspect kan wel gebruikt

    worden in bijvoorbeeld BOB-campagnes om zo de mensen aan te moedigen om samen niet

    te rijden onder invloed.

    Natuurlijk spelen er ook nog allerlei andere factoren mee die een invloed kunnen

    uitoefenen op het gegeven of bestuurders al dan niet rijden onder invloed. Het is namelijk zo

    dat mensen pas eisen, regels en wetten kunnen internaliseren, als aan alle basisbehoeftes is

    voldaan. Externe druk, controles en evaluaties zullen dit proces van internalisatie

    ondermijnen. Daarnaast zullen individuen sneller regels en wetten van hun sociale groep

    internaliseren (Deci & Ryan, 2000). Autobestuurders zouden dan niet rijden onder invloed,

    wanneer het ‘not done’ is binnen hun vriendengroep om dit te doen. Uit het onderzoek van

    Driesen (2007) blijkt dat een autonomie-ondersteunende omgeving en betrokkenheid van de

    sociale omgeving op het rijgedrag, een unieke bijdrage levert voor de autonome motivatie.

    Daarnaast blijkt dat de overheid ook een effect kan hebben op de autonome motivatie. Zo

    blijkt dat een overheid die rekening houdt met de publieke opinie, alvorens verschillende

    regels op te leggen omtrent het verkeer, bijdraagt aan de autonome motivatie. Het krijgen

    van informatie door de overheid of feedback uit de sociale omgeving, bleek echter weinig

    bevorderend voor de autonome motivatie met betrekking tot het volgen van de

    verkeerscode. Dit is in tegenstelling tot wat men zou verwachten op basis van de ZDT.

    Daarnaast zijn er drie condities die zullen helpen om de basisbehoeftes te

    bevredigen, waardoor het proces van internalisatie van gedrag vlot zal verlopen. Door het

    geven van een verklaring zullen individuen begrijpen waarom een bepaald gedrag belangrijk

    is. Wanneer individuen een activiteit dienen uit te voeren waartoe ze niet gemotiveerd zijn,

    zal dit leiden tot een intern conflict waarbij het individu druk zal ervaren. Daarom zullen

    individuen zich begrepen voelen wanneer men erkent dat de activiteit op zich niet

    interessant is. Ten slotte zullen individuen zelf de verantwoordelijkheid van hun gedrag op

    zich nemen wanneer ze verschillende keuzes hebben. Dit is afhankelijk van hoe de verklaring

    en de erkenning van gevoelens wordt gepresenteerd. Dit kan op een gedwongen manier,

  • 29

    maar ook op een manier die keuzes toelaat (Deci, Eghrari, Patrick, & Leone, 1994).

    Autobestuurders zullen dus eerder niet rijden onder invloed, wanneer men een duidelijke

    verklaring geeft waarom dit gevaarlijk is. Daarnaast zal men door het geven van erkenning

    dat het moeilijk is om niet te drinken, terwijl vrienden of collega’s dit wel doen, ook

    bijdragen om de regels te internaliseren. Tot slot wordt de autobestuurder ook niet

    gedwongen om absoluut niets te drinken die dag. Het dient eerder geformuleerd te worden

    alsof de bestuurder de keuze heeft om al dan niet te drinken. Wanneer hij dan beslist om

    niet te drinken, zal hij meer achter zijn eigen keuze staan.

    Doelstellingen Huidig Onderzoek

    De Zelf-Determinatie Theorie maakt een onderscheid tussen verschillende vormen

    van gedragsregulatie wat bepaald wordt door de mate waarin ze autonoom of vrijwillig

    functioneren. (Ryan & Deci, 2000; Ryan & Deci, 2002). Gedrag dat intrinsiek gemotiveerd is,

    wordt gezien als de meest autonome activiteit. Individuen zullen hierbij gedrag stellen dat ze

    zelf initiëren, uit vrije wil omdat ze de activiteit inherent bevredigend vinden (Ryan & Deci,

    2002). Deze vorm van motivatie is echter weinig toepasbaar op een verkeersituatie,

    aangezien het navolgen van de wegcode zelden of niet als intrinsiek motiverend wordt

    ervaren (Vansteenkiste, 2003). Daardoor komt er ook extrinsieke motivatie aan te pas. Deze

    vorm van motivatie wordt gebruikt voor taken die niet inherent boeiend zijn. Binnen de ZDT

    wordt er een onderscheid gemaakt tussen vier verschillende types: externe regulatie,

    geïntrojecteerde regulatie, geïdentificeerde regulatie en geïntegreerde regulatie. Deze

    verschillen in de mate waarin de activiteit is geïnternaliseerd en als autonoom wordt ervaren

    (Ryan & Deci, 2002).

