Biologie Voor Jou VWO Zakboek, VWO3 (2014)

of 22/22
7/18/2019 Biologie Voor Jou VWO Zakboek, VWO3 (2014) http://slidepdf.com/reader/full/biologie-voor-jou-vwo-zakboek-vwo3-2014 1/22 VWO biologie voor jou
  • date post

    02-Mar-2016
  • Category

    Documents

  • view

    348
  • download

    4

Embed Size (px)

description

Het officiele zakboek van BVJ voor VWO 3. Ik heb dit lett. upload voor download

Transcript of Biologie Voor Jou VWO Zakboek, VWO3 (2014)

  • VWO

    Z

    AK

    BO

    EK bvj

    VWO

    biologie voor jouzakboek

    auteursarteunis bosmarianne gommersonno kalverdagerard muhlenbaumerruud passiertheo de rouwgerard smitsben waasren westra

    556341_Omslag zakboek_BVJ vwo.indd 1 21-12-12 11:59

  • biologie voor de bovenbouwvwo

    auteursarteunis bosmarianne gommersonno kalverdagerard muhlenbaumerruud passiertheo de rouwgerard smitsben waasren westra

    vijfde drukmalmberg s-hertogenboschwww.biologievoorjou.nl

    biologie voor jouzakboek

    VWO

    556341_BVJ_VWO_binnenwerk_zakboek_def.indd 1 21-12-12 12:05

  • 2thema 2 Cellen

    Voorwoord

    556341_BVJ_VWO_binnenwerk_zakboek_def.indd 2 21-12-12 12:05

  • 3thema 2 Cellen

    Inleiding

    Leerjaar 4

    1 Inleiding in de biologie Samenvatting Examentrainer 6

    2 Cellen Samenvatting 15 Examentrainer

    3 Voortplanting Samenvatting Examentrainer

    4 Genetica Samenvatting Examentrainer

    5 Evolutie Samenvatting Examentrainer

    6 Ecologie Samenvatting Examentrainer

    Leerjaar 5

    1 Stofwisseling Samenvatting Examentrainer

    2 DNA Samenvatting Examentrainer

    3 Mens en milieu Samenvatting Examentrainer

    4 Planten Samenvatting Examentrainer

    5 Regeling Samenvatting Examentrainer

    6 Beweging en gedrag Samenvatting Examentrainer

    Leerjaar 6

    1 Voeding Samenvatting Examentrainer

    2 Gaswisseling en uitscheiding Samenvatting Examentrainer

    3 Transport Samenvatting Examentrainer

    4 Bescherming Samenvatting Examentrainer

    5 Evenwicht Samenvatting Examentrainer

    INHOUD

    556341_BVJ_VWO_binnenwerk_zakboek_def.indd 3 21-12-12 12:05

  • Cellen2THEMA

    5

    556341_BVJ_VWO_binnenwerk_zakboek_def.indd 5 21-12-12 12:05

  • 6thema 2 CellenTHEMA 2 CELLEN

    Samenvattingdoelstelling 1Je moet in een context een cel kunnen beschrijven als zelfstandig functionerende biologische eenheid. Zelforganisatie is zichtbaar in de structuur van cellen die zijn opgebouwd uit een

    celmembraan, cytoplasma en organellen. Het celmembraan scheidt een cel van zijn milieu. Via het celmembraan wordt de opname en afgifte van stoffen geregeld. Door zelfregulatie via chemische processen houden de cellen zichzelf in stand. Cytoplasma is de inhoud van de cel. In het cytoplasma bevinden zich organellen. Organellen zijn compartimenten van een cel. Voorbeelden: celkern, bladgroenkorrels, vacuole. De concentratie van stoffen in organellen is anders dan die in het cytoplasma.

    doelstelling 2Je moet in een context kunnen toelichten hoe cellen zichtbaar kunnen worden gemaakt en welke hulpmiddelen daarbij worden gebruikt. Bij een lichtmicroscoop valt licht van onder door een preparaat. Een preparaat bestaat uit een objectglas en een dekglas met daartussen het object

    dat je wilt bekijken. Een lichtmicroscoop vergroot tot 2000 keer. De vergroting van een lichtmicroscoop reken je uit door de vergroting van het

    oculair te vermenigvuldigen met de vergroting van het objectief. Bij een elektronenmicroscoop wordt gebruikgemaakt van een elektronenbundel. Elektronenmicroscopen kunnen tot meer dan 100 000 keer vergroten. TEM: transmissie-elektronenmicroscoop; hierbij gaat de elektronenbundel door

    het preparaat en ontstaat een tweedimensionaal beeld, dat lijkt op dat van een lichtmicroscoop.

