4 Visueel Perceptie Onderzoek bij kinderen en …113 4 Visueel Perceptie Onderzoek bij kinderen en...

of 48/48
113 4 Visueel Perceptie Onderzoek bij kinderen en jongeren met oculaire slechtziendheid 4.1 Introductie metingen één en twee: Visueel Perceptie Onderzoek Dit hoofdstuk richt zich in het tweede classificatieperspectief “functies van de visuele waarneming” van het Visueel Profiel op b2 “visuele perceptie en visuomotoriek”. Het geeft antwoord op deelvraag 1: Is er sprake van een minder goed functioneren (niveau en tijd) van kinderen en jongeren met oculaire slechtziendheid op kijktaken in vergelijking tot normaal zien- de kinderen? Kijktaken zijn hierbij neuropsychologische tests gericht op hogere visuele functies. In dit onderzoek omvat dit op het gebied van visuele perceptie de functies objectherkenning en ruimte- lijke relaties en op het gebied van visuomotoriek de oog-handcoördinatie. In dit onderzoek dui- den we de neuropsychologische tests gericht op objectherkenning en ruimtelijke relaties aan als visuele perceptie tests (in engere zin). Deze tests zijn geheel “motor-free” of doen nauwelijks een beroep op de visuomotoriek. De neuropsychologische test gericht op visuomotoriek worden als visuomotorische tests aangeduid. Het functioneren betreft de score op deze tests en de tijd die daarvoor nodig is. Bij deze deelvraag behoren de volgende hypothesen: De experimentele groep kinderen en jongeren met oculaire slechtziendheid behaalt significant lagere scores op visuele perceptie tests in vergelijking met de controlegroep normaal ziende leeftijdgenoten (hypothese 1). De experimentele groep kinderen en jongeren met oculaire slechtziendheid behaalt significant lagere scores op visuomotorische tests in vergelijking met de controlegroep normaal ziende leeftijdgenoten (hypothese 2). De experimentele groep kinderen en jongeren met oculaire slechtziendheid heeft significant meer tijd nodig op visuele perceptie tests in vergelijking met de controlegroep normaal ziende leeftijdgenoten (hypothese 3). De experimentele groep kinderen en jongeren met oculaire slechtziendheid heeft significant meer tijd nodig op visuomotorische tests in vergelijking met de controlegroep normaal ziende leeftijdgenoten (hypothese 4). In het theoretische model (figuur 3.1) is dit meting één en meting twee op de variabele b2, met een aanvullende meting op b1 (zie paragraaf 3.5). Meting van deze hogere visuele func- ties b2 noemen we Visueel Perceptie Onderzoek. Dit ter onderscheid van de meting van lagere visuele functies b1, dat Visueel Functie Onderzoek genoemd wordt.
  • date post

    13-Jul-2020
  • Category

    Documents

  • view

    2
  • download

    0

Embed Size (px)

Transcript of 4 Visueel Perceptie Onderzoek bij kinderen en …113 4 Visueel Perceptie Onderzoek bij kinderen en...

  • 113

    4 Visueel Perceptie Onderzoek bij kinderen en jongeren

    met oculaire slechtziendheid

    4.1 Introductie metingen één en twee: Visueel Perceptie Onderzoek

    Dit hoofdstuk richt zich in het tweede classificatieperspectief “functies van de visuele

    waarneming” van het Visueel Profiel op b2 “visuele perceptie en visuomotoriek”. Het geeft

    antwoord op deelvraag 1: Is er sprake van een minder goed functioneren (niveau en tijd) van

    kinderen en jongeren met oculaire slechtziendheid op kijktaken in vergelijking tot normaal zien-

    de kinderen?

    Kijktaken zijn hierbij neuropsychologische tests gericht op hogere visuele functies. In dit

    onderzoek omvat dit op het gebied van visuele perceptie de functies objectherkenning en ruimte-

    lijke relaties en op het gebied van visuomotoriek de oog-handcoördinatie. In dit onderzoek dui-

    den we de neuropsychologische tests gericht op objectherkenning en ruimtelijke relaties aan als

    visuele perceptie tests (in engere zin). Deze tests zijn geheel “motor-free” of doen nauwelijks

    een beroep op de visuomotoriek. De neuropsychologische test gericht op visuomotoriek worden

    als visuomotorische tests aangeduid. Het functioneren betreft de score op deze tests en de tijd die

    daarvoor nodig is.

    Bij deze deelvraag behoren de volgende hypothesen:

    De experimentele groep kinderen en jongeren met oculaire slechtziendheid behaalt significant

    lagere scores op visuele perceptie tests in vergelijking met de controlegroep normaal ziende

    leeftijdgenoten (hypothese 1).

    De experimentele groep kinderen en jongeren met oculaire slechtziendheid behaalt significant

    lagere scores op visuomotorische tests in vergelijking met de controlegroep normaal ziende

    leeftijdgenoten (hypothese 2).

    De experimentele groep kinderen en jongeren met oculaire slechtziendheid heeft significant

    meer tijd nodig op visuele perceptie tests in vergelijking met de controlegroep normaal ziende

    leeftijdgenoten (hypothese 3).

    De experimentele groep kinderen en jongeren met oculaire slechtziendheid heeft significant

    meer tijd nodig op visuomotorische tests in vergelijking met de controlegroep normaal ziende

    leeftijdgenoten (hypothese 4).

    In het theoretische model (figuur 3.1) is dit meting één en meting twee op de variabele

    b2, met een aanvullende meting op b1 (zie paragraaf 3.5). Meting van deze hogere visuele func-

    ties b2 noemen we Visueel Perceptie Onderzoek. Dit ter onderscheid van de meting van lagere

    visuele functies b1, dat Visueel Functie Onderzoek genoemd wordt.

  • 114

    4.2 Meting één: hogere visuele functies objectherkenning en ruimtelijke relaties zonder tijdsdruk (VPO 1)

    4.2.1 Methode VPO 1

    Voor het toetsen van bovengenoemde hypothesen wordt als onderzoeksdesign een ver-

    gelijking gemaakt tussen de experimentele groep met een controlegroep in het functioneren,

    scores en tijden, op neuropsychologische tests gericht op hogere visuele functies. In de onder-

    zoeksopzet is daarbij een breed spectrum aan neuropsychologische tests betrokken, welke

    gericht zijn op visuele perceptuele-cognitieve en visuomotorische functies. Voor de eerste

    meting (VPO 1) is gekozen voor visuele objectherkenning inclusief gezichtsherkenning en

    voor visueel ruimtelijke tests.

    Als proefpersonen in VPO 1 hebben de 45 kinderen en jongeren van de experimentele

    groep en de 45 gematchte leeftijdgenoten van de controlegroep gefungeerd, zoals deze be-

    schreven zijn in hoofdstuk 3. De experimentele groep is daarin getypeerd als normaal begaaf-

    de kinderen en jongeren in de leeftijd van 6 t/m 18 jaar met oculaire slechtziendheid geba-

    seerd op diverse oogheelkundige diagnoses, waarbij de ernst van de slechtziendheid geklas-

    seerd kan worden van zeer ernstig tot en met bijna normaal ziend (zie paragraaf 3.6).

    Als instrumenten voor de meting van VPO 1 zijn de hieronder beschreven tests geko-

    zen (zie paragraaf 4.2.1.1 t/m 4.2.1.7). Selectiecriteria voor de keuze van tests vormden a)

    voldoende zichtbaarheid voor deze doelgroep personen met oculaire slechtziendheid (zwart-

    wit uitvoering / geen erg kleine details), b) specifieke gerichtheid op één van de bovenge-

    noemde hogere visuele functies, c) validiteit en betrouwbaarheid van de test, d) beschikbaar-

    heid van (Nederlandse) normgegevens voor de leeftijdsrange van 6 tot 20 jaar en e) een breed

    spectrum van hogere visuele functies voor de gehele testbatterij. De combinatie van deze cri-

    teria was niet eenvoudig en vroeg om compromissen. Gekozen zijn de hieronder beschreven

    onderzoeksmiddelen in volgorde van voorkeur i.v.m. genoemde selectiecriteria. Voorafgaand

    aan de afname is in verband met de zichtbaarheid voor personen met slechtziendheid besloten

    om één test aan te passen (Luria-kaart 33).

    De begripsvaliditeit van deze tests bij gebruik bij deze experimentele groep met ocu-

    laire slechtziendheid is voorafgaande aan de hypothese toetsing nagegaan (zie paragraaf

    4.2.1.8). Daarna is de werkwijze beschreven in 4.2.1.9.

    4.2.1.1 Wisc-R doolhoven

    Deze subtest doolhoven is een onderdeel van de Wisc-R Nederlandstalige bewerking,

    voor de bepaling van het algemeen intelligentie niveau voor de populatie kinderen. Hierbij

    zijn normen beschikbaar in de leeftijd van 6 t/m 16 jaar. De Cotan beoordeling is goed / vol-

    doende (Evers et al., 2000). Als onderdeel van de intelligentie test is deze subtest gericht op

    het vermogen om vooruit te zien en het handelen te plannen. Deze subtest doet vooral een

    beroep op visueel-ruimtelijke vaardigheid, waarbij het visueel waarnemen van een patroon,

    visueel volgen van een paar lijnen te midden van andere lijnen en ruimtelijke oriëntatie aan de

    basis liggen van het oplossingsproces (Steene et al., 1986). Deze subtest kan daarom als een

    visueel perceptuele test met een visuomotorische component beschouwd worden. De visuele

    eigenschappen van deze subtest blijken in de klinische onderzoekspraktijk doorgaans vol-

    doende voor personen met een verminderde gezichtsscherpte om dit kijkend te kunnen doen

  • 115

    met compensatie door verkorting van de kijkafstand.

    De maximale ruwe score die op deze test behaald kan worden is 37. Na leeftijdscorrec-

    tie kunnen de ruwe subtestscores, voor de leeftijd tot en met 16 jaar, omgezet worden in ge-

    normaliseerde standaardscores (gemiddeld 10, SD 3 ). Bij doolhoven vormt de tijd die men

    nodig heeft een onderdeel voor de berekening van de genormeerde standaardscore en daarom is

    er bij deze test gekozen om de totaaltijd niet als afzonderlijke variabele in dit onderzoek te be-

    trekken.

    4.2.1.2 Facial Recognition Test

    Deze test van Benton et al. is voor bepaling van het niveau van perceptie van onbe-

    kende gezichten door matching van een frontale portretfoto met één of drie portretfoto’s van

    dezelfde persoon tussen zes antwoordalternatieven. De foto’s kunnen onderscheiden worden

    in drie groepen. De eerste groep foto’s (zes opgaven) zijn uitsluitend frontale gezichten. De

    tweede groep portretfoto’s zijn schuin van opzij gefotografeerd. De derde groep bestaat uit

    uitsluitend frontale foto’s, maar daarbij is de belichtingsrichting verschillend (Benton,

    Hamsher, Varney, & Spreen. 1983a en c). Per leeftijdsjaar van 6 tot 15 jaar zijn de gemiddel-

    de scores beschikbaar, gebaseerd op kleine groepen normaal intelligentie kinderen. Voor de

    leeftijd vanaf 16 jaar zijn er acht classificatiegebieden voor indeling van de ernst voor een op

    leeftijd en opleiding gecorrigeerde score. Er is geen Cotan beoordeling. Deze test is veelvuldig

    gebruikt voor meting van gezichtsherkenning van onbekende gezichten bij mensen met her-

    senbeschadiging (Benton, 1983; Lezak, 1983; Spreen & Strauss, 1991). Bouma et al. beoorde-

    len de test als “goed bruikbaar” met de aanbeveling voor volledige afname en zij hebben geen

    grote bezwaren tegen het gebruik van de Amerikaanse normen.

