algemeen management kennis - Copy

Click here to load reader

  • date post

    30-Jun-2015
  • Category

    Documents

  • view

    627
  • download

    5

Embed Size (px)

Transcript of algemeen management kennis - Copy

Inhoud Hoofdstuk 1: Organisaties Inleiding Organisaties zijn voortdurend onderhevig aan invloeden van de omgeving, de maatschappij is namelijk altijd in beweging. 1.1 Organisatie, bedrijf en onderneming Organisatie: Groep van mensen die samenwerkt om een bepaald doel te bereiken. Kenmerken: y Het gaat om meerdere mensen (2 of meer) y Zij hebben eenzelfde doel y Zij maken afspraken over de taakverdeling Non-profitorganisatie: organisatie dat in een maatschappelijke behoeft e voorziet zonder winst na te streven (scholen, bibliotheken, politieke partijen, musea). Vaak overheidsbedrijven, maar ook particuliere organisaties zoals Stichting Natuurmonumenten en Greenpeace Bedrijf: Een organisatie die een bepaald product en/of die nst voortbrengt en daarmee voorziet in een maatschappelijke behoefte. Als de behoefte wegvalt, valt de bestaansreden van het bedrijf weg en komt de continuteit in gevaar. Onderneming (profitorganisatie): Een organisagtie dat het maken van winst als doe lstelling heeft. Alle bedrijven zijn organisaties en alle ondernemingen zijn bedrijven, zij overlappen elkaar, andersom niet! Organisatie-Bedrijf-Onderneming

1.2 Omgevingsfactoren Organisaties zijn voortdurend onderhevig aan invloeden van binnen en van buiten en ook de organisatie zelf kan invloed uitoefenen op de omgeving (b.v. uitbetalen van loon, maken van reclame, uitstoot afval, gebruik van energiebronnen, leveren van informatie) Drie niveaus: y Macro-omgevingsfactoren Externe factoren waarop de organisatie geen enkele invloed heeft. (politiek, opvattingen mensen over huwelijk en gezinsgrootte, klimatologische omstandigheden) y Meso-omgevingsfactoren Externe factoren waarop de organisatie enige invloed heeft. (relatie vakbonden, afspraken met leveranci ers/banken, en min of meer rekening houden met maatschappelijke opvattingen oer milieu en gezondheid) y Micro-omgevingsfactoren Interne factoren die voor een organisatie in belangrijke mate te benvloeden zijn. (b.v. inrichten organisatie in functies en afde lingen, personeelsbeleid en marketingbeleid) 1.3 Omgevingsontwikkelingen

Organisaties zijn open systemen , dwz: ze hebben veel verbindingen met hun omgeving, zijn daar voor hun voortbestaan ook afhankelijk van. Ontwikkelingen in de indirecte omgeving ku nnen een grote invloed uitoefenen. Op deze invloeden heeft het management niet of nauwelijks invloed. Voorbeelden: y Technologische ontwikkelingen Robotisering, informatietechnologie, innovatie. B.v. na de introductie van de DvD koopt niemand meer een video recorder. Als bedrijf moet je deze ontwikkelingen bijhouden en zelf ook investeren in nieuwe ontwikkelingen.

y Economische ontwikkelingen Inflatie, rentepercentage en loonontwikkelingen, recessie. Ook door verbeterde telecommunicatie, vervoer, lagere lonen h eeft een bedrijf nu te maken met concurrentie wereldwijd. y Sociale ontwikkelingen Opleidingsniveau van mensen is flink gestegen, behoefte aan inspraak is hierdoor ook gestegen. Belanghebbenden spelen een grotere rol. Vroeger volstond het uitbetalen van loon, nu ook arbeidsomstandigheden, prettig werkklimaat, verlofmogelijkheden, deeltijdwerk, kinderopvang. Verder spelen ook gemeentevoorschriften en consumentenvoorkeuren een rol. y Maatschappelijke ontwikkelingen (Inter)nationale wetgeving: wetgeving op het g ebied van de inrichting van een bedrijf, de medezeggenschap, arbeidsomstandigheden, aansprakelijkheid voor producten, financile positie van een bedrijf kan wijzigen door belastingwetgeving en subsidieregelingen. Ook kan het ontstaan van een gemeenschappel ijke EU-markt voor een productiestimulans zorgen om geen winstkansen mis te lopen. Organisaties moeten de relaties met hun externe omgeving niet verwaarlozen: anders meer weerstand van vakbonen en consumenten. 1.4 Belanghebbenden van een organisatie

Directe omgeving: direct betrokken belanghebbenden (stakeholders) Indirecte omgeving: ontwikkelingen buiten de organisatie die de organisatie niet of nauwelijks kan benvloeden. Onderscheid tussen belanghebbenden en publieksgroepen: Belanghebbenden: alle mensen die bijdragen aan de activiteiten die de organisatie verricht met een bevredigende beloning voor deze bijdrage (salaris maar b.v. ook een bijdrage aan een schoner milieu). Onderscheid is daarbij interne en externe stakeholders zoals b.v.: Afnemers: oefenen vraag uit naar de producten of diensten, de organisatie verleent haar bestaansrecht aan hen. Vergt flexibele organisatie: behoefte verandert voortdurend, de markt verandert.