    SEM: scanning elektronenmicroscoop; hierbij tast een elektronenbundel het preparaat af en ontstaat een beeld met diepte.

    doelstelling 3Je moet in een context de bouw van plantaardige en dierlijke cellen kunnen toelichten. Cytoplasma (celplasma): bestaat uit water met organellen en opgeloste stoffen. Celmembraan: de buitenste laag van het cytoplasma. Kern: hierin bevinden zich de chromosomen. Kernmembraan: de buitenste laag van het kernplasma. Vacuole(n): blaasje(s) in het cytoplasma, gevuld met vacuolevocht. Vacuolevocht bestaat uit water met opgeloste stoffen (o.a. zouten, glucose en

    andere reservestoffen, afvalstoffen en kleurstoffen, bijv. anthocyaan).

    556341_BVJ_VWO_binnenwerk_zakboek_def.indd 6 21-12-12 12:05

  • 7thema 2 Cellen

    Een vacuole is omgeven door een vacuolemembraan. Plastiden: een groep organellen bij planten en sommige protisten: chloroplasten (bladgroenkorrels); chromoplasten (kleurstofkorrels); leukoplasten (kleurloos), o.a. zetmeelkorrels. Celwand: een stevig laagje om de cel heen. Een celwand behoort niet tot de cel, maar is tussencelstof. Intercellulaire ruimten: holten tussen celwanden, gevuld met lucht of vocht. Dierlijke cellen bezitten geen grote centrale vacuole en geen plastiden en om dierlijke

    cellen heen ligt geen celwand.

    doelstelling 4Je moet in een context bij de mens de biologische eenheden weefsels, organen en organenstelsels kunnen herkennen. Ook moet je in een afbeelding van (een doorsnede van) de romp van een mens de organen kunnen benoemen. Weefsel: een groep cellen met dezelfde vorm en dezelfde functie(s). De vorm van cellen hangt samen met hun functie. Bij veel weefsels komt tussencelstof voor. Veel weefsels bestaan uit gespecialiseerde cellen. Stamcellen zijn niet gespecialiseerd en kunnen uitgroeien tot een specifiek

    celtype. Embryonale stamcellen kunnen tot ieder type cel uitgroeien. Adulte stamcellen kunnen uitgroeien tot cellen van het weefsel waarin ze zich

    bevinden. Een orgaan is een deel van een organisme met een of meer functies. Een orgaan bestaat uit verschillende weefsels. Organen werken vaak samen in organenstelsels (bijv. het verteringsstelsel).

    intercellulaire ruimte

    kernmembraan

    kern

    plastide (chloroplast)

    vacuolemembraanvacuolecelmembraan

    celwand

    cytoplasma

    Afb. 1 Een eukaryote cel.

    556341_BVJ_VWO_binnenwerk_zakboek_def.indd 7 21-12-12 12:05

  • 8thema 2 Cellen

    Het middenrif scheidt de romp in de borstholte en de buikholte. Organen in de borstholte: o.a. slokdarm, longen en hart. Organen in de buikholte: o.a. maag, lever, alvleesklier, dunne darm, dikke darm,

    nieren.

    doelstelling 5Je moet in een context delen van een cel kunnen beschrijven en ze in een elektronenmicroscopische afbeelding kunnen herkennen. Celkern met chromosomen: speelt een belangrijke rol bij de zelforganisatie van de cel. Kernporin: kleine openingen in het kernmembraan, waardoor stoffen in en uit de

    kern kunnen. Een eiwitcomplex regelt het transport van o.a. boodschappermoleculen. Endoplasmatisch reticulum: netwerk van dubbele membranen die bijna tegen elkaar

    aan liggen zodat afgeplatte holten en kanaaltjes ontstaan. Functie: transport van stoffen. Ribosomen: bolvormige organellen, die tegen de membranen van het endoplasmatisch

    reticulum aan liggen of vrij in het cytoplasma voorkomen. Functie: synthese van eiwitten aan de hand van de informatie van boodschapper-

    moleculen uit de kern. Golgisysteem: opeenstapeling van platte blaasjes, elk omgeven door een membraan. Functie: eiwitten hun uiteindelijke vorm geven, afgeven van eiwitten buiten de cel

    (secretie) en productie van lysosomen. Lysosomen: blaasjes die verteringsenzymen bevatten. Functie: transport van verteringsenzymen en bescherming van de cel tegen de

    werking van het verteringsenzym. Mitochondrin: bolvormige organellen met een dubbele membraan, waarvan het

    binnenste membraan sterk is geplooid. Functie: energie vrijmaken met behulp van zuurstof (verbranding). De vrijgemaakte energie wordt tijdelijk opgeslagen in ATP-moleculen. Chloroplasten (bladgroenkorrels): hebben net als mitochondrin een dubbel

    membraan. In chloroplasten komen veel platte blaasjes voor, die als munten lijken te zijn

    gestapeld. Functie: fotosynthese laten plaatsvinden. Celmembraan: twee lagen fosfolipiden (vetachtige stoffen), waarin eiwitten liggen

    ingebed. Sommige fosfolipiden en eiwitten bezitten koolhydraat-ketens. Functies: transport van stoffen, bescherming en regeling van de samenstelling van

    het cytoplasma. Celmembranen zijn selectief permeabel. De endosymbiosetheorie geeft een verklaring voor het ontstaan van

    organellen (zie afbeelding 2). Door instulpingen van het celmembraan ontstond de celkern. Hierdoor ontstonden

    eukaryote eencelligen.