    De visuele eigenschappen van de portretfoto’s (veel details en veel contrastnuances)

    doen veronderstellen dat de prestaties beïnvloed kunnen worden door gezichtsscherpte en con-

    trastgevoeligheid. Of dat echter zo is hangt niet alleen af van de kwaliteit van de visuele sti-

    muli van de test, maar ook van de wijze waarop de onderzochte zoekt naar de oplossing (kijk-

    en oplossingsstrategie). In onze onderzoeken in de revalidatiepraktijk blijkt dat veel slecht-

    ziende jongeren de oplossing vinden door voornamelijk te kijken naar de voor hen wel zicht-

    bare deelaspecten, bijvoorbeeld een hoog contrast tussen de haargrens en het voorhoofd. Dan

    geeft uitsluitend de lijn van de haargrens de informatie voor de keuze, zonder dat verder geke-

    ken wordt naar de vele nuances in laag contrast in het gezicht zelf.

    Bouma et al. geven aan dat lage scores bij testen met complexe visuele stimuli (zoals

    de FRT) het gevolg kunnen zijn van lagere visuele stoornissen zoals gezichtsvelduitvallen. Bij

    lagere visuele stoornissen mogen lage scores daarom niet geïnterpreteerd worden als “stoornis

    in de hogere visuele functie gezichtsherkenning”. De onderzoeksbevindingen naar de relatie

    tussen visuele velddefecten en testprestaties op de Facial Recognition Test bij mensen met

    hersenbeschadiging zijn echter niet eenduidig (Bouma et al. 1998). Er is eveneens onderzoek

    gedaan naar gezichtsherkenning bij mensen met stoornissen in de lagere visuele functies zon-

    der hersenbeschadiging. In paragraaf 2.1.2. is het onderzoek van Bailey et al. genoemd, 1990.

    Onderzoek van Kempen et al. toont aan dat personen met een gezichtsscherpte voor nabij van

    0.4 of lager op de short form van de FRT (en eveneens op Visual Form Discrimination van

    Benton) significant lager scoren dan mensen met normale gezichtsscherpte in het nabij zien

    (Kempen, Kritchevsky & Feldman, 1994). In genoemd onderzoek is de keuze gemaakt voor

    lettergrootte Jaeger als “maat” voor “binoculair nabij zien”. De experimentele groep “perso-

  • 116

    nen met slechtziendheid” heeft J5 of meer, wat overeenkomt met een gezichtsscherpte van

    20/50 of lager. De controle groep heeft J1. Aangegeven is dat alleen personen zijn toegelaten

    tot de experimentele groep als de verminderde nabij gezichtsscherpte een gevolg is van refrac-

    tie fouten en niet van andere oculaire pathologie. Opgemerkt moet worden dat refractie fouten

    zonder oogheelkundige pathologie doorgaans m.b.v. lenzen verbeterd kunnen worden en dat

    daarmee onduidelijk is in hoeverre de experimentele groep bij dit onderzoek uit slechtziende

    personen bestaan heeft! Men beschrijft de experimentele groep wel met de terminologie “Vi-

    sual Impairment”. Wel kan gesteld worden dat met deze keuze voor deze experimentele groep

    de mogelijke invloed van andere lagere visuele stoornissen dan gezichtsscherpte vrijwel is

    uitgesloten. Daardoor blijft overeind dat dit onderzoek aantoont dat een verminderde gezichts-

    scherpte kan leiden tot een lagere prestatie op tests voor hogere visuele functies, zonder dat

    daarmee uitspraken over de hoge visuele functies gedaan kunnen worden. Deze gegevens on-

    dersteunen de grondregel bij Visueel Perceptie Onderzoek dat pas geconcludeerd kan worden

    tot stoornissen in de visuele perceptie als er sprake is van significant lage scores, welke niet

    toegeschreven kunnen worden aan stoornissen in lagere visuele functies, noch aan een lagere

    intelligentie en bij taken met een visuomotorische component eveneens niet aan stoornissen in

    de met betrekking tot motorische functies.

    Voor het hier beschreven onderzoek is gekozen voor de volledige afname (long

    form) met 54 opgaven. De maximale ruwe score die hierop behaald kan worden is 54. Voor de

    leeftijden binnen dit onderzoek kunnen de ruwe scores gebruikt worden zonder correcties voor

    leeftijden en/of opleiding.

    4.2.1.3 Judgment of Line Orientation

    Deze test van Benton et al. (1983b) is voor bepaling van de visueel-ruimtelijke percep-

    tie door schatting van de hoek van een lijn en identificatie van een lijn onder gelijke hoek in

    een waaier van11 lijnen. Per leeftijdsjaar van 7 tot 15 jaar zijn de gemiddelde scores en stan-

    daarddeviaties beschikbaar voor zowel jongens als meisjes, gebaseerd op kleine groepen nor-

    maal intelligente kinderen. Voor de leeftijd van 16 jaar en ouder zijn er acht classificatiege-

    bieden voor indeling van de ernst gebaseerd op een voor leeftijd en sekse gecorrigeerde score.

    Er blijken sekse verschillen te zijn voor alle leeftijden (Benton et al. 1983a). Deze test is veel-

    vuldig gebruikt voor meting van het vermogen tot het schatten van richtingen bij mensen met

    hersenbeschadiging (Lezak, 1983). Uit hetzelfde bovengenoemd onderzoek (Kempen et al,

    1994) blijkt een lage gezichtsscherpte bij deze test niet van invloed. Bouma noemt de be-

    trouwbaarheid bevredigend, maar acht de normen niet geheel bevredigend, waarmee vooral

    kritiek geleverd wordt op de wijze waarop de mate van correctie van de ruwe scores op leef-

    tijd, sekse en opleiding bepaald is (Bouma et al. 1998). Er zijn twee alternatieve vormen, wel-

    ke dezelfde 30 opgaven bevatten, maar in een andere volgorde. Gekozen is in dit onderzoek

    voor vorm H. De maximale ruwe score is 30. Voor de leeftijden binnen dit onderzoek kunnen

    de ruwe scores gebruikt worden zonder correcties voor leeftijden en/of sekse.

  • 117

    4.2.1.4 Test of Visual-Perceptual Skills (non-motor)

    Deze test van Gardner is gericht op meting van de sterke en zwakke kanten van de vi-

    suele perceptie van kinderen zonder dat een beroep gedaan wordt op de motoriek. Visuele

    perceptie wordt daarbij gedefinieerd als het vermogen om betekenis te geven aan, interpretatie

    van datgene wat gezien wordt. Daarbij wordt verwezen naar de definitie van Buktenica uit

    1968, waarbij aangegeven wordt dat visuele perceptie “...includes recognition, insight, and

    interpretation at the higher levels of the central nervous system of what is seen” (Gardner,

    1996). De TVPS omvat de volgende subtests: visuele discriminatie, visueel geheugen, visu-

    eel-ruimtelijke relaties, visuele vorm constantie, visueel opeenvolgende geheugen, visuele

    figuur-achtergrond waarneming en visuele nabijheid (closure). Bij alle subtests wordt gestart

    met een oefenopgave en daarna volgen 16 opgaven in oplopende moeilijkheidsgraad. Normen

    zijn beschikbaar voor de leeftijdsgroep van 4 jaar en 0 maanden tot en met 12 jaar en 11

    maanden. Aangegeven wordt dat verwacht wordt dat voor de scoring bij kinderen van 13 jaar

    en ouder de normen van 12 jaar gebruikt mogen worden (Gardner 1988a). Opgemerkt moet

    worden dat de betrouwbaarheid bij “tieners” echter tendeert naar lagere waarden, dan in de

    leeftijden 5 t/m 9 jaar. Bovendien is er in 1992 een “Upper Level” versie voor de leeftijds-

    groepen 12 t/m 18 jaar verschenen, waarbij de normen per leeftijd verschillen.

    Op basis hiervan is besloten dat de normen van 12 jaar in dit onderzoek niet voor de

    leeftijden daarboven gebruikt worden. Omdat verwacht werd dat slechtziende kinderen en

    jongeren matiger presteren op deze test en omdat voor de hele leeftijdsrange in het onderzoek

    de bevindingen worden vergeleken is er voor gekozen om voor alle leeftijden de gewone ver-

    sie voor jongere kinderen te gebruiken. Dat maakt wel dat gecontroleerd moet worden op pla-

    fondeffect voor de leeftijden van 13 jaar en ouder. Bij de afname zijn ook de totaaltijden ge-

    noteerd. Als er sprake is van plafondeffect, dan kan de totaaltijd beschouwd worden als een

    maat voor de moeilijkheid van deze test voor de onderzochte. Een voorwaarde om totaaltijden

    te kunnen vergelijken is echter de afname van alle opgaven per subtest.

    Bij proefafname van de TVPS bij slechtziende kinderen bleek dat sommige slecht-

    ziende kinderen aan één oefenopgave niet genoeg leken te hebben. Enkele kinderen bleken

    pas na enkele opgaven “op het goede spoor” te zitten en moeilijke opgaven goed te kunnen

    doen. Handhaving van de afbreekregel zou in dergelijke gevallen er toe leiden dat deze kin-

    deren een zeer lage score krijgen, terwijl zij wel in staat zijn om moeilijke opgaven goed te

    beantwoorden. Dat komt de betrouwbaarheid van de test bij deze doelgroep niet ten goede.

    Daarom en i.v.m. de totaaltijden is er voor gekozen om de afbreekregel niet te handhaven bij

    dit onderzoek en elke subtest in zijn geheel af te nemen. Op deze wijze kunnen de ruwe scores

    van de totaalafname vergeleken worden. Bovendien kan altijd achteraf de afbreekregel in de

    bepaling van de gewogen score gehanteerd worden voor de leeftijden waarvoor normen be-

    schikbaar zijn. Nadeel van deze alternatieve afname is dat bij jonge kinderen er meer opgaven

    afgenomen worden wat meer belastend kan zijn en het kan maken dat jonge kinderen verhou-

    dingsgewijs veel te moeilijke opgaven krijgen voorgelegd.

    De maximale ruwe score bij alle subtests is 16. Voor de leeftijden vanaf 4 t/m 12 jaar

    kunnen tevens, maar dan met het in acht nemen van de afbreekregels, gewogen scores bepaald

    worden: gemiddelde10, SD 3, maximum 19. De gewogen scores van de test als geheel kunnen

    gebundeld worden in een “perceptual quotient” (Gemiddelde 100, SD 15).

    Na de proefafname in dit onderzoek is er in 1996 een nieuwe versie van de TVPS ver-

    schenen, waarbij bij diverse figuren de lijndikte is teruggebracht, diverse opgaven zijn ver-

  • 118

    vangen en nieuwe zijn toegevoegd (Gardner, 1996). Soms is bovendien de volgorde van de

    opgaven veranderd. Omdat al ervaring was opgedaan met de versie van 1991 is er niet voor

    gekozen om de nieuwe versie te gebruiken.

    4.2.1.5 Closure Faces Test

    In deze test van Mooney worden wit-zwart tekeningen van gezichten voorgelegd aan

    de onderzochte. De tekeningen geven in wit de lichte delen van een gezicht weer en de scha-

    duwen zijn zwart. Hierdoor vormen deze tekeningen voor de onderzochte een “gestalt com-

    pletion” taak (Lezak, 1983). Gekozen is voor Mooney Faces Lansdell‘s Revision. Dit zijn 40

    tekeningen, waarbij de onderzochte persoon aan moet geven of de tekening een meisje, jon-

    gen, vrouw, man, oma of opa voor moet stellen. Bij 12 tekeningen is slechts één alternatief

    goed, bij de overige 28 opgaven mogen twee alternatieven beide als een goede score worden

    beoordeeld. De maximumscore is hiermee 40. Er zijn geen gegevens over betrouwbaarheid,

    validiteit. Ook zijn er nauwelijks recente normgegevens beschikbaar: Temple noemt een ge-

    middelde score (vermoedelijk voor de doelgroep voor volwassenen) van 34,8 bij een SD van

    2,5 (1997).

    Het argument om in dit onderzoek deze tests naast de Facial Recognition Test te ge-

    bruiken, is dat verondersteld mag worden dat de stimuli van deze tests in vergelijking met de

    FRT minder afhankelijk zijn van stoornissen in contrastgevoeligheid en gezichtsscherpte!