    In deze verhandeling zal de motivatie om zich aan de verkeersregels te houden

    worden nagegaan. In plaats van ons te richten op motivatie of verzet tegenover de

    verkeersregels omtrent snelheid, zoals reeds onderzocht door Driesen (2007) en Reijns

    (2011), gaan we ons richten op de verkeersregels die van toepassing zijn op het rijden onder

    invloed. Vernieuwend aan dit onderzoek is dat we gaan werken met de BOB-campagnes.

    Deze duiken elk jaar op in ons straatbeeld. Maar oefenen deze überhaupt een invloed uit op

    iemand zijn intentie om niet te rijden onder invloed?

    In ons onderzoek wordt er gewerkt met specifieke BOB-affiches die zijn gebruikt de

    voorbije jaren. De originele BOB-affiche wordt telkens vergeleken met een aangepaste BOB-

  • 30

    affiche. Deze aangepaste BOB-affiche wordt zodanig veranderd, dat de slogan de behoefte

    aan verbondenheid of aan autonomie aanspreekt. Het beeld blijft telkens gelijk. Er wordt

    onderzocht of er een verschil is tussen deze originele affiche en de aangepaste affiche,

    tussen de behoeftes waarop wordt ingespeeld en de volgorde waarin deze worden

    aangeboden. Dit wordt onderzocht aan de hand van de uitkomstvariabelen (a) perceptie van

    de affiche en (b) de motivatie om niet te rijden onder invloed. Hierbij wordt de predictie

    gemaakt dat wanneer een affiche specifiek een bepaalde behoefte aanspreekt, bestuurders

    deze meer als autonomie-ondersteunend of informerend zullen beschouwen. Daarnaast is er

    de hypothese dat een affiche die als controlerend wordt beschouwd, eerder zal

    samenhangen met externe regulatie en geïntrojecteerde regulatie. Hier dient rekening te

    worden gehouden met de moderatoren (a) reactantie, (b) attitude die bestuurders vertonen

    tegenover rijden onder invloed en (c) attitude tegenover BOB-campagnes in het algemeen.

    De predictie is dat bestuurders die een hogere mate aan reactantie vertonen, BOB-affiches

    die de behoeftes niet aanspreken eerder zullen beoordelen als controlerend. Ook de

    motivatie om niet te rijden onder invloed zal hierdoor eerder extern gereguleerd zijn.

    Bestuurders zullen een negatieve attitude vertonen tegenover rijden onder invloed wanneer

    ze hierover voldoende kennis hebben, ze het gevoel hebben dat dit sociaal niet aanvaard is

    en wanneer ze de mogelijkse gevaren die samenhangen met rijden onder invloed kunnen

    inschatten. Er kan gesteld worden dat bestuurders met een negatieve attitude tegenover

    rijden onder invloed eerder een geïdentificeerde motivatie zullen vertonen ten aanzien van

    niet rijden onder invloed. Tot slot kan de attitude van bestuurders tegenover BOB-

    campagnes in het algemeen een invloed uitoefenen op de perceptie van de specifieke

    affiches. We kunnen stellen dat bestuurders die BOB-campagnes in het algemeen als

    informerend beschouwen, de specifieke affiches ook als informerend zullen beschouwen,

    ongeacht de aanpassing. Daarnaast zal dit samengaan met gedrag dat eerder gereguleerd is

    volgens geïdentificeerde motivatie ten aanzien van niet rijden onder invloed.

    De ZDT heeft reeds binnen verschillende domeinen, die variëren van school tot sport,

    zijn nut bewezen. Binnen het verkeersdomein heeft er nog maar weinig onderzoek

    plaatsgevonden. Daarom is het interessant om huidig onderzoek met betrekking tot de

    verkeerscontext te kaderen binnen de ZDT.