    556341_BVJ_VWO_binnenwerk_zakboek_def.indd 8 21-12-12 12:05

  • 9thema 2 Cellen

    Vrij levende arobe bacterin werden ingesloten en ontwikkelden zich tot mitochondrin.

    Vrij levende cyanobacterin werden ingesloten en ontwikkelden zich tot chloro-plasten.

    doelstelling 6Je moet in een context de verschillen kunnen beschrijven tussen cellen van prokaryoten, planten en dieren. In cellen van planten komen plastiden en grote vacuolen voor. Om elke plantaardige cel zit een celwand. Dierlijke cellen hebben geen celwanden en geen plastiden. In dierlijke cellen zijn de vacuolen klein of afwezig. Prokaryoten hebben vrijwel geen organellen. Er is geen kern en kernmembraan: DNA ligt in het cytoplasma. Er zijn geen mitochondrin, geen plastiden en geen vacuolen. Ook is er geen

    endoplasmatisch reticulum.

    doelstelling 7Je moet in een context de begrippen concentratie, diffusie en osmose kunnen toepassen. Concentratie geeft de hoeveelheid van een stof in bijvoorbeeld een oplossing aan. De hoeveelheid opgeloste stof kan worden aangegeven in gram per volume (g L1)

    of in massaprocenten (%). Lage concentraties geeft men vaak weer met ppm. Diffusie: verplaatsing van een stof van een plaats met een hoge concentratie naar een

    plaats met een lage concentratie van die stof (zowel in vloeistoffen als in gassen). Diffusie wordt veroorzaakt door (ongerichte) beweging van moleculen. De snelheid van de diffusie is o.a. afhankelijk van de soort stof, het medium

    waarin het plaatsvindt (bijvoorbeeld water of lucht) en de temperatuur. Osmose: diffusie van water door een selectief-permeabel membraan.

    Afb. 2 De endosymbiosetheorie (schematisch).

    DNA-molecuulcelmembraan celkern met DNA

    kernmembraan mitochondrium

    endoplasmatischreticulum

    chloroplastcyanobacteriecelmembraan

    arobe bacterie

    mitochondrium

    endoplasmatisch reticulum(in ontwikkeling)

    kernmembraan (in ontwikkeling)prokaryoot eukaryo

    instulping van het

    1 instulping van het celmembraan

    2 vorming van het kernmembraan met kernporin

    3 insluiting van een aerobe bacterie

    4 insluiting van een cyanobacterie

    556341_BVJ_VWO_binnenwerk_zakboek_def.indd 9 21-12-12 12:05

  • 10

    thema 2 Cellen

    Een selectief-permeabel membraan laat wel water door, maar niet de opgeloste stof.

    Bij osmose treedt nettowaterverplaatsing op van een plaats met een lage osmoti-sche waarde naar een plaats met een hoge osmotische waarde.

    De osmotische waarde van een oplossing is afhankelijk van het aantal opgeloste deeltjes per volume-eenheid.

    doelstelling 8Je moet transportmechanismen in cellen kunnen beschrijven en in een context kunnen toelichten hoe interactie op celniveau plaatsvindt door stoffentransport via (cel)membranen. Bij protisten vormt het celmembraan de scheiding tussen de cel en het externe milieu. Interne milieu: de weefselvloeistof inclusief het bloedplasma van een organisme. Het interne milieu is door ten minste n cellaag van het externe milieu geschei-

    den. De meeste diersoorten houden hun interne milieu constant. Het celmembraan vormt de scheiding tussen de celinhoud en zijn milieu. Het celmembraan regelt het transport van de meeste stoffen in en uit de cel. Het celmembraan is selectief permeabel. Transport van zuurstof, koolstofdioxide en in vet oplosbare stoffen vindt plaats door

    diffusie (door de fosfolipidenlagen heen). Het transport van deze stoffen is afhankelijk van het concentratieverschil. Passief transport: transport van stoffen door een membraan waarbij geen energie

    nodig is. Passief transport verloopt altijd met de concentratiegradint mee. Vormen van passief transport zijn: diffusie, osmose, transport via porie-eiwitten en

    transport via bepaalde transporteiwitten. Transport van water vindt plaats door osmose. Bepaalde porie-eiwitten (waterkanaaltjes of aquaporines) in celmembranen

    kunnen de snelheid van osmose vergroten. Actief transport: transport van stoffen door een membraan waar energie voor nodig is

