demeerman.nldemeerman.nl/wp-content/uploads/aardappelbuikjes.docx  · Web view“Ik word nu...

of 16/16
  • date post

    26-Feb-2019
  • Category

    Documents

  • view

    213
  • download

    0

Embed Size (px)

Transcript of demeerman.nldemeerman.nl/wp-content/uploads/aardappelbuikjes.docx  · Web view“Ik word nu...

Zo maar 'n verhaal.Zondagochtend in Friesland ligt er zeker verlaten bij, gezien vanuit een rammelende, vrijwel lege bus. Het moderne bejaardenhuis ligt aan de rand van het dorp. In de hal staat een klompenrek met rijen klompen, zwart, sommige met bloemetjes

"De Leite"in Ureterp

Op banken zitten oude mensen, achter hen op het binnenplaatsje klatert een fonteintje tussen spoorbielzen, hei en struiken. Een man in een uitgezakt pak komt langzaam aansloffen, steunend op een stok, als ik groet blijft hij staan en begint te praten, over het weer denk ik, in het Fries.

Wietske zit al te wachten in haar kamer, een kleine kamer, die propvol staat met meubels, planten en snuisterijen. Ze drukt op een bel. Even later komt het hoofd van de huishouding een blad binnenbrengen met soep brood en fruit."Je bent ook van zover gekomen"zegt ze "hemaal uit Holland". Als ik het blad terugbreng, laat ze mij de keuken zien, een hypermoderne droomkeuken met matglanzend chroom, enorme koelkasten, afwasmachines, snijmachines en een lopende band. De tegelvloer is net gedweild.

Wietske laat mij haar kamer zien. Boven het bed hangt een foto van een eenvoudig huisje gezien vanaf een bietenveld. Twee jaar na ons trouwen kwamen wij daar te wonen.

Het huis van Geert en Wietske.

Er hangt een glazen kastje met medailles van haar man; ze geeft mij en beker met een zilveren konijn erop. De tekst luidt "Wisselbeker Ureterp voor het mooiste dier, 1951". Ze zoekt een foto in een ladenkastje, vindt die niet, maar laat me wel de sokken zien, die ze breit voor de beppe-zeggers, de kleinkinderen."Heb je kinderen? Ik wil wel voor ze breien, als je schrijft hoe groot hun voeten zijn."

Wij zitten aan tafel voor het interview. Naast de bandrecorder staat een vaasje met plastic rozen. Haar dikke armen liggen op de tafel. Ze is groot en zwaar, ze draagt een donkere jurk met bloemen, haar gezicht is heel gerimpeld, bijna gelooid.Een grote witte zakdoek ligt bij de hand, soms moet ze iets wegvegen achter haar brilleglazen. Voor ik wegga maakt ze dikke sneden krentenbrood voor me klaar en belegt die met plakken komijnenkaas. Dan heb je wat voor in de trein.

Het dak? Och, ouwe rommel !Ik word nu zeventachtig, nee achtentachtig. Drachtstercompagnie, daar ben ik geboren in Smallingerland. De Skieding, ken je dat ? Daar waren allemaal van die spithutjes , die waren gemaakt van spitten, van plaggen. Dat was heidegrond, dat verbeelde de steen. En als dat klaar was, kwam er leem tegenaan en dat werd gewit, weet je wel, dat was dan skoner. En het dak, dat was .och, oude rommel. Dr waren er met heide erop en dan met wat stro. Vier ruitjes, dat waren de glazen. Ach het was overal armoe, niet alleen bij ons, maar bij elk. Ze hadden allemaal van die spithutten.

In Harkema niet ver van de geboorteplaats van Wietske staat in het Themapark een nagebouwde spitkeet (in dit geval keurig met riet gedekt)

Wat voor werk hadden de mensen.Het was allemaal werk. Dr waren dr wel, die werkten in het veen. En op het land, aardappels rooien. Mijn vader deed van alles, ze zeiden vroeger wel: twaalf ambachten, dertien ongelukken ik weet niet of je het wel eens gehoord hebt nou zo was mijn vader ook. Een oude stukkende naaimachine, die kon hij wel vooruit krijgen. Of als er een oude klok was die niet wou lopen. En skaresliep. Vijf centen kreeg hij voor een grote schaar, drie cent voor een kleine. Ach hij deed dit, hij deed dat, maar hij verdiende niks.

