Bijlage 10 aan KB 15 maart 1968 Gelijkvormige ...· Bijlage 10 aan KB 15 maart 1968 ... naar hun...

download Bijlage 10 aan KB 15 maart 1968 Gelijkvormige ...· Bijlage 10 aan KB 15 maart 1968 ... naar hun mechanische

of 62

  • date post

    25-Feb-2019
  • Category

    Documents

  • view

    214
  • download

    0

Embed Size (px)

Transcript of Bijlage 10 aan KB 15 maart 1968 Gelijkvormige ...· Bijlage 10 aan KB 15 maart 1968 ... naar hun...

Bijlage 10 aan KB 15 maart 1968 Gelijkvormige voorschriften betreffende de homologatie van veiligheidsbeglazing en van de materialen voor de beglazing die bestemd zijn om in motorvoertuigen en hun aanhangwagens te worden geplaatst

1 Toepassingsgebied 1.1 De huidige voorschriften zijn van toepassing op veiligheidsbeglazing en op materialen voor beglazing bestemd om als voorruit of andere beglazing of als tussenschotten te worden geplaatst in motorvoertuigen en hun aanhangwagens, met uitzondering van glazen voor verlichtings- en signalisatietoestellen en voor het instrumentenbord, speciale ruiten, kogelwerende die een beveiliging vormen tegen agressies (aanvallen) en andere matrialen dan glas. 2 Bepalingen In de zin van de huidige voorschriften, verstaat men onder: 2.1 Ruit en [gehard] glas, een ruit bestaand uit n enkele glasplaat die een speciale behandeling ondergaan heeft, bestemd om er de mechanische weerstand van te verhogen en ook de fragmentatie ervan na te gaan wanneer zij breekt. 2.2 Ruit in gelaagd glas, een ruit samengesteld uit tenminste twee glasplaten samengehouden door een of meerdere tussenlagen in plastiek: dit gelaagd glas kan: 2.2.1 gewoon zijn, indien geen enkele van de glasplaten waaruit het samengesteld is, behandeld werd of 2.2.2 behandeld, indien minstens n van de glasplaten waaruit het samengesteld is een speciale behandeling ondergaan heeft, bestemd om er de mechanische weerstand van te verhogen en er de fragmentatie van te controleren, wanneer zij breekt. 2.3 Voorruitgroep, een groep samengesteld uit voorruiten van verschillende vorm en afmetingen, die aan een onderzoek naar hun mechanische eigenschappen onderworpen werden, hun wijze van fragmentatie en hun gedrag tijdens de weerstandsproeven aan de aanvallen van hun omringend milieu: 2.3.1 Vlakke voorruit, een voorruit die geen kromming vertoont. 2.3.2 Gebogen voorruit, een voorruit die een kromming vertoont in tenminste n richting. 2.4 Hoofdkenmerk, een kenmerk dat de mechanische en/of optische eigenschappen van een ruit gevoelig verandert, op een niet te verwaarlozen manier, voor de functie die zij in het voertuig moet verzekeren. Deze term omvat bovendien de handelsnaam of het fabrieksmerk. 2.5 Nevenkenmerk, een kenmerk dat de mechanische en/of optische eigenschappen van een ruit, op veelbetekende wijze, voor de functie waarvoor zij bestemd is in het voertuig, zou kunnen veranderen. De belangrijkheid van de verandering wordt geschat, rekening houdend met de moeilijkheidsgraad. 2.6 Moeilijkheidsgraden, een rangschikking in twee graden, toepasselijk op alle in de praktijk waargenomen variaties, voor elk nevenkenmerk. De overgang van index 1 naar index 2 is een teken van noodzakelijkheid om over te gaan tot bijkomende proeven. 2.7 Ontwikkelde oppervlakte van een voorruit, de oppervlakte van de minimale glasrechthoek vanaf de welke een voorruit kan vervaardigd worden. 2.8 Hellingshoek van een voorruit, de hoek gevormd door de loodlijn en de rechte lijn die de bovenste en de