    (zie afbeelding 3). Actief transport verloopt tegen de concentratie-gradint in. Actief transport kost energie, die meestal door de omzetting van ATP in ADP wordt

    geleverd. Fagocytose: het opnemen van voedingsstoffen via blaasjes die zich afsnoeren van het

    celmembraan (zie afbeelding 4). Endosoom: een blaasje dat zich afsnoert van het celmembraan. Vertering vindt plaats door enzymen uit een lysosoom waarmee een endosoom

    samensmelt. Cytoskelet: een netwerk van vezelige eiwitten. Het cytoskelet geeft vorm aan cellen. Langs het cytoskelet kunnen stoffen en organellen worden vervoerd.

    556341_BVJ_VWO_binnenwerk_zakboek_def.indd 10 21-12-12 12:05

  • 11

    thema 2 Cellen

    Microtubuli en microfilamenten zijn draadvormige eiwitten die tot het cytoskelet horen.

    doelstelling 9Je moet in een context de rol die osmose speelt bij de stevigheid van planten kunnen toelichten. Celwanden zijn permeabel. De concentratie van stoffen in een celwand is gelijk aan de concentratie van deze

    stoffen in de vloeistof buiten de cel. Het opnemen of afgeven van water door plantencellen is afhankelijk van het

    verschil in osmotische waarde tussen het vocht in de celwand en het cytoplasma. Onder normale omstandigheden is de osmotische waarde van het cytoplasma hoger

    dan die van het vocht in de celwanden.

    Afb. 3 Actief transport.

    1 de opgeloste stof bindt met het transporteiwit

    2 ATP wordt omgezet in ADP en P, de vrij-komende fosfaatgroep bindt met het transporteiwit

    3 het eiwit verandert van vorm, de opgeloste stof verlaat aan de andere kant van het membraan het transporteiwit

    4 de fosfaatgroep laat los van het transporteiwit

    opgeloste stof

    ATP ADPP P P

    hoge concentratie

    lage concentratie

    Afb. 4 Fagocytose.celmembraan

    cytoplasma

    lysosoom

    fagoc

    ytos

    e

    556341_BVJ_VWO_binnenwerk_zakboek_def.indd 11 21-12-12 12:05

  • 12

    thema 2 Cellen

    Turgor: de druk van de cel op de celwand. Door het verschil in osmotische waarde is de druk in de cel groter dan de druk buiten de cel, waardoor de cel stevig is.

    Een plantencel is turgescent als de cel turgor bezit. Door turgor zijn weefsels van planten stevig. Als het vocht in de celwanden een hogere osmotische waarde heeft dan het

    cytoplasma treedt plasmolyse op. Door osmose stroomt water de cel uit. De turgor daalt en de osmotische waarde

    van het vacuolevocht stijgt. Plasmolyse: de cel krimpt zover dat het celmembraan loslaat van de celwand. Plasmolyse kan ook optreden als een plant door verdamping veel water verliest.

    doelstelling 10Je moet de gebeurtenissen tijdens de celcyclus kunnen beschrijven en in contexten kunnen toepassen. Bij reproductie op celniveau (celdeling) ontstaan uit n moedercel twee dochtercel-

    len. De dochtercellen groeien door plasmagroei. Voorafgaande aan een celdeling vindt DNA-synthese plaats. Van ieder DNA-molecuul wordt een kopie gemaakt. Een chromosoom bestaat uit n of twee DNA-moleculen met eiwitten. Vlak voor een celdeling spiraliseert het DNA, waarbij de beide DNA-moleculen aan

    elkaar blijven zitten. De plaats waar de moleculen nog aan elkaar zitten, heet het centromeer. De celcyclus bestaat uit de interfase en de mitose (zie afbeelding 5).

    De interfase bestaat uit G1-fase, S-fase en G2-fase. Tijdens de interfase zijn geen chromosomen zichtbaar. G1-fase: periode tussen mitose en DNA-synthese (DNA-replicatie). In deze fase vindt plasmagroei plaats.

    S-fase (DNA-synthese)

    G2-fase

    G1-fase

    interfase

    celdeling

    M-fasemitose

    Afb. 5 De celcyclus (schematisch).

    556341_BVJ_VWO_binnenwerk_zakboek_def.indd 12 21-12-12 12:05

  • 13

    thema 2 Cellen

    In weefsels waarin veel celdelingen plaatsvinden, duurt de G1-fase kort. S-fase: periode waarin DNA-synthese (DNA-replicatie) plaatsvindt. G2-fase: periode tussen S-fase en de mitose.