Leveranciers: leveren goederen/diensten die de organisatie nodig heeft o m haar eigen producten/diensten te maken. Vermogensverschaffers: Bank, aandeelhouders en soms ook overheid. De organisatie heeft financile middelen nodig om te bestaan. Belangenorganisaties: Bijvoorbeeld: Werkgeversorganisaties: VNO-NCW, MKB-Nederland Werknemersorganisaties: FNV Consumentenorganisaties: Consumentenbond, ANWB Milieuorganisaties: Greenpeace Overheid: ministeries, provincie, gemeente en b.v. waterschap. Ziet toe op de naleving van regels die zij hebben uitgevaardigd, zoals b.v. milieueisen of aanvraag bouwvergunning. Medewerkers: Leveren arbeid die bijdragen aan het bereiken van de doelstelling van de organisatie, in ruil voor beloning: geld, aanzien, sociale contacten etc. Al deze belanghebbenden stellen voorwaarden en zijn soms tegenstr ijdig met elkaar (b.v. lak dat milieuvriendelijk moet zijn, maar minder slijtvast, en lijdt tot omzetdaling en dus verlies van banen). Soms kunnen belanghebbenden ook remmend werken (leveranciers die vertraagd leveren, nieuwe subsidieregels waarbij export naar bepaalde landen niet meer aantrekkelijk is). Door deze redenen kan soms het uiteindelijke doel van de organisatie niet bereikt worden en/of soms later op een niet-geplande manier. Publieksgroepen: alle groepen waarmee een organisatie te maken heeft, dus ook concurrenten. 1.1 Het transformatieproces

Een organisatie maakt een product met behulp van productiefactoren: y Arbeid: inspanning van mensen y Natuur: grondstoffen, energie y Kapitaal: machines, gebouwen Eventueel 4e productiefactor: ondernemerschap: het combineren van arbeid, natuur en kapitaal en het dragen van risico. Nodig: goed inzicht in de markt, gevoel voor verkoop, goede kennis van het product. Arbeid en natuur zijn oorspronkelijke productiefactoren. Kapitaa l is een afgeleide productiefactor: is vervaardigd met behulp van arbeid en natuur. Verdeling organisatie in productieproces: y Arbeidsintensief (zorgsector) y Kapitaalintensief (machinefabriek met veel robots) y Informatie-intensief (banken en verzekeringsmaat schappijen) Transformatieproces: Het omvormen (transformeren) van de input (productiefactoren) tot de output (product/dienst) Schematisch: input (productiefactoren) naar transformatie (primaire/secondaire activiteiten) naar output (product/dienst) Primaire proces: alle activiteiten die direct te maken hebben met de input, transformatie en output van de organisatie (productiemedewerker, magazijnmedewerker, verkoop) Secondair proces: boekhouding, personeelszaken. Indeling organisaties naar primair proces: y Technisch-productieve organisaties (industrie) y Commercile dienstverlening (reclamebureaus, banken, verzekeraars) y Niet-commercile dienstverlening en ambtelijke organisaties (ziekenhuizen/overheidsinstellingen. y Onderwijsorganisaties (scholen/univesiteiten)

y Specialistisch professionele organisaties (ingenieursbureaus) y Winkelbedrijf (detailhandel) Hoofdstuk 2: Plaatsbepaling van organisaties Inleiding 2.1 De sectoren van bedrijvigheid Indeling naar sector van de economie waarbij product/dienst centra al staat: y Primaire sector (oerproducenten) Agrarisch : akkerbouwers, veetelers, bloementelers. Zij maken hun producten met behulp van de natuur. Extractieve bedrijven: mijnbouw/visserij. Zij halen hun grondstoffen uit de natuur. y Secondaire sector (industrie) Hier worden (delen van) producten gemaakt) y Tertiaire sector (commercile dienstverlening en handel) Dienstverlenende bedrijven met als doen winst. Vervoersbedrijven, banken, verzekingsmaatschappijen en detailhandel. y Quartaire sector Niet-commercile dienstverlening. Onderwijs, gezondheidszorg, politie. 2.2 Concrete en abstracte markten Vraag en aanbod: Op de markt komt een prijs door vraag en aanbod tot stand. Markten onderscheiden zich door: y Plaats y Aanwezigheid van goederen y Aanwezigheid van gebruikers y Soms door prijsvorming op basis van loven en bieden Concrete markt: consumenten markt (weekmarkt, dagmarkt, veiling): Kenmerken: y Goederen zijn daadwerkelijk aanwezig y Koper en verkoper handelen direct met elkaar y Plaats van handeling is geografis ch bepaald

y Na betaling volgt direct levering Abstracte markt: Goederen zijn niet fysiek aanwezig. Samenhangend geheel van vraag en aanbod van bepaalde producten/diensten (koffiemarkt, consumentenmarkt, industrile markt, huizenmarkt, effectenbeurs, graanb eurs). De consumentenmarkt: abstracte markt waar vraag en aanbod naar en van consumentengoederen bij elkaar komen. Industrile markt: abstracte markt, waarop industrien/ondernemingen goederen kopen van andere industrin/ondernemingen (BtoB). 2.3 De bedrijfskolom Bedrijfskolom (bedrijfsketen): Schematische weergave van de diverse bedrijven die een rol spelen in de verschillende fasen die een product doorloopt, op weg van oerproducent naar consument. Vanaf de grondstof tot levering van het eindproduct aan de laatste afnemer (consument/bedrijf). Voor afbeelding: zie boek blz Tussen de schakels vinden we markten: door deze markten wordt het product voortgestuwd door de bedrijfskolom. De goederenstroom loopt van boven naar beneden, de geldstroom loopt in omgekeerde richting. Bedrijfstak: geheel van ondernemingen dat eenzelfde taak in het voortstuwingsproces heeft. (bedrijfstak van bakkers of van molenaars). Een bedrijfskolom wordt ook wel een schematisch overzicht van een reeks elkaar opvolgende bedrijfstakken genoemd. De hand