De scharensliep; ook de modernere versie is al lang uit het straatbeeld verdwenen

En mijn moeder zat te werken, die maakte broeken voor zeven stuivers. Allemaal met de hand, had ze wel twee dagen werk aan. Broeken en kielen maakte ze. En ze ging ook rond met boodskappen, wij hadden een winkeltje.Ach het was armoe. Armoe troef. Wij hebben een winter gehad, dan kregen wij s morgens n stukkie brood. Meer hadden wij niet. En altijd aardappels. Wij hadden vroeger allemaal aardappelbuikjes, dat hebben die kinderen voor de televisie net zo.

Toen ik achttien jaar was ben ik bij de boer gekomen. Om de vier weken hadden wij een vrije zondag. Thuis kregen wij aardappeltjes dat kwam in de olie, een stukje spek, dat was het eten. Ja en wat siepel zeggen wij, uien. En wat koolrapen. Zondag was ik thuis geweest, maandags zaten wij bij de boer te eten en doe waren mijn gedachten thuis, want bij de boer hadden wij zon stuk spek en een stuk vlees en allemaal een boterham en aardappels. Bij de boer was t goed. Doe kon ik het niet verwerken, dat het thuis zo armoedig was h. Ik kon het skreien niet laten. Ik eruit, naar buiten. De knechten kwamen, dat kan je begrijpen: ze zeiden: Ja de verkering uut? Nee, de verkering is niet uut Daar kwam de boer aan. Wietske wat skeelt er aan Och niks. Daar kwam de vrouw: Wietske kom maar in huis. Ik er in, ik zeg. Ik zal krek zeggen hoe het is, ik draai er niet omheen. Ik kon het er niet door krijgen, ik dacht aan thuis, want dat hebben wij zondag te eten gehad, een beetje aardappels en wat pap.

Met vier weken kwam ik weer thuis. Mn vader zei: Je moet eens in de schoorsteen zien Daar stonden zeven korven aardappelen en een groot stuk spek en zeven worsten, dat hadden wij van de boer gekregen. Ik wist niet wat ik zeggen moest.

(De deur gaat open, er staat een jong meisje in een witte schort)Doech heb je al koffie? Ja wij hebben al koffie.Mooi.Ze verdwijnt weer.

Met hoeveel was u thuis?Met ons twaalven. Twaalf kinderen. Wij hadden bedden, dat zei ik vanochtend nog tegen de meisjes, dan sliepen wij met vijf kinderen op n bed. Daar lagen drie (ze tekent het bed op het tafelkleed) en twee op het voeteneind. Ja, die daar lagen onder het schuine dak, die hadden het niet zo mooi. Maar ja als je met twaalf kinderen bent. En ik was de oudste. s Ochtends was het om zeven uur Wietske dr af Dan moest ik me wassen en aankleden en dan moest ik naar Drachten voor de boodskappen. Dat was anderhalf uur lopen. En dan moest ik ze wegbrengen naar de mensen.Een half pond koffie, daar verdienden we een halve cent aan. Ja ik zeg nou wel eens als we naar Drachten gaan met de bus: Wat liggen hier veel tranen van mij .Maar ik kreeg wel van alles, n winkel daar kreeg ik een kop koffie met een bolletje en n vrouw had altijd een bordje eten voor me staan.Zo ben ik groot geworden. Het is treurig dat ik het zeg, maar het is waar. Werken wou ik wel, daar gaf ik niks om, om werken, als ik maar te eten kreeg.

Was er ook een school bij de Skieding?

Er zijn geen oude schoolfoto's van de school in Dr.Compagnie. Dit is een school anno 1900 in een naburige plaats Haulerwijk. Reken maar dat de kinderen voor die gelegenheid hun zondagse kleren aan hadden.

"In Drachtstercompagnie. Dat was een uur lopen. Maar ik heb niet veel naar skool gegaan. Dan ging ik er een paar dagen heen, dan weer niet dan moest ik op de kinderen passen. Later kwam de schoolwet erdoor, toen kwam de politie wel eens kijken op de Skieding, maar toen was ik dertien jaar. De andere kinderen zijn wel vaker naar school geweest, maar zij moesten 's avonds weer venten. Kwamen ze uit school, stond een emmertje klaar met pekelharings en mosterd, gauw even eten, aardappels en dan weer vort. Moesten ze venten langs de huizen. Wij moesten altijd werken, altijd. Mijn moeder ook. Och dat denk ik toch vaak, wat moest zij veel missen, mijn moeder. Die heeft geen leven gehad beslist, die heeft geen leven gehad. Ze is overleden in de bevalling, toen was ze negenen dertig jaar."