  • 31

    Figuur 1

    Grafische weergave van het onderzoeksopzet

  • 32

    Methode

    Procedure en Deelnemers

    De gerapporteerde data worden verzameld aan de hand van een online

    vragenlijstonderzoek. De deelnemers dienen hierbij een vragenlijst bestaande uit 127 items

    online in te vullen. Bij het openen van de vragenlijst wordt men willekeurig toegewezen aan

    één van de vier condities. In de eerste conditie wordt een affiche getoond die de behoefte

    autonomie aanspreekt. De oorspronkelijke affiche wordt eerst getoond, waarna de

    aangepaste affiche wordt getoond. In de tweede conditie krijgen de deelnemers wederom

    een affiche die de behoefte autonomie aanspreekt. De eerste affiche die men nu te zien

    krijgt is de aangepaste versie en vervolgens krijgen ze de originele affiche te zien. De derde

    conditie is gericht op de behoefte aan autonomie. Eerst krijgt men de originele affiche te

    zien, met daaropvolgend de aangepaste affiche. Tot slot is conditie vier gericht op de

    behoefte aan verbondenheid. De aangepaste affiche wordt eerst aangeboden, aansluitend

    wordt de originele affiche getoond. Deze vorm van toewijzing gebeurt om de spreiding van

    de deelnemers over de verschillende condities te randomiseren. Bij aanvang van het

    onderzoek wordt de anonimiteit van de gegevens gegarandeerd. Er werden 114

    vragenlijsten volledig ingevuld. De steekproef (N = 114) bestond uit 29 mannen en 85

    vrouwen met een gemiddelde leeftijd van 28.25 (SD = 11.84).

    De steekproef werd at random verspreid over de verschillende condities wat volgende

    gegevens bezorgd. In conditie één werden 29 deelnemers teruggevonden, net zoals in

    conditie twee. In conditie drie zijn er 27 deelnemers. Tot slot werden 29 deelnemers

    toegewezen aan conditie vier. De gemiddelde rijdervaring bedraagt 8.93 jaar (SD = 11.02).

    Als hoogste diploma gaven 0.9% van de deelnemers een diploma lager onderwijs te hebben

    behaald, 35.9% een diploma middelbaar onderwijs en 63.2% een diploma hoger of

    universitair onderwijs.

    Metingen

    Reactantie. Aan de deelnemers werd gevraagd om op basis van een 5-punt Likert

    schaal gaande van 1 (“helemaal niet akkoord”) tot 5 (“helemaal wel akkoord”) de vragenlijst

    in te vullen. De vragenlijst bestaat uit 14 items die peilen naar reactantie. Reactantie wordt

    hier geoperationaliseerd aan de hand van de emotionele component (bv. Ik word kwaad als

    iemand mijn keuzevrijheid beperkt), maar ook aan de hand van de cognitieve component

  • 33

    (bv. Als iets verboden is, denk ik meestal: “Dat is nu precies wat ik ga doen”). De interne

    betrouwbaarheid bedraagt.83.

    Attitude tegenover rijden onder invloed. Aan de deelnemers werd gevraagd hun

    mening aan te geven over rijden onder invloed aan de hand van een 5-punt Likert schaal,

    lopend van 1 (“helemaal niet akkoord”) tot 5 (“helemaal wel akkoord”). De items van deze

    schaal werden ontwikkeld door het BIVV. De vragenlijst bevat 23 items die beogen de

    risicoperceptie (bv. Als je onder invloed van alcohol rijdt, is het moeilijker om correct te

    reageren in een gevaarlijke situatie), de sociale aanvaardbaarheid (bv. De meeste van mijn

    kennissen/vrienden vinden rijden onder invloed van alcohol onaanvaardbaar) en de kennis

    (bv. Met koffie kan je de alcoholconcentratie in je bloed of uitgeademde lucht verlagen) rond

    rijden onder invloed te meten. De interne betrouwbaarheid van deze schalen bedraagt

    respectievelijk.62, .56, .62. Daarnaast wordt er ook gepeild naar de eigen ingesteldheid om

    al dan niet te rijden onder invloed. Tot slot wordt er ook bevraagd wat mogelijke redenen

    zijn om op voorhand geen BOB te kiezen.

