Bernard Antonius Johannes Lecluse

of 54 /54
Memoires van Bernardus, Antonius, Johannes Lecluse Geschreven door Armand Lecluse Mijn vader J.A.B. Lecluse werd geboren op 13 September 1878 te Beek in Limburg. Beek was toen ter tijd nog een klein dorpje, dat als 't ware lag te dromen tussen de glooiende Limburgse heuvels in de nog ongerepte natuur, waar in het bronsgroen eiken hout de nachtegaal nog volop hun hoogste lied kweelden. Door de ontstane mijnbouw en de daarmede verband houdende industrialisatie is het thans uitgegroeid tot praktisch 'n stad. 't Heeft nu 1

description

Grootvader van Paul Martin Otto Jean Lecluse. De zoon van Armand Lecluse

Transcript of Bernard Antonius Johannes Lecluse

Page 1: Bernard Antonius Johannes Lecluse

Memoires van Bernardus, Antonius, Johannes Lecluse Geschreven door Armand LecluseMijn vader J.A.B. Lecluse werd geboren op 13 September 1878 te Beek in Limburg. Beek was toen ter tijd nog een klein dorpje, dat als 't ware lag te dromen tussen de glooiende Limburgse heuvels in de nog ongerepte natuur, waar in het bronsgroen eiken hout de nachtegaal nog volop hun hoogste lied kweelden. Door de ontstane mijnbouw en de daarmede verband houdende industrialisatie is het thans uitgegroeid tot praktisch 'n stad. 't Heeft nu zelfs een eigen luchthaven en zal weldra ’t radiografisch centrum worden van 't vliegverkeer in heel Europa en omgeving.Nadat mijn vader de lagere school met goed gevolg had doorlopen, heeft mijn grootvader hem geadviseerd om te proberen, net als hijzelf, een rijksbetrekking te krijgen en raadde hem aan om voor onderwijzer te gaan studeren. Gezien er maar weinig scholen waren , waar je dat diploma kon halen en mijn grootvader door zijn dienst nog al eens werd overgeplaatst, hebben ze hem toen naar een kostschool te Rolduc gestuurd. Rolduc is een plaatsje dat gelegen is achter Kerkraden , vlak tegen de Duitse grens, De thans zo in de publiciteit staande bisschop van Roermond, Mgr. Gijsen, heeft daar ook zijn studie gedaan, alvorens af te studeren. Ook deze school heeft mijn vader met goed gevolg doorlopen. Nadien moest hij natuurlijk een betrekking zien te vinden. Zijn ouders waren inmiddels weer 'n paar maal verhuisd en woonden toen in Roermond. Er kwam toen 'n betrekking vacant op de Heibloem, toen 'n gehuchtje van 'n paar huizen te midden van de Limburgse Peel, gelegen tussen Roggel

1

Page 2: Bernard Antonius Johannes Lecluse

en Nederweert. Er was daar 'n internaat "Stokershorst" heette, waarop kinderen werden geplaatst, welke zeer moeilijk opvoedbaar waren en meestal al enkele vergrijpen achter de rug hadden, die derhalve 't goede spoor bijster waren. 't Was meer 'n soort strafkolonie. De school is inmiddels afgebroken , maar er is 'n nieuwe dergelijke school voor in de plaats gekomen en ze heet thans "Jongensdorp de Widdonck". Om dat soort kinderen op te voeden en ze wat te leren was een zware en moeilijke taak en vereiste veel pedagogie of te wel opvoedkundige eigenschappen, hetgeen hem in z'n later leven ook erg goed van pas is gekomen.Gezien Stokershorst nogal afgelegen lag en slechts bereikbaar was via 'n onverharde landbouwweg is hij toen in de kost gegaan in Roggel, onder welke gemeente de Heibloem ressorteerde en wel bij de burgemeester. Hij had 't daar best naar z'n zin. Hij moest wel elke dag 5 km. heen en 5 km. terug lopen, maar dat vond men toen heel gewoon. Ook al was dit dikwijls in ’t pikken donker. Nadat hij s' avonds in z'n kosthuis gegeten had bleef hem nog een lange avond over. Vertier was er verder helemaal niet. De meeste mensen gingen zodra het donker werd te bed en stonden weer op als 't weer licht werd. Van radio of T.V. had men toen nog niet eens durven dromen. Hij is toen gaan studeren voor z'n hoofd-acte, waarvoor hij ook glansrijk is geslaagd Hij was derhalve bevoegd om hoofd van school te worden. Inmiddels kwam ook de z.g. "leerplichtwet", waardoor leerlingen verplicht waren om de lagere school te bezoeken. Derhalve werden ook her en der nieuwe scholen gebouwd teneinde de kinderen ook in de gelegenheid te stellen 'n school te kunnen bezoeken. (voordien gingen achteraf de kinderen niet naar school. De ouders konden hen beter gebruiken om voor de konijnen te zorgen en mee te werken op ’t land. Ze konden helpen aardappelen te poten, aardappels rapen, te wieden of de koe te laten grazen enz. Leren was toen maar bijzaak en nu werd 't 'n verplichting. In 1901 hoorde hij van z'n vader, dat er in Azenraay (gemeente Maasniel) een lagere school gebouwd zou worden met 'n bijbehorend woonhuis. Hij heeft toen ’n sollicitatie brief gestuurd naar de burgemeester van Maasniel. Toen in 1903 de school gereed was gekomen is hij dan ook,

2

Page 3: Bernard Antonius Johannes Lecluse

uit meerdere andere, uitgekozen en benoemd tot Hoofd der School te Azenraay.Nu moet ik even enkele jaren teruggaan in de tijd. Mijn vader had ook 'n broer Frans, welke inmiddels ook geslaagd was voor onderwijzer. In 1899 las m'n grootvader in de krant "de Limburger Koerier" (ze noemde de krant ook "tante Betje"), gedrukt te Roermond, dat er vakantieruil kon plaats hebben tussen Franstalige kinderen uit België en Nederlandse kinderen, teneinde de wederzijdse taal te leren kennen. Hij schreef naar aanleiding daarvan een brief naar de krant enz. en zo kwam het dat in de grote vakantie Frans (20 jaar) naar Luik ging en een meisje Elise Delguste (19 jaar) naar Roermond kwam. Mijn vader trof derhalve toen hij in z'n vakantie thuis kwam daar dat meisje aan. Gezien mijn vader op school al wat Frans geleerd had was hij een beetje tolk tussen haar en zijn zus Marie (15 jaar) en tussen haar en z'n ouders. Gezien het meisje, nog totaal onbekend met het Nederlands, nogal afhankelijk van hem was, zocht ze meestal haar toevlucht bij hem, die haar ten minste verstond en hij was ook wel in beetje weg van dat aardig kind. Toen Elise weer naar haar huis vertrok, vergat ze per ongeluk haar kerkboek mee te nemen. Bij een volgende vakantie heeft mijn vader het naar haar teruggebracht in Luik en ontstond er een romance tussen die twee. Gezien de grote afstand (voor die tijd) tussen Luik en Roggel kwam er van een geregeld bezoek natuurlijk niets. Hooguit in de vakantie kon hij eens naar Luik toegaan. Ze zijn toen gaan corresponderen, doch gezien ze niet wilden, dat anderen en zeker niet de mensen uit z'n kosthuis hun liefdesbrieven zouden lezen, hadden ze samen een soort geheimschrift samengesteld, in de trant van voor a schrijf ik +, voor b voor c voor d x, enz. en zodoende leken hun brieven voor buitenstaanders wel koeterwaals. Op die manier konden ze elkaar ook open briefkaarten en ansichtkaarten sturen, hetgeen goedkoper was aan porto Ze moesten ook op de kleintjes letten. Een Hoofd der School verdiende in dien tijd fl. 400,-- per jaar of te wel fl. 1,10 per dag Een gewone onderwijzer derhalve nog veel minder. Even tussen door; misschien vraag je je wel af of hij ooit onder dienst is geweest. Neen, daarvoor had zijn vader voor hem een

3

Page 4: Bernard Antonius Johannes Lecluse

remplaçant gekocht. Dat kon in dien tijd Er waren er genoeg die voor 'n paar cent een diensttijd overnamen. Ze hadden dan tenminste in ieder geval alvast vrije kost en inwoning. Toen derhalve mijn vader in 1903 benoemd werd hadden die twee inmiddels al plannen, schoolgebouw en woonhuis waren inmiddels gereed en zo zijn ze vlak voor zijn installatie als hoofd samen getrouwd en werden 't mijn ouders.Van het geleerde Hollands van mijn moeder in haar vakantietijd was inmiddels niet veel meer over gebleven, temeer daar ze met m'n vader steeds in het frans had gecorrespondeerd in hun geheimschrift. Misschien vraag je je af hoe ik dat allemaal weet. Mijn vader en moeder hadden al de geschreven ansichtkaarten bewaard en deze in twee dikke albums gedaan en die hebben minstens 15 tot 20 jaar bij ons op de salontafel gelegen. Tientallen keren heb ik er in gebladerd, want er waren in mijn ogen zo'n mooie blinkende kaarten bij met mooie meisjeskopjes, bloemen en stadsgezichten. Alleen van de tekst die er op stond heb ik nooit niets begrepen Een enkele keer stond er wel 'ns in 't Frans onder "des gros baisers", waaruit ik het voorafgaande wel kon afleiden.Toen ze gingen trouwen moest ook hun nest worden ingericht. Moeder bracht uit België de meubels mee voor de eetkamer. Eiken buffet met opstand en twee laden, links en rechts waren 2 uitgestoken leeuwenkopjes, welke een koperen ring door de neus hadden, een dito tafel met onder 'n kruis en op de vier hoeken dezelfde uitgestoken leeuwenkopjes met koperen ringen alsmede 4 eiken stoelen met vierkante rotan zittingen. Voor de salon bracht ze mee 'n ovale tafel met 4 stoelen en 2 armstoelen. Alle stoelen waren wit gestoffeerd met daarop groen geweven motieven. De stoffering was met bronzen knopspijkers door goudachtig tresband op de stoelen bevestigd en alle stoelen hadden boven op de hoeken gedraaide knoppen. De stijl was: "Queen Anne Style". Mijn vader had gezorgd voor de huiskamer : een tafel, 4 stoelen en twee armstoelen in "Wiener model" met ronde rotan zittingen en een buffet met 2 laden. Het bovenste gedeelte, met deurtjes waarin antiek glas werd gebruikt als boekenkast en het onder gedeelte voor serviesgoed.