onderste boord van de voorruit verbindt, de rechte lijnen genomen in een plat vlak dat de overlangse as van het voertuig bevat. 2.8.1 Het meten van de hellingshoek wordt uitgevoerd op een aan de grond staand voertuig, en indien het een voertuig betreft dat bestemd is om passagiers te vervoeren, moet dit laatste rijvaardig zijn, vol met brandstof, met afkoelingsvloeistof en gesmeerd, de gereedschappen en noodwielen op hun plaats (indien zij door de bouwer van het voertuig beschouwd worden als deel uitmakend van de standaarduitrusting); er dient eveneens rekening te worden gehouden met de massa van de bestuurder en, voor de voertuigen die bestemd zijn voor het vervoer van personen daarenboven, met de massa van een passagier op de voorzetel, de bestuurder en de passagier gerekend aan 75 + 1 kg elk. 2.8.2 De voertuigen uitgerust met een hydropneumatische, hydraulische of pneumatische vering of een automatische hoogteregeling in functie van de lading, worden getest in normale bewegingsomstandigheden, gespecifieerd door de constructeur. 2.9 Segmenthoogte, de maximale afstand die het binnenoppervlak van de ruit scheidt van een vlak dat langs de boorden van de ruit gaat. Deze afstand wordt gemeten in een richting die praktisch loodrecht is aan ruit (cf. aanhangsel 11, figuur 21) 2.10 Type van ruiten, de ruiten beschreven in de punten 2.1. en 2.2. die geen belangrijke verschillen vertonen voor wat, in het bijzonder, de hoofd- en nevenkenmerken hierna betreft: 2.10.1 Hoofdkenmerken 2.10.1.1 Het fabrieks- of handelsmerk 2.10.1.2 De vorm en de afmetingen (lengte, breedte, segmenthoogte en minimale krommingsstraal) voor de voorruiten en het vormtype (vlak of gebogen) voor de andere ruiten in voorgespannen glas. 2.10.1.3 Het aantal glasplaten. 2.10.1.4 De nominale dikte e voor de voorruiten, of de categorie van dikte voor de andere ruiten. 2.10.1.5 De nominale dikte evenals de aard (blad of enkelvoudige luchtlaag) en het type van de tussenla(a)g(en) bijvoorbeeld, PVB of andere tussenla(a)g(en) in plastiek. 2.10.1.6 De aard van het [gehard] (thermische of chemische methode) 2.10.1.7 De speciale behandeling van het gelaagd glas. 2.10.2 Nevenkenmerken 2.10.2.1 De aard van het materiaal (spiegelglas, float-glas, vensterglas). 2.10.2.2 De kleuring van de tussenla(a)g(en) (kleurloos of getint) in hun geheel of gedeeltelijk. 2.10.2.3 De kleuring van het glas (kleurloos of getint). 2.10.2.4 De aan- of afwezigheid van geleiders. 2.10.2.5 De aan- of afwezigheid van verduisteringsstroken; 2.10.3 Alhoewel een wijziging van de hoofdkenmerken onderstelt dat het om een nieuw produkt gaat, laat men toe dat in bepaalde gevallen, een wijziging van vorm en afmetingen niet noodzakelijk een volledige reeks van proeven