    Mening ten aanzien van alcoholcontroles en BOB-campagnes. Voor deze studie werd

    een vragenlijst ontwikkeld, bestaande uit 14 items, die peilt naar de attitudes van

    deelnemers tegenover alcoholcontroles en de BOB-campagnes. Aan de hand van een 5-punt

    Likert schaal, lopend van 1 (“helemaal niet akkoord”) tot 5 (“helemaal wel akkoord), wordt

    bij de deelnemers gepeild in welke mate ze alcoholcontroles/BOB-campagnes als informatief

    beoordelen (bv.1 Dankzij alcoholcontroles ben ik goed geïnformeerd over veilig rijgedrag;

    bv.2 BOB-campagnes geven mij zinvolle informatie over mijn rijgedrag), dan wel als

    controlerend ervaren (bv.1 Ik ervaar BOB-campagnes als betuttelend en dwingend; bv.2

    Alcoholcontroles vormen een inbreuk op mijn privacy in het verkeer). Voor de schalen rond

    BOB-campagnes wordt een interne betrouwbaarheid van respectievelijk.79 en.37.

    BOB-affiches. Via het BIVV werden de originele affiches verkregen van de BOB-

    campagnes rond rijden onder invloed die de voorbije jaren werden gebruikt. De deelnemers

    kregen telkens de originele affiche te zien en een aangepaste affiche waarbij de slogan werd

    veranderd. In de conditie verbondenheid, dienen de deelnemers 11 items te beantwoorden

    zowel bij de originele affiche, als bij de aangepaste affiche. Deze items peilen naar de

    geloofwaardigheid (bv. Dit is een geloofwaardige affiche) en het motiverend karakter van de

    affiche (bv. Deze affiche motiveert mij om niet te rijden onder invloed). De interne

    betrouwbaarheid van deze schalen bedraagt.84. Daarnaast wordt specifiek over de affiche

  • 34

    gepeild naar het informerend (bv. Deze affiche geeft mij zinvolle informatie over mijn

    rijgedrag), dan controlerend karakter van de affiche (bv. Deze affiche plaatst me onder druk

    om niet onder invloed te rijden). De interne betrouwbaarheid bedraagt respectievelijk.79

    en.65. In de conditie autonomie, dienen de deelnemers 11 items te beantwoorden. Ze

    dienen zowel over de originele affiche, als de aangepaste affiche aan te geven in welke mate

    deze geloofwaardig is en hen motiveert om niet te rijden onder invloed. Tot slot wordt ook

    het informerend en controlerend karakter van de affiches bevraagd.

    Zelfregulatie. Deze vragenlijst peilt bij deelnemers naar hun motivatie om niet te

    rijden onder invloed. Dit gebeurt aan de hand van een 5-punt Likert schaal lopend van 1

    (“helemaal niet akkoord”) tot 5 (“helemaal wel akkoord”). Deze vragenlijst werd ontwikkeld

    door Driessen (2007) en bestaat uit 15 items. Er wordt gepeild naar externe regulatie (bv. …

    omdat de verkeerswet me hiertoe verplicht), geïntrojecteerde regulatie (bv. … omdat ik me

    anders slecht zou voelen) en geïdentificeerde regulatie (bv. … omdat dit voor mij een

    persoonlijk belangrijke keuze is). De interne betrouwbaarheid bedraagt respectievelijk.94,

    .90 en.95.

  • 35

    Resultaten

    Preliminaire Analyses

    Achtergrondvariabelen.