    4.2.1.6 Higher visual functions - intellectual operations in space, Luria Card 33

    In deze test van Luria moet de proefpersoon een cirkel of een punt plaatsen in een pa-

    rallellogram, na “mentale rotatie” van het voorbeeld. De mentale rotatie is nodig omdat in

    diverse opgaven de brontekening in verschillende sterkte geroteerd is. De mate van rotatie is

    steeds duidelijk doordat de oorspronkelijke basislijn verdikt is weergegeven. Daarbij is er een

    keuze uit twee verschillende parallellogrammen en dus een keuze uit acht alternatieve hoeken

    (Christensen, 1983, 1984 en 1985). Dit is een onderdeel uit de neuropsychologische onder-

    zoeksmethode van Luria, waarbij conclusies gebaseerd worden uit de totaalafname en niet uit

    één onderdeel. Desondanks is er voor gekozen om dit onderdeel hierbij op te nemen. De ar-

    gumentatie daarvoor is dat deze “kaart 33” een sterk beroep doet op het vermogen tot omgaan

    met visueel ruimtelijke verhoudingen en omdat verondersteld wordt dat met deze vorm van

    mentale rotatie “wiskundig zuiver” de moeilijkheidsgraad opgebouwd kan worden.

    De originele kaart bevat echter slechts enkele opgaven en bovendien zijn deze stimuli

    te klein voor gebruik bij mensen met een verminderde gezichtsscherpte. Daarom is het onder-

    liggende concept uitgewerkt tot een versie met grotere figuren (ruim twee cm hoog), dikkere

    lijnen, slechts vier opgaven per blad en een oplopende moeilijkheidsgraad, zonder dat er een

    logische voorspelbaarheid in de antwoorden zit. Uitgaande van een parallellogram met twee

    hoeken van 60 en twee van 120 en een mentale rotatie van de basislijn in stappen van 30

    zijn er vier tot de derde macht mogelijkheden. Deze 64 mogelijkheden zijn alle uitgewerkt en

    gesplitst in twee gelijkwaardige versies van 32 opgaven (Luria Card 33, Looijestijn’s revisi-

    on). Deze test heeft slechts een beperkt visuomotorische component en kan voornamelijk als

    een visueel ruimtelijke perceptie test worden beschouwd. De maximale score op deze gerevi-

    seerde test is 32.

  • 119

    De test blijkt in dit onderzoek een duidelijke spreiding in scores en tijden op te leveren

    bij zowel de experimentele als de controle groep. De scatterplots geven daarbij de tendens dat

    toename van de leeftijd samen gaat met een hogere score en een kortere totaaltijd. Zie verder

    voor begripsvaliditeit paragraaf 4.2.2.

    4.2.1.7 Harense Lieveheersbeestjes Test

    Omdat de beschikbare tests voor de jongste deelnemers als te weinig speels zijn be-

    oordeeld en omdat de meeste (sub)tests gericht zijn op objectherkenning is er een locatietaak

    ontworpen: de Harense Lieveheersbeestjes Test. Bij deze visueel ruimtelijke tests moeten per

    opgave twee rechthoeken worden vergeleken waarin per rechthoek één tot vijf lieveheers-

    beestjes staan op gelijk of ongelijke locaties. De onderzochte moet daarbij bepalen of de lie-

    veheersbeestjes in de twee rechthoeken op eenzelfde positie staan of niet. Naast negen oefen-

    opgaven omvat deze test 42 toetsopgaven in een veronderstelde oplopende moeilijkheids-

    graad.

    4.2.1.8 Begripsvaliditeit van de instrumenten uit VPO 1 bij gebruik bij de experimentele groep

    Voorafgaand aan de databewerking voor toetsing van de hypothesen is nagegaan of de

    begripsvaliditeit van de gebruikte neuropsychologische test is aangetast door het gebruik bij per-

    sonen met oculaire slechtziendheid. De visuele eigenschappen van de stimuli kunnen immers

    maken dat de mate van slechtziendheid een groot effect heeft op de prestaties op deze tests.

    Berekend over de ruwe scores van de neuropsychologische tests uit VPO 1 bij de expe-

    rimentele groep zijn alle correlaties significant (zie tevens paragraaf 4.3.1.5 en tabel 4.18). Bij

    vrijwel alle correlaties is de berekende p-waarde onder ,01. Alleen bij de volgende correlaties is

    de p-waarde tussen ,01 en ,05: Luria Card met FRT r = ,27; CFT met JLO r = ,33; CFT met

    visual figure-ground r = ,32; FRT met visual memory r =,26; doolhoven met visual-sequential

    memory r = ,26; visual memory met visual figure-ground r = ,30 en ten slotte visual memory

    met visual form constancy waarbij r = ,35. Berekend over de controlegroep (N tussen 41 en 45)

    zijn alle correlaties op één na significant: niet significant is visual discrimination met FRT r =

    ,23. Significant met een p-waarde tussen ,01 en ,05 zijn FRT met visual-spatial relationships r =

    ,27 en FRT met visual-sequential memory r = ,34) en de overigen hebben een p-waarde ≤ ,01.

    Op grond hiervan kan geconcludeerd worden dat de samenhang tussen de gebruikte tests

    bij de experimentele groep niet afwijkt van de onderlinge samenhang bij de controlegroep. De

    onderlinge correlaties binnen alle gebruikte visuele perceptie testen geven geen reden om aantas-

    ting van de begripsvaliditeit te veronderstellen. Geconstateerd kan worden dat de gebruikte tests

    een convergente begripsvaliditeit hebben; alleen de tests m.b.t. gezichtsherkenning blijken zich

    in deze groep enigszins te onderscheiden. De voor dit onderzoek gemaakte revisie van Luria

    Card 33 blijkt een goede visueel ruimtelijke begripsvaliditeit te hebben: de correlaties tussen de

    ruwe scores van deze test met andere visueel ruimtelijke tests zijn allen significant (p = ,000)

    (zie tabel 4.1).

  • 120

    4.2.1.9 Werkwijze VPO 1

    Om de experimentele groep niet te veel te belasten en om de bereidheid om mee te

    doen zo groot mogelijk te maken is gekozen voor afname in de thuissituatie. Daarbij waren

    geen andere personen aanwezig. Vooraf is nadrukkelijk gevraagd de verlichting aan te passen

    aan de eigen lichtbehoefte voor dergelijke kijktaken. Alle afnames bij de experimentele groep

    zijn gedaan door de onderzoeker (PL). De afname bij de controlegroep was eveneens indivi-

    dueel en heeft plaats gevonden in een stille ruimte op de scholen. Enkele afnames hebben

    plaats gevonden in de thuissituatie of op het revalidatiecentrum. De afnames van de controle-

    groep zijn gedaan door drie door de onderzoeker ingewerkte stagiaires orthopedagogiek (bin-

    nen de doctoraalstage bij Visio O&R) en door de onderzoeker.

    Tabel 4.1 Luria Card 33: begripsvaliditeit

    correlaties tussen de ruwe scores van Luria Card 33 met de overige

    visueel ruimtelijke tests uit dit onderzoek bij de diverse onderzoeksgroepen

    Pearson correlaties Luria Card 33 met:

    Experimentele groep

    Controle groep

    Judgment of l ine or ientat ion

    ,68 ** (N=44)

    ,62 ** (N=42)

    Doolhoven WISC-R

    ,65 ** (N=44) ,74 ** (N=38)

    TVPS: visual -spatial relat ionships

    ,58 ** (N=44) ,58 ** (N=42)

    ** = p ≤ .01 (eenzijdig getoetst)

    Er is in de afname gekozen voor een vaste volgorde in de afname. Startend met een

    wat speelse test (HLT) en daarna een afwisseling in objectherkenning en ruimtelijke taken

    (TVPS 1-7, Wisc doolhoven, FRT, JLO form H, Closure Faces Test, Luria Card 33). Tevens

    is gekozen voor registratie van de totaaltijd in seconden voor elke test, behalve doolhoven, en

    voor periodieke registratie van de kijkafstand bij de experimentele groep (veelvoud van vijf

    cm). De totaaltijd omvat de tijd na de algemene instructie vanaf de aanbieding van de eerste

    opgave (na eventuele oefenopgaven) tot de beëindiging van het laatste antwoord of actie. De-

    ze totaaltijd omvat daardoor denktijd, responstijd en de tijd die nodig is voor aanbieding van

    de volgende opgave, zoals het ombladeren van de stimulusbladen en rustmomenten tussen de

    opgaven. Denk- en responstijd kunnen als een maat voor het presteren gezien worden naast

    het aantal correcte antwoorden: eenzelfde aantal goede antwoorden in een kortere tijd wordt

    hierbij als een betere prestatie beschouwd. De tijd die nodig is voor het ombladeren heeft niet

    direct te maken met datgene wat de test bedoelt te meten en tast daardoor de validiteit aan als

    we de totaaltijd als maat voor prestatie beschouwen. Om deze ruis zo gering mogelijk te doen

    zijn is bij jonge en naar verwachting trage kinderen/jongeren het omslaan door de onderzoeker

    gedaan. Ook de rusttijd is in de afname beperkt gehouden door aanmoediging daar waar no-

    dig. Bij dit onderzoek is bij alle testen de voorgeschreven afnameprocedure gevolgd. Alle afwij-

  • 121

    kingen daarin zijn hiervoor vermeld bij de betreffende test.

    4.2.2 Resultaten VPO 1

    Om de groepsverschillen (zie hypothesen) te onderzoeken zijn de volgende databewer-

    kingen gedaan. De ruwe scores zijn bij afname boven de normleeftijd gecontroleerd op pla-

    fond effect. Bij elke (sub)test zijn op basis van de ruwe scores bij zowel de experimentele

    groep als de controle groep het gemiddelde en de standaarddeviatie bepaald. Met behulp van

    een t-toets is nagegaan of de beide groepen daarin significant verschillen. In dit onderzoek is

    gekozen voor een significantieniveau van 5 %; bij een p-waarde ≤ ,05 worden de resultaten

    van de gebruikte toets of procedure als significant beoordeeld. Daar waar de p-waarde ≤ dan

    ,01 (evt. ,005) wordt dit eveneens vermeld.

    Een groepsverschil kan zich beperken tot een verschil in het percentage uitvallers. Na-

    gegaan is, vooral als er geen significant groepsverschil is, of oculaire slechtziendheid geasso-

    cieerd is met uitvallende scores. Daartoe is bij de betreffende (sub)test gezocht naar een moge-

    lijkheid om een “cut-off point” of grenswaarde te bepalen, waaronder de prestatie als signifi-

    cant slecht kan worden beoordeeld. Voor sommige testen (doolhoven Wisc-R, JLO,VMI) kan

    dit geschieden op basis van de normgegevens. Als deze gegevens te sterk verouderd zijn

    (TVPS) of onvolledig / niet voorhanden zijn (FRT, CFT) dan kan berekening bij een normale

    verdeling plaats vinden op basis van het rekenkundige gemiddelde en de standaard deviatie

    van de controlegroep. Een dergelijke grensbepaling kan bij scheve verdelingen, zoals door-

    gaans bij tijden, beter geschieden op basis van percentielen dan op basis van het aantal stan-

    daarddeviaties vanaf het rekenkundige gemiddelde. Welk percentiel men daarvoor neemt

    hangt af van twee zaken: wenselijkheid en haalbaarheid (vergelijk Stiers, et al., 1997). De

    wenselijkheid betreft de vraag hoe “streng” wil men de slechtere prestaties beoordelen: welk

    percentage mag als uitvaller beschouwd worden en wat noemt men nog een “normale score”.