vereist. Voor sommige proeven, gespecifieerd in de bijzondere aanhangsels kunnen de ruiten gegroepeerd worden, indien het duidelijk is dat zij gelijkvormige hoofdkenmerken vertonen. 2.10.4 De ruiten die enkel verschillen vertonen in hun nevenkenmerken kunnen beschouwd worden als behorende tot eenzelfde type, sommige proeven kunnen nochtans uitgevoerd worden op monsters van deze ruiten indien de uitvoering van deze proeven uitdrukkelijk vermeld staat in de proefvoorwaarden. 2.11 Minimale kromming, de benaderende waarde van de kleinste straal van de boog van de voorruit gemeten in de meest gebogen zone. 3 Homologatieaanvraag 3.1 De homologatieaanvraag van een type ruiten zal ingediend worden door de fabrikant van veiligheidsruiten of zijn gevolmachtigde met de nodige accredieten. 3.2 Voor elk type van veiligheidsruit worden bij de aanvraag de hierna vermelde documenten, in drie exemplaren, en de volgende aanduidingen gevoegd: 3.2.1 Een technische beschrijving die alle hoofd- en nevenkenmerken vermeldt, 3.2.1.1 en, enkel ingeval het voorruiten betreft: 3.2.1.2 Een lijst van voorruiten waarvoor de homologatie wordt gevraagd, vergezeld van de gedetailleerde vermelding van de types en de categorien voertuigen waarvoor zij bestemd zijn om ingebouwd te worden. Schema's en tekeningen van de voorruiten en hun plaatsing in het voertuig die voldoende gedetailleerd zijn om naar voor te laten komen: 3.2.1.2.1 De plaats van de voorruit t.o.v. het punt R van de zetel van de bestuurder. 3.2.1.2.2 De hellingshoek van de voorruit. 3.2.1.2.3 De plaats en de afmeting van de zones waarin de optische kwaliteitscontrole wordt uitgevoerd en, eventueel, de oppervlakte onderworpen aan het gedifferentieerd voorspannen. 3.2.1.2.4 De ontwikkelde oppervlakte van de voorruit. 3.2.1.2.5 De maximale segmenthoogte van de voorruit. 3.2.1.2.6 De minimale buigingsstraal van de voorruit (teneinde de voorruiten te groeperen). 3.3 Daarenboven is de aanvrager gehouden een voldoende aantal proefruiten of monsters van afgewerkte ruiten van de in aanmerking genomen modellen voor te leggen, en dit indien nodig, vastgelegd in samenwerking met de technische dienst die belast is met de uitvoering van de proeven. 4 Merken 4.1 Alle veiligheidsruiten met inbegrip van de monsters en de proefruiten die onderworpen worden aan de homologatieprocedure, moeten het fabrieks- of handelsmerk dragen van de fabrikant. Dit merk moet duidelijk leesbaar en onuitwisbaar zijn. 5 Homologatie 5.1 Indien de monsters, onderworpen aan de homologatieprocedure, overeenstemmen met de voorschriften van

paragrafen 6 tot 8 van de huidige voorschriften wordt de homologatie van het overeenstemmend type der veiligheidsruiten toegestaan. 5.2 Een homologatienummer wordt toegestaan aan elk type zoals beschreven in aanhangsel 5 en 7 of, ingeval van voorruiten, aan elke groep waarvoor de homologatie wordt toegestaan. De twee eerste cijfers van het homologatienummer stemmen overeen met het nummer van de nieuwste reeks amendementen op datum van de aflevering van de homologatie. 5.3 De homologatie of de weigering van homologatie voor een type veiligheidsruiten bij toepassing van de huidige voorschriften zal aan de aanvragers medegedeeld worden, door middel van een steekkaart die overeenstemt met het model in aanhangsel 1 van de voorschriften en de tekeningen (geleverd door de aanvrager van de homologatie) van de veiligheidsruiten met als maximaal formaat A 4 (210 297 mm) of geplooid op dit formaat en voor de voorruiten een plan op schaal 1/1 of elk ander document dat het laboratorium toelaat de zichtzones te bepalen. 5.3.1 In het geval van voorruiten, wordt het ontvangstbericht vergezeld van een document dat een lijst weergeeft van elk model van voorruit van de groep waaraan de homologatie werd toegekend, evenals de kenmerken van de groep. 5.4 Op elke veiligheidsruit die overeenstemt met het type van ruit, dat gehomologeerd werd door toepassing van de huidige