    Geslacht. Aan de hand van onafhankelijke t-testen, wordt eerst onderzocht in welke

    mate de gemeten variabelen variëren in functie van geslacht. Er wordt een significant

    verschil gevonden tussen mannen (M = 14.79, SD = 15.33) en vrouwen (M = 6.94, SD = 8.32)

    wat betreft jaren rijervaring, t(112) = 3.47, p < .05. Met betrekking tot risicoperceptie wordt

    er een randsignificant verschil gerapporteerd tussen mannelijke (M = 4.10, SD = .70) en

    vrouwelijke chauffeurs (M = 4.34, SD = .53), t(112) = -1.93, p = .05. Vrouwen schatten het

    risico van rijden onder invloed hoger in dan mannen. De mate waarin bestuurders de

    affiches als controlerend percipiëren, verschilt ook tussen mannen (M = 3.16, SD =.82) en

    vrouwen (M = 3.58, SD = .57), t(37.72) = -2.57, p

  • 36

    campagnes percipiëren als controlerend (r (114) = .26, p < .01). Risicoperceptie is dan weer

    nauw gecorreleerd met de andere variabelen die de attitude ten aanzien van rijden onder

    invloed meten, namelijk kennis en sociale aanvaardbaarheid. Zo zal iemand die het risico van

    rijden onder invloed hoger inschat, ook ervaren dat het sociaal onaanvaardbaar is om te

    rijden onder invloed (r (114) = -.32, p

  • 37

    als controlerend. In overeenstemming met de verwachtingen hangt risicoperceptie ook

    significant samen met geïdentificeerde regulatie. Bestuurders zullen beslissen om niet te

    rijden onder invloed volgens geïdentificeerde motieven wanneer men de risico’s van rijden

    onder invloed hoog schat. Verder is risicoperceptie positief gecorreleerd met

    geïntrojecteerde regulatie.

    Kennis is significant gecorreleerd met de mate waarin de affiche als informerend

    wordt beschouwd. Hoe groter het gebrek aan kennis, hoe meer dit wordt beschouwd als

    informerend. Verder hangt een gebrek aan kennis samen met externe motieven om niet te

    rijden onder invloed.

    Wat verder opvalt, is dat hoe meer rijden onder invloed sociaal aanvaard wordt, hoe

    meer bestuurders een negatieve attitude vertonen ten aanzien van de affiche. In

    overeenstemming met de verwachtingen, hangt een hoge mate van sociale

    aanvaardbaarheid van rijden onder invloed samen met een mindere mate aan

    geïdentificeerde motieven om niet te rijden onder invloed.

    Tot slot kan opgemerkt worden dat reactantie ongecorreleerd is met al de

    verschillende affiche uitkomsten. Bij verdere analyse waarbij naar het correlatiepatroon van

    de twee behoeftes afzonderlijk wordt gekeken, valt op dat bij de behoefte aan

    verbondenheid geen significante correlaties worden geobserveerd tussen reactantie en de

    uitkomstvariabelen. Dit staat in contrast tot de geobserveerde samenhang bij de conditie

    autonomie. In deze conditie hangt reactantie samen met de mate waarin wordt gehandeld

    volgens externe (r (114) = -.34, p < .01) en geïntrojecteerde motieven (r(114) = -.38, p < .01).

    Verder hangt reactantie ook samen met de mate waarin de affiche als informerend wordt

    beschouwd (r (144) = -.29, p < 05).