    M-fase: periode van mitose (zie afbeelding 6) en celdeling. Hierbij worden nieuwe cellen gevormd. De M-fase begint met het zichtbaar worden van chromosomen. Elk chromosoom

    bestaat op dat moment uit twee chromatiden. De centrosomen vormen een spoelfiguur uit microtubuli en het kernmembraan

    verdwijnt.

    kernplasma metchromo-somen

    centrosoom

    kern-membraan

    spoelguur

    chromo-somen

    resten vanhet kern-membraan

    insnoering

    nieuw kernmembraanontstaat

    Interfase Mitose fase 1 (profase) Mitose fase 2 (prometafase)

    Tijdens de interfase zijn geen aparte chromosomen zichtbaar. Tijdens de interfase vindt verdubbeling van de chromosomen plaats.

    Het centrosoom is verdubbeld en ieder centrosoom beweegt zich naar een kant van de cel. In de celkern worden de chromosomen zichtbaar. Te zien is dat ieder chromosoom uit twee chromatiden bestaat.

    De centrosomen hebben een spoelfiguur van microtubuli gevormd.Het kernmembraan verdwijnt.

    Mitose fase 3 (metafase) Mitose fase 4 (anafase) Mitose fase 5 (telofase)

    De chromosomen bevinden zich in een vlak tussen beide centrosomen. De microtubuli van de spoelfiguur hechten zich aan de centromeren van de chromosomen.

    De chromatiden worden van elkaar getrokken. Van ieder chromosoom wordt n chromatide naar een kant van de cel getrokken.

    Om de chromatiden ontstaat een nieuwe kernmembraan.De cel snoert zich tussen beide kernen in.

    Afb. 6 Mitose (schematisch).

    556341_BVJ_VWO_binnenwerk_zakboek_def.indd 13 21-12-12 12:05

  • 14

    thema 2 Cellen

    De chromosomen komen in een vlak tussen de centrosomen te liggen. De microtubuli van de spoelfiguur trekken de chromatiden van elk chromosoom

    uit elkaar. Van elk chromosoom gaat n chromatide naar een pool. De chromosomen (die nu uit n chromatide bestaan) vormen twee celkernen. Tussen de nieuwe celkernen snoert de cel in, waardoor twee dochtercellen

    ontstaan. Er ontstaan celmembranen, waarbij het cytoplasma wordt verdeeld over de

    dochtercellen. Na mitose en celdeling bevatten de dochtercellen dezelfde informatie voor erfelijke

    eigenschappen als de moedercel.

    competenties/vaardighedenJe hebt in een of meer contexten: geleerd een lichtmicroscoop in te stellen en er preparaten mee te bekijken; geleerd tekeningen te maken en onderscheid te maken tussen dwars- en lengtedoor-

    sneden; geleerd een microscopische foto te herkennen en aan te geven of deze is gemaakt met

    een lichtmicroscoop, een transmissie-elektronenmicroscoop of een scanning elektro-nenmicroscoop;

    geleerd organellen te herkennen in fotos en tekeningen van cellen; geleerd een preparaat te maken en te kleuren; geoefend met het maken van een verdunningsreeks.

    Over de volgende competenties/vaardigheden zijn geen vragen opgenomen in de diagnos-tische toets.Je hebt in een of meer contexten: geoefend in het vorm-functiedenken op het niveau van cellen en weefsels; geoefend in het werken met informatiebronnen; geoefend in het toepassen van de fasen van natuur-wetenschappelijk onderzoek; geoefend in het maken van een verslag; geoefend in het opzoeken van informatie op internet; geoefend in evolutionair denken bij het ontstaan van eukaryote cellen.

    556341_BVJ_VWO_binnenwerk_zakboek_def.indd 14 21-12-12 12:05

  • 15

    thema 2 CellenTHEMA 2 CELLEN

    ExamentrainerVragen

    Bacterin in drinkwater

    Lees onderstaande tekst over bacterin in het drinkwater.

    Het drinkwater in Nederland wordt zorgvuldig gecontroleerd op de aanwezigheid van bacterin. Volgens de wet mag 1 ml drinkwater niet meer dan 100 bacterin bevatten. Een onderzoek naar het gehalte aan bacterin in drinkwater vindt als volgt plaats. Een bepaalde hoeveelheid drinkwater wordt zodanig met gesteriliseerd water verdund dat drie verschillende verdunningen worden verkregen: 1 op 10, 1 op 100 en 1 op 1000. Van het onverdunde drinkwatermonster wordt op vijf petrischalen met gesteriliseerde voe-dingsbodems steeds 0,1 ml gebracht. Datzelfde gebeurt met elke verdunning, zodat in totaal 20 petrischalen worden gebruikt. Op voedingsbodems gedijen bacterin goed. Door deling ontstaat uit elke bacterie een bacteriekolonie. Na een aantal dagen wordt het aantal bacteriekolonies geteld dat op elke petrischaal is verschenen. Leerlingen hebben een dergelijk onderzoek uitgevoerd. Hun resultaten zijn weergegeven in de tabel.