    Voor de nieuwe regelgeving voor toewijzing tot het speciaal onderwijs schrijft men bijvoor-

    beeld doorgaans een afwijking van twee standaarddeviaties onder het gemiddelde voor (TCAI,

    2001), wat overeenkomt met 2,3de

    percentiel. Bij de CBCL en verwante gedragsvragenlijsten

    hanteert men o.a. voor de totale probleemscore de 82ste

    percentiel van de T-score voor het

    grensgebied en de 90ste

    percentiel voor het klinische gebied (zie paragraaf 6.3.1). Hierbij wor-

    den de 10 % “problematische scores” tot het klinische gebied en bovendien nog 8 % tot een

    grensgebied gerekend. De haalbaarheid betreft de vraag op welke gegevens kan men een per-

    centiel berekenen. De gegevens van een kleine groep geven geen betrouwbare berekeningen

    van kleine percentielen. Wil een percentiel score gebaseerd zijn op empirische gegevens, dan

    mag zeker geen kleinere percentiel berekend worden dan het percentage dat één proefpersoon

    in de gehanteerde onderzoeksgroep representeert; 100 gedeeld door het totale aantal proefper-

    sonen. Voor het 5de

    percentiel heeft men daarom minimaal een groep van 20 personen nodig

    en voor het 16de

    percentiel minimaal zes personen. Omdat in het leeftijdsbereik van dit onder-

    zoek de prestaties sterk oplopen bij “ouder” worden, moet een dergelijke berekening binnen

    smalle leeftijdscohorten plaatsvinden. Bij ontwikkelingsschalen vindt berekening van de nor-

    mering doorgaans plaats op een deel van een kalenderjaar. Voor het nemen van belangrijke

    individuele beslissingen, zoals toelating tot speciaal onderwijs adviseren Resing e.a. een

    groepsgrootte tussen de 300 tot 400 personen per normgroep, waarvoor genormeerd wordt

    (Resing, Evers, Komen, Pameijer, Bleichrodt, van Boxtel, & de Greef, 2002).

  • 122

    Stiers (1997 en 1998) beargumenteert voor zijn onderzoek naar stoornissen in visuele

    perceptie een grenswaarde bepaling gebaseerd op het 5de

    percentiel. De bepaling van een der-

    gelijke scherpe grens is op de gegevens vanuit dit onderzoek niet haalbaar. Evenmin zijn er

    gegevens vanuit ander onderzoek op basis waarvan een betrouwbare grenswaarde berekend

    kan worden. De vraag is bovendien of een dergelijke scherpe grens voor onderzoek naar ver-

    schillen in uitvalspercentages tussen de experimentele groep en de controlegroep wenselijk is.

    Binnen een dergelijk kleine onderzoeksgroep maakt een scherpe grens dat het aantal uitvallers

    te zeer bepaald kan worden door toevallige factoren. Een minder scherpe grens verhoogt het

    aantal personen wat “tot de uitvallende groep” gerekend wordt en maakt dat een vergelijking

    van het aantal uitvallers in de controlegroep met de uitvallers in de experimentele groep min-

    der door toevallige factoren bepaald wordt. Gekozen is daarom in dit onderzoek voor een

    grenswaarde bepaling gebaseerd op het 16de

    percentiel van de controlegroep; gelijk aan deze

    waarde en daaronder spreken we van een uitvallende prestatie. Dit komt overeen met één

    standaarddeviatie onder het gemiddelde bij een normale verdeling. Uiteraard is een uitvallen-

    de score 1 SD onder het gemiddelde en een uitvallende tijd 1 SD daarboven.

    Bij de bepaling van de grenswaarden voor elk kalenderjaar bij elke subtest is boven-

    dien rekening gehouden met de volgende voorwaarden (zie tevens Stiers, 1997):

    De laagste grenswaarde mag niet lager zijn dan een toevalsscore

    De grenswaarden per leeftijd moeten monotoon stijgen (voor ruwe scores) of dalen

    (voor totaaltijden) in functie van de leeftijd, tenzij normgegevens tussen deze leeftij-

    den een afwijkende stijgingshoek laten zien

    Controle op de grenswaarden van de 16de percentiel kan plaats vinden door vergelij-

    king met de berekende waarden van de 10de

    en de 25ste

    percentiel bij de controlegroep

    en soms op normgegevens van de test zelf (bijvoorbeeld bij de FRT zijn de gemiddel-

    de scores van de leeftijd vanaf zes jaar bekend)

    De gehanteerde grenswaarde is het natuurlijke getal (de te behalen ruwe score) wat het

    dichts bij de berekende waarde ligt.

    De 16de

    percentiel is berekend op de gegevens van de controlegroep (scores en onbe-

    werkte tijden). Om de kromme van de cut-off lijn te bepalen zijn de berekeningen gedaan op

    de hele groep (N = 45), vervolgens op twee subgroepen onder 13 jaar (N = 21) en vanaf 13

    jaar (N = 24) en ten slotte op vier subgroepen van 6 t/m 8 (N = 10), 9 t/m 12 (N = 11), 13 t/m

    15 (N = 13) en 16 t/m 19 (N = 11). Op deze wijze kunnen op de gegevens van een beperkte

    groep zeven punten op de cut-off lijn bepaald worden in de leeftijdsrange van 6 t/m 19 jaar.

    Het aantal uitvallers is per test in beide groepen vastgesteld m.b.v. de cut-off lijn. Met

    behulp van de chi-kwadraat toets voor associatie (Pearson Chi-square χ2) is ten slotte per

    (sub)test nagegaan of het uitvalspercentage in de experimentele groep significant verschilt met

    het uitvallerpercentage in de controlegroep (p ≤ .05 eenzijdig getoetst). Bij een significant

    verschil is er een samenhang tussen oculaire slechtziendheid (behoren tot de experimentele

    groep) en uitvallen in de score / tijd bij de betreffende visuele perceptie test.

    Bij tijdsvariabelen zijn er vaak enkele proefpersonen met uitschieters, die maken dat er

    geen normaalverdeling in deze variabele aanwezig is en er slechts beperkte statistische bewer-

    kingen gedaan kunnen worden. Een natuurlijk logaritmische bewerking van de tijdsmaten maakt

    doorgaans wel dat aan de voorwaarde van normaalverdeling voldaan kan worden. Ook in de

    tijdsvariabelen bij dit onderzoek bleek dit het geval. Daarom zijn alle tijdsmaten zo bewerkt

    voorafgaande aan verdere statistische bewerkingen.

  • 123

    4.2.2.1 Wisc-R doolhoven

    Bij de experimentele groep zijn van alle 45 deelnemers de gegevens beschikbaar, maar

    bij vier deelnemers van de controlegroep was er in de beschikbare tijd geen afname van dool-

    hoven mogelijk. Zowel de ruwe als de genormaliseerde standaardscores van de experimentele

    groep (zie figuur 4.1) en de controlegroep wijzen niet op een plafondeffect boven 16 jaar.

    Vergelijking van de totale experimentele en controlegroep is daarom mogelijk. De experimen-

    tele groep oculair slechtziende kinderen en jongeren presteert lager op doolhoven i.v.m. nor-

    maal ziende leeftijdgenoten(zie tabel 4.2). De gemeten verschillen tussen de ruwe scores (zie

    tabel 4.2) van de totale experimentele en controlegroep zijn significant (t -2.642; eenzijdig

    getoetst p ≤ .005).

    Figuur 4.1 Doolhoven Wisc-R:

    De ruwe scores van de experimentele en de controlegroep per leeftijden.

    Kalenderleeftijd

    201816141210864

    Ruwe

    sco

    res

    40

    35

    30

    25

    20

    15

    10

    5

    0

    Groepen:

    Experimentele groep

    Controle groep

    Met behulp van de genormaliseerde standaardscores kunnen de prestaties van de expe-

    rimentele groep vergeleken worden met de normgroep. Doordat de normgegevens t/m 16 jaar

    gaan, zijn niet alle leden van beide groepen opgenomen (zie tabel 4.3). Het rekenkundige ge-

    middelde van de experimentele groep t/m 16 jaar is normaal met een enigszins hogere stan-

    daarddeviatie. Het percentage uitvallers in de experimentele groep is niet significant hoger in

    vergelijking met de te verwachte uitval op basis van de normgroep (χ2 = ,359; eenzijdige ge-

    toetst p > ,05). De experimentele groep als geheel presteert op deze subtest niet zwakker dan

    de normgroep, noch is er sprake is van een significant grotere groep uitvallers. Ook is er geen

  • 124

    indicatie voor een leeftijdsspecifieke lagere score voor oculaire slechtziendheid (zie figuur

    4.1). De verschillen in ruwe scores tussen de experimentele en de controlegroep zijn welis-

    waar significant, maar in vergelijking met de normgegevens wijken deze prestaties van de

    experimentele groep niet significant af.

    Tabel 4.2 Wisc-R Doolhoven: ruwe scores

    N

    Gemiddelde

    SD

    experimentele groep

    45

    26,67

    8 ,53

    controle groep

    41

    30,63

    5 ,12

    Tabel 4.3 Wisc-R Doolhoven: genormaliseerde standaardscores t/m 16 jaar

    N

    Gemiddelde

    SD

    experimentele groep

    38

    9 ,89

    3 ,84

    controle groep

    33

    11,97

    2 ,10

    4.2.2.2 Facial Recognition Test

    De experimentele groep oculair slechtziende kinderen en jongeren presteert lager op

    deze test voor gezichtsherkenning dan normaal ziende leeftijdgenoten (zie tabel 4.4). De ge-

    meten verschillen tussen de ruwe scores van beide groepen zijn significant (t 2,098; eenzijdig

    getoetst p ≤ .05). Opvalt dat dit verschil niet gebaseerd is op uitvallende scores (zie figuur

    4.2). Gelijk aan en onder de lijn van de grenswaarden behoren 10 personen van de 45 uit de

    experimentele groep en acht van de 45 uit de controlegroep (χ2 = ,278; df = 1;p > ,05 eenzij-

    dig getoetst; niet significant). Het verschil berust op de afwezigheid van bovengemiddelde

    scores bij de experimentele groep.

    Bij de afname van de FRT zijn de totaaltijden geregistreerd. Daarbij is er een verschil:

    slechtziende kinderen en jongeren hebben gemiddeld meer tijd nodig (zie tabel 4.5). Dit ver-

    schil is significant (t 3,173; eenzijdig getoetst p ≤ ,001).

  • 125

    Tabel 4.4 Facial Recognition Test: ruwe scores

    N

    Gemiddelde

    SD

    experimentele groep

    45

    39,00

    4 ,53

    controle groep

    45

    41,33

    5 ,93

    Figuur 4.2 Facial Recognition Test: Ruwe scores experimentele en controle groep.

    Kalenderleeftijd

    201816141210864

    Ruwe

    sco

    res

    60

    55

    50

    45

    40

    35

    30

    25

    20

    Groepen:

    Experimentele groep

    Controle groep

    Tabel 4.5 Facial Recognition Test: totaaltijden in seconden

    N

    Gemiddelde

    SD

    experimentele groep

    45

    457,82

    171,40

    controle groep

    45

    355,56

    131,77

  • 126

    4.2.2.3 Judgment of Line Orientation

    De experimentele groep oculair slechtziende kinderen en jongeren presteert nauwelijks

    lager op deze test voor het schatten van een richting van een lijn dan normaal ziende leeftijd-

    genoten (zie figuur 4.3 en tabel 4.6). Dit verschil is niet significant (t-1,166; eenzijdig ge-

    toetst p > ,05). De ruwe scores van beide groepen komen wat betreft leeftijdsverloop, gemid-

    delde en standaarddeviatie in sterke mate overeen met de oorspronkelijke normgegevens van

    normale kinderen en jongeren (Benton et al. 1983a). Zo wordt voor de leeftijd van 12 jaar

    voor jongens vermeld gemiddelde 24.7 (SD 3.8) en voor meisjes gemiddelde 22.7 (SD 4.0).

    Deze leeftijd kan als mediaan van de leeftijden bij dit onderzoek genomen kan worden. Dit

    verschil tussen jongens en meisjes blijkt ook in dit onderzoek significant bij beide onder-

    zoeksgroepen: bij de experimentele groep jongens gemiddelde 23,38 en meisjes 20,74

    (t=1,828 eenzijdig getoetst p ≤ ,05) / bij de controlegroep jongens gemiddelde 24,63 en meis-

    jes 21,78. (t = 1,925 eenzijdig getoetst p ≤ ,05).

    Figuur 4.3 Judgment of Line Orientation: Ruwe scores experimentele en controle groep.