4

Page 5: Bernard Antonius Johannes Lecluse

Verder waren er nog twee laden in. Het open middenstuk was bespannen met groen laken en kon je als schrijftafel gebruiken. Alles was gepolitoerd. Verder had mijn vader al 'n regulateur; het beroemde paardjes model. De slaapkamer met 'n tweepersoonsbed, met op de vier hoeken gedraaide houten bollen, alsmede wastafel en twee nachtkastjes, alles van geschilderd grenen hout, hadden ze samen in Roermond gekocht. In de keuken hadden ze 6 keukenstoelen, 'n tafel en een provisie kast; alles wit gelakt en een keukenfornuis. Zoals je ziet hadden ze schijnbaar goed gespaard en hadden ze alles op z'n Azenraay's als 'n paleis ingericht. Gezien m'n moeder toen slechts enkele Hollandse woorden kende gaf ze alles Fransen namen en zo is het altijd gebleven tot we later verhuisden. Zo sprak ze altijd van la ports (de deur), le corridor (de gang), la cave (de kelder), la chambre (de huiskamer), la salle á. manger (de eetkamer) l'escalier (de trap) enz. enz. Zodoende heeft mijn broer Lucien, die na mijn oudste broer Louis geboren werd ook in het dorp de naam Frère gekregen en is 't altijd zo gebleven. Mijn moeder zei n.l. tegen de mensen, dat Louis een frere (broer) had gekregen.'t Was voor mijn moeder 'n hele overgang toen ze plotseling van de ene dag op de andere van een stad in zo'n gehuchtje terecht kwam. Een grote teleurstelling, want zo had ze zich Azenraay toch niet voorgesteld. 't Gehucht Azenray moet je voor dien tijd als volgt voorstellen, het bestond uit verschillende kleine buurtschappen waarbij Azenray zelf met ca. 35 behuizingen, "de Duup" met 3 behuizingen, "de Hei" met ca. 10 behuizingen,"Thuzerhof" met ca. 10 behuizingen, "de Straat" met ca. 8 behuizingen "de Spik" met ca. 9 behuizingen en "'t Maalbroek" met ca. 25 behuizingen; derhalve alles bij elkaar ca. 100 huizen, het geen ressorteerde in ca. 60 á 70 leerlingen, oftewel ca. 13 leerlingen per klas. Elke onderwijzer had 2 klassen in een lokaal. Er liep een zogenaamde verharde weg door het gehucht, voor de rest waren het landwegen voor paard en kar en paden. Op de verharde weg waren wat keien gestrooid; om hem vooral in het natte jaargetijde een beetje berijdbaar te houden werden er 's morgen palen van ca. 1 meter dwars op de weg gelegd,

5

Page 6: Bernard Antonius Johannes Lecluse

welke er voor 't donker weer werden afgehaald. De palen werden gelegd als op onderstaande schets aangegeven.

De boeren karren moesten daardoor zigzag over de weg rijden; door de palen elke dag naar de andere kant van de weg te verschuiven en ook telkens 'n eindje vooruit werden door de karren steeds op 'n ander stuk van de weg gereden, waard geen al te diepe wielsporen ontstonden. Straatverlichting was er totaal niet. In 't donker moest men zich oriënteren op een of ander lichtje dat uit 'n huis straalde. Van elektrisch licht had men nog nooit gehoord. Mensen die wel 'ns in de stad kwamen hadden wel eens een gaslamp zien branden met 't beruchte gaskousje. Als men niet als de kippen vroeg op stok ging en weer vroeg uit de veren was, was men enkel aangewezen op kaarslicht of een petroleum lamp. Met dit laatste product kwam men elke maand langs de huizen met 'n handkar, waaronder 'n trekhond liep. Iedereen had thuis wel fles of blik, welke hij kon laten vullen en de gegoede mensen kochten de petroleum per blik van 5 liter. De aflevering van de petroleum was in handen van een firma die "de automaat" heette. Deze firma heeft nog jaren bestaan, want in 1924 toen wij verhuisden, kwam hij nog steeds langs de deuren met z'n petroleum. Alleen was toen de handkar veranderd in 'n wagentje met pony, omdat trekhonden niet meer waren toegestaan vanwege de dierenbescherming. De firma gaf ook 'n gratis blaadje uit, hetwelk ook "de automaat" was genoemd en waarin steeds kleine stripverhalen van "Pijpje drop" stonden. De boeren waren praktisch allen kleine keutel-boertjes met hooguit 1 of 2 koeien 'n paar geiten en kippen en konijnen en 1 of 2 varkens. De huizen van de vorige eeuw waren meestal zeer primitief, met een groot en een klein woonvertrek. De vloeren waren van leem of wel van rode of blauwe plavuizen. In het grote woonvertrek was een open schouw, waarin 1

6

Page 7: Bernard Antonius Johannes Lecluse

of 2 kettingen hingen waaraan men de ketels hing om te kunnen koken. Verder stonden er verschillende houten stoelen, een houten bank, een houten tafel met lade en een klein houten kastje voor het eetgerief. In het tweede vertrek stond ook 'n tafel met 'n bank en enkele stoelen en een z.g. platte buiskachel en aan een zijde was meestal 'n alkoof met 'n gordijn er voor. Daar sliepen de ouders. Van het woonvertrek ging een deur rechtstreeks naar de stal, want de mensen leefde dicht bij hun vee. De kippen mochten gerust binnen lopen, met uitzondering van Zaterdagavond en Zondag. Dan werden er met wit zand figuren op de vloer gemaakt. Verder was er nog een z.g. opkamer, deze lag ca. 1 meter hoger dan het woonvertrek. Onder de opkamer was de kelder Deze was weer afgesloten met een scheef luik die als kelderdeur diende en tevens als trap naar de opkamer, want er waren 3 traptreden op gemaakt. Had men een paard, dan sliep er ook meestal iemand in een afgeschut deel van de paardenstal. De bovenverdieping was een open zolder, welke werd gebruikt voor het opslaan van stro en hooi voor de beesten. Tussen de ouderwetse pannen werden bosjes stro gestoken (stropoppen) ter betere afdichting. In de schuur waren 'n kippenhok en diverse kooien voor de konijnen en ze diende tevens als opslagplaats voor het groenvoer en het primitieve gereedschap. Achter het huis was de moestuin, waar ze hun groenten teelden en de waterput stond.Verder van het huis stond het bakhuisje met oven en het bekende kleine huisje met 't uitgezaagde hartje in de wc deur. In de bedden lagen stro matrassen met daarover een rood of blauw bont laken en een dito kussen met kippenveren gevuld en als dek had men 'n meestal rode stikdeken. Dit was 'n grote sloop met veel kapok, ofwel met oude lappen gevuld, waar doorheen figuren waren gestikt, teneinde alles op z'n plaats te houden.Over de kleding wil ik ook wel iets vertellen. De mannen droegen meestal 'n zwarte manchesterbroek met de nodige stukken in knieën en zitvlak, want ze moesten veel over de grond kruipen om te wieden enz., Een hemd en lange onderbroek en een blauwe kiel en 'n pet, waarvan je wel soep kon koken. Verder liepen ze op blote voeten of blootsvoets in de klompen. In de winter hadden ze stro in hun

7

Page 8: Bernard Antonius Johannes Lecluse

klompen. De vrouwen droegen een hemd, een lange grijze onderrok, 'n zwart grijze rok en een blauwe jack en 'n blauwe schort met heel veel ingezette stukken, want ze schenen hun hele leven met een schort te doen. Verder droegen ze zwarte lange kousen, als ze tenminste ook niet op blote voeten liepen in hun klompen. Als broek hadden ze twee lange wijde pijpen, welke boven vóór met 'n lintje aan elkaar waren gemaakt en achter had elke pijp 'n lang lint, zodat ze om hun lijf konden vastmaken. Als ze moesten plassen of 'n grote boodschap moesten don, hoefden ze enkel maar te hurken, omdat er geen zolder in zat. Daarom noemden ze die broeken ook snel zeikers. Ik zag dat dikwijls gebeuren als ze Zaterdags met hun groenten en fruit en kaas, boter of eieren naar de markt gingen in de stad, om hun waren te verkopen of in de winkels te ruilen tegen koloniale waren. Ze droegen hun spullen in twee hengsel manden in hun armen. Plotseling zag je ze dan naar de berm van de weg gaan, hurken met de korven op de grond rustend en klaar was 't. Soms zag je er ook enkele tegelijk hurken. Verder droegen ze 'n grijs mutsje en zondags 'n zwart. De modellen verschilden naar gelang de streek waar ze woonden. De kinderen waren ook maar pover gekleed, tot 4 á 5 jaar geen broek en de jongetjes tot 4 á 5 jaar jurkjes net als de meisjes. De hele kleine kinderen werden stevig in 'n grote flanellen doek gedraaid, zo vast, dat je ze rechtop wel in 'n hoek kon zetten. Zich zelf wassen deden ze niet veel, hoogstens s' morgens even met 'n paar natte handen door het gezicht en de kinderen met 'n natte lap om de stroop 'n beetje uit hun gezicht te vegen. Het water moest meestal ook eerst uit de put worden gehaald. 'n Heel enkele had al 'n pomp, zoals wij. Dit was in geel koperen pijp, waarin 'n zuiger, welke met 'n pompzwengel op en neer werd bewogen, zodat hij het water uit de grond kon opzuigen. Onder aan de pompzwengel zat in ijzeren knop, waar om heen vaak ook 'n geel koperen deksel. Onder de pomptuit stond in granieten bak of emmer. Om hun was te doen gingen ze meestal met 'n ton op in kruiwagen water halen uit een beek. De was werd geheel net de hand gedaan met behulp van een wasbord.Dit was 'n houten plank, waarop soms in gegolfde zinken plaat was