Wat was het voor iemand ?"Een hele flinke vrouw. Maar mijn vader heeft haar zo geslagen. Op het laatst konden ze niet meer met mekander, toen zouden ze skeiden.Maar toen is zij overleden.Ja om nou rechtuut te zeggen, er waren twee vrouwen. Mijn moeder had een dochter, toen ze trouwde. En daar ging mijn vader later mee. Toen ze achttien was moest ze al een kind van mijn vader hebben. Dat kun je begrijpen wat wij een raar huishouden hadden."

Dus uw moeder had een dochter voor ze trouwde."Ja, mijn moeder was gaan dienen bij de boer, toen ze zeventien was. En de boer had haar, och...........Dus ze moest een kind krijgen van de boer. Doe moest ze weg"

Wist die boer dat dat kind van hem was?"Ja, dat zeker. Maar doe waren er geen wetten. Er waren er zoveel, die een kind moesten, dan werden ze weggestuurd,h ? Toen dat kind geboren werd, dat was Trijntje, toen is mijn moeder bij mensen gaan dienen om de melk. Die mensen hadden een kind en zij had de beste melk. Ik weet niet hoe ze dat noemen, maar zij had de borsten. Haar eigen kind is bij grootmoe gebleven, die heeft het grootgebracht. Later is ze bij die mensen weggegaan, toen die jongen een jaar of vijf was, toen kwam ze hier weer bij andere mensen te dienen. Ze kwam weer in Drachtstercompagnie te wonen, daar komen wij weg h, en zo is ze aan mijn vader gekomen. Die stond op de loer zeiden ze dan. Ze zijn getrouwd en toen heeft hij dat kind aangenomen,

Dit is de geboorteakte van Trientje met de kant van de akte de erkenning door Oedze Veenema.

Zie, 't was wel een vreemd kind, maar dat wou hij er wel bij nemen. En daar ging hij later mee toen zij achttien was. Dat kon mijn moeder niet verwerken. Dat denk ik , daar lig ik 's nachts over te denken (haar stem breekt even) wat mijn moeder een slecht leven gehad heeft.Mijn moeder, ja ik heb nooit anders gehoord, die was altijd zuinig en netjes. Zij moest altijd werken, mijn vader verdiende maar een beetje. En toen ging hij met die Trijntje. Altijd ruzie, altijd ruzie, altijd ruzie.Dan leef je in angst, dat je vader en moeder niet met mekander kunnen.Die dag dat moeder overleden is, was ik met mijn vader naar de markt. Het varken is toen verkocht en het schaap is toen verkocht, zie de centen zouden ze verdelen.En toen mijn vader 's avonds thuiskam, is mijn moeder 's nachts overleden. Ze zeggen dan: ze is leeggelopen, ja, dat begrijp je zeker wel. Bij een bevalling.Want er was nooit een dokter of niks.Wat mijn vader heeft gedaan vergeet ik nooit.

Herinnert u zich dat nog ?"Och heden. Nog op de dag. Ik kan me de kleren nog voor de ogen krijgen die ze aan had. Daar hebben wij het nog wel eens over, mijn zuster zegt "Jij weet veel meer als ik". Ja zij was toen nog klein h.Mijn moeder kreeg een kind Hendrikje, die was zeven weken, toen kreeg die Trijntje ook een kind. Begrijp je wel ? Beide van mijn vader vanzelf. Dan hoef je niet te vragen hoe het ging. Zie wat mijn vader heeft gedaan vergeet ik nooit." (Ze bijt op haar onderlip tranen zijn nabij in haar stem)

"Ik heb n keer tegen mijn vader opgestaan, doe was ik vijftien denk ik. Er lag zo'n stuk sneeuw ik kon er niet doorkomen met de kruiwagen.Doe waren er jongens die zeiden "Heb je een stuk touw ?" Jawel. Nou die ene jongen kreeg de kruiwagen, de andere trok met het touw en ik droeg de boodskappen.