    Kalenderleeftijd

    201816141210864

    Ruwe

    sco

    res

    35

    30

    25

    20

    15

    10

    Groepen:

    Experimentele groep

    Controle groep

  • 127

    Tabel 4.6 Judgment of Line Orientation: ruwe scores

    N

    Gemiddelde

    SD

    experimentele groep

    45

    22,27

    4 ,92

    controle groep

    45

    23,49

    5 ,02

    Gebaseerd op de gemiddelden en standaarddeviaties van de normgroep (Benton et al.

    1983a) en de controlegroep zijn per geslacht en leeftijden de cut-off lijnen van -1 SD bepaald.

    Op basis daarvan is er geen significant verschil in percentage uitvallers tussen de experimen-

    tele groep (10 van de 45) en de controlegroep (5 van de 45) (χ2 = 2,0; df = 1; eenzijdig ge-

    toetst p > ,05).

    Hoewel de ruwe scores van de experimentele groep en de controle groep niet verschil-

    len, blijkt er ook bij deze test wel een verschil te zijn in de totaaltijden, die nodig zijn om de

    gehele test te maken (zie tabel 4.7). Dit verschil is significant (t = 2,730 eenzijdig getoetst p ≤

    ,01). Figuur 4.4 geeft weer dat de verschillen gevormd worden doordat er bij de experimentele

    groep op alle leeftijden meer individuen zijn die veel tijd nodig hebben en doordat bij de con-

    trole groep er wel en bij de experimentele groep er nauwelijks afname van de totaaltijden bij

    ouder worden gesignaleerd kan worden.

    Tabel 4.7 Judgment of Line Orientation: totaaltijden in seconden

    N

    Gemiddelde

    SD

    experimentele groep

    45

    263,07

    94,52

    controle groep

    45

    214,11

    74,40

  • 128

    Figuur 4.4 Judgment of Line Orientation: Totaaltijden in seconden bij de experimentele

    en controle groep.

    Kalenderleeftijd

    201816141210864

    Seco

    nden

    550

    500

    450

    400

    350

    300

    250

    200

    150

    100

    Groepen:

    Experimentele groep

    Controle groep

    4.2.2.4 Test of Visual-Perceptual Skills (non-motor)

    De keuze voor volledige afname (zonder toepassing van de afbreekregels) met

    registratie van de totaaltijden bij alle subtesten voor alle leeftijden is in 4.2.1.4 beargumen-

    teerd. Bij vrijwel alle jonge slechtziende kinderen kon de volledige afname van elke subtest

    van de TVPS worden volgehouden (zie tabel 4.8). Vergelijking van de experimentele en de

    controlegroep kan bij volledige afname plaats vinden voor totaaltijden en ruwe scores. Daarbij

    is echter controle op plafondeffect bij de ruwe scores boven 12 jaar nodig.

    Bij deze afname van de TVPS zijn er onder de 13 jaar nauwelijks verschillen tussen de

    ruwe scores bij zes van de zeven subtests tussen de experimentele en de controlegroep (zie

    tabel 4.8 en tabel 4.9). De minimum scores en de standaarddeviaties bij beide groepen geven

    geen aanleiding om het ontbreken van verschillen toe te schrijven aan een plafondeffect.

    Daarom kan geconcludeerd worden dat de experimentele groep oculair slechtziende kinderen

    t/m 12 jaar niet slechter presteert op de subtesten van de TVPS i.v.m. normaal ziende leeftijd-

    genoten. In tegenspraak met de verwachting tendeert de score van deze kinderen uit de expe-

    rimentele groep op de subtest Visual Memory zelfs in de richting van een hogere score in ver-

    gelijking met de controlegroep (t = 1,787 tweezijdig getoetst p > ,05). Dit is echter niet signi-

    ficant, zeker niet als ter correctie van een dergelijke reeks van t-toetsen de Bonferroni metho-

    de wordt toegepast.

  • 129

    Tabel 4.8 Test of Visual-Perceptual Skills: experimentele groep van 6 tot 13 jaar

    ruwe scores bij volledige afname (zonder afbreekregel)

    N

    Gemiddelde

    SD

    Visual Discr imination

    21

    13,52

    2 ,02

    Visual Memory

    19 12,05 2,48

    Visual-Spatial Relat ionships

    21 14,33 1,35

    Visual Form Constancy

    17 9 ,59 2,00

    Visual-Sequential Memory

    20 12,75 1,62

    Visual Figure-Ground

    18 12,67 2,03

    Visual Closure

    19 12,89 2,08

    Tabel 4.9 Test of Visual-Perceptual Skills: controle groep van 6 tot 13 jaar

    ruwe scores bij volledige afname (zonder afbreekregel)

    N

    Gemiddelde

    SD

    Visual Discr imination

    21

    13,48

    1 ,81

    Visual Memory

    21 10,62 2,58

    Visual-Spatial Relat ionships

    21 13,52 2,80

    Visual Form Constancy

    21 9 ,95 3,23

    Visual-Sequential Memory

    21 12,90 1,79

    Visual Figure-Ground

    21 13,14 2,73

    Visual Closure

    21 12,95 2,52

    Bij deze leeftijdsgroep zijn (met correctie achteraf in overeenstemming met de af-

    breekregels) de gewogen scores berekend per subtest en gebundeld in een perceptie quotiënt.

    Deze databewerking geeft eveneens aan dat oculair slechtziende kinderen t/m 12 jaar op de

    TVPS niet significant slechter presteren dan normaal ziende leeftijdgenoten (zie tabel 4.10).

    Het aantal uitvallers in beide groepen verschilt niet significant: met een perceptie quotiënt van

  • 130

    85 en lager zijn er in de experimentele groep drie deelnemers van de 21 en bij de controle-

    groep één van de 21 (χ2 = 1,105; df = 1;p > ,05 eenzijdig getoetst). Het perceptie quotiënt op

    de TVPS heeft bij de experimentele groep tot 13 jaar een significante correlatie met de totale

    intelligentie (r = ,656; p ≤ ,001 bij N=20). Bij 12 personen uit deze experimentele subgroep

    waren zowel de verbale als de performale intelligentie bekend. Daaruit bleek dat alleen de

    performale intelligentie een significante correlatie heeft (r = ,707; p ≤ ,005 bij N=12).

    Tabel 4.10 Test of Visual-Perceptual Skills: experimentele en controle groep van 6 tot 13 jaar

    perceptual quotients

    N

    Gemiddelde

    SD

    experimentele groep

    21

    113,19

    20,20

    controle groep

    21

    116,62

    18,34

    Terzijde moet opgemerkt worden dat beide Nederlandse onderzoeksgroepen i.v.m. de

    Amerikaanse normen van 1988 ongeveer 1 SD boven het gemiddelde presteren en dat de ex-

    perimentele onderzoeksgroep een hogere standaarddeviatie heeft. Als we in overeenstemming

    hiermee de grenswaarde voor uitvallers verhogen tot een perceptie quotiënt van 100, dan heb-

    ben beide groepen vier uitvallers en bevestigd deze berekeningswijze eveneens dat er geen

    sprake is van verschillen tussen de experimentele en de controlegroep. Vergelijking op sub-

    testniveau bij de controlegroep geeft aan dat alleen de normen op de subtest Visual form Con-

    stancy nog bruikbaar lijken (Gemiddelde 9,95 met een SD 4,04) en dat bij de overige subtests

    toepassing van deze normgegevens leidt tot een overschatting van de visuele vaardigheden.

    Bij de leeftijden boven de 12 jaar zijn de verschillen tussen de minimum en de maxi-

    mum waarden op zes van de zeven subtesten (uitzondering Visual Form Constancy) wel ge-

    ring, is de spreiding fors gedaald en zijn de gemiddelden relatief dicht bij de maximum waar-

    de van de test. Zo hebben drie van de zeven subtesten bij de experimentele groep een gemid-

    delde ruwe score boven de 15. Er is daarom voor deze leeftijden sprake van een plafond ef-

    fect. Het gegeven dat t-toetsen hierbij geen significante verschillen meer laten zien kan dus

    daaraan worden toegeschreven.

    Bij de TVPS zijn bij volledige afname de totaaltijden per subtests geregistreerd. Ge-

    noemd is al dat niet bij alle slechtziende kinderen alle subtests volledig konden worden afge-

    nomen (zie tabel 4.8). In die gevallen is er geen totaaltijd in de verwerking opgenomen. Bij

    alle zeven subtests van de TVPS heeft de experimentele groep met oculaire slechtziendheid

    meer tijd nodig dan de controlegroep normaal zienden. Dat geldt ook bij uitsplitsing in leeftijd

    t/m 12 jaar en de groep daarboven (voor de leeftijdsgroep 13 tot 19 jaar: zie tabel 4.11 en tabel

    4.12).

  • 131

    Tabel 4.11 Test of Visual-Perceptual Skills: tot 13 jaar

    experimentele groep versus controlegroep (N = 21, tenzij anders vermeld)

    totaaltijden in seconden bij volledige afname

    Experimentele groep

    Controlegroep

    Gemiddelde SD Gemiddelde SD

    Visual Discr imination

    194,43

    68,94

    146,76

    39,31

    Visual Memory

    197,84 (N=19) 72,29 152,14 36,05

    Visual-Spatial Relat ionships

    170,81 65,27 124,52 37,52

    Visual Form Constancy

    274,76 (N=17) 109,78 202,95 86,20

    Visual-Sequential Memory

    272,15 (N=20) 126,87 185,86 46,05

    Visual Figure-Ground

    257,28 (N=18) 108,20 180,19 71,82

    Visual Closure

    164,00 (N=19) 56,24 141,81 45,20

    Toepassing van de Bonferroni methode voor een reeks van zeven toetsen impliceert

    dat een significantieniveau van 5 % voor vergelijking per toets overeen komt met een signifi-

    cantie kleiner dan 0,007. In overeenstemming met deze methode zijn de verschillen in totaal-

    tijden (natuurlijk logaritmische bewerking) gemeten over het totale leeftijdsbereik van 6 tot 19

    jaar significant: Visual Closure t-waarde 3,709 eenzijdig getoetst p ≤ ,0005 en de overige zes

    subtests t waarden van 4,227 en hoger, waarbij allen p ≤ ,001. Over het leeftijdsbereik van 6

    tot 13 jaar zijn de verschillen bij Visual Memory (t = 2,417 eenzijdig getoetst p = ,010); Vi-

    sual Form Constancy (t = 2,374 eenzijdig getoetst p = ,011) en Visual Closure (t = 1,410

    eenzijdig getoetst p = ,083) niet significant (volgens Bonferroni methode), maar van 13 t/m

    19 jaar zijn alle verschillen significant.

    Bij deze leeftijdsgroep zijn (met correctie achteraf in overeenstemming met de af-

    breekregels) de gewogen scores berekend per subtest en gebundeld in een perceptie quotiënt.

    Deze databewerking geeft eveneens aan dat oculair slechtziende kinderen t/m 12 jaar op de

    TVPS niet significant slechter presteren dan normaal ziende leeftijdgenoten (zie tabel 4.10).

    Het aantal uitvallers in beide groepen verschilt niet significant: met een perceptie quotiënt van

    85 en lager zijn er in de experimentele groep drie deelnemers van de 21 en bij de controle-

    groep één van de 21 (χ2 = 1,105; df = 1;p > ,05 eenzijdig getoetst).

  • 132

    Tabel 4.12 Test of Visual-Perceptual Skills: vanaf 13 jaar tot 19 jaar

    experimentele groep versus controlegroep (beide N = 24)

    totaaltijden in seconden bij volledige afname

    Experimentele groep

    Controlegroep

    Gemiddelde SD Gemiddelde SD

    Visual Discr imination

    146,71

    34,39

    96,17

    22,22

    Visual Memory

    184,83 46,20 119,58 32,94

    Visual-Spatial Relat ionships

    122,00 33,79 91,17 23,06

    Visual Form Constancy

    225,25 65,46 152,00 50,93

    Visual-Sequential Memory

    223,63 56,25 157,58 54,30

    Visual Figure-Ground

    237,00 85,51 149,46 41,29

    Visual Closure

    155,04 66,43 103,63 29,53

    4.2.2.5 Closure Faces Test

    De experimentele groep oculair slechtziende kinderen en jongeren presteert nauwelijks

    lager op deze test voor gezichtsherkenning dan de controle groep (zie tabel 4.13). Volgens de

    in 4.2.2 beschreven methode voor bepaling van de uitvallers in beide groepen, is er geen signi-

    ficant verschil in percentage uitvallers (9 uitvallers in de experimentele groep en vijf in de

    controlegroep, beide N=44; χ2 = 1,359; df = 1; p > ,05 eenzijdig getoetst).