8

Page 9: Bernard Antonius Johannes Lecluse

bevestigd, waarover heen de was werd gewreven. Als zeep gebruikte men half vloeibare groene zeep. Van een wasmachine had men toen ter tijd nog nooit gehoord. Ze bestonden trouwens nog niet. Pas veel later kwamen houten tobben, waarin het midden een houten vin was, welke men met de hand op en neer kon bewegen via 'n zwengel.Nat het eten betreft, dit was erg sober en eentonig. 's Morgens roggebrood, besmeerd met wat uitgebraden spekvet en 'n stukje spek, mits ze dat hadden. Meestal kwam er echter "kuitje op, 'n soort stroop van bieten en afval appels of peren gemaakt. Daarbij 'n kommetje (kopjes had men niet) koffie, dat in wezen geen koffie was, doch zelf gebrande rogge met veel cichorei (van het merk "Buisman") erbij om de koffie z'n donkere kleur te geven. 's Middags was 't meestal stamppot van kool, wortels, bonen of zuurkool met aardappels. Eigenlijk maakte men van alles stamppot. Deze werd opgediend in 'n grote ijzeren platte braadpan die midden op tafel werd gezet. Door de huisvrouw werden er dan met 'n vork verdeellijnen op getrokken, naar gelang er personen waren en het gedeelte dat men toegewezen kreeg. Als 't er aan zat kwam op elk part 'n stukje spek of gebraden worst te liggen, maar dat was niet zo dikwijls. Alleen in de slachttijd en dan zo lang de voorraad restte. Iedereen at rechtstreeks uit de pan met 'n ijzeren vork. Daarna kregen ze dikwijls nog pap van meel met melk en water of karnemelk. Ook deze pap werd net als de stamppot rechtstreeks uit de ijzeren pan gegeten. Met feestdagen kwamen er wel 'ns pruimen in de pap en dan was 't dikwijls 'n hele strijd om zo veel mogelijk pruimen te bemachtigen. 's Avonds at men weer 't zelfde als s' morgens en om 4 uur at men ook 'n snee roggebrood met stroop. De winter voorraad aardappels, wortels, groene en rode kool werden ingekuild en daarna met 'n laag stro voorzien, waarop weer 'n laag zand teneinde bevriezen te voorkomen en er werd veel witte kool tot zuurkool ingemaakt in grote bruine stenen potten. Op de kool kwam 'n doekje met daarop 'n rand plankje, waarop weer 'n zware steen kwam te liggen. Spek en hammen hing men in de open schoorsteen, dan bedierf 't vlees niet. 't Zag wel altijd pik zwart. Verder slachtte men in

9

Page 10: Bernard Antonius Johannes Lecluse

de winter nog al eens konijnen en ook wel eens 'n geit als die te oud was geworden om melk te geven. Op die manier waren de boeren, mede door hun ruilhandel in de stad, praktisch geheel "self supporting" of te wel ze behoefden niets te kopen dan hun kleren en die waren er dan ook naar. Ook hun breiwol sponnen ze zelf op hun spinnenwiel van de wol van de schapen. De mannen zagen er ook erg onverzorgd uit met hun ruige baarden en snorren en lang haren. Bij de kapper kwamen ze alleen met hoge feestdagen en als er kermis was op 't dorpje. Daar lieten ze zich dan scheren en kaal knippen. Bij de kinderen lieten ze vaak vóór nog 'n pluk haar staan, dat noemde ze 'n pony. De kapper, ofwel die gene die zich kapper noemde was ook maar 'n boer, die 't weer zo'n beetje van z'n vader had afgekeken. Ik moest er ook wel 'ns naar toe. 't Was alleen 's Zaterdags 's middags te doen en wel bij hem in de keuken op een gewone keuken stoel. Om te scheren kon hij achter tegen de stoel 'n steuntje zetten voor je hoofd. Het knipmachientje, dat met de hand werd bediend, was meestal erg bot of er zaten haartjes tussen de messen zodat de haren er soms meer uitgetrokken dan afgeknipt werden, wat nogal pijn deed. Het inzepen voor het scheren deed de boerin en de boer schoor met zo'n ouderwets groot scheermes. Elke week sleep hij het mes op 'n platte oliesteen en tussen het scheren door werd het af en toe nog eens aangezet op een lerenriem, welke aan de muur hing. Mijn vader had ook zo'n groot mes, oliesteen en aanzetriem, welke ik later nog heb gebruikt. Thans zou ik 't niet meer kennen, maar toen ter tijd was ik er toch bedreven in geraakt.De landbouw, gezien alles praktisch handwerk was, hadden de kleine boeren slechts kleine perceeltjes land. 's Morgens vroeg als 't begon te dagen begon men al te spitten enz. en men werkte tot het weer donker werd. 't Mest en de gier werd meestal met de kruiwagen naar 't land gebracht. Kunstmest had men praktisch nog niet. Alle gewassen werden met de hand gezaaid, later geschoffeld en weer met de hand geoogst. Weiden had men slechts kleine en dan dicht bij huis. Voor die ene koe of paard had men niet meer nodig. De boerin of zodra de kinderen iets groter werden, gingen deze met de koe of koeien aan een touw langs de wegbermen, om ze te laten grazen.

10

Page 11: Bernard Antonius Johannes Lecluse

Geiten werden met 'n touw aan een paaltje vastgezet en deze paaltjes werden af en toe verzet en konden op die manier grazen. De grotere boeren hadden weer wat grotere percelen, maar die ploegden en egden dan ook al met een paard. De ploeg had maar één mes, zodat het nogal lang duurde voordat men 'n stuk land geploegd had. Kleinere boeren leenden wel 'ns 'n ploeg en spanden daar hun koe voor, het geen nog langzamer ging en ook ten koste ging van de melkvoorziening. Om groen voer van de akker te halen werd ook nogal eens gebruikt gemaakt van een hondenkar. Het merendeel der gewassen waren aardappels, koren en haver. Verder knolraap en bieten, welke men nodig had voor de koeien. Tevens zag men veel spurrie velden en ook werd er geregeld op de velden candela en lupinen (gele), alsmede klaver gezaaid. Deze drie laatste dienden ook als groen voer voor de beesten en hadden tevens de eigenschap, dat de wortels, door middel van bepaalden bacteriën, stikstof produceerden, die weer heel goed was voor de grond als voedingsstof. Als het koren rijp was werd 't door de boer met in de ene hand de kleine zeis en in de andere 'n haak gemaaid. Achter de boer volgde de boerin, welke het gemaaide koren tot schoven bond, welke later weer op 'n bepaalde manier tegen elkaar werden gezet om het koren verder te drogen. Als het droog was werd het naar de schuur gebracht of dicht bij huis tot z.g. korenmeiden opgestapeld. Later werd het koren in de schuur op de lemen vloer met de dorsvlegel gedorst. Meestal deden ze dat met z'n tweeën, soms zelfs met z'n drieën en dan om en om. Dat ritme was in mijn oren altijd een heerlijk geluid.Dan werden de korrels bij elkaar geveegd, waarbij natuurlijk 'n hoop stro en kaf zat. Alles werd in een heel grootte platte mand met twee hengels (´n z.g. wan) gedaan, waarmede werd geschommeld en gewipt en tegelijkertijd in werd geblazen.De korrels, welke zwaarder waren, zakten en de boven gekomen rommel werd er uit genomen en geblazen. Met het koren ging men dan later naar de molenaar (de baas, zoals die altijd werd genoemd) waar het met de windmolen tot meel werd vermalen. Betalen deed men door een gedeelte van het meel aan de molenaar te laten, die

11

Page 12: Bernard Antonius Johannes Lecluse

het weer van alle klanten verzamelde en het dan aan een bakker verkocht. Voor alle handel en diensten werd zoveel mogelijk iets verruild, z.g. ruilhandel.Het zo verkregen meel werd thuis dikwijls nog eens extra gezeefd door een harenzeef en de achtergebleven zemelen werd door het varkensvoer gemengd en ook de kippen kregen er wel hun deel van. Meestal eens per veertien dagen werd van het meel brood gebakken. Het mengen van de deeg gebeurde in langwerpige troggen van hout gemaakt en schrik niet, de deeg werd niet met de handen gekneed, daarvoor was de hoeveelheid te groot, maar met blote voeten (smakelijk als je bedenkt hoe slecht ze zich wasten). Nadien werd de deeg tot diverse ronde broden gevormd en nadat het gerezen had in het bakhuis, gebakken. Dat bakhuis stond 'n eind van het huis of in verband met brandgevaar en was ca. 2 x 4 meter en ca. 2 meter hoog. In het achterste gedeelte was van stenen en leem 'n oven gemaakt, waarin aan de achterzijde 'n schoorsteen en aan de voorzijde 'n ijzeren lage brede deur. De oven werd van te voren gloeiend heet gestookt met dennen takken (sjansen) en bossen griendhout. De takkenbossen verzamelde men voornamelijk in de winter in de omringende bossen en het griendhout groeide weelderig in de moerassige beemden en werden om de twee jaar geheel afgekapt, maar herstelde zich in het voorjaar weer heel snel. Was de oven eenmaal bloed heet gestookt dan werd de overgebleven as en houtskool met een loet ('n ijzeren staaf met 'n vochtige oude zak) er zoveel mogelijk uitgeveegd, de deeg ging er in en de schoorsteenschuif alsmede het ijzeren deurtje ging dicht. De mensen zagen wel aan de kleur van de oven aan de binnenkant of hij warm genoeg was om te bakken. Zij die geen eigen oven hadden konden eenmaal in de week de deeg ook naar een bakker brengen, die dan voor het bakken zorgde, maar dat kostte natuurlijk geld. Om de broden van de diverse klanten uit elkaar te houden werd er door de bakker een nummer opgeplakt. Mijn moeder had in Roermond bij Felix Jansen toen ze trouwde, al een fornuis gekocht, zoals ik reeds vertelde. Daarop werden in de wintermaanden gekookt en in gebakken. Er waren 2 grote gaten in waarop ringen lagen. Naargelang

12

Page 13: Bernard Antonius Johannes Lecluse

de grootte der te gebruiken pan nam je er één of meer ijzeren ringen af, zodat de vlammen tegen de pan konden slaan. Er was ook een bakoven aan, waarin ze 's winters zelf brood, vla enz. bakte. Het fornuis werd aangemaakt met turf, waarop 'n scheut petroleum kwam en later verder gestookt met steenkool. De steenkool liet m'n vader per kar komen. Hij was alleen leverbaar in grote brokken, welke ze zelf maar met 'n zware hamer moesten verkleinen om ze te kunnen stoken. Dat klein maken was een grote vuiligheid en gebeurde in de kelder. In de zomermaanden kookte m'n moeder op 2 grote en een klein petroleumstel. De deeg voor het brood en de vla dan werd naar de bakker gebracht om te bakken, gezien het anders te warm zou worden in de keuken. In de 2 grote petroleumstellen zaten elk 3 wieken (van katoen geweven banden), welke ieder in de petroleumbak hingen en doormiddel van een knop ieder apart hoger en lager konden worden gedraaid, teneinde de grote van de vlam te regelen. Regelmatig moesten de wieken met 'n gloeiende pook (ijzer waarmede men in worden de kachel kon rakelen) recht gemaakt om walmen te voorkomen, want als dat gebeurde waren de ketels in 'n wip roet zwart. In het kleine petroleumstel zat maar een leek en dit stel werd meestal gebruikt on soep te trekken of om er iets op te laten sudderen. Aan de voorkant van de petroleum stellen zat een rand glaasje, waardoor je kon zien of de vlammen goed branden. Ook de petroleumlampen moesten regelmatig met de gloeiende pook behandeld worden om ze niet te laten walmen en ook het lampenglas werd regelmatig schoongemaakt. Ook moest men elke dag in de gaten houden of er nog wel genoeg petroleum in de lampen zat anders kon het wel 'ns gebeuren, dat je midden op de avond plotseling in 't pikken donker kwam te zitten. Meestal brandde er maar in één kamer 'n petroleumlamp. Als je iets uit 'n ander vertrek moest hebben moest je dat maar in 't donker zien te vinden ofwel 'n kaars of 'n draaglamp meenemen. 't Ergste was, als je 's avonds naar de wc (de plé) moest, want die lag 'n meter of 12 van 't huis af in de tuin. 'n Closetpot kende men nog niet. Gewoon 'n houten plank met 'n rond gat en houten deksel, alles viel rechtstreeks in de put en 't kon er zo koud tegen je billen blazen, vooral als je buikpijn