Doe kwam ik bij huis , daar zat mijn vader mooi bij de kachel met drie mannen. Ik zag mijn vader zitten, doe heb ik de kruiwagen heengezet en ben gaan zitten skreien op de w.c., dat was buiten. Mijn vader kwam: "Vooruit, in huis." "Ik ga niet in huis, nooit. Jij zegt dat je wil dat ik dood ben, nou, hoe gauwer hoe liever !" Doe kwamen die mannen buiten en dat werd een ruzie ! Ze zeiden: "Man ik zou me skamen, dat meisje staat nou altijd klaar, 's morgens vroeg en 's avonds laat. Als het nog weer voorvalt, dat dat kind zo behandeld wordt, dan komt er verder werk van, want dat gaat zo niet langer !"

Och, ze mochten mij allemaal graag lijden. Ik wou er ook zo graag uit om te dienen, maar ik mocht niet. Ik moest thuis helpen. Ik kon ergens komen te dienen, maar ja zeiden ze, je lijkt mij een heel flinke voor meid toe, maar je bent zo groot, je zal wel veel eten. Ik zeg: Nee vrouw ik hoef niet veel te eten. Zo graag wou ik er uit. Maar het ging over, ik was te groot. Ja ik heb een paar ogen uitgeskreid, hoor.

Later ben ik wel gaan dienen en toen ben ik getrouwd. Die Trijntje, waar mijn vader groot mee was, heeft die kinderen allemaal grootgebracht. Dat was wel een vrouw voor de huishouding.

Hoeveel kinderen had uw moeder ?Mijn moeder ? Ze had n kind, die Trijntje, toen is ze met vader getrouwd. Toen kwam erbij Wietske, Hendrikje, Griet, Tsjistke. Vier. En drie verloren. Doe was ze negenendertig jaar, doe is ze overleden.

En die Trijntje heeft ook nog meer kinderen gehad?Ja dat kan je begrijpen. Moet je maar zien.(Ze telt op haar vingers, dikke knokige vingers) Eerst had je Wietse, Griet, Hendrikje, Tsjitske. Toen Boukje, Anna, Jantje, Sijke, Pytsje, Feikje, Uilkje enne..Anna, heb ik die gehad. O nou Trijntje dan. Dat was het. Allemaal meisjes.

Geen jongens?Geeneen. Ja twee waren overleden. Wij hebben nog veel schik hoor, als we bij mekaar zijn. Wij zijn allemaal helemaal hele dikke vrouwen geworden (ze lacht), misschien omdat wij zo weinig eten hadden vroeger, je kunt dat niet denken.

Dat wou ik je ook nog vertellen van dat winkeltje. Wat alles toen kostte., iemand heeft het voor mij opgeskreven.( ze komt met een blocnotepapiertje: 1 pakje thee 6 cent, 1 cichorei 5 cent, 1 liter petroleum 10 cent, 1 pond stokvis 25 cent, 1 groot roggebrood 16 cent, 1 pond zeep 9 cent).

Aantekening van Henk Marinus (kleinzoon).Ik heb van Beppe een schrift gekregen met de prijzen van de winkel. Of het origineel is of later gemaakt weet ik niet. Het is nog met kroontjespen en inkt geschreven; achterin zit nog het bijbehorende vloeipapiertje.

Wij hadden dat winkeltje, zo weet ik ook, wat dat goed allemaal kostte. En dat werd allemaal met boerenkrijt opgetekend, dat zal ik je nog vertellen. Dat is een cent (ze tekent een cirkel), dat is een halve cent (halve cirkel), dat twee en een halve cent( een horizontale streep), dat was vijf cent (een kleine v), dat was een dubbeltje (kruisje) .

Maar waarvoor gebruikten ze die tekens dan.In het winkeltje dat schreven ze op de toonbank, met boerenkrijt. Zo werd het opgeteld begrijp je wel? Mijn zuster heeft het nooit gekend om anders te skrijven. Anders konden ze niet rekenen.

Was ze niet op school geweest ?Welnee. Ik had een tante die kon ook niet skrijven. Ik was miskien een jaar of veertien, dan zei mijn tante: Wil jij voor mij een brief skrijven? Dan zei zij wat ik skrijven moest, daar kreeg ik twee en een halve cent voor. Ach de meesten konden het niet. Die Trijntje was bij grootmoe grootgebracht, daar waren meer kinderen, de een moest op de ander passen, dan konden ze niet naar skool. Och t ging niet zo het nu is.