    In de totaaltijd, die nodig is voor het maken van de gehele test, is het verschil tussen de

    controle groep en de experimentele groep niet significant (t = 1,309 eenzijdig getoetst p >

    ,05). De experimentele groep tendeert wel naar een langere totaaltijd (zie tabel 4.14). Het per-

    centage uitvallers in totaaltijd is significant hoger in de experimentele groep (12 van de 45) in

    vergelijking met de controlegroep (5 van de 44) (χ2 = 3,372; df = 1:p ≤ ,05 eenzijdig getoetst).

    Tabel 4.13 Closure Faces Test: Ruwe Scores

    N

    Gemiddelde

    SD

    experimentele groep

    44

    28,61

    6 ,21

    controle groep

    44

    29,23

    6 ,23

  • 133

    Tabel 4.14 Closure Faces Test: Totaaltijden in seconden

    N

    Gemiddelde

    SD

    experimentele groep

    45

    341,64

    135,54

    controle groep

    44

    302,00

    149,90

    4.2.2.6 Higher visual functions - intellectual operations in space, Luria Card 33

    De experimentele groep oculair slechtziende kinderen en jongeren presteert nauwelijks

    lager op deze test (zie tabel 4.15) en nauwelijks langzamer (zie tabel 4.16) dan de controle

    groep. Deze groepsverschillen zijn niet significant (ruwe scores: t -,392, eenzijdig getoetst p >

    .05; totaaltijden: t 7,25, eenzijdig getoetst p > .05).

    Tabel 4.15 Luria Card 33: Ruwe Scores

    N

    Gemiddelde

    SD

    experimentele groep

    44

    21,68

    8 ,98

    controle groep

    42

    22,40

    8 ,09

    Het aantal uitvallers in ruwe scores in de experimentele groep is zes van de 44 en bij

    de controlegroep zeven van de 42. Dit verschil in percentage uitvallers is niet significant (χ2 =

    ,154; df = 1; p > ,05 eenzijdig getoetst).

    Tabel 4.16 Luria Card 33: Totaaltijden in seconden

    N

    Gemiddelde

    SD

    experimentele groep

    43

    301,44

    110,13

    controle groep

    42

    283,81

    114,11

  • 134

    Het aantal uitvallers in totaaltijden in de experimentele groep is 10 van de 43 en bij de

    controlegroep vier van de 42 41 (zie tevens figuur 4.5). Dit verschil in percentage uitvallers is

    significant (χ2 = 2,912; df = 1; p ≤ ,05 eenzijdig getoetst).

    Figuur 4.5 Luria card 33: Totaaltijden in seconden bij de experimentele en controle groep.

    Kalenderleeftijd

    201816141210864

    Seco

    nden

    800

    700

    600

    500

    400

    300

    200

    100

    Groepen:

    Experimentele groep

    Controle groep

    4.2.2.7 De Harense Lieveheersbeestjes Test

    De maximumscore voor deze test is 42. Bij afname bij de experimentele groep bleek

    de test in het aantal goede opgaven een matige spreiding op te leveren (zie tabel 4.17). De

    scores van 22 t/m 26 bleken ruim 66 % van de onderzochte personen te omvatten. Daarbij gaf

    de scatterplot van leeftijden en scores nauwelijks een tendens tot hogere scores bij “oudere”

    leeftijden (zie figuur 4.6) en derhalve een vrijwel horizontale regressielijn. De totaaltijden van

    de experimentele groep bleken weliswaar een betere spreiding te vertonen (zie tabel 4.17),

    maar daarbij bleek de tendens tot snellere tijden bij hogere kalenderleeftijd erg matig en even-

    41

    Bij het bepalen van de cut-off line van totaaltijden, doet zich een probleem voor. De percentiellijnen bij 75 %,

    84 % en 90 % zijn géén monotoon aflopende lijnen. Integendeel, er is sprake van een zeer fors oplopende en

    daarna weer sterk dalende curven: de 84 percentiel lijn loopt bij 7,7 jaar op 350 sec., bij 9,1 jaar op 387 sec., bij

    10,5 jaar op 564 sec., bij 13,6 jaar op 437 sec., bij 15,3 jaar op 402 sec. en bij 17,1 jaar op 314 sec. Een cut-off

    line bepalen op dergelijke gegevens is minder betrouwbaar. De kans dat de verschillen op toevallige factoren

    berusten neemt toe.

  • 135

    eens een vrijwel horizontale regressielijn. Dit alles riep zoveel twijfels op over de testcon-

    structie dat besloten is om deze experimentele test niet verder in het onderzoek te betrekken.

    Afname bij de controlegroep heeft dan ook niet plaats gevonden.

    Tabel 4.17 Harense Lieveheersbeestjes Test:

    Ruwe scores en totaaltijden van de experimentele groep

    N

    Gemiddelde

    SD

    ruwe scores

    45

    24,13

    3 ,64

    to taal t i jden

    45

    290,53

    81,96

    Figuur 4.6 Harense Lieveheersbeestjes Test: experimentele groep Ruwe Scores

    Kalenderleeftijd

    201816141210864

    Ru

    we s

    core

    s

    40

    30

    20

    10

    Ruwe scores van de

    experimentele groep

    N = 45

  • 136

    4.2.3 Conclusies VPO 1

    Verondersteld werd dat kinderen en jongeren met oculaire slechtziendheid minder goed

    functioneren op kijktaken in vergelijking met normaal ziende leeftijdgenoten (deelvraag 1). De-

    ze veronderstelling is uitgedrukt in vier hypothesen, welk hier na elkaar besproken worden.

    Hypothese 1 luidt: De experimentele groep kinderen en jongeren met oculaire slecht-

    ziendheid behaalt significant lagere scores op visuele perceptie tests in vergelijking met de con-

    trolegroep normaal ziende leeftijdgenoten.

    Ter bevestiging of weerligging van deze hypothese zijn zonder tijdsdruk diverse neuro-

    psychologische tests afgenomen. Van de zeven afgenomen tests hebben er zes betrouwbare re-

    sultaten opgeleverd en is de HLT (zie paragraaf 4.2.2.7) uit de onderzoeksbatterij verwijderd.

    Uitgesplitst in subtests kunnen de gegevens van 12 subtests gebruikt worden (zie figuur 4.7).

    Figuur 4.7 VPO 1 zonder tijdsdruk: Ruwe scores experimentele en controlegroep

    (Sub)Testen VPO 1

    12

    11

    10

    9

    8

    7

    6

    5

    4

    3

    2

    1

    Gem

    idde

    lde

    ruw

    e s

    core

    50

    40

    30

    20

    10

    0

    exp.gr

    contr.gr

    N.B. 1 De output van alle 12 (sub)testen van VPO 1 is in figuur 4.7 en 4.8 op gelijke wijze gegroepeerd.

    N.B. 2 De TVPS scores zijn gebaseerd op deelnemers t/m 12 jaar (zie paragraaf 4.2.2.4).

    N.B. 3 De testen 1 en 12 hebben een visuomotorische component.

    De doolhoven van de Wisc-R leveren op groepsniveau significant lagere scores voor

    personen met oculaire slechtziendheid in vergelijking met de controle groep. Tevens is er bij de

    experimentele groep een significant groter aantal uitvallers i.v.m. de controlegroep. Deze expe-

    (Sub)Testen:

    1. Wisc-R Doolhoven 2. Facial Recognition Test 3. Judgment of Line Orientation 4. Visual Discrimination TVPS 1 5. Visual Memory TVPS 2 6. Visual-Spatial Relationships TVPS 3 7. Visual Form Constancy TVPS 4 8. Visual-Sequential Memory TVPS 5 9. Visual Figure-Ground TVPS 6 10. Visual Closure TVPS 7

    11. Closure Faces Test

    12. Luria Card 33

  • 137

    rimentele groep verschilt op beide aspecten echter niet significant met de normgegevens (zie

    paragraaf 4.2.2.1). De FRT leverde eveneens een significant lagere score op voor de experimen-

    tele groep als geheel, maar zonder een significant groter percentage uitvallers in deze groep van

    kinderen en jongeren met oculaire slechtziendheid (zie paragraaf 4.2.2.2). De overige (sub)tests

    gaven géén significant lagere groepsgemiddelden, noch een significant groter aantal uitvallers in

    de groep met oculaire slechtziendheid. Op de JLO komen de prestaties overeen met de oor-

    spronkelijke normgegevens en is het verschil met de controlegroep niet betekenisvol (zie para-

    graaf 4.2.2.3). Op de TVPS is bij geen van de zeven subtests sprake van significant slechtere

    prestaties (ruwe scores bij volledige afname tot 13 jaar - boven deze leeftijd kan daarover geen

    uitspraak gedaan worden i.v.m. plafond effect). In tegenstelling tot de verwachting zijn de pres-

    taties op Visual Memory (+1,53) en Visual-Spatial Relationships (+,082) hoger (zie paragraaf

    4.2.2.4). De CFT (zie paragraaf 4.2.2.5) en Luria Card 33 (zie paragraaf 4.2.2.6) geven eveneens

    nauwelijks betekenisvolle lagere ruwe scores voor de experimentele groep, noch een significant

    groter percentage uitvallers .

    Bij een reeks van vergelijkingen zoals hierboven moet voor bevestiging / weerlegging

    van de hypothese het significantie niveau gecorrigeerd worden (Bonferroni-methode:). De kans

    op het vinden van een significant verschil gebaseerd op toeval, is immers in een reeks van toet-

    sen recht evenredig aan het aantal t-toetsen. Om het significantie niveau van 5% voor deze reeks

    te handhaven, dient daarom het significantieniveau p < .0021 te zijn per subtest of de som niet

    meer dan .05. Op grond hiervan is alleen de lagere score door de experimentele groep op dool-

    hoven significant lager, zonder dat er een significant verschil is tussen de experimentele groep

    en de normgegevens. Voor de reeks neuropsychologische tests als geheel moet hypothese 1 ver-

    worpen worden: de experimentele groep oculair slechtziende kinderen en jongeren behaalt géén

    significant lagere scores op visuele perceptie tests in vergelijking met de normaal ziende contro-

    legroep. Dit betreft visuele perceptie tests zonder tijdsdruk.

    Hypothese 2 luidt: De experimentele groep kinderen en jongeren met oculaire slecht-

    ziendheid behaalt significant lagere scores op visuomotorische tests in vergelijking met de con-

    trolegroep normaal ziende leeftijdgenoten.

    Van de zes afgenomen tests hebben er slechts twee een visuomotorische component:

    doolhoven en in geringe mate Luria Card 33. Daarvan zijn de prestaties van de experimentele

    groep oculair slechtziende kinderen en jongeren significant slechter (p ≤ .005) bij doolhoven

    (zie paragraaf 4.2.2.1), maar die van Luria Card 33 beslist niet (zie paragraaf 4.2.2.6). Op grond

    hiervan kunnen geen conclusies getrokken worden. Nader onderzoek naar visuomotoriek heeft

    in meting twee plaats gevonden (zie paragraaf 4.3).

    Hypothese 3 luidt: De experimentele groep kinderen en jongeren met oculaire slecht-

    ziendheid heeft significant meer tijd nodig op visuele perceptie tests in vergelijking met de con-

    trolegroep normaal ziende leeftijdgenoten.