13

Page 14: Bernard Antonius Johannes Lecluse

had en je wel 'ns lang moest blijven zitten. 'n Petroleumlamp kon je niet meenemen, want ze zou ofwel door de wind worden uitgeblazen ofwel het lampenglas zou vanwege de wind stuk knappen. Van waterspoeling had men nog nooit gehoord en closet papier kende men evenmin. Alle kranten werden tot vierkante papiertjes geknipt en dan aan 'n touwtje geregen en in de wc opgehangen. Ik vond altijd 't ergste als 't 's avonds stormde en regende en je dan helemaal alleen daar buiten in dat kleine hokje zat; maar ja er was geen alternatief en 't was nu een maal zo. Je kunt je deze toestanden nu praktisch niet meer indenken. Je draait aan ´n knopje en 't licht is aan. Dikwijls zit je nog op 'n verwarmde W.C. en als je klaar bent druk je op 'n knop en loopt de waterspoeling door en heb je lekker zacht papier, waarmede je je bips kunt afvegen. 't Is haast onbegrijpelijk, dat dat toen geen van allen kenden. Nu moet ik ook nog iets van de namen der mensen van toentertijd vertellen. Ze kenden elkaar praktisch niet met hun geboortenaam; slechts met hun voornaam met diverse vóór of achtervoegingen, zoals b.v.1. 't beroep van de vaderb.v. Naad (Bernardus) van 't slechterke (slager van klein postuur) Thei (Theodorus) van de Tummerman (timmerman)de witte van de meister (de witte door m'n witte haar van de meester (dat was ik)Frère van de meister (dat was m'n broer Luc)2. de boeren-hof waar ze vandaan kwamen b.v. Nien van GasthuishofTrui van Heistershof3. 't woongebied vanwaar men kwam b.v. Sjeng van Blankwater (Blankwater was 'n streek waar 'n paar huizen stonden; Truus van Sjeng van Blankwater was weer 'n kind van bovengenoemde3. de voornaam van de vader b.v. Fien van Nöllke (Cornelis) : kreeg die weer 'n kind, dan werd 't b.v. An van Fien van Nölleke enz.4. Scheldnamen, welke door 't vele gebruik niet eens meer opvielen b.v. An van de LeugenaarBet van Mamme-spek (de vrouw had 'n paar grote borsten)

14

Page 15: Bernard Antonius Johannes Lecluse

ZIk zal zo nog enkele namen noemen van bij ons in de buurt. Zo had jeMie van Bet van Kätelaers-Toon (Marie was 'n dochter van Elisabeth, welke weer 'n dochter was van Antoon, welke vroeger ketellapper was geweest. 'n Ketellapper was 'n man die langs de deuren ging om eventuele bodems van ketels te repareren. Sjeng van Naadje de Koel. Dat was mijn schoolvriend die Jan heette en 'n zoon was van Bernardus, welke weer in 'n laagte woonde ofwel kuil. In wezen heette mijn vriend Jan Cox. Miet van Thiel van Frens van de baas van de toren, dat was 'n dienstmeisje, dat mijn moeder heeft gehad. Miet (Maria) was haar voornaam, Thiel (Mathilde) was de naam van haar moeder, welke weer getrouwd was met 'n Frans, die weer voerman was bij de baas (zo noemde ze 'n molenaar nu eenmaal), welke molenaar weer in 'n huis woonde waarop 'n toren stond en dat ze daarom "de toren" noemde. In werkelijk heette het meisje gewoon Maria Janssen, maar als zodanig kende haar niemand in het dorp.An van Mie van Poezewévers Nelleke. Nelleke was 'n dochter van iemand die vroeger de scheldnaam "de Poezewévers" had gehad en schijnbaar iets met katten te maken heeft gehad (misschien strikte hij ze wel om ze op te eten). Nelleke had weer 'n dochter die Mie (Maria) heette, welke weer 'n dochter had die An heette. Zou die weer een kind krijgen, dat ze b.v. Jan noemde, zo zou deze waarschijnlijk weer als Jan van An van Mie van Poezewévers Nelleke door het leven gaan, terwijl hij eigenlijk gewoon Jan Cox heette, maar niemand zou hem als zodanig kennen.Zo herinner ik me nog, dat m'n vader 'ns uit school thuis kwam en tegen m'n moeder vertelde, dat er in kind te last op school gekomen was en toen hij aan haar vroeg, waarom ze te laat kwam, hij als antwoord kreeg "ja meester, ik moest van m'n vader tussen de middag naar Raren Dreik gaan om zaken terug te brengen; waarmede ze bedoelde, dat haar vader haar had opgedragen om zakken terug te gaan brengen naar Roaren Driek. Driek (Hendrik) kwam uit 'n buurtschap, welk Ray heette, in wezen heette hij Hendrik Knoops en het woord zaken, was volgens haar het hollandse woord voor zakken, waar ze in 't dialect "zekken" tegen zeiden. Ja, zoek 't maar uit. 't Was

15

Page 16: Bernard Antonius Johannes Lecluse

ook voor de kinderen heel moeilijk om Hollands te spreken. Dat was voor hun koeterwaals en hadden ze nooit gehoord. Je kreeg zodoende de gekste uitspraken als b.v. "meester daar zit 'n ruips op de muir", in plaats van "meester er zit een rups op de muur". Zo hebben we in de loop der jaren de mooiste uitspraken gehoord. Ik geloof, dat die persoonsbenamingen nog stammen van omstreeks 1800. Voor die tijd werd men alleen ingeschreven in de kerk als men trouwde of gedoopt werd. Een gemeente register met namen bestond voor die tijd nog niet. Tevens droegen op het afgelegen dorp en veel mensen dezelfde naam. Gezien alles te voet moest worden afgedaan, bleef men in 'n klein kringetje hangen, alwaar men ook z'n levensgezel of levensgezellin zocht. Zo bestond op ons dorp meer dan de helft uit Cox-en en Clerx-en. Door de slechte hygiëne en het eenzijdig voedsel en het ontbreken van consultatie buro's was er ook 'n grote kindersterfte. Toen mijn vader in Azenray kwam, was hij de vraagbaak voor praktisch het gehele dorp. Er was maar 'n klein percentage, dat lezen en schrijven kon. Op de eerste plaats was de dichts bij zijnde school 7 á 10 kilometer verwijderd en moest men er in weer en wind te voet naar toe en was er geen enkele verplichting om naar de school te gaan voor 1900. Tevens moesten de kinderen, zodra ze maar iets konden, mee helpen om 't huishouden recht te houden. Kwamen er brieven of moest er 'n brief geschreven worden, dan kwamen ze naar m'n vader, die altijd wel voor hun klaar stond om ze met raad en daad bij te staan. Hij had ook 'n zware strijd te voeren tegen hun bijgeloof. Ze geloofden vast nog aan heksen, spoken en bovenmenselijke wezens als de boeman, de vuurman enz. enz. Het dorp heette niet voor niets Azenray, wat heksen-land was. Azen waren heksen en Ray was 'n streek land. Toen mijn vader er in 1903 kwam was 't nog heel erg. Er waren echt nog mensen (vrouwen) die ze onder elkaar nog als heks benoemden. 's Avonds zagen ze soms heksen op bezemstelen door de lucht vliegen. In wezen waren het b.v. mistflarden welke omhoog stegen. Was er 'n paard, koe, varken of ander dier plotseling dood gegaan, dan was de stal behekst. ' Ergste vond m'n vader altijd, dat wanneer er 'n kindje plotseling was dood gegaan, ze dikwijls tegen hem zeiden, dat 't kindje behekst was.

16

Page 17: Bernard Antonius Johannes Lecluse

Je kon 't zien of voelen aan de horde krans in 't kussentje. Hoe hij ook praatte, ze geloofden hem niet, want dat bijgeloof zat er diep ingeworteld Hij is toen maar 'ns gaan kijken en wat was nu het geval, het kindje had b.v. de stuipen gehad (waar je nu bijna niet meer van hoort), waarbij het hoge koorts had. Daar het kind tot aan z'n hoofdje heel dik werd ingerold en nog warm met kruiken was ingestopt is het steeds meer gaan transpireren en vooral 't hoofdje.Gezien het daarmede op een veren kussentje lag is dat kussen helemaal nat geworden, waardoor ook de veren rond het hoofdje aan elkaar zijn gaan plakken. En dat was nu de z.g. harde krans geworden. Dan hadden ze weer de vuurman achter een boerenkar zien lopen in 't donker. In wezen hadden ze net iets anders gezien dan enkele vuurspetters welke ontstonden doordat 't paard met z'n ijzeren hoefijzers over 'n steen liep. En zo was er altijd wel iets dat behekst was of werd. 't Heeft vele jaren geduurd alvorens hij dat bijgeloof eindelijk had uitgeroeid. Ik begrijp achteraf ook heel goed, dat m'n moeder erg bang moet zijn geweest toen ze van uit een stad daar plotseling op die negerij terecht kwam. Als ze daar die mensen in hun sjofele kleren en blootsvoets zag lopen dacht ze, dat 't z.g. landlopers waren. Ze durfde dan ook 's avonds als 't donker was net alleen thuis te blijven. Dat heeft zowat jaar of twaalf geduurd, want ik kan 't me nog herinneren van toen ik een jaar of vijf was, dat 's avonds altijd iemand kwam als vader weg ging. De ene keer was 't Peeters, 'n buurman die bij ons schuin tegenover woonde, 'n andere keer Hendrikus Cox (Cox van de hei), welke ca. 5 minuten bij ons vandaan woonde. Ook moesten 's avonds de raamluiken tijdig dicht ofschoon de mensen die er woonden toch in wezen in- en ingoede mensen waren die eerder voor je zouden opkomen dan om iets verkeerds te doen. En vooral mijn vader noch z'n vrouw zouden ze geen strobreed in de weg leggen, want die stond altijd, zowel Zondags of in de week, belangeloos voor hun klaar met raad en daad. Ze wisten dan soms ook niet hoe ze hun dankbaarheid aan hem moesten tonen en vooral van de beter gesitueerde kreeg hij wel 'ns 'n kar mest voor op ons land achter het huis of werd hen wel 'ns 'n z.g. proef van 't varken gebracht, als ze eens geslacht hadden.