Kwamen uw grootouders ook uit de Skieding?Allevier, ja. Ons grootvader had ik liever als mijn vader, die had veel vrinden. Hij hield van een borrel, hij was eens naar de kermis gegaan om een skaap te verkopen en hij is zonder schaap en zonder geld thuuskommen. Hij was arbeider op het land, maar er was vaak geen werk. Mijn opoe ging dan raapjes zoeken op het land en die deed ze koken, zo zijn ze dr door gekomen.Mijn andere grootmoe, beppe, die ging maandags altijd naar Drachten, maandags mochten ze in Drachten vrij bedelen. Maar ze had een dochter, die diende in Drachten en die deed de deur op slot. Ze wou niet zien dat haar moeder om een aalmoes kwam vragen, zie? Later zei die dochterIk word gestraft.Want haar man heeft altijd gesukkeld.

Een beeld dat wij ons op het platteland niet meer kunnen voorstellen. Einde van de 19e eeuw nog toegestaan in Drachten, zij het alleen op maandag.

(De tweede keer dat ik kom, heb ik een ansichtkaart meegnomen, een reproductie van een wandplaat van C.Jetses. Hei, een hutje met strodak, waterput, een geit, ver weg herder met schapen)

Zag het er zo uit, uw huis ?(Ze zet haar bril op een kijkt een tijd.) Nou dat skeelt niet veel. Nee dat skeelt niet veel Ze blijft turen. Alleen de deur was meer opzij, want wij hadden een klein winkeltje, dat hadden wij er later aangebouwd, zie. Maar dat was het huis, de kamer zal ik maar zeggen.

Hoe zag het er van binnen uit?Ja het was een kamer, vierkant, een beetje groter dan deze. (ze wijst de kamer rond). Als nou daar de kamer ophoudt..mag ik het potlood even? Zie dan was daar allemaal stro, daar moesten wij slapen. En daarachter was een oud hok, daar zaten de geiten in en het skaap. De skoorsteen was in het midden van de kamer, daar stond de kachel onder, daar hing de ketel. Een keuken was er niet. Er was een hoek daar waren allemaal bordjes, want mijn moeder had gediend bij mensen, die hadden wel centen en daar had mijn moeder dan een beetje van gekregen.

En dan was daar, zie daar was een beetje ruimte, daar stond de koffiepot in een emmertje. Theestoof zeiden wij dan, maar het was een gewone emmer, zwart, maar er zat geen bloempje op. Die had mijn moeder van die vrouw gekregen. En daar stond de kast en daar was een bed, en aan die kant weer twee bedden. Ach ik kan het allemaal nog voor de geest krijgen. De vloer was van leem met zand erover gestrooid, later kwamen er matjes op. Want als je het wat beter kreeg, dan wou je het ook graag een beetje knap hebben. Wij hadden een echte tafel. Ik had ook familie, daar hadden ze een tafeltje met vier stammetjes uit het bos. Plankjes eroverheen, dan wat papier, kranten dan een stukje behang. Dat was de tafel.Maar toen waren de mensen nog beter tevreden als nou, dat is beslist waar.

Die spithutten zijn er niet meer, die zijn allemaal zo zachtjes opgebrand. Er staan nou knappe huizen. Ach je had zon huisje gauw klaar. Er waren eens mensen, vijfendertig cent hadden die, doe ze gingen trouwen. Er werd niks verdiend. Voor die mensen hebben ze s nachts een huis gebouwd, allemaal met mekander. Die deed dit en die deed dat en s morgens hadden ze een huis

Waarom s nachts?Ja, het mocht niet. Maar toen stond het eenmaal, het heeft een hele poos gestaan. Ach ze waren allemaal arm op de Skieding. De kinderen moesten ook allemaal helpen. Ik deed altijd boodskappen, op school ook. De meester zijn vrouw riep me dan: Kom even Wietske. Zei meester: Zo, mot de krullekop ook weer vort? En de brievenman: kom je even aan Wietske? Naar de Skieding was een mooi eind lopen, dan gaf hij mij soms een stuk of vijf brieven of kaarten mee, dan kreeg ik een cent. Dan was ik al blij. We waren blij met niks.Met kleren ook. Ik heb een jurk gehad van havermoutzakken. Die zakken werden naar de verver gebracht, zie, dan waren ze niet wit meer. Mijn vriendinnetje kreeg een met blauwe sterretjes en ik een met rode sterretjes. Wij waren de wereld te rijk. Dat was heel sterk goed, dan had je voor jaren een jurk. Och mens dat was een andere wereld dat kan je je niet indenken.