    Van de zes afgenomen tests (bestaande uit 12 subtesten) is alleen bij de doolhoven de

    totaaltijd niet in deze vergelijking opgenomen. Uit de totaaltijden van deze 11 (sub)tests blijkt,

    in overeenstemming met de verwachting, dat slechtziende kinderen en jongeren meer tijd nodig

    hebben dan normaal ziende leeftijdgenoten (zie figuur 4.8). Bij negen van deze (sub)tests is dat

    verschil ook na toepassing van de Bonferroni-methode significant (zie tevens tabel 4.5, tabel

    4.7, tabel 4.11 i.v.m. tabel 4.12). Bij de Closure Faces Test en bij Luria Card 33 heeft de expe-

  • 138

    rimentele groep eveneens meer tijd nodig, maar dat verschil is niet significant (zie tabel 4.14 en

    tabel 4.15). Bij beide tests is er wel sprake van een significant groter percentage uitvallers bij de

    experimentele groep i.v.m. de controlegroep (1 SD meer tijd nodig i.v.m. de controlegroep).

    Hypothese 3 wordt aangenomen: De experimentele groep kinderen en jongeren met ocu-

    laire slechtziendheid heeft significant meer tijd nodig op visuele perceptie tests in vergelijking

    met de controlegroep normaal ziende leeftijdgenoten. Hierbij gaat het om visuele perceptie tests

    zonder motorische component.

    Figuur 4.8 VPO 1 zonder tijdsdruk: Totaaltijden experimentele en controlegroep

    (Sub)Testen VPO 1

    12

    11

    10

    9

    8

    7

    6

    5

    4

    3

    2

    1

    Tot

    aal

    tijd

    en

    in s

    eco

    nde

    n

    500

    400

    300

    200

    100

    0

    exp.gr

    contr.gr

    N.B. 1 De output van alle 12 (sub)testen van VPO 1 is in figuur 4.7 en 4.8 op gelijke wijze gegroepeerd.

    Test 1 heeft géén totaaltijden als output.

    N.B. 2 De TVPS tijden vanaf 13 jaar (zie paragraaf 4.2.2.4).

    N.B. 3 Test 12 heeft een visuomotorische component.

    Het gebruiken van meer tijd door personen met oculaire slechtziendheid kan als een

    compensatiefactor beschouwd worden. Zonder tijdsdruk nemen oculair slechtziende kinderen en

    jongeren meer tijd voor kijktaken en zijn de prestaties in het algemeen vergelijkbaar met die van

    normaal ziende personen. Verondersteld mag worden dat het blokkeren van dit compensatieme-

    chanisme door het aanbieden van gelijksoortige visuele taken maar nu onder tijdsdruk (zoals

    veelvuldig in het dagelijkse leven, bijvoorbeeld bij verkeersdeelname en bij herkenning van

    mensen in het voorbijgaan enz.) wel gepaard zal gaan met significant slechtere prestaties. Dit zal

    nader onderzocht worden in meting twee als aanvulling op hypothese 1 42.

    42 Compensatie door verkorting van de kijkafstand speelt eveneens een rol. De kijkafstand is tijdens het maken van de visuele perceptie tests bij VPO 1 geschat in veelvouden van vijf cm. Op basis hiervan is na afloop de meest ge-

    bruikte kijkafstand per persoon in de experimentele groep bepaald. De gemiddelde kijkafstand van alle leden van de

    (Sub)Testen:

    1. Wisc-R Doolhoven 2. Facial Recognition Test 3. Judgment of Line Orientation 4. Visual Discrimination TVPS 1 5. Visual Memory TVPS 2 6. Visual-Spatial Relationships TVPS 3 7. Visual Form Constancy TVPS 4 8. Visual-Sequential Memory TVPS 5 9. Visual Figure-Ground TVPS 6 10. Visual Closure TVPS 7

    11. Closure Faces Test

    12. Luria Card 33

    N.B. TVPS tijden vanaf 13 jaar

  • 139

    Hypothese 4 luidt: De experimentele groep kinderen en jongeren met oculaire slecht-

    ziendheid heeft significant meer tijd nodig op visuomotorische tests in vergelijking met de con-

    trolegroep normaal ziende leeftijdgenoten.

    Van de afgenomen neuropsychologische test hebben er slechts twee een visuomotorische

    component: doolhoven en Luria Card 33. Bij doolhoven is de tijdsfactor niet als afzonderlijke

    variabele in dit onderzoek opgenomen (zie paragraaf 5.2.2.1). Daarmee blijven alleen de totaal-

    tijden van Luria Card 33 over (zie paragraaf 4.2.2.6, tabel 4.16) Deze bevindingen tenderen wel

    naar meer tijd, maar niet significant. De tijdsfactor in visuomotorische taken zal in meting twee

    nader onderzocht moeten worden.

    De VPO 1 meting heeft onvoldoende onderzoeksgegevens opgelevert voor de toetsing

    van alle vier hypothesen. Het levert als conclusies op dat de experimentele groep oculair slecht-

    ziende kinderen en jongeren in vergelijking met normaal ziende leeftijdgenoten:

    geen significant lagere scores behaalt op de gekozen visuele perceptie tests als er geen

    tijdsdruk op de kijktaken gelegd wordt (verwerping hypothese 1 voor deze groep tests).

    Nader onderzocht moet worden of tijdsdruk wel samen gaat met significant lagere scores

    bij de experimentele groep – aanvulling op hypothese 1

    bij visuomotoriek testen tegenstrijdige resultaten laat zien en nader onderzoek wenselijk is

    m.b.v. meer specifieke visuomotorische tests voor toetsing van hypothese 2

    meer tijd nodig heeft voor het maken van visuele perceptie taken, (aanname hypothese 3)

    nader onderzoek nodig is voor de tijdsfactor in visuomotorische tests voor toetsing hypo-

    these 4

    In VPO 2 zal nader onderzocht worden of slechtziende kinderen en jongeren:

    slechter presteren i.v.m. normaal ziende leeftijdgenoten als visuele taken onder tijdsdruk

    moeten worden gedaan (nader onderzoek m.b.t. hypothese 1)

    slechter presteren op visuomotorische taken (hypothese 2)

    meer tijd nodig hebben op visuomotorische taken (hypothese 4)

    experimentele groep was ongeveer 20 cm met een standaarddeviatie van bijna 10 cm (SD 8,1) en een minimum

    kijkafstand van 5 cm en een maximum van 40 cm.

    Daarop is de correlatie tussen kijkafstand en gezichtsscherpte berekend. In overeenstemming met de

    verwachting correleert de gemiddelde kijkafstand significant met de binoculaire gezichtsscherpte VODS: Pearson

    correlatie r = ,582 met een p≤ ,001 bij N=45. Geconcludeerd kan worden dat een verlaagde binoculaire ge-

    zichtsscherpte samen gaat met het hanteren van een verkorting van de kijkafstand. De omzetting van de gezichts-

    scherpte maten in de FAS (zie 3.5) heeft een wat lagere maar eveneens significante correlatie (r = ,516; p≤ ,001

    bij N=45).

  • 140

    4.3 Meting twee: hogere visuele functies objectherkenning en ruimtelijke relaties met tijdsdruk en meting van visuomotoriek (VPO 2)

    Na afname van de eerste meting (VPO 1) zijn de resultaten verwerkt. Voor de aanvullen-

    de neuropsychologische metingen op het gebied van de visuele perceptie-cognitie zijn vervol-

    gens instrumenten gezocht en aangepast. Tevens is het instrument gemaakt voor meting drie en

    zijn de instrumenten gekozen voor meting vier. Tussen deze eerste meting en de volgmetingen

    zat een periode van ruim twee jaar.

    Nader onderzocht moet worden in deze tweede meting (VPO 2) of slechtziende kin-

    deren en jongeren slechter presteren i.v.m. normaal ziende leeftijdgenoten als visuele taken

    onder tijdsdruk moeten worden gedaan (nader onderzoek m.b.t. hypothese 1), slechter preste-

    ren op visuomotorische taken (hypothese 2) en meer tijd nodig hebben op visuomotorische

    taken (hypothese 4).

    4.3.1 Methode VPO 2

    Voor dit aanvullend onderzoek gericht op de toetsing van de eerste vier hypothesen

    (zie paragraaf 4.1) is het onderzoeksdesign eveneens een vergelijking tussen de experimentele

    groep met een controlegroep. Bij dit onderzoek is deze vergelijking gericht op de scores en

    tijden van neuropsychologische test m.b.t. visuele perceptie en visuomotoriek (zie paragraaf

    4.2.1).

    De proefpersonen in deze VPO 2 meting bestaan uit dezelfde experimentele groep als in

    VPO 1 (zie paragraaf 3.2 t/m 3.6). Voor dit vervolgonderzoek zijn echter negen personen van de

    oorspronkelijke onderzoeksgroep uitgevallen. Voor de beschrijving van de “resterende” experi-

    mentele groep van 36 deelnemers houdt dit enige verschillen in vergeleken met de beschrijving

    in Hoofdstuk 3.

    De gemiddelde IQ-scores van de proefpersonen bij meting VPO 2 zijn 105,70 (bere-

    kend over N=33) met een standaarddeviatie van 12.03. Van 24 kinderen en jongeren uit deze

    groep waren de verbale en performale IQ-scores beschikbaar. De verbale IQ-scores zijn

    102,25 (SD 11,11) en de performale IQ-scores zijn 104,00 (SD 14,61). Geconcludeerd kan

    worden dat de experimentele groep als normaal begaafd getypeerd blijft.

    De oogheelkundige diagnoses van de uitvallende deelnemers zijn allen verschillend:

    achromatopsie, albinisme, aniridie, hypoplasie nervus opticus, onduidelijke diagnose bij stabiel

    beeld, congenitaal cataract, lensluxatie, diverse aandoeningen t.g.v. jeugdreuma en glaucoom.

    Na uitval van de negen personen bij meting twee verschuift bij de resterende groep van VPO 2

    (N=36) alleen de maximale waarde van de gezichtsscherpte naar 0,70 (was 1,0). De laagste

    waarde blijft 0,05 en de gemiddelde binoculaire gezichtsscherpte blijft 0,29 met een standaard-

    deviatie van 0.19 (was 0,21). Voor de indeling van ernst op basis van de FVS betekend dit dat er

    zeven deelnemers uitgevallen zijn in de categorie “severe low vision” en twee in de categorie

    “near normal”. Daarmee is de verhouding in de overblijvende onderzoeksgroep als volgt: vier

    deelnemers met “profound low vision”, twaalf deelnemers met “severe low vision, veertien

    deelnemers met “moderate low vision” en zes deelnemers met “near normal”. Hiermee blijft de

  • 141

    groep te typeren als slechtziend met een duidelijke spreiding in ernst van slechtziendheid.

    De controlegroep is samengesteld uit 36 personen die gelijk gesteld konden worden aan

    de deelnemers uit de experimentele groep. Zoals omschreven maakte het tijdsverschil tussen

    VPO 1 en VPO 2 dat niet dezelfde personen voor de matching op leeftijd bij beide experimenten

    in de controlegroep konden worden opgenomen. Voor een juiste matching konden 15 leden van

    de controlegroep van VPO 1 tevens lid zijn van de controlegroep van VPO 2 en de overige 21

    leden van deze controlegroep hebben alleen aan de VPO 2 meting deelgenomen (zie paragraaf

    3.2). Een dergelijke matching is een compromis tussen diverse criteria, waarbij een betekenis-

    volle tendens vermeden dient te worden (zie paragraaf 3.3).

    De matching op schooltype vertoont bij deze meting de volgende verschillen: HBO 1

    met MEAO 3; VSO 4 met VWO 4; MAVO 4 met HAVO 4; MEAO 2 met HAVO 5: Gymna-

    sium 2 met VWO 2; MLS 3 met MEAO 2; KMBO 2 met VBO 4; MLS 2 met VWO 6; Gym-

    nasium 5 met afgeronde VBO. Gesteld kan worden dat er geen tendens zit tot een hogere op-

    leiding bij de experimentele of de controlegroep bij meting twee en dat de genoemde verschil-

    len niet van invloed zijn op de onderzoeksresultaten.

    Bij meting twee (zie figuur 4.9 en figuur 4.10) vertoont de matching op geslacht twee

    verschillen: een meisje op het VWO 2 uit de experimentele groep is gelijk gesteld aan een jon-

    gen op het VWO 2 en een meisje uit HAVO 2 is gelijk gesteld aan een jongen van HAVO 2. In

    totaal bestaan bij meting twee de experimentele en de controlegroep uit 36 individuen. De expe-

    rimentele groep bevat 15 meisjes en 21 jongens en de controle groep 13 meisjes en 23 jongens.