17

Page 18: Bernard Antonius Johannes Lecluse

Ook mijn vader hechtte zich steeds meer aan die mensen, vooral toen hij zag, dat de mensen langzaam aan bun bijgeloof afzworen reden waarom hij er ook nooit meer is weggegaan, al werden hem later ook elders beter betaalde betrekkingen aangeboden. Mijn moeder vond dat spijtig, die zou liever naar 'n stad zijn vertrokken. Mijn vader getroostte zich liever veel moeite dan die mensen los te laten. Hij kende ze allen stuk voor stuk, door en door. Toen er langzamerhand in 1906 een kentering ten goede kwam in de landbouw, gezien men langzaam enig begrip kreeg van bemesting door kunstmest heeft mijn vader toen door het volgen van lessen zijn diploma's voor "land & tuinbouw", "veeteelt", "pluimveeteelt" en "huishoudkunde" gehaald. Hij kon nu door het geven van avond cursussen de jonge boeren, welke reeds in het bedrijf van hun vader werkzaam waren, leren hoe ze efficiënter hun bedrijf konden beheren en ze tevens nog wat bij spekken op 't gebied van lezen, rekenen en eenvoudige boekhouding. Deze door hem te geven cursussen waren niet enkel ten voordele der jonge boeren, maar moesten ook vaders inkomen wat opvijzelen, want de eerste wereldburger in z'n gezin was en al en de tweede was onderweg, hetgeen weer extra kosten met zich mee zou brengen. Mijn vader had inmiddels ook een rijwiel gekocht om zich beter te kunnen verplaatsen van het merk Dürkopf. Hij was een van de eerste in het dorp die op een rijwiel fietste. Echte rijwielen waren er nog niet zo lang, gezien in 1880 Dunlop eerst de eerste luchtband was uitgevonden en alles zich in die tijd slechts langzaam verder ontwikkelde. Het rijwiel was, zoals je wel aan het merk kunt zien, van Duitse makelij. Nogal zwaar gebouwd met lederen tasje tussen boven stang en achter stang voor gereedschap. Achter het zadel was 'n soort verende klep om eventueel mee te nemen pakjes vast te houden. 't Was een z.g. doortrap fiets met een handrem op de voorband, waarmede je 'n hard rubber blokje op het voorwiel kon drukken teneinde om te remmen. Verder 'n nikkelen stuur met celluloid handvatten. Aan de voorzijde zat aan een haak 'n verende kaarslantaarn; de kaars werd door middel van een veer omhoog gedrukt. Aan het achterwiel zaten twee z.g. opstappinnen. Ze stapten

18

Page 19: Bernard Antonius Johannes Lecluse

toen ter tijd anders op het rijwiel als wij thans doen. Ze duwden het rijwiel eerst in beweging, gingen dan achter op een pinnetje staan en lieten zich dan voor op het zadel zakken. 'n Kettingkast had men toen nog niet; mannen die 'n large broek droegen hadden speciale broekklemmen om te verhinderen, dat de broek tussen de ketting kwam. Er was nog iets aan dat rijwiel dat men tegenwoordig niet meer kent, n.l. tussen stuur en voorwiel zat in de stang een draaibaar knopje waarmede je het stuur kon vastzetten als je het rijwiel ergens tegen aan plaatste, om omvallen te voorkomen. Deze fiets werd hoofdzakelijk gebruikt om, vooral in de winteravonden, lessen te gaan geven aan de jonge boeren. Hij deed dit in Azenray zelf, in Maasniel, Swalmen, Reuver, Herkenbosch en Posterholt. Ja 't breidde zich later zelfs uit tot Echt en Maasbracht. Stel je dat eens voor, al die afstanden moest hij na vier uur, als de school uit was, nog afleggen. Een dagtaak zat er dan al op en in de enkele uren, die hem op de Woensdag- & Zaterdagmiddagen en Zondag buiten z'n andere werkzaamheden nog restten, moest hij zich ook nog voor zijn lessen prepareren en het huiswerk van z'n leerlingen nakijken. Ik vraag me nu nog ooit af hoe die man dat allemaal heeft kunnen klaarspelen, alsmede om in weer en wind, storm en regen, hagel en sneeuw 's avonds zo ver te fietsen op zo'n zware fiets en dat gebeurde dan in het pikken donker (straatverlichting had men nog niet) over zand- & modderpaden en onverharde landbouwwegen. Hier en daar zelfs door de bossen met enkel 'n kaarspitje ter verlichting. Wat heeft die man 'n moed opgebracht, onvoorstelbaar!!! Ik herinner me nog goed, dat als 's avonds de storm om ons huis gierde, de luiken aan de ramen beneden klapperden, de regen tegen mijn raam kletterde en het daarbij soms nog bliksemde en onweerde, ik dikwijls aan mijn vader heb gedacht, die daar ergens helemaal alleen in het pikken donker tegen al dat geweld moest vechten om weer thuis te komen, terwijl ik daar in mijn warm bedje lag. Dan was ik bang, dat hem iets zou gebeuren en hij niet meer thuis zou kunnen komen en heb ik dikwijls stilletjes gebeden "Ach lieve Heertje, laat mijn papa toch weer gezond thuis komen". Ik besefte toen nog niet, dat al die opoffering en moeite toch ook grotendeels voor ons kinderen was.

19

Page 20: Bernard Antonius Johannes Lecluse

Hij gaf aan zijn leerlingen soms ook folders (stencils noemen ze dat tegenwoordig) waarop gegevens voor de lessen stonden, maar deze moest hij eerst zelf maken. Tegenwoordig heeft men daar stencilmachines ofwel kopieer apparaten voor, maar die kende men nog niet. Het maken van die folders gebeurde als volgt : hij had een apparaat dat er meer uitzag als 'n plat laag houten kistje, ongeveer zo groot als kwartopapier. Aan beide korte kanten zat een rol en over die twee rollen liep ’n eind loze gummiband van zacht rubber. Als hij nu iets moest vermenigvuldigen, schreef hij eerst de tekst met 'n kroontjes pen op papier, als inkt gebruikte hij dan z.g. hectograaf-inkt. Dat was inkt, welke heel slecht droogde en ook net in het papier drong. Als hij de tekst eenmaal geschreven had werd het vel met de beschreven kant op die gummiband gelegd en ging hij dan met ’n handrol over het papier.Daardoor hechtte zich de hectograaf-inkt aan de gummiband. Hij verwijderde dan het door hem geschreven vel en de tekst bleef dan nog nat op de gummiband in spiegelbeeld achter. Daarna legde hij een blanco vel op de band en ging er weer met de handrol overheen. De tekst kwam dan op 't nieuwe vel te staan. Doordat de inkt lang nat bleef kon hij op die manier ongeveer 15 á 18 leesbare afdrukken maken.Alles bij elkaar 'n heel karwei, doch het ging in ieder geval sneller dan al die vellen apart te moeten schrijven. Het apparaat noemde men 'n hectograaf en de blanco vellen werden derhalve gehectografeerd. Het was eigenlijk de voorloper van het typewerk.Ook gaf hij 's avonds vaak lichtbeelden bij de lessen. Dat gebeurde met 'n grote toverlantaarn met spiritus verlichting. Later, nadat er in scholen elektrisch licht was gekomen gebruikte hij een toverlantaarn met koolspitsen. Deze gaven een heel fel licht door het overspringen van een vonkenboog van de ene koolstaaf op de andere. Ze moesten echter zuiver op 'n bepaalde afstand van elkaar worden ingesteld en ook moesten de staven regelmatig weer iets naar elkaar toe worden gedraaid, gezien ze door het overspringen der elektrische lading ook afsleten. Door dat prachtige felle licht kreeg je ook mooie geprojecteerde beelden en kon men de beelden ook groter

20

Page 21: Bernard Antonius Johannes Lecluse

projecteren. De beelden stonden op vierkante glazen plaatjes van ongeveer 5 x 5 cm. groot en waren meestal in kleur. Zo projecteerde mijn vader rassen van paarden, koeien, varkens, pluimvee enz. alsmede landbouwgewassen en de daarbij voorkomende ziekten. Ook had hij beelden van modernere stallen enz. enz. De tekst bij die beelden vertelde hij zelf en hij had dan meestal 'n aanwijsstok in z'n hand om de leerlingen op bepaalde dingen te attenderen. Hoe hij het apparaat van de ene school naar de andere kreeg weet ik niet meer. 't Was mijn in ziens te zwaar om zelf per fiets te versjouwen. Gelukkig waren toen de leerlingen (15 tot 20 jaar) rustige mannen en vrouwen, welke uitsluitend kwamen om kennis op te doen. Ze kwamen geheel vrijwillig en moesten ook voor de lessen betalen, al was dat niet zo veel, want de gemeenten gaven ook subsidies, gezien door de lessen het algemeen belang van de boeren gediend was. Na elke cursus werd mijn vader door de leerlingen bedankt met 'n kleine speech, welke vrijwel altijd vergezeld was met het aanbieden van een cadeau ter blijvende herinnering. Zo herinner ik me nog, dat hij in de loop der jaren heeft gekregen 3 stuks met bolglas ingelijste crucifixen ('n verguld mooi kruisbeeld eenmaal op 'n achtergrond van rood fluweel, eenmaal met 'n groen fluwelen achtergrond en één maal met 'n bruin fluwelen achtergrond), 3 marmeren pendulestellen met bijbehorende kaarsen-standaarden met 4 armen, eveneens op marmeren voet. Een was er in groen, een in bruin en één in zwart marmer, een zwart marmeren inktstel, 'n groen marmeren inktstel, 'n Mozart beeld met 2 bronzen slanke vazen, een dito stel in Delfts Blauw (Lenie van mijn zoon Paul heeft er nog een van), 1 mooie presse-papier, 1 tabakspot, meermalen ’n pijp, een regulateur-klok, 'n groot H. Hart beeld, met bloemen geborduurd kleedje voor onder het H. Hart beeld, diverse standaards, 1 geborduurd tafelkleed en ja wat al niet weer. Een teken, dat hij zeer gezien was bij zijn leerlingen. Dat mijn vader een goede pedagogische instelling had, zoals ik reeds vooraf vermeldde, heb ik ook gemerkt in de tijd, dat ik er zelf de lagere school bezocht. Ik heb zelfs 2 1/2 jaar bij hem in de klas gezeten. Hij had de 5e en 6de klas plus nog 'n halve zevende, waarin leerlingen zaten, welke na de lagere school nog verder gingen