Kousen, ik had kousen voor een dubbeltje, die heb ik een hele winter gedragen. Dat was van dat bruin katoengaren. Die werden gewassen, voor het vuur weer droog, dan moest ik even met blote voeten. Zo was dat. Ik deed ook altijd boodskappen bij de apotheek, dan zeiden de mensen: Wiets, neem je dat even mee en dat.

Jeneverolie, dat namen ze dan in en haarlemmerolie, want ze gingen niet zo gauw naar de dokter.(De deur gaat open, een oude vrouw staat op de drempel.)Heb je bezoek ?Ja die mevrouw is op de koffie.Is die mevrouw op de koffie ?Ja die mevrouw is op de koffie.(Ze blijft even staan in de deuropening, trekt dan de deur zachtjes dicht.)

Wat gebeurde er als mensen ziek werden ?Och dat werd wel weer over. Er is haast nooit een dokter geweest. Veel kinderen hadden buikpijn, dan dit, dan dat, maar daar werd niet zoveel naar gekeken. Het was krek, de wereld was toen net als je nu voor de televisie ziet. Ach we hadden ook wel schik hoor. Je had voor een beetje veel plezier. Ze rookten toen van die lange witte pijpen, dat weet je niet h, en die stukjes, als die afgebroken waren, daar speelden wij weer mee.

De kleipijp was door door de lange steel nogal kwetsbaar.

Net als knikkeren. Die gooiden wij tegen de muur bij de school en die het dichtst bij de muur had gegooid, die mocht alles hebben wat er lag.Wij speelden ook met noten. Die lagen op een rijtje en als je er een raak schoot, mocht je alles houden.En zingen. Mijn vader had een harmonica, dan zongen wij daarbij.

Dus zo slecht was hij niet voor zijn kinderen.Hij was niet slecht. Er was geen mens, die een cent aan hem te kort kwam, hij was eerlijk als goud. Alleen dat met die andere vrouw. Van de week stond het nog in de krant, een man ging weg met een jonge vrouw, dan komt bij mij alles terug, h. Dan denk, ach god, dan denk je alles na. Ik heb in mijn bed wat afgeskreid, dat wil ik je wel beloven. Maar die liedjes die wij zongen, daar heb ik een boekje van, dat zal ik je laten zien.(Ze haalt een boekje, getiteld: Zo de ouden zongen, liederen uit de oude doos. Ik blader erin In t zwarte klooster, Het fiere schooiershart, Het vrouwtje van Stavoren, De Transvaalse boeren. De bundel waaruit werd gezongen.

Hoeveel kinderen heeft u zelf ?Vijf. Toen we trouwden hebben we drie kinderen gehad en elf jaar later nog twee. Maar mijn zoon is overleden, die staat hier. ( ze haalt een foto van het kastje) Zie dit was mijn zoon, die is overleden met 46 jaar. En dat was mijn man ( Terwijl ze de fotos terugzet, mompelt ze wat voor zich uit.)

Wat deed uw man?Bij de boer, werkman. En koetsier hier bij het caf. En later is hij met melk begonnen, met de kar. Ik zal niet zeggen dat wij nooit eens woorden hadden, maar wij waren goed met mekander, ja. Hij is nou al weer acht jaar dood.

Hoe vindt u het leven nu alles zo makkelijk is? Terwijl u zo arm geweest bent?Ach ik kan mij heel goed schikken. Maar zie de mensen weten niet hoe het geweest is. Ze leven nou in welvaart, maar dat weten ze niet.

Hebt u nooit gedacht, toen u het zo arm had vroeger: waarom hebben wij het niet wat beter?Ja dat denk je wel, maar wat moet je?

Was u nooit opstandig? Als u bij andere mensen kwam en u zag dat die het goed hadden, dacht u dan niet: het is niet eerlijk verdeeld in de maatschappij?Nee, daar prakiseerde ik niet om. In de Skieding, waren we allemaal hetzelfde, allemaal armoe. In Drachten was het een beetje beter, ja

Werd er nooit gezegd op de Skieding: waarom verdienen wij zo weinig? Ja, wij wisten niet anders

Herinnert u zich dat het socialisme begon?Dat kan ik niet zeggen, dat weet ik niet.