    Het groter percentage meisjes in de experimentele groep bij VPO 2 kan een lagere score geven

    bij lijnoriëntatie (zie paragraaf 4.2.2.3)!

    Ook de matching op leeftijden vertoont verschillen. Van de 36 individuen uit de contro-

    legroep zijn er gemeten in jaren 11 personen één jaar jonger en drie één jaar ouder. De gemid-

    delde leeftijd bij VPO 2 is bij de experimentele groep 15,08 (SD 3,62) en bij de controlegroep

    14.86 (SD 3,60). De verschillen tenderen in geringe mate naar een wat jongere controlegroep.

    Voor zover dit verschil betekenisvol kan zijn, tendeert dit naar een kleiner verschil tussen de

    experimentele groep en de enigszins jongere controlegroep. Daarmee kan er een onderschatting

    van gevonden verschillen plaats vinden.

    Voor de instrumenten van deze VPO 2 meting zijn de volgende afwegingen gemaakt.

    Slechtziende kinderen kunnen in kijktaken hun slechtziendheid deels compenseren door ver-

    korting van de kijkafstand en door meer tijd te nemen (zie paragraaf 4.1). In het dagelijkse

    leven zijn beide compensaties niet altijd mogelijk. Verkorting van de kijkafstand impliceert

    dat men in sociaal contact een meer intieme afstand inneemt, wat bij de relatie en de situatie

    moet kunnen passen. Meer kijktijd nemen is alleen mogelijk bij niet of langzaam bewegende

    beelden in een rustige context. Bij o.a. verkeersdeelname is een dergelijke rustige observatie

    van afstanden, snelheden en ruimtelijke verhoudingen doorgaans niet mogelijke. Gezichtsher-

    kenning vraagt eveneens snelle reacties in het voorbijgaan van mensen, bij het volgen van een

    televisieprogramma enz. Voor dit onderzoek naar kijktaken onder tijdsdruk is daarom geko-

    zen voor aanpassing van twee testen, welke al gebruikt zijn in VPO 1: de Facial Recognition

    Test en Judgment of Line Orientation. Beide tests zijn omgezet in een reactietijd test met be-

    perkte expositietijd: FRT-R en JLO-R.

  • 142

    Figuur 4.9 Meting twee: leeftijd en geslacht experimentele groep

    Kalenderleeftijd

    21191715131197531

    Aant

    al p

    erso

    nen

    10

    9

    8

    7

    6

    5

    4

    3

    2

    1

    0

    Geslacht:

    Meisje

    Jongen

    Voor nader onderzoek naar prestaties en snelheid in visuomotoriek zijn testen gekozen

    die specifiek een van beide elementen meten. Voor prestaties in visuomotoriek is gekozen

    voor de Developmental Test of Visiomotor Integration (VMI) van Beery (1989), waarbij het

    alleen gaat om visuomotorische prestaties en er geen tijdsdruk is. Voor visuomotorische reac-

    tie tijden is gekozen voor de Visual Reaction Test (VRT) van Ed van Zomeren, waarbij het

    gaat om visuomotorische reacties onder tijdsdruk.

  • 143

    Figuur 4.10 Meting twee: leeftijd en geslacht van de controlegroep

    Kalenderleeftijd

    21191715131197531

    Aant

    al p

    erso

    nen

    10

    9

    8

    7

    6

    5

    4

    3

    2

    1

    0

    Geslacht:

    Meisje

    Jongen

    4.3.1.1 Facial Recognition Test - reaction time versions (FRT-R 1 en FRT-R 2)

    De oorspronkelijke FRT omvat drie groepen zwart-wit foto’s van gezichten van perso-

    nen (zie paragraaf 4.2.1.2): frontaal, schuin van opzij met gewone en met afwijkende verlich-

    tingsrichting. Hierdoor bevat deze test opgaven van verschillende moeilijkheidsgraad. Voor

    een reactietijd experiment is eenvoudigheid en eenduidigheid van de opgaven van belang en

    voor onderzoek naar het belang van gezichtsherkenning in het dagelijkse leven lijken de foto’s

    met de bij deze tests gebruikte afwijkende verlichting van minder belang. Voor deze gemaakte

    FRT-R versies zijn daarom uitsluitend de eerste twee groepen foto’s gebruikt uit de originele

    test: de frontale foto’s voor FRT-R1 en de schuin van opzij gemaakte foto’s voor FRT-R2. De

    foto’s voor de gelijke opgaven bij FRT-R1 zijn hetzelfde en voor FRT-2 verschillend, maar

    van dezelfde persoon. Binnen elk experiment is daarmee de moeilijkheidsgraad vergelijkbaar

    en tussen de experimenten verschillend. De opgaven van de FRT-R1 kunnen eventueel juist

    beantwoord worden door herkenning van deelaspecten van de stimulusfoto (bijvoorbeeld de

    vorm van een haargrens), zonder dat het gezicht als geheel herkend en geïdentificeerd wordt.

    Voor een juiste respons bij de FRT-R2 is dit niet mogelijk en wordt veel sterker een beroep

    gedaan op herkenning van de gezichten als geheel op basis van verschillende foto’s.

    Gekozen is voor een matchingstaak met de keuze gelijk - ongelijk. De presentatie van

  • 144

    de stimuli is op een beeldscherm van de computer. Gekozen is voor een licht grijze achter-

    grond, omdat dit voor slechtziende personen geen lichthinder geeft en de zwart-wit foto door-

    gaans het best uit doet komen. De beeldschermweergave van de stimuli is i.v.m. de oorspron-

    kelijke foto’s van de FRT bijna twee maal zo groot (6 x 6 cm), omdat bij beeldschermweerga-

    ve vaak een grotere kijkafstand wordt gehanteerd en hiermee “het netvliesbeeld” van gelijke

    grootte kan zijn. De respons wordt gegeven op een knoppenkast van twee knoppen: gelijk en

    ongelijk en in milliseconden op de computer geregistreerd. Tijdens de afname heeft de onder-

    zochte op elke knop een vinger, zodat de reactie geen “bewegingstijd” omvat en als een weer-

    gave van de “visuele beslissingstijd” opgevat mag worden. Twee stimuli worden tegelijk en

    onder elkaar aangeboden, met een aanbiedingstijd van vier seconden. Vergelijkbare experi-

    menten geven aan dat dit voor normaal ziende proefpersonen een zeer ruimte tijd is, zodat

    verwacht mag worden dat met een dergelijke aanbiedingstijd kan worden onderzocht of

    slechtziende personen hierin verschillen. Alleen de reacties tot drie seconden na het verdwij-

    nen van de stimuli worden geregistreerd. Inclusief de aanbiedingstijd is daarmee de maximale

    reactietijd zeven seconden per opgave. Voor de oorspronkelijke versie had de experimentele

    groep 8,5 seconden nodig per keuze, maar dit is inclusief ombladeren, “pauzes” tussen opga-

    ven en bij keuze uit zes foto’s; voor de controlegroep bleek deze “brutotijd” 5,9 seconden te

    zijn. Na de vier seconden aanbieding gevolgd door nog drie seconden voor reageren worden

    geen reactietijden meer geregistreerd. Hiervoor worden geen aanvullende opgaven gegeven,

    maar is er gekozen voor een vaste reeks van 36 opgaven. Tussen elk opgave is een variabele

    pauze, waarbij de onderzoeker de start van de volgende opgave bepaalt op basis van het ge-

    drag van de onderzochte. Geregistreerd worden de reactietijden en of de reactie goed of fout

    was.

    De opbouw van de opgavenreeksen van beide tests is gemaakt op basis van een gelijke

    verdeling van foto’s van mannen en van vrouwen, een gelijke mate van vertegenwoordiging

    van de diverse foto’s uit de originele FRT en eveneens van gelijke en ongelijke opgaven. Met

    behulp van toevalsgetallen (Baarda & de Goede, 1990, bijlage III) is de plaatsing in de reeks

    bepaald.

    Voorafgaand aan de afname wordt de opstelling (verlichting, posities in gezichtsveld,

    schitteringen op beeldscherm, beeldscherm loodrecht op kijkrichting) optimaal gemaakt voor

    de onderzochte persoon. Na de instructie volgt eerst een reeks van acht oefenopgaven met

    feedback, waarbij zo nodig de opstelling verandert of instructie aangevuld kan worden. In-

    structie en aanvullende reacties zijn vast omschreven en daarmee gestandaardiseerd. De on-

    derzochte personen wordt gevraagd zo snel mogelijk te reageren als men goed kan doen.

    Daarna volgt de reeks van 36 testopgaven, zonder verdere feedback op de resultaten. Het

    maximum aantal goede antwoorden wat voor registratie van de reactietijden in aanmerking

    komt is hiermee 36. Bij de eerste reeks (FRT-R1) wordt vooraf uitgelegd dat aangegeven moet

    worden of de foto’s gelijk zijn of niet. Bij de tweede reeks (FRT-R2) moet aangegeven wor-

    den of de volgende foto’s van dezelfde persoon zijn of niet.

    4.3.1.2 Judgment of Line Orientation (JLO-R)

    De opbouw van deze versie van de Judgment of Line Orientation is vrijwel identiek

    aan de hierboven beschreven FRT-R testen: vaste instructie, acht oefenopgaven, gestandaardi-

    seerde aanvullingen zo nodig, vast aantal van 36 opgaven, registratie reactietijd en respons tot

    drie seconden na beëindiging presentatie stimuli. De maximale ruwe score is 36. Verschillend

  • 145

    met de FRT-R versies is alleen de aanbiedingstijd. Deze is bij de JLO-R beperkt tot drie se-

    conden, omdat deze stimuli veel eenvoudiger zijn dan bij de FRT-R. De maximum reactietijd

    voor registratie is daarmee zes seconden. Ter vergelijking: de brutotijd voor een keuze van de

    originele FRT is bij de experimentele groep 4,9 en voor de controlegroep 3,6 seconden per

    keuze.

    In tegenstelling tot bij de FRT-R is voor de JLO-R niet gekozen voor weergave van de

    originele opgaven met een rozet van 11 lijnen voor vergelijking met de stimuli-lijnen. Omdat

    reactietijden tests eenvoudige en eenduidige opgaven moeten bevatten is gekozen voor een

    presentatie van twee computerlijnen, die in gelijke richting staan of niet. Tevens is gekozen

    voor weergave van de hele lijn in tegenstelling tot de originele JLO, die slechts 1/3 van de lijn

    weergeven. De grafische weergave van deze lijnen is hiermee beter: goed zichtbare zwarte

    lijnen van vijf cm lengte onder elkaar gepresenteerd op een licht grijs scherm. Gehandhaafd

    zijn de 11 originele posities met hoeken van 18 graden. Door de weergave van de twee lijnen

    in het midden van het beeldscherm, zijn echter beide horizontale posities van de oorspronke-

    lijke JLO in de JLO-R identiek. Daardoor blijven in de JLO-R 10 posities over. Eveneens zijn

    met behulp van toevalsgetallen (Baarda & de Goede, 1990, bijlage III) de 10 posities over de

    reeks verdeeld en is de opbouw gelijk versus ongelijk gemaakt.

    4.3.1.3 Visual Reaction Test (VRT 1, VRT 4 en VRT D)

    Deze test is een computerversie van de visuele reactietijd test van de afdeling neuro-

    psychologie van het Academisch Ziekenhuis te Groningen, naar oorspronkelijk ontwerp van

    van Zomeren en Deelman (van Zomeren & Deelman, 1976). In verband met verschillen in

    reactietijden per gebruikte versie van deze tests zijn in dit onderzoek geen normgegevens ge-

    bruikt (Eikens, 1982).

    De test bestaat uit een computergestuurd paneel met acht lampjes (tevens knoppen) in

    een kwart cirkel boven een witte knop. Met de wijsvinger van de voorkeurshand wordt de

    witte knop ingedrukt. Zodra het lampje ‘boven” de witte knop gaat branden, moet de onder-

    zochte de witt