21

Page 22: Bernard Antonius Johannes Lecluse

studeren. In de stad, begon n.l. het schooljaar in September, terwijl in Azenraay 't schooljaar na Pasen begon. Mijn vader moest geregeld naar 'n ander klaslokaal, aangezien daar de meester met veel lawaai en geweld te keer ging tegen een of andere leerling en met de vuisten op 't bord sloeg. Hij moest dan meester en de leerling als 't ware tot de orde roepen. Dit alles in scherpe tegenstelling tot de klassen, waarin mijn vader les gaf. Daar was 't steeds rustig, zonder dat hij behoefde te gillen of te keer te gaan. Als 't soms ergens in de klas 'n beetje te rumoerig werd behoefde hij enkel maar met z'n vingers te knippen en die kant op te kijken en eenieder voegde zich weer naar de geldende regels. Echte straf behoefde hij slechts heel zelden te geven, terwijl dat in andere klassen schering en inslag was. Ook had geen enkel kind echt schrik van mijn vader. Wat 't eigenlijk was, dat hem zo'n ontzettend overwicht gaf ten opzichte van de leerlingen, heb ik nooit 'n naam kunnen geven, gezien hij helemaal niet streng was. 't Scheen hem als 't ware aangeboren te zijn.Mijn moeder zoals ik reeds vertelde, uit de stad Luik in België mijn vader trouwde was een zeer knappe vrouw, wat ze ook wilde weten en waar ze trots op was. Ze kon zich vlot, chic en modieus kleden, droeg altijd goede foundation, zodat ze altijd leuk en verzorgd uitzag. Droeg mooie kleren met mooie getailleerde vestjes met kanten kraagjes, welke altijd spierwit moesten zijn en er mocht nooit ook maar ergens 'n vlekje op zijn. In Azenray droeg ze al 'n mooie bontjas. Men noemde haar niet voor niets "De Prinses van Azenray".Nadat mijn vader was overleden heeft ze voortaan haar hele verdere leven zwart gedragen met als uitzondering donker grijs of paars, steeds met bijpassende hoedjes, eventueel met voile. Mensen, die haar op hogere leeftijd nog gekend hebben zeiden steeds "je moeder is 'n echte dame".Verder kon ze mooi zingen met haar sopraan stem, hetgeen ze in haar trouw dan ook heel veel deed. De mensen bleven in Azenray op straat staan luisteren als ze zong."'Tevens kon ze heel goed bakken en koken. Ze bakte de heerlijkste vla, gebak en Belgische wafels. Vooral rijstevla was haar specialiteit. Op kookgebied was ze de tijd ver vooruit. Ze kookte, voor die tijd al

22

Page 23: Bernard Antonius Johannes Lecluse

erg modern. Ze kookte met heel weinig water in verband met het behouden van de vitaminen en groenten, welke men op 't dorp toen ter tijd nog niet kende, zoals spruiten, witlof, asperges enz. en ze maakte ook al patates frites. Die men hier in Nederland pas omstreeks 1930 leerde kennen.Verder was ze erg proper op alles. Nergens mocht een stofje liggen of 'n vlekje op zitten en ondanks ze altijd een dienstmeisje ter beschikking had, soms zelfs twee, was ze toch nooit met haar werk helemaal gereed en werd er altijd tot zaterdag' s avonds laat gepoetst, zeer tot mijn ergernis. Ze was eigenlijk overdreven proper. Als mijn ouders in 1903 gehuwd waren bood zich in 1904 snel het eerste kindje aan. Hij kwam in Roermond ter wereld, gezien de dokter zo ver van Azenray afwoonde. Hij kreeg 'n Franse naam Louis, net als tweede naam Jean naar zijn pa van moederszijde en als derde naam Desire naar de pa van vaders zijde.In 1906 bood zich het tweede kind aan, die ook weer 'n Franse naam kreeg, n.l. Lucien, afgeleid van ma van vaders kant, welke Lucia heette en als tweede naam Jean naar zijn pa van moederszijde. Er werden in die tijd veel kinderen naar bloedverwanten genoemd, welke dan ook dikwijls peter en meter waren bij de doop. Lucien werd in Azenray geboren en moeder werd terzijde gestaan door dokter Steyns uit Roermond. Van beider prille jeugd weet ik natuurlijk maar bitter weinig. Alleen, dat ze in een hoge blauwe kinderwagen hebben gelegen als moeder er buiten mee ging rijden. Toen beide al wat groter werden kochten mijn ouders voor hen 'n z.g. sportwagen (kinderwagen) van licht geel bamboe hout met bruine vlekken. Daar konden 2 kinderen in en de rugsteunen waren klap baar, zodat je er zowel met 't gezichtje naar voren als ook met 't gezichtje naar achteren in kon zitten. Deze sportwagen had twee grote wielen met kogellagers, aan voor en achterzijde waren eveneens 2 kleine wielen, zodat de wagen niet om kon kiepen. Ook ik heb later nog in die wagens gelegen en gezeten, als ook mijn jongere broer Jan. Mijn moeder had in middels ook een fiets gekocht bij de fa. Op 't Root te Roermond. Deze had ze hoofdzakelijk nodig om boodschappen te gaan doen in Roermond. In Azenray was toen maar

23

Page 24: Bernard Antonius Johannes Lecluse

één klein kruideniertje (Stevens) en die had niet veel keus in z'n klein vertrekje. Later is er nog 'n klein winkeltje bijgekomen. Bij "Trientje" zeiden ze, omdat de vrouw die de winkel deed Catharina heette. Verder was er maar één varkensslager, welke derhalve maar alleen varkensvlees verkocht. Hoofdzakelijk vers spek en worst. De winkel was alleen maar Zaterdag' s morgens geopend en dan had hij in totaliteit 'n half varken.Vanaf mijn derde jaar kan ik me nog herinneren, dat ik op 'n zonnige lentedag voor ons huis in 't zand mocht spelen. Ik voelde de zwoele lentelucht en zag de zandvliegjes gaatjes in 't zand graven, waar om heen dan een klein zandbergje zat. Ook wees mijn moeder me op de eerste madeliefjes die bloeiden.Van mijn vierde jaar herinner ik me nog heel goed de bewuste dag, dat de 1ste. wereldoorlog uitbrak 4.8.1914, welke heeft geduurd van 1914 tot 1918. We zaten die dag allen boven op de overloop voor 't raam, dat uitzicht gaf op het grenskantoor aan de weg Roermond over Maalbroek naar Mönchengladbach in Duitsland. Dat was maar 'n afstand van ca. 1000 meter. Men vermoedde, dat de Duitsers daar de grens zouden overtrekken en dan via Limburg verder België en Frankrijk zouden binnen trekken. Ik voelde, dat de anderen schrik hadden. Gelukkig bleef ons land echter daarvan bespaard en is het in die oorlog neutraal gebleven. De Duitsers trokken vlak over de Belgische grens bij Visé België binnen om zo verder door te dringen naar Antwerpen en Frankrijk.Wij hoorden in Azenraay z.g. "Dikke Bertha’s” bulderen. Dat waren voor die tijd heel zware en verdragende kanonnen. Van Visé & omtrek bleef praktisch geen steen overeind en er zijn daar duizenden slachtoffers gevallen, zoals ik reeds eerder vermeldde. We zijn gelukkig van die oorlog verschoond gebleven, anders had ik dit verhaal waarschijnlijk niet kunnen schrijven.Ondanks we niet in oorlog waren trad er toch voor veel mensen een moeilijke tijd aan. Slechts enkelen konden zich door zwarthandel of anderszins verrijken. Er trad een periode in van werkeloosheid. De in- en uitvoer waren gestagneerd. 't Dagelijkse bood kwam op de bon, ieder kreeg 'n z.g. broodkaart, waarop bonnen zaten waarvan de

24

Page 25: Bernard Antonius Johannes Lecluse

nummers door de regering werden aangewezen en waarop men dan 'n bepaalde hoeveelheid brood kon kopen. Meel en brood waren derhalve gerantsoeneerd. Ook ander goederen werden schaars en daardoor erg duur, b.v. zeep, rookartikelen en dergelijken. 't Werd de tijd van aanpassen.Mijn vader gaf in die tijd les in pluim vee teelt. In verband daarmede stonden bij ons in de eetkamer 2 z.g. broedmachines voor kuikens. In elke broedmachine lagen ca. 120 bevruchte kippeneieren, meestal van witte leghorns. De eieren lagen op 'n soort rek en aan de voorkant in het rek was 'n gleuf van ca. 5 cm. breed en daaronder zat weer 'n soort lade. Op zij van de broedmachine (ik kan echter beter spreken van een broedkast), want 't had met 'n machine eigenlijk niets te maken) was 'n petroleumlamp en daarboven zat 'n zinken pijp van ca. 4 cm. doorsnede. Deze pijn liep verder de kast in en paar keer op en neer boven de eieren en ging dan weer naar buiten. Door de petroleum lap aan te steken ging de warmte van de pijp in en circuleerde in de kast boven de eieren. Door de lamp hoger en lager te draaien kon je de temperatuur in de kast zo regelen, dat deze gelijk was aan de broedtemperatuur bij kippen. Aan de voorkant van de kast, alsmede van de lade was een glazen raam, waardoor je alles kon zien, wat in de kast gebeurde. De eieren moesten verder elke dag gekeerd worden en in de kast moest ook 'n bepaalde vochtigheidsgraad heersen. Nadat de eieren er dan zo'n 21 dagen (broedtijd van kippen.) ingelegen hadden, kwam er beweging in de eieren wat je door de glazen ruit kon zien. Ik mocht er dan met 'n kinderstoeltje voorzitten. Je zag dan dat de kuikentjes net hun tand 'n gaatje in het ei probeerden te maken en dit gaatje werd langzaam groter en groter en op 'n gegeven moment barstte het ei geheel open en bevrijdde het kuikentje zich uit het ei. Het was dan nog enigszins vochtig met geplakte vleugeltjes. Maar al snel krabbelde het op z'n pootjes overeind en ging op verkenning uit. Dan kwam 't weldra bij de gleuf en viel daardoor in de onderlade, waarin scherp zand en ook wat gemalen voer lag. Daar droogde het al snel op. Begon te piepen en rond te lopen en weldra ging 't ook drinken aan 'n drinkbakje en pikte het al wat voer. Het was altijd zeer interessant! Daarna kwamen