Werd er nooit gestaakt?Nee. Ja, in Beets had je wel bollejagers, dat waren veenarbeiders, die gingen staken. Maar op de Skieding niet. Ja, ze waren woest, dat zeggen ze van de heide h, altijd vechten. De een kon de ander niet zien. Maar staken niet.

Hebt u later socialistisch gestemd ?Ja, dat stem ik altijd, want die hebben veel voor de mensen gedaan. Maar we praatten er nooit over. Wij hebben wel een keer meegedaan met een demonstratie.

Was u gelovig?Ja, gewoon hervormd waren we. Eerst de zondagsskool en later vraagskool. Wij deden altijd bidden aan tafel. Dat doe ik nog, ik zit hier alleen dan doe ik het nog altijd.Nee, wij hadden geen bijbel thuis. Ik heb er nog geen een. Wel een oud kerkboekje.

Kwam er wel eens een dominee in de Skieding ?Nee, daar heb ik nooit wat over gehoord.

Deed de kerk wel eens iets aan liefdadigheid ?Nee. Later was er een naaiskool, die werd er wel eens iets uitgedeeld voor de arme mensen.De dingen waar ze op hadden geoefend. Maar de kerk niet, nee.

Vond u het niet vreemd, dat de kerk predikt: Hebt u naasten liefen dat ze niets voor de mensen deden?Dat heb ik nooit geweten. Ach daar werd ook niet over gepraat. Ik weet ook niet zo heel veel van het geloof af. En lezen deed ik ook niet. Ik kon niet veel lezen hoor. Ik ben niet veel op skool geweest, ik moest altijd thuis blijven. En toen ik getrouwd was ook niet, ik had geen tijd. Wij hadden nooit tijd. Ik had mijn huishouden, ik maakte skolen skoon en s avonds zat je te naaien of te verstellen. Ik leer het nou. Ik zit nou wel eens gauw te lezen. (Ze zoekt, komt met een bibliotheekboek Bartjevan Anne de Vries)

Hoe vindt u het om nu nog te gaan lezen?Mooi, Maar ach, mijn gemoed wordt wel eens vol hoor. Hierbij heb ik ook zitten skreien (Verstikte stem, ze haalt een grote zakdoek te voorschijn).

Iemand in een wit schort komt melden, dat er mensen op me wachten in de gang. Ik neem afscheid. H. en J. bij wie ik zal logeren, stellen voor langs Drachtstercompagnie te rijden, zodat ik kan zien waar Wietske heeft gewoond.

Ver buiten het dorp vinden wij tenslotte een weg met een flauwe bocht, waar een bordje staat De Skieding. Wij stoppen bij de kei, die Wietske heeft genoemd een grote dikke steen met leeuwen erop , waarop de namen staan van vijf gemeenten, die hier kennelijk aan elkaar grenzen. Ver uit elkaar liggen wat huisjes, verloren en verlaten in het landschap. Er is geen levende ziel te zien.Tenslotte rijden wij terug naar een geriefelijk huis met open haard en sherry.Als wij langs de weg naar Drachten rijden, denk ik aan Wietske, die hier zo vaak heeft gelopen met een kruiwagen vol boodschappen, bijna tachtig jaar geleden.

De steen op De Skieding

Naschrift van Henk Marinus, pakesizzer van Beppe Oerterp.

Dit verhaal in de Margriet werd ineens weer levend toen in de Leeuwarder Courant van 5 augustus 2017 de journalist Bonne Stienstra een column schreef met als titel "Hee, Bauke jonge, graach of net." Hij houdt daarin een pleidooi om oudere mensen te vragen naar hun levensverhaal, hun leefomstandigheden.

Ik heb hem naar aanleiding daarvan dit verhaal van mijn beppe Wietske Veenema toegestuurd, waaraan hij later nog een artikel heeft gewijd.

Het Margrietverhaal bestaat natuurlijk niet digitaal en een scan levert niet het gewenste resultaat. Maar slecht weer en interesse doen dan de rest, vandaar het verhaal, zoals dat destijds verscheen in goed leesbare vorm en aangevuld met passende illustraties.

september 2017.