  • 38

    Tabel 2. Correlaties tussen premetingen en affiche specifieke metingen

    M SD 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15

    Premetingen

    1. Leeftijd

    28.25 11.64 -

    2. Rijervaring 8.93 11.02 .98** -

    3. Opleidingsniveau 8.46 1.54 -.31** -.30 -

    4. Reactantie 2.74 .52 -.03 -.05 -.19* -

    5. Risicoperceptie 4.28 .58 .13 .14 .04 -.01 -

    6. Sociale Norm 2.31 .67 .00 -.01 -.09 .20* -.32** -

    7. Kennis 2.00 .62 -.14 -.10 -.05 .01 -.26** .29** -

    8. Informerend 3.06 .96 -.16 -.14 .14 -.05 -.19* -.05 -.01 -

    9. Controlerend 1.80 .60 -.29** -.29** -.05 .26** -.10 .22* .31** .18 -

    Affichemetingen

    10. Attitude 2.61 .77 .05 .06 .04 -.15 .12 -.24* .10 .43** .05 -

    11. Informerend 2.84 .87 -.14 -.12 .02 -.02 .08 -.08 .23* .43** .18 .54** -

    12. Controlerend 3.47 .67 -.23* -.22* .16 -.09 .27** -.24* -.08 .35** -.08 .38** .43** -

    13. Geïdentificeerd 4.18 .87 -.24* -.23* .11 -.00 .25** -.24** -.18 .24* -.22* .22* .24** .89** -

    14. Geïntrojecteerd 2.95 .91 -.15 -.14 .09 -.15 .20* -.18 .06 .52** .06 .52** .75** .62** .41** -

    15. Extern 2.93 1.02 -.17 -.15 -.02 -.06 -.04 .01 .29** .36** .21* .45** .88** .34** .16 .63** -

    Noot: * p < .05, ** p

  • 39

    Multivariate Herhaalde Metingenanalyses.

    Hoofd- en interactie-effecten van de gemanipuleerde variabelen.

    Om na te gaan of er een verschil is tussen de originele en de aangepaste affiche,

    tussen de behoeftes waarop wordt ingespeeld en de volgorde van de aangeboden affiches,

    wordt er een multivariate herhaalde metinganalyse uitgevoerd. De binnen-persoon factor is

    de aanpassing die werd doorgevoerd in de affiches. De behoefte die wordt aangesproken in

    de affiche en de volgorde waarin de affiche werd aangeboden worden beschouwd als een

    tussenpersoon factor. Geslacht en rijervaring worden opgenomen als covariaten. De

    gemiddelde scores van de proximale en distale uitkomsten staan vermeld in Tabel 3. De

    verschillende hoofd- en interactie effecten van deze variabelen op de uitkomstvariabelen

    worden teruggevonden in Tabel 4.

    De aanpassing die werd doorgevoerd bij de affiches brengt geen significante

    hoofdeffecten naar voor. Het type behoefte dat werd aangeboden, gaat wel gepaard met

    een aantal hoofdeffecten. Zo wordt er een hoofdeffect teruggevonden bij de attitude ten

    aanzien van de affiche en de mate waarin de affiche als informerend wordt gepercipieerd.

    Deelnemers in de conditie autonomie blijken gemiddeld een positievere attitude te vertonen

    dan de deelnemers in de conditie verbondenheid. Daarnaast beschouwen de deelnemers de

    affiche eerder als informerend wanneer ze zich in de behoefte autonomie bevonden, dan

    mochten ze in de behoefte verbondenheid zijn ingedeeld. Ook wordt er een hoofdeffect

    geobserveerd in de volgorde van aanbieding bij attitude en geïdentificeerde regulatie. De

    affiche die als eerste wordt aangeboden, rapporteert gemiddeld lagere scores dan de affiche

    die als tweede wordt aangeboden.

    De volgorde waarin de originele en aangepaste affiches worden aangeboden, brengt

    verschillende significante interactie-effecten naar voor. Deze interactie-effecten worden

    gerapporteerd bij de attitude, het informerend en controlerend karakter van de affiche en

    de mate van geïntrojecteerde regulatie. De attitude ten aanzien van de affiches verschilt,

    afhankelijk van de volgorde waarin de affiches werden aangeboden. De affiche die als

    tweede werd aanboden, werd positiever bevonden dan de affiche die als eerste werd

    aangeboden. Deze samenhang werd gevonden bij de originele affiche (Aanbieding 1: M =

    2.38, SD = .88; Aanbieding 2: M = 2.97, SD = .94), alsook bij de aangepaste affiche

    (Aanbieding 1: M = 2.51, SD = .70; Aanbieding 2: M = 2.58, SD = 1.03). Ook de mate waarin

    de affiche als informerend en controlerend wordt gepercipieerd, varieert afhankelijk van de

  • 40

    volgorde van aanbieding. De eerste aanbieding zal samengaan met een lagere score op de

    mate waarin de affiche als informerend wordt gepercipieerd vergeleken met de tweede

    aanbieding. Het verschil tussen beide aanbiedingen was wederom groter bij de originele

    (Aanbieding 1: M = 2.65, SD = .94; Aanbieding 2: M = 3.01, SD = .93) dan bij de aangepaste

    affiche (Aanbieding 1: M = 2.78, SD = .85; Aanbieding 2: M = 2.94, SD = 1.13). Hetzelfde

    effect wordt gerapporteerd in de mate waarin de affiche als controlerend wordt beschouwd.