25

Page 26: Bernard Antonius Johannes Lecluse

de kuikentjes al snel buiten in een apart hok met ren. In het hok stond 'n z.g. kunstmoeder. Dat was als 't ware 'n heel grote deksel met in 't midden een petroleumlamp, die afgeschermd was, zodat ze er niet tegen aan konden komen. De warmte die de lamp afgaf bleef voor 'n gedeelte onder de deksel hangen. Hoe dichter de kuikentjes op de lamp aankropen, hoe warmer werd 't. Ze konden zo naar behoefte hun eigen temperatuur regelen totdat ze veertjes kregen. Vader had ook 'n groot kippenhok met ren getimmerd. Zodoende hadden we tenminste eieren, als er geen vlees te krijgen was.Verder had mijn vader 'n biggetje gekocht, waarvoor hij in de berging 'n soort stal gemaakt had. Het werd door ons vetgemest en later geslacht, zodat we ook wat vlees hadden als de aanvoer stagneerde. Koffie was er ook praktisch niet meer te krijgen dan tegen woeker prijzen. Ter vervanging moest mijn moeder koren branden op 'n ijzeren bakblik op de kachel. Ik vond, dat dit met 'n vieze reuk gepaard ging. Gezien we ook aan brood, ondanks de broodkaarten, te kort kwamen had mijn vader ook 'n stuk koren ingezaaid. Nadat dit rijp was hebben we 't laten maaien en hebben 't later zelf gedorst en wel in de gang van de school. Zodoende heb ik ook dorsen geleerd. Verder gaf mijn vader nog lessen in het bereiden van kaas zodat we op die manier ook weer aan onze trekken kwamen. Ja, zoals je wel kunt merken, heeft mijn vader buiten zijn lessen nog heel wat andere dingen moeten doen om alle monden aan het eten te houden.Er waren toen ter tijd ook vele Belgische kinderen (vluchtelingen) in ons dorp, welke weer onderdak, eten enz. moesten hebben, waar mijn vader zich eveneens voor inzette. Vooral voor die kinderen welke uit 't Franse gedeelte kwamen en derhalve onze taal niet verstonden. Zo zie je, deze man werd helemaal geen rust gegund. Hij was steeds in de weer; was 't niet voor z'n gezin, dan was 't voor de schoolkinderen, de afgestudeerden, welke zich verder wilden ontwikkelen of voor de gehele gemeenschap. Ook voor de armen en zieken had hij een plaats in z'n hart. Dikwijls genoeg heb ik 's avonds als 't donker was 'n keteltje sterke bouillon, of 'n stuk gebakken vlees naar een arme of zieke vrouw moeten brengen, gezien hij daar geen

26

Page 27: Bernard Antonius Johannes Lecluse

ruchtbaarheid noch dank voor wilde hebben.Ik ben nog vergeten te schrijven, dat ik in 1910 geboren ben en ook een Franse naam kreeg n.l. Armand en als tweede naam kreeg ik Leopold genoemd naar 'n tante van mijn moeder die Poldine heette en als derde naam Francois naar de broer van mijn vader welke ook zo heette. Ik ben ook in Azenraay geboren en mijn moeder werd daarbij bijgestaan door een vroedvrouw (ze noemde zo'n vrouw wiesvrouw of wel wijze vrouw).In Azenraay was gelijktijdig met de school in 1903 ook een kapel gebouwd; echter zonder bediening. Er was derhalve geen geestelijke die voor de diensten kon zorgen. Dat is voor mijn vader altijd een doorn in 't oog geweest, vooral omdat de mensen de gewoonte hadden 's Zondags naar de H. Mis te gaan en s middags naar 't Lof, resp. naar de congregatie. Dit alles ging gepaard met geweldige opofferingen.De inwoners, zowel volwassenen, oud of jong en de kinderen moesten steeds door dik en dun, door weer en wind, door hitte en bittere kou, hagel en sneeuw, over veld- en landbouwwegen te voet naar de parochiekerk te Maasniel, 7 - 10 kilometer heen en terug waden, om hun kerkelijke plichten te kunnen vervullen. Voor doop- en huwelijksplechtigheden, zowel als voor biechtspreken en het ontvangen der sacramenten moesten ze steeds naar Maasniel. Vooral bij ziekten en dood hadden de mensen graag steun en troost van een geestelijke, welke hen kon voorbereiden op de grote reis naar het hiernamaals. Bij een sterfgeval kwam de geestelijke ook dikwijls te laat, omdat hij ook te voet van Maasniel moest komen, geassisteerd door 'n misdienaar met brandend lampje en 'n belletje. Toen mijn vader daar in 1915 nogmaals 'n gesprek over had op de pastorie te Maasniel was ook de toenmalige pastoor Creemers die mening toegedaan en vond deze ook, dat dit moest veranderen, al was 't ook in zijn nadeel. Dat was niet tegen dovemans oren gezegd en hij heeft deze toezegging dan ook gretig gebruik gemaakt. Na nogmaals 'n korte bespreking te hebben gehad met de pastoor op 3 Oktober 1915 heeft hij direct een Algemene Vergadering van de Inwoners van Azenray gehouden op 10 Oktober 1915 in de school en

27

Page 28: Bernard Antonius Johannes Lecluse

heeft hij daar het initiatief genomen en de grote stoot gegeven om te komen tot oprichting van een Rectoraat te Azenray. Hij werd benoemd tot secretaris-penningneester van het Comité en kreeg zodoende ook hiervan de gehele last op z'n schouders gelegd De notulen, welke hij over de gehele oprichting heeft gemaakt heeft hij geheel met de hand geschreven en gehectografeerd. Een kopie van de notulen sluit ik hierbij en geven 'n heel beeld van alles wat gedaan moest worden en wat gedaan is om tot de oprichting van 't Rectoraat te komen. Voor die tijd een moeilijke en zware opgave. In ieder geval heeft hij in twee jaar tijd de benodigde gelden hij elkaar gekregen en volledig zijn doel bereikt tot grote dankbaarheid van alle inwoners van Azenray. Vanaf Mei 1917 tot Augustus 1917 ontbreken de notuleren. Op 11, 13 en 19 Augustus en '30 September volgt nog 'n summiere notulering en nadien zijn deze voortgezet door de eerst benoemde rector van Azenray, de heer Peeters. Reden van dit hiaat is 't feit, dat mijn vader in Mei 1917 getroffen werd door 'n ernstige ziekte en dat hij toen ook diabetisch is geworden. Hij scheen te veel op z'n vork te hebben genomen. lk was toen 6.5 jaar en herinner me nog dat hij daarvoor moest worden opgenomen in het academisch ziekenhuis te Utrecht. Gezien ik al net goed 5 jaar naar school mocht kon ik al 'n beetje schrijven en heb ik toen aan mijn vader 'n briefje geschreven, welk ik bij 'n brief van mijn moeder mocht bijsluiten. Hij schijnt erg blij te zijn geweest net dat briefje van z'n jongste kind (toenmaals) en heeft 't zuinig bewaard en nadien het ook meer dan 40 jaar bewaard maar met al onze verhuizingen is 't jammer genoeg in het kwijt geraakt, maar ik kan me nog goed herinneren, hetgeen ik met m'n hanenpoten op zelf getrokken lijntjes, met hier en daar 'n inktvlek, met een kroontjespen aan hem heb geschreven; ’t Luidde Azenray.... 1917Lieve papaatje,Ik hoop dat, u weer gauw beter bent Ik bid elke dag voor U met mamaatje Ik eet ook elke dag mijn wormzaadje Dag lieve papaatje, kom je weer vlugArmandje Hij is nadien nog 'n hele tijd ernstig ziek geweest. Tegen die ziekte benodigde medicijn "insuline" was toenmaals in Amerika pas

28

Page 29: Bernard Antonius Johannes Lecluse

ontdekt en moest nog verder uitgeprobeerd worden en 't duurde nog vele jaren aleer het op grote schaal kon worden geproduceerd en in de handel gebracht kon worden. Hij had van deze uitvinding geen profijt meer kunnen ondervinden en was aangewezen op een streng dieet en op het beetje insuline dat zijn alvleesklier nog zelf kon produceren.In elk geval heeft hij na enkele maanden rust zijn werkzaamheden weer hervat, al werden de avondcursussen welke hij gaf toch langzamerhand wat minder. Gezien in 1918 het rijwiel met hulpmotor en ook 'n kleine Renault-auto op de markt kwam hebben we m'n vader aangeraden zoiets aan te schaffen, maar bleef hardnekkig bij zijn trouwe fiets.Toen in 1918 de eerste wereldoorlog eindigde (,11.11.1918) waarbij Duitsland de grote verliezer was, zakte toen de Duitse Mark tot ongekende diepte in waarde. Men rekende alleen nog naar met duizenden, miljoenen en miljarden D.M. Dit bracht voor de Nederlanders, vooral voor die, die in de grensstreek woonden, een glorie tijd aan.Ook in Nederland bloeide de economie weer op. Mijn vader heeft toen ook via via van alles uit Duitsland laten komen voor 'n appel en 'n ei of liever gezegd voor bijna niets. De Duitsers verkochten alles om maar wat geld te krijgen om voedsel te kopen, want er werd daar bittere armoede en honger geleden. Zo kocht mijn vader er 'n mooie piano, 2 fietsen voor mijn broers, 'n vliegende Hollander en een bolderkar voor mij en m'n jongere broer, 'n encyclopedie in leer gebonden, potten en pannen, stoelen en in tafel enz. enz. Alles voor weggeefprijzen. De D.M. devalueerde met de dag en als je naar Duitsland ging om iets te kopen, moest je 'n koffer vol geld meenemen, hetgeen hier maar 'n paar centen kostte. Er waren mensen, die hun slaapkamers met Duitse marken bekleedden, gezien dit goedkoper was als hier 't behangselpapier. Het was 'n korte waanzinnig waarin vele handelaars schatten geld hebben verdiend. Het gehele Rijnland was bezet door de Fransen, Belgen, Engelsen en

29

Page 30: Bernard Antonius Johannes Lecluse

Amerikanen. Na verloop van tijd hebben ze de D.M. geherwaardeerd en het nog in omloop zijnde geld werd nietig verklaard en zo heeft zich de economie in Duitsland weer heel langzaam hersteld. Er kwamen na de oorlog ook vele meisjes als dienstmeisje naar Holland. Niet zo zeer om geld te verdienen maar om behoorlijk te kunnen eten. Wij hadden ook zo’n dienstmeisje. Ze kwam uit Bruggen vlak over de grens bij Swalmen. Ze behoefde geen loon, als ze maar bij ons mocht eten. lk herinner me nog goed de eerst middag, dat ze bij ons at. Moeder zag wel dat ze rammelde van de honger en zei "schep maar alvast aardappels op". Hoe groot was onze verbazing toen ze de hele kom aardappels ineens op haar bord kiepte. Ons restte niets meer als groenten en vlees. Ze moet wel erge honger hebben gehad. Maar dat vele eten was maar van korte duur. Nadat ze 'n week goed gegeten had was 't over en at ze weer normaal zoals wij. Buiten dat dienstmeisje uit Bruggen hebben we er nog verschillende gehad uit Azenray, zoals Marie van Dijck, Marie van Heur, An Koelen, Maria Geurts. Verder hadden we nog een Marie Roebroeks, die kwam uit Vlodrop en was intern bij ons. Deze, laatste was 'n aardige meid. Als ze zondags naar huis ging mocht ging ik wel eens met haar mee en dat was 12 kilometer heen en 12 kilometer terug, maar daar dacht je vroeger niet aan. Zo verstreek de tijd. In 1918 werd mijn broer Jan geboren, die naar z'n vader genoemd werd als tweede naam kreeg hij Constant naar de broer van mijn moeder, als derde naam kreeg hij Marie naar de 'n paar jaar eerder gestorven zuster van vader en als vierde naam Isidorus naar de andere broer van mijn moeder.Verder werd in 1922 nog geboren mijn enigste zus Jeanne, welke ook naar mijn vader genoemd werd.En zo verstreek ook langzaam de tijd in Azenray. Louis, mijn oudste broer ging na de lagere school eerst te voet naar het gymnasium in Roermond en later met de fiets. Hij mocht tevens naar pianoles en is later overgestapt van het gymnasium naar de kweekschool voor onderwijzer en is later dan ook net als zijn vader onderwijzer