    Monster (0,1 ml) Aantal kolonies per petrischaalOnverdund 12 8 9 11 7Verdund 1 op 10 1 0 2 0 0Verdund 1 op 100 0 0 0 0 0Verdund 1 op 1000 0 0 0 0 0

    2p 1 Voldoet het onderzochte drinkwater aan de wet? Geef bij je antwoord een bereke-ning.

    1p 2 Van welk hoofdthema in de biologie is sprake bij het ontstaan van een bacteriekolo-nie?

    Gist

    De afbeelding (zie bladzijde 16) geeft een gistcel weer. Organismen worden in het vierrijken-systeem ingedeeld op grond van combinaties van verschillende kenmerken.

    2p 3 In welk rijk van de eukaryoten wordt gist ingedeeld? Noem een combinatie van drie kenmerken van gist die de indeling in dat rijk be-

    paalt.

    556341_BVJ_VWO_binnenwerk_zakboek_def.indd 15 21-12-12 12:05

  • 16

    thema 2 Cellen

    Vorm en functie

    In de afbeelding zie je twee voorbeelden van producten met een speciale vorm die te maken heeft met de functie. Vergelijkbare vormen zijn terug te vinden bij (delen van) organismen met een vergelijkbare functie.

    2p 4 Noteer voor beide voorbeelden bij welke (delen van) organismen een vergelijkbare vorm en functie zijn terug te vinden.

    De trek van de zilverzalm

    Lees onderstaande tekst over het trekgedrag van de zilverzalm.

    De zilverzalm komt uit het ei in de zoetwaterstromen van Noordwest-Amerika. De jonge visjes zwemmen de rivier af naar de Stille Oceaan. In ongeveer vijf jaar worden ze daar volwassen. Als zilverzalmen geslachtsrijp zijn, keren ze terug naar het zoete water. Door een of andere oorzaak schieten ze geen kuit in zeewater, maar zoeken ze hiervoor zoet water op. Men heeft dit onderzocht door zilverzalmen te merken. Na lange tijd kwam een merkwaardig feit aan het licht: zilverzalmen keren vrijwel altijd terug naar de stroom waar ze zijn geboren. Hoe kunnen zalmen precies hun geboortestroom terugvinden? Dit is geen gemakkelijke klus. Sommige vissen moeten om hun geboorteplaats te bereiken enorme afstanden tegen de stroom in zwemmen en daarbij vaak hoge watervallen ne-

    Boogbrug met miniduikboot

    556341_BVJ_VWO_binnenwerk_zakboek_def.indd 16 21-12-12 12:05

  • 17

    thema 2 Cellen

    men. Misschien vinden de zalmen de weg naar hun geboorteplaats terug doordat ze de smaak of de geur van hun geboortestroom herkennen. Als dit het geval is, dan zullen zalmen met uitgeschakelde reukcentra de weg naar hun geboortestroom niet terug kun-nen vinden. In zee werden geslachtsrijpe zalmen gevangen. Bij de helft van de zalmen werden de reukcentra uitgeschakeld. Alle dieren werden gemerkt en weer losgelaten. Op de paaiplaatsen in de zoetwaterstromen werd een aantal van de gemerkte zalmen teruggevonden. Bij ongeveer 10% van de teruggevonden zalmen waren de reukcentra uitgeschakeld. De overige teruggevonden gemerkte zalmen hadden intacte reukcentra.

    5p 5 Noteer bij de vragen a t/m e de juiste fase van het natuurwetenschappelijk onder-zoek.

    a Citeer de zin waarin de probleemstelling staat. b welke zin(nen) staat het uitgevoerde experiment beschreven? c Welke fase van de natuurwetenschappelijke methode staat beschreven in de zin: Misschien vinden de zalmen de weg naar hun geboorteplaats terug doordat ze de smaak of de geur van hun geboortestroom herkennen? d In welke zin(nen) staan de resultaten van dit onderzoek beschreven? e Formuleer de conclusie van dit onderzoek.

    Nonnetjes

    Lees onderstaande tekst over nonnetjes op het strand.

    Op het strand langs de Noordzee en de Waddenzee kun je veel schelpen vinden van nonnetjes. Voor schelpenverzamelaars zijn ze interessant omdat ze in zoveel kleuren voorkomen: van rood, oranje en geel tot blinkend wit. De binnenzijde van de schelpen is feller gekleurd dan de buitenzijde. Ook de vorm van de schelpen varieert, van plat tot bol. Nonnetjes (Macoma balthica) zijn tweekleppige schelpdiertjes (zie de af-beelding).

    Volwassen nonnetjes zijn ongeveer 2 cm lang en leven ingegraven in modder of zand. Ze hebben twee sifonen (slurfjes): een instroomsifon, waarmee ze zeewater opzuigen om er voedseldeeltjes, zoals algen en bacterin, uit te halen en een uitstroomsifon, waar-mee ze water met afvalsto en en ongeschikt voedsel afvoeren.