    De originele affiche (Aanbieding 1: M = 3.08, SD = .78; Aanbieding 2: M = 3.78, SD = .83)

    vertoonde wederom een groter verschil dan de aangepaste affiche (Aanbieding 1: M = 3.34,

    SD = .46; Aanbieding 2: M = 3.68, SD = .91). De mate waarin het gedrag gestuurd wordt door

    geïntrojecteerde motieven, varieert ook afhankelijk van de volgorde van aanbieding. De

    affiche die als eerste wordt aangeboden, rapporteert lagere scores dan de affiche die als

    tweede werd aangeboden. Het verschil in volgorde van aanbiedingen is groter bij de

    originele affiche (Aanbieding 1: M = 2.84, SD = .97; Aanbieding 2: M = 3.05, SD = .90) dan de

    aangepaste affiche (Aanbieding 1: M = 2.92, SD = .93; Aanbieding 2: M = 2.99, SD = 1.08).

    Opvallend is dat voor de mate waarin gedrag gestuurd wordt door geïdentificeerde

    motieven geen interactie-effect wordt teruggevonden. Het hoofdeffect kan dus gewoon

    geïnterpreteerd worden.

    Verder worden er ook een aantal interactie-effecten gerapporteerd tussen de

    behoefte die wordt aangeboden en de aanpassing van de affiche. Deze interactie-effecten

    worden geobserveerd bij de mate waarin de affiche als controlerend wordt gepercipieerd,

    alsook de mate waarin gedrag gestuurd wordt door geïdentificeerde motieven. Wat opvalt,

    is dat voor deze uitkomstvariabelen geen hoofdeffect werden gerapporteerd. In de conditie

    autonomie (M = 3.63, SD = .64) wordt de aangepaste affiche eerder als controlerend

    beschouwd dan in de conditie verbondenheid (M = 3.38, SD = .81). De originele affiche zal

    echter minder als controlerend worden beschouwd in de conditie autonomie (M = 3.41, SD =

    .80) vergeleken met de conditie verbondenheid (M = 3.46, SD = .96). De mate waarin gedrag

    geïdentificeerd gereguleerd wordt, is in de aangepaste affiche hoger voor de conditie

    autonomie (M = 4.60, SD = .74) dan voor de conditie verbondenheid (M = 4.18, SD = .95). De

    originele affiche rapporteert echter een hogere score in de conditie verbondenheid (M =

    4.06, SD = .93)dan de conditie autonomie (M = 4.19, SD = 1.04).

  • 41

    Tabel 3. Descriptieven van de uitkomstvariabelen

    Autonomie Verbondenheid

    Origineel Aanpassing Origineel Aanpassing Eerst

    aangeboden Tweede

    aangeboden Eerst

    aangeboden Tweede

    aangeboden Eerst

    aangeboden Tweede

    aangeboden Eerst

    aangeboden Tweede

    aangeboden

    M (SD) M (SD) M (SD) M (SD) M (SD) M (SD) M (SD) M (SD) Proximale uitkomsten

    Attitude 2.67 (.81) 3.22 (.92) 2.85 (.63) 3.11 (.93) 2.06 (.86) 2.71 (.90) 2.17 (.61) 2.01 (.82)

    Informerend 2.80 (.94) 3.14 (.91) 2.97 (.95) 3.29 (.99) 2.48 (.94) 2.87 (.91) 2.59 (.69) 2.57 (1.16)

    Controlerend 3.17 (.63) 3.66 (.88) 3.40 (.48) 3.89 (.69) 2.99 (.92) 3.91 (.77) 3.30 (.45) 3.46 (1.07)

    Distale uitkomsten Geïdentificeerde

    regulatie 4.03 (.88) 4.10 (1.00) 4.39 (.69) 4.21 (.78) 3.88 (1.13) 4.48 (.87) 4.39 (.67) 4.21 (.78)

    Geïntrojecteerde regulatie

    2.99 (.94) 3.08 (.92) 3.01 (1.05) 3.26 (.95) 2.67 (.99) 3.02 (.90) 2.83 (.80) 2.70 (1.15)

    Externe regulatie 3.17 (