30

Page 31: Bernard Antonius Johannes Lecluse

geworden. Lucien mijn tweede broer ging na de lagere school ook eerst te voet en later met fiets naar de 5-jarige Hogere Burgerschool te Roermond.Ik zelf werd natuurlijk ook ouder en ben na de lagere school ook in Roermond naar school gegaan. Eerst één jaar naar a 'zevende klas op 't klein College en vandaar naar de H.B.S. op, 't groot College. Mijn moeder wilde nu wel persé weg uit Azenraay. Ze had in Roermond al verschillende kennissen gekregen en had er ook 'n stuk of 4 of 5 vriendinnen gekregen waar ze af en toe naar toe ging. Zo maakte ze ook kennis met de voor die tijd moderne dingen en er waren alle mogelijke winkels. Op zaterdags werd markt gehouden, van gasverlichting was er inmiddels elektrisch licht gekomen en de mensen konden op gas koken. Dokter, tandarts en apotheek waren vlak in de buurt , er was 'n tram en waterleiding, telefoon enz. enz. Terwijl we in Azenray nog zaten met onze kaarsen, petroleumlampen, petroleumstellen, onze pomp, geen straatverlichting enz. enz. Wij bleven voor alsnog een achtergebleven gebied. 't Nieuwe zou er wel komen, maar daar zouden nog jaren en jaren overheen gaan. Ik kan mijn moeder achteraf wel begrijpen en zo heeft ze dan toch eindelijk na vele jaren mijn vader kunnen overhalen om uit Azenraay te vertrekken, hoe node hij dat ook deed. Werd voor ons ook steeds moeilijker en vooral voor mij, want ik moest in verband met vaders-dieet geregeld even naar Roermond op en neer fietsen om iets te gaan halen waar hij toevallig zin in had. Het ''eentonige dieet stond hen steeds weer tegen en wij waren dan ook al blij als hij eens trek had in iets wat hij mocht eten, doch dat in Azenraay niet te koop was, b.v. rookvlees of iets dergelijks. Gezien echter in de dienstovereenkomst van mijn vader stond dat hij niet buiten de gemeente mocht wonen heeft hij een huis laten bouwen in de Molenstraat 41 te Maasniel ca. 100 meter verwijderd van de grens van Roermond. Voor bouwtekening en toezicht heeft hij architect Klarenbeek uit Roermond genomen en de aannemer Bouts uit Maasniel heeft de bouw aangenomen, in de zomer van 1924. In

31

Page 32: Bernard Antonius Johannes Lecluse

de zomer en najaar had hij nog avondlessen te geven voor landbouwonderwijs in Swalmen. Gezien mijn vader langzamerhand vermagerde en steeds ontzettend veel hoofdpijn had, vond mijn moeder het toch niet meer verantwoord, dat hij 's avonds laat nog alle over eenzame wegen reed en vroeg ze mij of ik niet met hem mee zou willen gaan met een of ander smoesje. Ik heb hem toen voorgesteld om 's avonds met hem mee te gaan, dan kon ik mijn huiswerk maken terwijl hij zijn cursus gaf en zodoende ben ik de laatste maanden met hem meegefietst. We reden dan via Maalbroek door de bossen naar de Boukoul en vandaar door de bossen naar Swalmen. Terug reden we meestal over de Broekhin, Maasniel en vandaar over de Spik naar huis. lk was inmiddels 14 jaar en we hadden zo 's avonds onderweg in 't donker samen heel fijne gesprekken. Hij had ook steeds van die mooie gezegden zoals "je moet altijd je tong twee maal in je mond ronddraaien, alvorens antwoord te geven" of "geduld is 't halve werk" of "bezint eer ge begint" of "Wie ’t kleine niet eert is 't grote niet weert" en nog zovele andere ware gezegden. Woensdag 12 november 1924 was hij 's middags naar 't in aanbouw zijnde huis gegaan om een en ander met aannemer en architect te regelen. Dat huis eiste ook veel tijd en zorgen; hij wist niet, dat dat z'n laatste fietstocht zou zijn. Toen hij rond half zes thuiskwam ging hij in de huiskamer in een armstoel vlak bij de kolenkachel zitten en zei, dat hij 't koud had en verder dat hij erge hoofdpijn alsmede pijn in z'n buik. Tegen acht uur is hij te bed gegaan zonder ook maar iets te hebben gebruikt. Donderdag 13 november is hij te bed gebleven en heeft moeder de dokter in Roermond laten waarschuwen. Nadat de dokter vader had onderzocht zei deze, dat 't niet zo best met vader uitzag omdat z'n ingewanden niet meer werkten en dat hij zaterdag zou terug komen. Vader begreep schijnbaar ook wel, dat hij er zeer slecht aan toe was en heeft zaterdagmorgen mijn beide oudere broers een voor één bij hem verzocht en met hen 't een en ander bepraat. Wat, kan ik me nu wel indenken. Mij als 14 jarige, heeft hij niet meer toegesproken,

32

Page 33: Bernard Antonius Johannes Lecluse

waarschijnlijk heeft hij me dat verdriet willen besparen. M'n moeder heeft ook direct grootvader, de vader van vader, van een en ander verwittigd die toen verbleef in het bejaardenhuis "de Wijngaard" te Thorn. De dokter is zaterdag nog gekomen, maar zag direct dat er voor vader geen redding meer bestond omdat z'n gehele lichaam was ondermijnd door z'n ziekte (diabetici), waarvoor toen in die tijd nog geen insuline bestond. Om de ondragelijke pijn welke m'n vader leed enigszins te ledigen heeft hij hem toen maar 'n morfine spuitje gegeven. Zondagmorgen vroeg kwam grootvader en even later kwam rector Peeters om vader van de laatste sacramenten der stervenden te voorzien. Deze heeft toen ook de gebeden der stervenden voorgebeden. De gehele familie stond rond z'n sterfbed met grootvader aan het voeteneinde. Vader wist, dat z'n tijd gekomen was. Praten kon hij niet meer en hij gaf ons allen nog één voor één de hand en keek ons droevig en weemoedig aan. Die blik vergeet ik nooit. Hij ging daarna snel achteruit, amper 46 jaar, hetgeen eigenlijk de fleur van z'n leven had moeten zijn, gaf hij omstreeks 12 uur 's middags 'n snik, z'n ogen braken en sloten zich voor eeuwig. Onbeschrijfelijk hoe pijn me dat toen deed. Nadien hebben 2 nonnen vader afgelegd en opgebaard beneden in de achterkamer; z'n hoofdkussen en lakens hadden ze versierd met stukjes conifeer en rode roosjes. Zo is hij dan toch tot z'n dood in Azenraay gebleven, in het dorpje, dat hij eigenlijk niet had willen verlaten. Dat hem in en in lief was en waar hij 21 jaar vol energie had gewerkt, waar hij alle mensen kende en waarvan hij er zo velen dikwijls met raad en daad had bijgestaan in prettige en in moeilijke tijden, in vrede en oorlog (1914-1918). Waar hij de jeugd had opgevoed en opgeleid en waarvan er enkele het heel ver hadden gebracht in de maatschappij en waar hij dan ook trots op was. Woensdag 19 november 1924 , 't was 'n witte winterse dag, hebben ze vader onder grote belangstelling van dorpsgenoten en vele vrienden en kennissen uit de verre omtrek, ter ruste gelegd op het rooms katholieke kerkhof te Maasniel (in Azenraay was er toen nog geen). Velen konden hun

33

Page 34: Bernard Antonius Johannes Lecluse

emoties niet bedwingen. Toen men de kist langzaam in het graf liet zinken klepperde in de verte 't klokje van het kerkje van z'n dorpje Azenraay als laatste groet.Terwijl we daar afscheid namen vielen dikke sneeuwvlokken en ze verdoezelden z'n pas gedolven graf. Dit graf ligt en nu, na zestig jaar, nog steeds en zal er blijven tot 't jaar 2023 in volgende eeuw. Nog steeds praten de mensen uit die streek vol respect over hem en leeft hij nog steeds in hun herinnering voort. Nog verleden week 6 december 1984 kreeg ik in Weert 'n kraut toegestopt, waarin zijn naam nog gememoreerd werd als stichter van 't Rectoraat Azenraay (zie volgend blad), welk werk hij in 2 jaar tijd, met vereende krachten, financieel wist te realiseren. Z'n naam zal als 'n parel genoemd blijven in de kroniek van Azenraay.

Voor z'n vrouw en kinderen was 't 'n goede man en een zorgzame vader, die tot 't einde zijner krachten, voor ons allen heeft gesjouwd en gewerkt, die ons een keurige opvoeding en opleiding verstrekte. We hebben hem heel lang erg gemist en hij is in onze gedachten blijven voortleven.

Ik ben blij, dat ik dit alles in dit schrijven nog even heb kunnen memoreren in dankbare herinnering aan die goede en fijne man, die ik VADER heb mogen noemen, doch die ik slechts zo kort heb moge bezitten.ArmandEindhoven, 12 december 1984.

Ongewijzigd via internet te lezen :

http://www.maasniel.nl/ML/ML.php?from=1

34

Page 35: Bernard Antonius Johannes Lecluse

Heb aangepast omdat mijn vader met zijn typemachine het verhaal heeft neergezet als onderdeel van de twee boeken en toen niet de mogelijkheid had dit zoals nu via een tekstverwerker met een PC te kunnen corrigeren.

Vader, mijn diepste bewondering voor het vastleggen van uw herinneringen en ook dank dat ik uw zoon mag zijn.

Paul Lecluse

24 aug. 2014

35