    Nonnetjes paaien in het voorjaar, waarbij de eitjes uitwendig worden bevrucht. De hier-uit ontwikkelde larven zweven drie tot vijf weken vrij in het water, waarna ze zich ergens in de bodem vestigen. Zon nieuw-gevestigd nonnetje noemt men in het eerste jaar een broedje. Nonnetjes worden onder meer door wadvogels gegeten. Met hun snavels trek-ken ze de nonnetjes uit de bodem en slikken ze in hun geheel door. Rondscharrelende

    556341_BVJ_VWO_binnenwerk_zakboek_def.indd 17 21-12-12 12:05

  • 18

    thema 2 Cellen

    krabben eten nonnetjes die dichter aan de oppervlakte zitten. Ze kraken eerst de schelp open en eten dan de zachte delen op.

    Het NIOZ (Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee) heeft onderzoek gedaan naar de oorzaak en functie van de verschillen in bouw en gedrag van deze schelpdiertjes. Tijdens het onderzoek naar de schelpvorm van het nonnetje werd onder andere de globositeit (lengte/dikte-verhouding) van de nonnetjes in de Waddenzee en van die in de Noordzee bepaald. Het resultaat is in de afbeelding gegeven, evenals de onder-zoeksplekken.

    Op basis van deze gegevens wordt de conclusie getrokken dat de nonnetjes in de Wad-denzee een bollere vorm hebben dan de nonnetjes in de Noordzee.

    De onderzoekers vragen zich af of de nonnetjes n populatie vormen of dat er sprake is van een aparte Waddenzeepopulatie en een Noordzeepopulatie.

    1p 6 Geef een argument om alle nonnetjes van de Noordzee en de Waddenzee tot n populatie te rekenen.

    1p 7 Geef een argument om een aparte Waddenzeepopulatie en een Noordzeepopulatie teonderscheiden.

    HPV-vaccinatie

    Lees onderstaande tekst over de HPV-vaccinatie.

    In 2008 adviseerde de Gezondheidsraad de minister van Volksgezondheid om de vaccinatie (zie de afbeelding) tegen baarmoederhalskanker op te nemen in het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) voor meisjes van 13 tot 16 jaar. In 2009 werden 380.000 meisjes opgeroepen voor de eerste uit een serie van drie vaccinaties tegen het humaan Papillomavirus (HPV).

    556341_BVJ_VWO_binnenwerk_zakboek_def.indd 18 21-12-12 12:05

  • 19

    thema 2 Cellen

    Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) cordineert de communicatie over het vaccinatieprogram-ma. Laura, een leerlinge uit VWO-6 zoekt informatie voor haar jongere zusje Marieke, die een oproep heeft gekre-gen voor de HPV-vaccinatie. Hieronder is een klein deel van de informatie die zij heeft gekregen, weergegeven.

    Cervarix is een vaccin, dat bescherming biedt tegen HPV type 16 en 18. Laura vraagt haar huisarts veilig het gebruikte vaccin is. De huisarts antwoordt, dat ook biomedisch onder-zoek heeft uitgewezen, dat het gebruik van het vaccin veilig is.

    1p 8 Noem een biomedisch onderzoek, behalve het bepalen van het verkleinen van de kans op baarmoederhalskanker, dat ook uitgevoerd is.

    De moeder van Laura had van een vriendin gehoord dat de HPV-vaccinatie juist baar-moederhalskanker zou kunnen veroorzaken. Een vriendin van Marieke meldde zich na haar vaccinatie bij de huisarts vanwege menstruatieklachten. Op het internet had ze gelezen dat sommige meisjes na de HPV-vaccinatie meer last hebben van hun menstru-atie. De klachten variren van een dagenlange bloeding tot hevige krampen. Een even-tueel verband tussen de vaccinatie en het optreden van menstruatieklachten zou dan onderzocht moeten worden.

    5p 9 Schrijf een proefopzet voor een onderzoek, waarmee het verband tussen de HPV-vaccinatie en het optreden van menstruatieklachten onderzocht kan worden.

    Samenstelling van CervarixElke dosis (0,5 ml) bevat: Humaan Papillomavirus type 16-L1-eiwit 20 g; Humaan Papillomavirus type 18-L1-eiwit 20 g; ASO4 adjuvanssysteem, dit bevat: 3-O-desacyl-4-monofosforyllipide A 50 g.

    556341_BVJ_VWO_binnenwerk_zakboek_def.indd 19 21-12-12 12:05

  • 20

    thema 2 Cellen

    Antwoorden en uitleg

    Bacterin in drinkwater

    1 Het onverdunde monster bevat per 0,1 ml gemiddeld 9,4 bacteriekolonies (12 + 8 + 9 + 11 + 7 = 47, delen door 5 geeft 9,4). Per ml is dat 94 kolonies, terwijl de wet 100 bacte-rin toestaat (1 punt).

    Het drinkwater voldoet dus wel aan de wet (1 punt).

    THEMA 1 BASISSTOF 5

    2 Een bacteriekolonie ontstaat door deling van bacterin. Het antwoord is dus: reproductie.

    THEMA 1 BASISSTOF 3

    Gist

    3 Gist wordt ingedeeld in het rijk van de schimmels (1 punt). De combinatie van drie kenmerken is: heterotroof (ze hebben geen bladgroen en zijn

    dus niet autotroof), wel een kern, wel een celwand (1 punt).

    THEMA 1 BASISSTOF 4

    Vorm en functie

    4 Boogbrug (gewelfde vorm) voor de stevigheid: bij botten in de voeten (de wreef) (1 punt).

    Gestroomlijnde vorm van een duikboot: bij waterdieren, zoals dol jnen, haaien (1 punt).

    THEMA 1 BASISSTOF 3

    De trek van de zilverzalm

    5 a De inhoud van de tekst gaat over het probleem: Hoe kunnen zalmen precies hun geboortestroom terugvinden? (1 punt). Vaak kun je aan de titel van de tekst het probleem herkennen. b Het experiment staat beschreven in de zinnen: In zee werden (...) en weer losgela-

    ten. (1 punt). c De auteur geeft een mogelijke verklaring voor het feit dat zilverzalmen hun geboorte-

    stroom terugvinden. Dit is dus de hypothese, die met het experiment wordt getoetst (1 punt).

    d De resultaten van het onderzoek staan in de zinnen: Op de paaiplaatsen (...) reuk-centra. (1 punt).

    556341_BVJ_VWO_binnenwerk_zakboek_def.indd 20 21-12-12 12:05

  • 21

    thema 2 Cellen

    e De conclusie luidt: Bij het terugvinden van hun geboortestroom door zalmen speelt reuk een belangrijke rol. Immers bij 90% van de teruggevonden zalmen waren de reukcentra intact. Blijkbaar speelt ook nog wat anders mee bij het vinden van de geboortestroom, want 10% van de zalmen vond de weg met niet-functionerende reukcentra. Daarom staat er dat de reuk een belangrijke rol speelt (1 punt).

    THEMA 1 BASISSTOF 5

    Nonnetjes

    6 Voorbeeld van een juist argument om ze tot n populatie te rekenen is: Doordat de zwevende larven met waterstromen van het ene naar het andere gebied

    kunnen verplaatsen zullen voortdurend kruisingen plaatsvinden tussen nonnetjes die afkomstig zijn van de Waddenzee en die van de Noordzee. Daarom zou je het n popu-latie kunnen noemen. In een populatie vinden immers voortdurend onderlinge kruisin-gen plaats (1 punt).

    THEMA 1 BASISSTOF 2

    7 Voorbeeld van een juist argument om twee populaties te onderscheiden is: Het duidelijke verschil in schelpvorm van de nonnetjes in de twee gebieden is een

    aanwijzing voor een genetisch verschil en dus voor twee verschillende voortplantingsge-meenschappen en dus twee populaties (1 punt).

    THEMA 1 BASISSTOF 2

    HPV-vaccinatie

    8 Voorbeelden van een juist onderzoek: onderzoek naar bijwerkingen van het vaccin;

    onderzoek naar de immuniteit op langere termijn.

    THEMA 1 BASISSTOF 6

    9 De proefopzet moet de volgende elementen bevatten: Het moet gaan om een grote groep meisjes in de juiste leeftijdsgroep (1 punt). De aan het onderzoek deelnemende meisjes worden in twee groepen gesplitst en

    van alle meisjes wordt informatie verzameld over hun menstruatie (1 punt). En groep wordt gevaccineerd met het vaccin, de andere met een placebo (1 punt).

    In een onderzoek worden altijd twee groepen vergeleken die slechts in n eigen-schap verschillen, in dit geval wel of geen vaccin. Een placebo bevat dezelfde vloei-stof maar dan zonder het vaccin erin.

    Vervolgens wordt bij alle meisjes gegevens over de eerstvolgende menstruatie(s) verzameld (1 punt).

    Ten slotte worden beide groepen met elkaar vergeleken wat betreft het verschil in menstruatie vr en na de vaccinatie (1 punt).

    THEMA 1 BASISSTOF 6

    556341_BVJ_VWO_binnenwerk_zakboek_def.indd 21 21-12-12 12:05

  • VWO

    Z

    AK

    BO

    EK bvj

    VWO

    biologie voor jouzakboek

    auteursarteunis bosmarianne gommersonno kalverdagerard muhlenbaumerruud passiertheo de rouwgerard smitsben waasren westra

    556341_Omslag zakboek_BVJ vwo.indd 1 21-12-12 11:59